Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1 . Beroep tot nietigverklaring - Voor beroep vatbare handelingen - Handelingen die rechtsgevolgen in het leven beogen te roepen - Beslissing van de Commissie om aanbod van verbintenis in anti-dumpingprocedure af te wijzen - Voorbereidende tussenmaatregel - Daarvan uitgesloten
( EEG-Verdrag, artikel 173; verordening nr . 2176/84 van de Raad, artikel 10 )
2 . Beroep tot nietigverklaring - Natuurlijke of rechtspersonen - Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken - Verordening houdende instelling van anti-dumpingrechten - Uiteenlopende rechten opgelegd aan aantal ondernemingen - Ontvankelijkheid van onderneming beperkt tot bepalingen die haar in bijzonder raken
( EEG-Verdrag, artikel 173, tweede alinea; verordeningen nrs . 2176/84 en 535/87 van de Raad )
3 . Beroep tot nietigverklaring - Natuurlijke of rechtspersonen - Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken - Verordening houdende instelling van anti-dumpingrechten - Producenten en exporteurs uit derde landen - Importeurs en handelaren uit Gemeenschap die bijzondere betrekkingen met de producenten onderhouden
( EEG-Verdrag, art . 173, tweede alinea; Verordeningen nrs . 2176/84 en 535/87 van de Raad )
4 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Dumpingmarge - Vaststelling van uitvoerprijs - Samenstelling op basis van door eerste koper betaalde prijs - Correcties voor kosten verbonden aan activiteit van dochteronderneming van fabrikant-exporteur vóór import - Wettigheid - Voorwaarden
( Verordening nr . 2176/84 van de Raad, artikel 2, lid 8, sub b )
5 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Schade - Betrokken bedrijfstak van Gemeenschap - Uitsluiting van sommige producenten wegens hun betrekkingen met ondernemingen die zich schuldig maken aan dumping - Beoordelingsbevoegdheid van instellingen - Voorwaarden voor uitoefening
( Verordening nr . 2176/84 van de Raad, artikel 4, lid 5 )
6 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Beoordeling van belangen van Gemeenschap door instellingen - Rechterlijke toetsing - Grenzen
( Verordening nr . 2176/84 van de Raad, artikel 12, lid 1 )
7 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Aanbod van verbintenis - Handelaren die tot aanbod van verbintenis kunnen worden toegelaten - Exporteurs en bij uitzondering importeurs
( Verordening nr . 2176/84 van de Raad, artikel 10 )
Samenvatting
1 . De afwijzing door de Commissie van een aangeboden verbintenis in het kader van een anti-dumpingprocedure is geen maatregel met bindende rechtsgevolgen die de belangen van de betrokken handelaren raakt, aangezien de Commissie van haar beslissing kan terugkomen of de Raad kan besluiten geen anti-dumpingrecht in te stellen . Een dergelijke afwijzing is een tussenmaatregel, waarvan het doel is de eindbeslissing voor te bereiden, en vormt dus niet een voor beroep vatbare handeling .
Door de verordening waarbij definitieve anti-dumpingrechten zijn ingesteld, aan te vechten, kunnen de handelaren eventuele onregelmatigheden met betrekking tot de afwijzing van de door hen aangeboden verbintenissen aan de orde stellen .
2 . Wanneer een verordening uiteenlopende anti-dumpingrechten oplegt aan een aantal ondernemingen, wordt een enkele van deze ondernemingen slechts door die bepalingen individueel geraakt, die haar een bijzonder anti-dumpingrecht opleggen en de hoogte ervan vaststellen, en niet door die, waarbij anti-dumpingrechten aan andere ondernemingen worden opgelegd .
3 . De verordeningen houdende instelling van een anti-dumpingrecht hebben naar hun aard en strekking een normatief karakter, omdat zij voor alle economische subjecten gelden . Dit sluit evenwel niet uit, dat sommige bepalingen van deze verordeningen die producenten en exporteurs van het betrokken produkt die op basis van gegevens over hun handelsactiviteit worden verdacht van dumping, rechtstreeks en individueel raken .
