Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Landbouw - Harmonisatie van wetgevingen - Regeling van handelsverkeer met derde landen - Rechtsgrondslag
( EEG-Verdrag, artikelen 38, lid 2, 39, 40, lid 3, 43, 100 en 113; richtlijn 87/64 van de Raad )
Samenvatting
Artikel 43 EEG-Verdrag is de geschikte rechtsgrondslag voor alle regelingen betreffende de produktie en het in de handel brengen van de in bijlage II bij het Verdrag genoemde landbouwprodukten, die bijdragen tot de verwezenlijking van één of meer van de in artikel 39 EEG-Verdrag genoemde doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid . Zelfs indien dergelijke regelingen niet alleen gericht zijn op landbouwpolitieke doelstellingen, maar ook op andere doelstellingen die, bij gebreke van een specifieke bepaling, langs de weg van artikel 100 EEG-Verdrag worden nagestreefd, kunnen zij een harmonisatie van de nationale bepalingen op dit vlak meebrengen, zonder dat daartoe een beroep op dit laatste artikel behoeft te worden gedaan . Dit kan immers, gezien de voorrang die artikel 38, lid 2, EEG-Verdrag aan de specifieke bepalingen op landbouwgebied toekent boven de algemene bepalingen betreffende de instelling van de gemeenschappelijke markt, niet worden aangevoerd om de werkingssfeer van artikel 43 te beperken .
Richtlijn 87/64, houdende wijziging van de richtlijnen 72/461 en 72/462 inzake gezondheidsvraagstukken bij het intracommunautaire handelsverkeer in en de invoer uit derde landen van vers vlees, is enerzijds van toepassing op onder bijlage II vallende produkten en draagt anderzijds, waar zij ernaar streeft de farmaceutische industrie in staat te stellen een landbouwgrondstof tegen redelijke prijzen en in voldoende hoeveelheden te betrekken, ertoe bij de voorziening veilig te stellen en redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers te verzekeren . Dit zijn doelstellingen die in artikel 39, lid 1, sub d en e, EEG-Verdrag worden genoemd .
Bovendien is het enkele feit dat de richtlijn de voorwaarden regelt waaronder de betrokken produkten, zowel in het intracommunautaire handelsverkeer als wanneer zij uit derde landen afkomstig zijn, in de handel worden gebracht, op zich nog geen grond om artikel 113 toepasselijk te maken . Uit artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag blijkt, dat in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid genomen maatregelen ook de in - en uitvoer van de betrokken produkten kunnen beïnvloeden .
De richtlijn moest dus door de Raad enkel op basis van artikel 43 worden vastgesteld . Daar dit niet is gebeurd, moet zij worden nietig verklaard .
Partijen
in zaak 131/87,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D . Booss, juridisch adviseur, en D . Grant Lawrence, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
ondersteund door
Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door G . M . Borchardt en M . A . Fierstra van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Nederlandse ambassade,
interveniënt,
tegen
Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J . Delmoly en M . Sims, respectievelijk hoofdadministrateur en administrateur bij zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij J . Kaeser, directeur van de juridische dienst van de Europese Investeringsbank, 100, boulevard Konrad-Adenauer,
verweerder,
ondersteund door
Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, vertegenwoordigd door J . A . Gensmantel van het Treasury Solicitor' s Department, als gemachtigde, en R . Plender, barrister, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter ambassade van het Verenigd Koninkrijk,
en
Koninkrijk Denemarken, vertegenwoordigd door J . Molde, juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Deense ambassade, bij de waarnemend zaakgelastigde, S . Rubow, ministerraad,
interveniënten,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van richtlijn 87/64 van de Raad van 30 december 1986 houdende wijziging van richtlijn 72/461 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees en van richtlijn 72/462 inzake gezondheidsvraagstukken en veterinairrechtelijke vraagstukken bij de invoer van runderen en varkens en van vers vlees uit derde landen ( PB 1987, L 34, blz . 52 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt : O . Due, president, Sir Gordon Slynn en F . A . Schockweiler, kamerpresidenten, G . F . Mancini, R . Joliet, T . F . O' Higgins, J . C . Moitinho de Almeida, G . C . Rodríguez Iglesias en F . Grévisse, rechters,
advocaat-generaal : C . O . Lenz
griffier : D . Louterman, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 20 juni 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 juli 1989,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 22 april 1987, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 173, eerste alinea, EEG-Verdrag verzocht om nietigverklaring van richtlijn 87/64 van de Raad van 30 december 1986 houdende wijziging van richtlijn 72/461 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees en van richtlijn 72/462 inzake gezondheidsvraagstukken en veterinairrechtelijke vraagstukken bij de invoer van runderen en varkens en van vers vlees uit derde landen ( PB 1987, L 34, blz . 52 ).
