Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Eigen middelen van de Europese Gemeenschappen - Terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten - Artikel 13 van verordening nr . 1430/79 - Beschikking van Commissie op verzoek van Lid-Staat - Termijn - Praktijk van Commissie om verlenging te verkrijgen via intrekking en hernieuwde indiening van verzoek - Misbruik van procedure - Onwettigheid
( Verordening van de Raad nr . 1430/79, artikel 13; Verordening van de Commissie nr . 1575/80, zoals gewijzigd, artikelen 5, tweede alinea, en 7 )
Samenvatting
Wanneer een Lid-Staat de Commissie heeft verzocht, vast te stellen dat terugbetaling van invoerrechten op grond van artikel 13 van verordening nr . 1430/79 gerechtvaardigd is,
maakt de Commissie zich schuldig aan misbruik van procedure door de betrokken Lid-Staat uit te nodigen, haar verzoek in te trekken en enige tijd later een nieuw verzoek in te dienen, om te voorkomen dat, ingevolge artikel 7 van verordening nr . 1575/80, zoals gewijzigd bij verordening nr . 945/83, de omstandigheid dat zij binnen de in artikel 5, tweede alinea, van verordening nr . 1575/80 gestelde termijn van vier maanden geen beschikking heeft gegeven, ertoe leidt dat de nationale autoriteiten op het verzoek van de betrokkene gunstig beslissen . Bijgevolg moet de beschikking van de Commissie, die niet is gegeven binnen de termijn van vier maanden, te rekenen vanaf het oorspronkelijke verzoek, worden nietig verklaard daar zij het resultaat is van een over de gehele linie gebrekkige procedure .
Partijen
In zaak 148/87,
Th . Frydendahl Pedersen A/S, te Hvide Sande ( Denemarken ), vertegenwoordigd door A . Torboel, advocaat te Kopenhagen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Stanbrook and Hoopers, 7, Val Sainte-Croix,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J . Sack en I . Langermann, lid van haar juridische dienst, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, bâtiment Jean Monnet, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 26 februari 1987 houdende vaststelling dat terugbetaling van invoerrechten niet gerechtvaardigd is,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste kamer ),
samengesteld als volgt : G . Bosco, kamerpresident, R . Joliet en F . A . Schockweiler, rechters,
advocaat-generaal : C . O . Lenz
griffier : H . A . Ruehl, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 4 mei 1988,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 juni 1988,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 12 mei 1987, heeft Th . Frydendahl Pedersen A/S, gevestigd te Hvide Sande, Denemarken, krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag beroep ingesteld tot nietigverklaring van de beschikking van de Commissie van 26 februari 1987 houdende vaststelling dat terugbetaling van de door verzoekster betaalde invoerrechten ten bedrage van 1 756 932 DKR, zoals bedoeld in het verzoek van Denemarken van 28 oktober 1986, niet gerechtvaardigd is .
Verzoekster is een Deense vennootschap die netten aan vissersboten levert . Op 28 september 1984 verzocht zij het douanekantoor Holstebro om terugbetaling van de bedragen die zij tussen 8 oktober 1980 en 14 juni 1984 aan invoerrechten over visnetten had betaald, vermeerderd met interessen, met het betoog dat genoemd douanekantoor gedurende die vier jaar een onjuiste uitlegging had gegeven aan de ter zake geldende communautaire voorschriften .
Op 11 juni 1986 dienden de Deense autoriteiten bij de Commissie een verzoek in om toepassing van artikel 13 van verordening nr . 1430/79 van de Raad van 2 juli 1979 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in - of uitvoerrechten ( PB 1979, L 175, blz . 1 ). Volgens artikel 13 kan tot terugbetaling of kwijtschelding van invoerrechten worden overgegaan in situaties die het gevolg zijn van buitengewone omstandigheden, die geen enkele nalatigheid of manipulatie van de zijde van de betrokkene inhouden .
Bij beschikking van 26 februari 1987, gericht tot de Deense autoriteiten, verklaarde de Commissie dat het verzoek om terugbetaling ongegrond was .
Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dit voor de redenering van het Hof noodzakelijk is .
Tot staving van haar beroep betoogt verzoekster, dat de bestreden beschikking onwettig is . Primair beroept zij zich daartoe op onwettigheid van de rechtsgrondslag van de beschikking, te weten verordening nr . 3799/86 van de Commissie van 12 december 1986 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van de artikelen 4 bis, 6 bis, 11 bis en 13 van verordening nr . 1430/79 van de Raad ( PB 1986, L 352, blz . 19 ). Subsididiar betoogt zij dat verordening nr . 3069/86 van de Raad van 7 oktober 1986 tot wijziging van verordening nr . 1430/79 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in - of uitvoerrechten ( PB 1986, L 286, blz . 1 ) een onjuiste rechtsgrondslag vormt, daar zij niet van toepassing is op verzoeken om terugbetaling als het onderhavige, dat is ingediend vóór 1 januari 1987 . Meer subsidiair merkt zij op, dat de bestreden beschikking is gegeven na het verstrijken van de termijnen gesteld in verordening nr . 1575/80 van de Commissie van 20 juni 1980 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van artikel 13 van verordening nr . 1430/79 van de Raad ( PB 1980, L 161, blz . 13 ), zoals gewijzigd bij verordening nr . 945/83 van de Commissie van 21 april 1983 houdende tweede wijziging van verordening nr . 1575/80 ( PB 1983, L 104, blz . 14 ), en zeer subsidiair, dat in casu aan de voorwaarden voor terugbetaling is voldaan .