Dit is in het algemeen het geval met producenten en exporteurs die kunnen aantonen, dat hun identiteit uit de handelingen van de Commissie of de Raad blijkt, dan wel dat het vooronderzoek hen heeft betroffen .
Hetzelfde geldt voor de importeurs wier wederverkoopprijzen in aanmerking zijn genomen voor de samenstelling van de uitvoerprijs, dan wel voor die ondernemingen, die, gering in aantal en door de instellingen geïdentificeerd, in hun handelsbetrekkingen met de producent van de betrokken produkten bijzonderheden vertonen waarmee rekening is gehouden bij de samenstelling van de normale waarde en de berekening van de gewogen dumpingmarge op basis waarvan het anti-dumpingrecht is vastgesteld .
4 . Het is juist, dat artikel 2, lid 8, sub b, van verordening nr . 2176/84 enkel spreekt van de correcties voor alle kosten tussen de invoer en de wederverkoop . Dat staat evenwel, wanneer de uitvoerprijs wordt samengesteld op basis van de door de eerste onafhankelijke koper betaalde prijs, niet in de weg aan toepassing van correcties die nodig zijn om rekening te houden met de kosten verbonden aan de activiteit vóór de import van een dochteronderneming van de fabrikant-exporteur, aangezien die kosten normaal gesproken door de importeur worden gedragen en zij leiden tot een daadwerkelijke verlaging van het bedrag dat die fabrikant-exporteur ontvangt .
5 . Blijkens artikel 4, lid 5, van verordening nr . 2176/84 staat het aan de instellingen in de uitoefening van hun beoordelingsbevoegdheid, om te onderzoeken of zij, voor de vaststelling of er sprake is van een schade die de instelling van een anti-dumpingrecht rechtvaardigt, producenten die verbonden zijn met de exporteurs of de importeurs of die zelf importeurs zijn van het gedumpte produkt, moeten uitsluiten van de "bedrijfstak van de Gemeenschap ". Die beoordelingsbevoegdheid moet per geval onder toezicht van het Hof worden uitgeoefend, met inachtneming van alle relevante feiten .
6 . Voor de beantwoording van de vraag, of de belangen van de Gemeenschap, in het geval van dumpingpraktijken door producenten uit derde landen, een communautair optreden vereisen, moeten ingewikkelde economische situaties worden beoordeeld . De rechterlijke toetsing van een dergelijke beoordeling moet beperkt blijven tot de vraag, of de procedurevoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid .
7 . Ofschoon artikel 10 van verordening nr . 2176/84 de mogelijkheid voor de Commissie om een door een importeur aangeboden verbintenis te aanvaarden niet uitsluit, volgt uit de formulering van dat artikel, dat dergelijke verbintenissen slechts in uitzonderlijke gevallen kunnen worden aanvaard . De leden 4 en 6 van dat artikel, betreffende de voortzetting van het onderzoek na de aanvaarding van een verbintenis en de instelling van anti-dumpingrechten na de opzegging van een verbintenis of de ontdekking van een inbreuk daarop, spreken immers enkel van exporteurs, dat wil zeggen die handelaren van wie in beginsel verbintenissen kunnen worden aanvaard .