2 Richtlijn 72/461 van de Raad van 12 december 1972 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees ( PB 1972, L 302, blz . 24 ), zoals met name gewijzigd bij richtlijn 85/322 van de Raad van 12 juni 1985 ( PB 1985, L 168, blz . 41 ), bepaalt aan welke gezondheidsvoorschriften moet worden voldaan door dieren waarvan het vers vlees in het intracommunautaire handelsverkeer wordt gebracht . Richtlijn 72/462 van de Raad van 12 december 1972 inzake gezondheidsvraagstukken bij de invoer van runderen en varkens en van vers vlees uit derde landen ( PB 1972, L 302, blz . 28 ), zoals met name gewijzigd bij richtlijn 83/91 van de Raad van 7 februari 1983 ( PB 1983, L 59, blz . 34 ), bevat gezondheidsvoorschriften en veterinairrechtelijke voorschriften voor de invoer van de daarin bedoelde produkten uit derde landen .
3 Ten einde de invoer uit derde landen van klieren en organen, met inbegrip van bloed, bestemd voor de farmaceutische industrie te vergemakkelijken en ten einde dezelfde faciliteiten te verlenen in het intracommunautaire handelsverkeer in die produkten, stelde de Raad richtlijn 87/64 vast, die het onderwerp is van het onderhavige beroep .
4 Deze richtlijn is gebaseerd op de artikelen 100 en 113 EEG-Verdrag, ofschoon de Commissie artikel 43 als rechtsgrondslag had voorgesteld, zoals zij eerder had gedaan voor de richtlijnen 72/461 en 72/462, die door de Raad werden vastgesteld op basis van de artikelen 43 en 100 EEG-Verdrag .
5 De Commissie, ondersteund door het Koninkrijk der Nederlanden, is van mening, dat de bestreden richtlijn enkel op basis van artikel 43 had moeten worden vastgesteld, terwijl het volgens de Raad, ondersteund door het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en het Koninkrijk Denemarken, correct was, de artikelen 100 en 113 als rechtsgrondslag te kiezen .
6 Voor een nadere uiteenzetting van de voorgeschiedenis van het geding, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
7 Om te beginnen moet eraan worden herinnerd dat, in het kader van het stelsel van bevoegdheden van de Gemeenschap, de keuze van de rechtsgrondslag van een handeling moet berusten op objectieve gegevens die voor rechterlijke toetsing vatbaar zijn ( arrest van 26 maart 1987, zaak 45/86, Commissie/Raad, Jurispr . 1987, blz . 1493, r.o . 11 ).
8 In casu is het twistpunt over de juiste rechtsgrondslag niet van louter formele betekenis, daar de artikelen 100 en 43 verschillende regels bevatten voor de wilsvorming van de Raad . De keuze van de rechtsgrondslag kon derhalve gevolgen hebben voor de bepaling van de inhoud van de bestreden richtlijn .