In de eerste plaats moet het middel worden onderzocht dat verzoekster ontleent aan onwettigheid van de bestreden beschikking wegens termijnoverschrijding .
Verzoekster betoogt dat de Commissie zich in casu niet heeft gehouden aan de termijn van vier maanden bedoeld in artikel 5, tweede alinea, van verordening nr . 1575/80, zoals gewijzigd bij verordening nr . 945/83 . De Deense autoriteiten zonden het verzoek om terugbetaling op 11 juni 1986 aan de Commissie . De Commissie, van oordeel dat zij voor het onderzoek van het dossier nadere gegevens nodig had, verzocht de Deense autoriteiten, hun oorspronkelijke verzoek in te trekken en na enige tijd een nieuw verzoek in te dienen . De Deense autoriteiten gaven aan dit verzoek gevolg en trokken hun oorspronkelijke verzoek in om op 28 oktober 1986 een nieuw verzoek in te dienen . Onder die omstandigheden, aldus verzoekster, is de beschikking van de Commissie, vastgesteld op 26 februari 1987 en door de Deense minister van Belastingen op 13 maart 1987 ter kennis van verzoekster gebracht, tot stand gekomen na het verstrijken van bovenbedoelde termijn van vier maanden en derhalve onwettig .
De Commissie bestrijdt niet de juistheid van verzoeksters weergave van de feiten . Zij betoogt evenwel dat strikte inachtneming van de in voornoemde bepaling gestelde termijn van vier maanden tot een weinig bevredigende rechtssituatie leidt, daar zij in sommige gevallen te kort is om een zaak volledig te kunnen onderzoeken en daar artikel 7 van verordening nr . 1575/80 bepaalt, dat wanneer de Commissie binnen die termijn haar beschikking niet heeft gegeven, de beschikkende ( nationale ) autoriteit een gunstig gevolg geeft aan het verzoek van de betrokkene . Dit zou de Commissie hebben aangezet tot de praktijk, de nationale autoriteiten te vragen om intrekking van hun oorspronkelijke verzoek, ten einde na enige tijd een nieuw verzoek in te dienen . Ofschoon deze methode niet voorkomt in de betrokken verordening, is zij niet in strijd met de letter noch met de geest daarvan, daar een Lid-Staat een verzoek steeds mag intrekken . Bovendien, aldus de Commissie, is zij gehouden een verzoek af te wijzen wanneer zij niet over voldoende gegevens beschikt . In casu diende haar verzoek om aanvullende gegevens juist ter vermijding van een afwijzende beschikking, die eventueel tot onmiddellijk beroep bij het Hof zou hebben geleid .
Onder die omstandigheden moet in de eerste plaats worden onderzocht, of de door de Commissie in casu gevolgde praktijk - ten einde zich aanvullende gegevens te verschaffen, nodigde zij de betrokken Lid-Staat uit, haar oorspronkelijke verzoek in te trekken en vervolgens een nieuw verzoek in te dienen - geen misbruik van procedure oplevert .
Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat de Commissie in haar verweerschrift zelf erkent dat zij, ten einde een oplossing te bieden voor vorenbedoelde "weinig bevredigende" rechtssituatie, overeenkomstig artikel 25, lid 2, van verordening nr . 1430/79 van de Raad bij verordening nr . 3799/86, in werking getreden op 1 januari 1987, een nieuwe regeling heeft ingevoerd waarbij de aanvankelijke termijn van vier maanden is verlengd tot zes maanden . Volgens deze nieuwe regeling kan die termijn bovendien nog eens worden verlengd, "wanneer de Commissie de Lid-Staat om aanvullende gegevens heeft moeten verzoeken ".
In casu evenwel heeft de Commissie, in plaats van tijdig om aanvullende gegevens te verzoeken en binnen de gestelde termijn haar beschikking te geven, de Deense autoriteiten bij telex van 7 oktober 1986 verzocht, hun verzoek in te trekken en enige tijd later een nieuw verzoek in te dienen . De aangevochten praktijk had derhalve in werkelijkheid tot doel, de gevolgen te vermijden waarin artikel 7 van verordening nr . 1575/80 voorziet indien binnen de gestelde termijn geen beschikking is gegeven . Daarmee heeft de Commissie zich bijgevolg schuldig gemaakt aan misbruik van procedure .
Onder die omstandigheden, en zonder dat verzoeksters overige middelen behoeven te worden onderzocht, moet worden vastgesteld dat de bestreden beschikking van de Commissie van 26 februari 1987, die niet is gegeven binnen de gestelde termijn van vier maanden te rekenen vanaf het door de Deense autoriteiten op 11 juni 1986 ingediende verzoek, moet worden nietig verklaard, daar zij het resultaat is van een over de gehele linie gebrekkige procedure . Daaruit volgt, dat verzoekster recht heeft op terugbetaling van de in dat verzoek bedoelde invoerrechten .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, moet zij in de kosten worden verwezen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste kamer ),
rechtdoende :
1 ) Verklaart nietig de beschikking van de Commissie van 26 februari 1987 ( REM : 29/86 ).
2 ) Verwijst de Commissie in de kosten van de procedure .
Full & Egal Universal Law Academy