Partijen
In zaak C-156/87,
Gestetner Holdings plc, te Londen, vertegenwoordigd door C . Tritton, K . P . E . Lasok en F . Randolph, barristers, Charlemagne Chambers, te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E . Arendt, advocaat aldaar, 4, avenue Marie-Thérèse,
verzoekster,
ondersteund door
Mita Industrial Co . Ltd, vertegenwoordigd door J.-F . Bellis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van F . Bausch, advocaat aldaar, 8, rue Zithe,
interveniënte,
tegen
Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H.-J . Lambers, directeur van zijn juridische dienst, en E . Stein, juridisch adviseur, als gemachtigden, bijgestaan door H.-J . Rabe en M . Schuette, advocaten van Schoen en Pflueger te Hamburg en Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij J . Kaeser, directeur van de juridische dienst van de Europese Investeringsbank, 100, boulevard Konrad-Adenauer, Kirchberg,
en
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J . Temple Lang als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerders,
ondersteund door
Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door F.J . Conde de Saro, directeur-generaal Cooerdinatie juridische en institutionele gemeenschapsaangelegenheden, en R . Silva de Lapuerta, abogado del Estado, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Arendt en Harles, advocaten aldaar, 4, avenue Marie-Thérèse,
en door
Committee of European Copier Manufacturers ( Cecom ), te Keulen ( Bondsrepubliek Duitsland ), vertegenwoordigd door D . Ehle en V . Schiller, advocaten te Keulen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Arendt en Harles, advocaten aldaar, 4, avenue Marie-Thérèse,
interveniënten,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie tot afwijzing van de door verzoekster aangeboden verbintenis in de anti-dumpingprocedure betreffende de invoer van fotokopieerapparaten van oorsprong uit Japan, alsmede van verordening ( EEG ) nr . 535/87 van de Raad van 23 februari 1987 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van fotokopieerapparaten voor gewoon papier van oorsprong uit Japan ( PB 1987, L 54, blz . 12 ), en subsidiair tot nietigverklaring van die verordening voor zover daarbij op door Mita vervaardigde fotokopieerapparaten een anti-dumpingrecht van 12,6 % wordt gelegd,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt : O . Due, president, Sir Gordon Slynn, F . A . Schockweiler en M . Zuleeg, kamerpresidenten, T . Koopmans, G . F . Mancini, R . Joliet, T . F . O' Higgins, J . C . Moitinho de Almeida, G . C . Rodríguez Iglesias en F . Grévisse, rechters,
advocaat-generaal : J . Mischo
griffier : B . Pastor, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 18 mei 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 juli 1989,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 21 mei 1987, heeft Gestetner Holdings plc, te Londen ( hierna : Gestetner ), krachtens artikel 173 EEG-Verdrag, tweede alinea, beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie tot afwijzing van de verbintenis die verzoekster had aangeboden in het kader van de anti-dumpingprocedure betreffende de invoer van fotokopieerapparaten voor gewoon papier, van oorsprong uit Japan ( hierna : het bestreden besluit ), alsmede van verordening ( EEG ) nr . 535/87 van de Raad van 23 februari 1987 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van fotokopieerapparaten voor gewoon papier, van oorsprong uit Japan ( PB 1987, L 54, blz . 12; hierna : de bestreden verordening ).
2 Wat de bestreden verordening betreft, strekt het beroep primair tot nietigverklaring van de verordening in haar geheel, en subsidiair tot nietigverklaring ervan voor zover daarbij op de door Mita Industrial Company Limited ( hierna : Mita ) vervaardigde fotokopieerapparaten voor gewoon papier ( hierna : PPC' s ) een anti-dumpingrecht wordt gelegd van 12,6 %.
3 Gestetner is een Original Equipment Manufacturer ( hierna : OEM ), dat wil zeggen een onderneming die onder haar eigen merknaam door andere ondernemingen vervaardigde produkten levert . Zij koopt PPC' s in Japan van de Japanse fabrikant Mita en verkoopt deze onder de merknaam Gestetner in de Gemeenschap en in tal van derde landen .
4 In juli 1985 diende het Committee of European Copier Manufacturers bij de Commissie een klacht in, waarin Mita en andere Japanse producenten werden beschuldigd van dumping van hun produkten in de Gemeenschap .