9 Bijgevolg moet worden onderzocht of deze richtlijn, gelijk de Commissie betoogt, had moeten worden gebaseerd op artikel 43 EEG-Verdrag, met uitsluiting van de artikelen 100 en 113 .
10 Zoals het Hof in zijn arresten van 23 februari 1988 ( zaken 68/86 en 131/86, Verenigd Koninkrijk/Raad, Jurispr . 1988, blz . 855 en 905 ) overwoog, is artikel 43 EEG-Verdrag de geschikte rechtsgrondslag voor elke regeling betreffende de produktie en het in de handel brengen van de in bijlage II bij het Verdrag genoemde landbouwprodukten, die bijdraagt tot de verwezenlijking van één of meer van de in artikel 39 EEG-Verdrag genoemde doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid . Dergelijke regelingen kunnen een harmonisatie van de nationale bepalingen op dit vlak meebrengen, zonder dat daartoe een beroep op artikel 100 EEG-Verdrag behoeft te worden gedaan .
11 In dezelfde arresten herinnerde het Hof eraan, dat artikel 38, lid 2, EEG-Verdrag aan de specifieke bepalingen op landbouwgebied voorrang toekent boven de algemene bepalingen betreffende de instelling van de gemeenschappelijke markt, en dat dus, zelfs indien de betrokken regelingen gericht zijn op zowel landbouwpolitieke doelstellingen als op andere doelstellingen die, bij gebreke van een specifieke bepaling, langs de weg van artikel 100 EEG-Verdrag worden nagestreefd, aan dit artikel, dat een algemene bepaling is op grond waarvan richtlijnen voor het nader tot elkaar brengen van de wetgevingen van de Lid-Staten kunnen worden vastgesteld, geen argument kan worden ontleend om de werkingssfeer van artikel 43 EEG-Verdrag te beperken .
12 Gelet op het voorgaande moet worden onderzocht, of de produkten waarop de bestreden richtlijn betrekking heeft, onder bijlage II bij het Verdrag vallen, en of deze richtlijn bijdraagt tot de verwezenlijking van een of meer doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid .
13 Uit bovengenoemde rechtspraak volgt, dat de vervulling van die twee voorwaarden volstaat om te kunnen spreken van een regeling op landbouwgebied, die derhalve onder artikel 43 EEG-Verdrag valt . De omstandigheid dat er in de betrokken sector reeds gemeenschappelijke marktordeningen bestaan, vormt daarbij weliswaar een zeer belangrijke aanwijzing, maar is, anders dan tot staving van de conclusies van de Raad is betoogd, geen noodzakelijke voorwaarde .
14 Om te kunnen vaststellen of de in de richtlijn bedoelde produkten onder bijlage II bij het Verdrag vallen, dient te worden nagegaan hoe zij moeten worden ingedeeld onder de nomenclatuur voor de classificering van goederen, vastgesteld bij het verdrag van 15 december 1950 ( United Nations Treaty Series, vol . 347, blz . 127 ), beter bekend als de IDR-nomenclatuur, waarnaar in bijlage II bij het EEG-Verdrag wordt verwezen .
15 In de eerste plaats zij erop gewezen, dat volgens de Toelichtingen bij de IDR-nomenclatuur, gepubliceerd door de Internationale Douaneraad in 1966, klieren en organen moeten worden gerangschikt onder hoofdstuk 2 ( vlees en eetbare slachtafvallen ) wanneer zij "geschikt zijn voor menselijke consumptie" en dat bloed in ieder geval moet worden ingedeeld onder post 05.15 ( produkten van dierlijke oorsprong, elders genoemd noch elders onder begrepen; dode dieren van de soorten bedoeld bij de hoofdstukken 1 en 3, niet geschikt voor menselijke consumptie ), omvattende "dierlijk bloed, ook indien geschikt voor menselijke consumptie, zowel vloeibaar als gedroogd ". De onder die posten ingedeelde produkten vallen onder bijlage II bij het Verdrag .
16 Anderzijds moeten, eveneens volgens die Toelichtingen, klieren en organen worden ingedeeld onder posten die niet in bijlage II zijn genoemd, namelijk onder post 05.14 ( grijze amber, bevergeil, civet en muskus; Spaanse vlieg en gal, ook indien gedroogd; dierlijke stoffen van de soort, welke wordt gebruikt voor het bereiden van farmaceutische produkten, vers, gekoeld of bevroren ofwel anderszins voorlopig geconserveerd ) indien zij "van natuur of in de staat waarin zij voorkomen, ongeschikt zijn voor menselijke consumptie" en onder post 30.01 ( klieren en andere organen, voor opotherapeutisch gebruik, gedroogd, ook indien in poedervorm; extracten van klieren, van andere organen of van afscheidingsprodukten daarvan, voor opotherapeutisch gebruik; andere dierlijke stoffen, elders genoemd noch elders onder begrepen, voor therapeutische of profylactische doeleinden ) indien zij "gedroogd" en dus ook ongeschikt voor menselijke consumptie zijn .
17 Bijgevolg vallen klieren en organen niet onder bijlage II bij het Verdrag, tenzij wanneer zij geschikt zijn voor menselijke consumptie . Bloed valt in ieder geval onder bijlage II .
18 Voorts zij erop gewezen, dat de bestreden richtlijn betrekking heeft op "klieren en organen, met inbegrip van bloed", doch enkel indien zij geschikt zijn voor menselijke consumptie . De richtlijn beperkt zich ertoe, bepaalde voorwaarden voor de handel in die produkten te wijzigen, zonder de materiële werkingssfeer van de twee richtlijnen die zij wijzigt, te verruimen of te beperken . Deze werkingssfeer is omschreven in artikel 1 van richtlijn 72/461, waarnaar in artikel 2 van richtlijn 72/462, zoals gewijzigd bij voormelde richtlijn 83/91, wordt verwezen .
19 Luidens artikel 1, lid 1, van richtlijn 72/461 heeft deze richtlijn "betrekking op het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees, afkomstig van huisdieren behorende tot de soorten : runderen, varkens, schapen en geiten, alsmede van eenhoevige dieren die als huisdieren worden gehouden ". Artikel 1, lid 2, preciseert, dat "als vlees worden beschouwd alle delen van deze dieren, die geschikt zijn voor menselijke consumptie ".
20 Anders dan het Verenigd Koninkrijk stelt, moet in dat verband geen onderscheid worden gemaakt naar gelang de klieren en organen "van natuur" (" suitable for human consumption ") of "in de staat waarin zij voorkomen" (" fit for human consumption ") geschikt zijn voor menselijke consumptie . Een dergelijk onderscheid vindt geen steun in de bewoordingen van richtlijn 72/461 of in de Toelichtingen bij de IDR-nomenclatuur, waarop het Verenigd Koninkrijk zich beroept .
21 Bijgevolg kunnen produkten niet worden beschouwd als geschikt voor menselijke consumptie in de zin van richtlijn 72/461 ( in het Engels "fit for human consumption ") en van voormelde posten van de IDR-nomenclatuur ( in het Engels, naar gelang van het geval, "fit" of "suitable "), indien zij niet, hetzij van natuur, hetzij in de staat waarin zij voorkomen, aan die voorwaarden voldoen .
22 Bijgevolg vallen de door de richtlijnen 72/461 en 72/462 - en dus ook door de bestreden richtlijn - bestreken produkten onder bijlage II bij het Verdrag .
23 Met betrekking tot de vraag of de bestreden richtlijn bijdraagt tot de verwezenlijking van doelstellingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, moet in de eerste plaats worden vastgesteld dat, zoals de Commissie heeft opgemerkt, de bestreden richtlijn, waar zij ernaar streeft de farmaceutische industrie in staat te stellen een landbouwgrondstof tegen redelijke prijzen en in voldoende hoeveelheden te betrekken, ertoe bijdraagt de voorziening veilig te stellen en redelijke prijzen bij de levering aan verbruikers te verzekeren . Dit zijn doelstellingen die in artikel 39, lid 1, sub d en e, EEG-Verdrag worden genoemd .