5 De door de Commissie ingeleide anti-dumpingprocedure op basis van verordening nr . 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap ( PB 1984, L 201, blz . 1 ) leidde in eerste instantie tot een voorlopig anti-dumpingrecht voor Mita van 13,7 %. Vervolgens stelde de Raad op voorstel van de Commissie bij de bestreden verordening het anti-dumpingrecht definitief vast op 12,6 %.
6 Voor een nadere uiteenzetting van de toepasselijke bepalingen en de feiten van de zaak, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
De ontvankelijkheid
Het onderdeel van het beroep, strekkende tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie tot afwijzing van de door Gestetner aangeboden verbintenis
7 Zoals het Hof heeft vastgesteld in de beschikking van 11 november 1987 ( zaak 150/87, Nashua/Raad en Commissie, Jurispr . 1987, blz . 4421, r.o . 6 ), vormt de rol van de Commissie een integrerend deel van het besluitvormingsproces van de Raad . Blijkens verordening nr . 2176/84 van de Raad is het immers de taak van de Commissie, de nodige onderzoeken in te stellen en op basis daarvan te beslissen om de procedure af te sluiten dan wel deze voort te zetten door voorlopige maatregelen te nemen en de Raad voorstellen te doen met betrekking tot definitieve maatregelen . De eindbeslissing ligt echter bij de Raad, die zich kan onthouden van een besluit indien hij met de Commissie van mening verschilt, of juist op basis van haar voorstellen een besluit kan nemen .
8 De afwijzing door de Commissie van een aangeboden verbintenis is geen maatregel met bindende rechtsgevolgen van dien aard, dat de belangen van verzoekster erdoor worden geraakt, aangezien de Commissie van haar beslissing kan terugkomen of de Raad kan besluiten geen anti-dumpingrecht in te stellen . Een dergelijke afwijzing is een tussenmaatregel, waarvan het doel is de eindbeslissing voor te bereiden, en vormt dus niet een voor beroep vatbare handeling .
9 Blijkens de arresten van 7 mei 1987 in de zaken 240/84 ( Toyo Bearing, Jurispr . 1987, blz . 1809 ) 255/84 ( Nachi Fujikoshi, ibidem blz . 1861 ) en 256/84 ( Koyo Seiko, ibidem blz . 1899 ) kunnen de handelaren eventuele onregelmatigheden met betrekking tot de afwijzing van de door hen aangeboden verbintenissen aan de orde stellen door de verordening waarbij definitieve anti-dumpingrechten zijn ingesteld, aan te vechten .
10 Mitsdien is het onderdeel van het beroep dat strekt tot nietigverklaring van het bestreden besluit, niet-ontvankelijk .
Het onderdeel van het beroep, strekkende tot nietigverklaring van verordening nr . 535/87
11 De Raad stelt zich op het standpunt, dat het beroep niet-ontvankelijk is voor zover het de nietigverklaring beoogt van de bestreden verordening in haar geheel . Gestetner kan niet rechtstreeks en individueel worden geraakt door die bepalingen van de bestreden verordening, die specifieke anti-dumpingrechten instellen op de invoer van produkten die zijn vervaardigd door exporteurs waarmee zij geen enkele binding heeft . Gestetner kan enkel individueel worden geraakt door de bepalingen die de invoer van door Mita vervaardigde produkten betreffen .
12 In dit verband zij herinnerd aan de rechtspraak van het Hof, met name het arrest van 7 mei 1987 ( zaak 258/84, Nippon Seiko, Jurispr . 1987, blz . 1923, r.o . 7 ), dat wanneer een verordening uiteenlopende anti-dumpingrechten oplegt aan een aantal ondernemingen, een enkele van deze ondernemingen slechts door die bepalingen individueel wordt geraakt, die haar een bijzonder anti-dumpingrecht opleggen en de hoogte ervan vaststellen, en niet door die, waarbij anti-dumpingrechten aan andere ondernemingen worden opgelegd .
13 Uit het voorafgaande volgt, dat de primaire vordering tot nietigverklaring van de aangevochten verordening in haar geheel, moet worden verworpen .