24 In dit verband moet worden opgemerkt, dat, anders dan ter ondersteuning van de conclusies van de Raad is betoogd, de voorziening in de behoeften van de industrie niet van die doelstellingen mag worden uitgesloten . Niets in artikel 39 rechtvaardigt een dergelijke uitsluiting, en bovendien zijn vele landbouwprodukten het voorwerp van industriële verwerking . Het zou pure willekeur zijn, ze om die reden van de werkingssfeer van het gemeenschappelijk landbouwbeleid uit te sluiten .
25 Met betrekking tot het onbetwiste feit, dat de bestreden richtlijn, op zichzelf of in samenhang met de richtlijnen die zij wijzigt, ook tot doel heeft de volksgezondheid te beschermen, volstaat het eraan te herinneren, dat blijkens voornoemde arresten van 23 februari 1988 in de zaken 68/86 en 131/86 bij het nastreven van de doeleinden van het gemeenschappelijk landbouwbeleid niet mag worden voorbijgegaan aan eisen van het algemeen belang, waaronder met name de bescherming van de gezondheid, en dat de omstandigheid dat in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid tot stand gekomen handelingen tevens zijn gericht op doelstellingen die, bij gebreke van een specifieke bepaling, langs de weg van artikel 100 EEG-Verdrag worden nagestreefd, die handelingen niet aan het toepassingsgebied van artikel 43 onttrekt .
26 Het beroep op artikel 113 als rechtsgrondslag voor de bestreden beschikking, is volgens de Raad gerechtvaardigd omdat de richtlijn tot doel heeft de invoer van de betrokken produkten in de Gemeenschap te vergemakkelijken .
27 In dit verband moet in de eerste plaats worden vastgesteld, dat de bestreden richtlijn tot doel heeft de voorwaarden waaronder de betrokken produkten in de handel worden gebracht, eenvormig te regelen, en zulks niet alleen met betrekking tot goederen die uit derde landen afkomstig zijn, maar ook met betrekking tot het intracommunautaire handelsverkeer .
28 Voorts zij erop gewezen, dat het enkele feit dat de bestreden richtlijn ook de invoer in de Gemeenschap betreft, niet volstaat om artikel 113 toepasselijk te maken . Uit artikel 40, lid 3, EEG-Verdrag blijkt, dat in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid genomen maatregelen ook gevolgen mogen hebben voor de in - en uitvoer van de betrokken produkten .
29 Uit het voorgaande volgt, dat de bestreden richtlijn binnen de werkingssfeer van artikel 43 EEG-Verdrag valt en dat de Raad ze derhalve ten onrechte op grond van de artikelen 100 en 113 heeft vastgesteld . Zij moet derhalve worden nietig verklaard .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
30 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover zulks is gevorderd . Aangezien de Raad in het ongelijk is gesteld, dient hij te worden verwezen in de kosten, uitgezonderd die van de interveniërende partijen, omdat de regeringen van het Verenigd Koninkrijk en Denemarken eveneens in het ongelijk zijn gesteld en de Nederlandse regering geen kosten heeft gevorderd .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende :
1 ) Verklaart nietig richtlijn 87/64 van de Raad van 30 december 1986 houdende wijziging van richtlijn 72/461 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in vers vlees en van richtlijn 72/462 inzake gezondheidsvraagstukken en veterinairrechtelijke vraagstukken bij de invoer van runderen en varkens en van vers vlees uit derde landen .
2 ) Verwijst de Raad in de kosten, uitgezonderd die van de interveniërende partijen, die hun eigen kosten zullen dragen .
Full & Egal Universal Law Academy