14 Wat de subsidiaire vordering betreft, tot nietigverklaring van de aangevochten verordening voor zover daarbij op de door Mita gefabriceerde PPC' s een anti-dumpingrecht van 12,6 % wordt gelegd, betoogt de Raad, dat Gestetner door de desbetreffende bepalingen van deze verordening niet rechtstreeks en individueel wordt geraakt .
15 De Raad stelt in de eerste plaats, dat Gestetner een onafhankelijk importeur van door Mita vervaardigde PPC' s is en dat de instellingen haar wederverkoopprijs niet hebben gebruikt ter bepaling van de uitvoerprijs . Slechts indien dat wel het geval is, heeft de betrokken importeur volgens de rechtspraak van het Hof het recht om beroep tot nietigverklaring in te stellen tegen een verordening waarbij definitieve anti-dumpingrechten zijn ingesteld .
16 In de tweede plaats hebben de instellingen volgens de Raad bij het samenstellen van de normale waarde van de betrokken produkten de winstmarge van de exporteur uitsluitend op basis van gegevens van Mita, de producent en exporteur, en niet van Gestetner, op 5 % gesteld .
17 Allereerst moet eraan worden herinnerd, dat de verordeningen houdende instelling van een anti-dumpingrecht naar hun aard en strekking een normatief karakter hebben, omdat zij voor alle economische subjecten gelden . Dit sluit evenwel niet uit, dat sommige bepalingen van deze verordeningen die producenten en exporteurs van het betrokken produkt, die op basis van gegevens over hun handelsactiviteit worden verdacht van dumping, rechtstreeks en individueel raken . Dit is in het algemeen het geval met producenten en exporteurs die kunnen aantonen, dat hun identiteit uit de handelingen van de Commissie of de Raad blijkt, dan wel dat het vooronderzoek hen heeft betroffen ( zie het arrest van 21.2.1984, gevoegde zaken 239/82 en 275/82, Allied Corporation I, Jurispr . 1984, blz . 1005, r.o . 11 en 12, en van 23.5.1985, zaak 53/83, Allied Corporation II, Jurispr . 1985, blz . 1621, r.o . 4 ).
18 Hetzelfde geldt voor de importeurs wier wederverkoopprijzen in aanmerking zijn genomen voor de samenstelling van de uitvoerprijs en die dientengevolge door de vaststellingen betreffende het bestaan van een dumpingpraktijk worden geraakt ( zie de arresten van 29.3.1979, zaak 118/77, Import Standard Office, Jurispr . 1979, blz . 1277, r.o . 15, en van 21.2.1984, Allied Corporation I, reeds aangehaald, r.o . 15 ).
19 Derhalve moet worden onderzocht, of in casu Gestetner door de vaststellingen betreffende het bestaan van de gewraakte dumpingpraktijk werd geraakt .
20 In verband met de bijzondere kenmerken van de verkopen van Mita aan OEM' s, met name de kostenverschillen tussen Mita' s verkopen aan OEM' s en haar verkopen van PPC' s onder haar eigen merk, achtte de Raad het aangewezen om bij de berekening van de aangenomen normale waarde de winstmarge van de exporteurs op 5 % te stellen, derhalve lager dan de gemiddelde winstmarge, die op 14,6 % werd geschat .
21 Op basis van de aldus voor de verkopen van Mita aan OEM' s samengestelde normale waarde zijn de instellingen uitgekomen op een lagere dumpingmarge dan die welke was bepaald voor de verkopen van de onder Mita' s eigen merk in de handel gebrachte PPC' s; deze dumpingmarge alsmede de marges die voor Mita' s andere verkoopkanalen waren vastgesteld, zijn gebruikt voor de berekening van een gewogen dumpingmarge, op basis waarvan het anti-dumpingrecht werd vastgesteld .
22 Inderdaad is de winstmarge van 5 % bij de samenstelling van de normale waarde van de PPC' s zonder onderscheid tussen de verschillende betrokken ondernemingen toegepast . Toch zijn de betrokken ondernemingen, die gering in aantal zijn, door de instellingen geïdentificeerd en de winstmarge is juist vastgesteld op 5 % om rekening te houden met de bijzonderheden van hun handelsbetrekkingen met de producenten .
23 Uit het voorafgaande volgt, dat verzoekster niet als importeur of exporteur behoeft te worden gekwalificeerd; gezien haar handelsbetrekkingen met Mita wordt Gestetner geraakt door de vaststellingen betreffende het bestaan van de gewraakte dumping, zodat zij door de bepalingen van de bestreden verordening betreffende de dumpingpraktijken van Mita rechtstreeks en individueel wordt geraakt .
24 Mitsdien is de subsidiaire vordering, strekkende tot nietigverklaring van verordening nr . 535/87 voor zover deze een anti-dumpingrecht van 12,6 % instelt voor PPC' s vervaardigd door Mita, ontvankelijk .
Ten gronde
25 Ter ondersteuning van haar beroep voert Gestetner vijf middelen aan, te weten : 1 ) onjuiste berekening van de uitvoerprijs; 2 ) onjuiste vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs; 3 ) onjuiste definitie van het begrip "bedrijfstak van de Gemeenschap"; 4 ) onjuiste beoordeling van de belangen van de Gemeenschap; 5 ) ontoereikende motivering van de afwijzing van de door Gestetner aangeboden verbintenis .
Onjuiste berekening van de uitvoerprijs
26 Gestetner stelt, dat aangezien zij onafhankelijk is van Mita, de Raad conform artikel 2, lid 8, sub a, als uitvoerprijs had moeten nemen de prijs die zij via Mita Europe aan Mita betaalde, in plaats van aan de hand van deze prijs een uitvoerprijs samen te stellen overeenkomstig artikel 2, lid 8, sub b, van verordening nr . 2176/84 .
27 In dat verband moet worden opgemerkt, dat de door Mita geproduceerde PPC' s worden verkocht door tussenkomst van Mita Europe, die de orders van de afnemers behandelt, de facturering verzorgt en de betalingen ontvangt . De door de kopers aan Mita Europe betaalde prijs komt evenwel niet overeen met de prijs die Mita Japan aan Mita Europe in rekening brengt .
28 De Raad heeft daarom besloten, de uitvoerprijs samen te stellen op basis van de door Mita Europe aan Gestetner berekende prijs en daarbij de in verordening nr . 2176/84 voorziene correcties toe te passen, dit wil zeggen van die prijs een - op 5 % geschatte - redelijke marge af te trekken voor algemene kosten en winst .
29 Aldus heeft de Raad artikel 2, lid 8, sub b, van verordening nr . 2176/84 correct toegepast . Deze bepaling luidt als volgt :
"Indien er geen prijs bij uitvoer is of indien blijkt dat er een associatie of een compensatieregeling bestaat tussen de exporteur en de importeur of een derde partij, of dat, om andere redenen, de prijs die werkelijk is betaald of moet worden betaald voor het produkt dat met het oog op uitvoer naar de Gemeenschap is verkocht, niet betrouwbaar is, kan de uitvoerprijs worden samengesteld op basis van de prijs waartegen het ingevoerde produkt voor het eerst wordt wederverkocht aan een onafhankelijke koper, of, indien het produkt niet aan een onafhankelijke koper wordt wederverkocht of niet wordt wederverkocht in de staat waarin het is ingevoerd, op elke redelijke basis . In dat geval worden correcties toegepast voor alle tussen de invoer en de wederverkoop gemaakte kosten, met inbegrip van rechten en heffingen, alsmede voor een redelijke winstmarge ."
30 Uit deze bepaling volgt immers, dat de uitvoerprijs moet worden samengesteld, wanneer de prijs die werkelijk is betaald of moet worden betaald voor het produkt dat met het oog op uitvoer naar de Gemeenschap is verkocht, om een of andere reden niet betrouwbaar is .
31 In casu was noch de door Mita Europe aan Mita Japan betaalde prijs, noch de door Gestetner aan Mita Europe betaalde prijs betrouwbaar, gezien de tussen de fabrikant-exporteur en zijn dochteronderneming bestaande band en de verkoopactiviteit van die dochteronderneming . De aan een dergelijke activiteit verbonden kosten leiden immers tot een daadwerkelijke verlaging van het bedrag dat de fabrikant-exporteur ontvangt, daar deze kosten normaal gesproken door de importeur worden gedragen .
32 Het is juist, dat artikel 2, lid 8, sub b, in fine, enkel spreekt van de correcties voor alle kosten tussen de invoer en de wederverkoop, terwijl Mita Europe haar functies vervult vóór de invoer en, aangenomen dat Mita Europe de PPC' s aan Gestetner doorverkoopt, deze verkoop eveneens vóór de invoer plaatsvindt .
33 Bij deze correcties gaat het evenwel om de correcties die in de meest voorkomende gevallen van een associatie of een compensatieregeling tussen de exporteur en de importeur of een derde, inherent zijn aan de samenstelling van de uitvoerprijs . Dit betekent niet, dat artikel 2, lid 8, sub b, in de weg staat aan toepassing van de nodige correcties, wanneer de uitvoerprijs om andere redenen moet worden samengesteld .
34 Onder deze omstandigheden was het juist om de uitvoerprijs samen te stellen op basis van de door de eerste onafhankelijke koper betaalde prijs, en om deze prijs te corrigeren voor de kosten en winst die met de rol van Mita Europe verband hielden .
35 Noch uit de processtukken noch ter terechtzitting is gebleken, dat deze aftrek te groot was . Het middel betreffende de onjuiste berekening van de uitvoerprijs moet derhalve worden verworpen .
Onjuiste vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs
36 Gestetner stelt, dat het verschil in handelsstadium tussen de door Mita aan Gestetner verkochte produkten en de door Mita aan de distributeurs en detailhandelaren in Japan verkochte produkten correcties noodzakelijk maakte conform artikel 2, lid 10, van verordening nr . 2176/84, wat de instellingen echter achterwege hebben gelaten . Bij de verkopen op de Japanse markt draagt Mita immers kosten die de OEM' s dragen bij verkoop van de aan hen verkochte produkten, in het bijzonder de kosten van reclame, marketing en het in dienst hebben van verkooppersoneel .
37 Blijkens de stukken hebben de instellingen rekening gehouden met het verschil tussen de kosten van en de winsten op verkopen aan de OEM' s en de overeenkomstige cijfers voor andere verkopen . Daarom en omdat de instellingen geen kans zagen dit verschil nauwkeurig te waarderen, hebben zij bij de bepaling van de aangenomen normale waarde een winstmarge van 5 % gehanteerd in plaats van het op 14,6 % geraamde gemiddelde .
38 Voorts is het aan degene die om de in artikel 2, lid 10, eerste alinea, van verordening nr . 2176/84 bedoelde correctie verzoekt, de noodzaak daarvan aan te tonen, en zijn overeenkomstig de tweede alinea, sub c, van dit artikel correcties wegens verschillen in handelsstadium enkel mogelijk, voor zover hiermee niet op andere wijze rekening is gehouden . Ten slotte worden ingevolge die bepaling in het algemeen geen correcties toegepast voor verschillen in administratieve en algemene kosten, met inbegrip van kosten voor onderzoek, ontwikkeling en reclame .
39 Gestetner heeft niet aangetoond, dat met de toegepaste correctie de beweerde verschillen niet waren gedekt . Zij heeft evenmin aangetoond, dat met de verschillen in handelsstadium geen rekening is gehouden bij de andere correcties die zijn toegepast wegens de verschillen in de verkoopvoorwaarden, of dat wegens een bijzondere omstandigheid met de administratieve en algemene kosten rekening behoorde te worden gehouden .
40 Het middel, dat de vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs onjuist was, moet derhalve worden verworpen .
Onjuiste definitie van het begrip "bedrijfstak van de Gemeenschap"
41 Volgens Gestetner zijn de instellingen afgeweken van hun vroegere praktijk, dat een producent die banden heeft met de exporteurs of importeurs of die importeur is van het produkt waarbij dumping of subsidiëring wordt vermoed, automatisch moet worden uitgesloten van de kring van producenten die de "bedrijfstak van de Gemeenschap" vormen in de zin van artikel 4, lid 5, van verordening nr . 2176/84 .
42 In dat verband moet worden opgemerkt, dat luidens artikel 4, lid 1, van verordening nr . 2176/84 "schade slechts wordt vastgesteld indien de invoer met dumping of subsidiëring door het effect van de dumping of subsidiëring schade veroorzaakt, dat wil zeggen aanmerkelijke schade aan een gevestigde bedrijfstak van de Gemeenschap toebrengt of dreigt toe te brengen of een aanzienlijke vertraging bij de vestiging van een bedrijfstak meebrengt ". Volgens het vijfde lid van dat artikel moet onder de uitdrukking "bedrijfstak van de Gemeenschap" worden verstaan "alle producenten van soortgelijke produkten in de Gemeenschap of een aantal van deze producenten waarvan de gezamenlijke produktie een groot deel van de totale communautaire produktie van dit produkt vormt, met dien verstande dat :
- wanneer producenten met de exporteurs of importeurs verbonden zijn of zelf importeurs zijn van het produkt ten aanzien waarvan wordt beweerd dat dumping of subisidiëring plaatsvindt, de uitdrukking 'bedrijfstak van de Gemeenschap' kan worden uitgelegd als betrekking hebbende op de rest van de producenten ...."
43 Blijkens die bepalingen staat het aan de instellingen in de uitoefening van hun beoordelingsbevoegdheid, om te onderzoeken of zij producenten die verbonden zijn met de exporteurs of de importeurs of die zelf importeurs zijn van het gedumpte produkt, moeten uitsluiten van de "bedrijfstak van de Gemeenschap ". Die beoordelingsbevoegdheid moet per geval worden uitgeoefend met inachtneming van alle relevante feiten .
44 Blijkens de stukken en de behandeling ter terechtzitting ging het in alle door verzoekster genoemde gevallen waarin een gemeenschapsproducent werd uitgesloten van de "bedrijfstak van de Gemeenschap", om uitoefening van die beoordelingsbevoegdheid . De door Gestetner gestelde praktijk van de instellingen bestaat dus niet .
45 Gestetner stelt voorts, dat ook indien de instellingen niet verplicht zouden zijn om bepaalde producenten uit te sluiten van de "bedrijfstak van de Gemeenschap", wanneer zij dergelijke bindingen vaststellen, in casu toch de uitsluiting van Olivetti, Océ en Tetra enerzijds en van Rank Xerox anderzijds gerechtvaardigd was geweest .
46 Met betrekking tot Olivetti en Océ merkt Gestetner op, dat de invoer van PPC' s van oorsprong uit Japan deel uitmaakte van een strategie van deze ondernemingen, die erop was gericht hun positie op de markt te verstevigen en hun winst te vergroten . Gezien het grote aandeel dat de verkoop en verhuur in de EEG van door die twee ondernemingen ingevoerde PPC' s vertegenwoordigt in hun totale verkoopcijfer, zou de uitzondering van artikel 4, lid 5, van verordening nr . 2176/84 elke reële betekenis verliezen, indien die ondernemingen tot de "bedrijfstak van de Gemeenschap" werden gerekend . Wat Tetras betreft, herinnert Gestetner eraan, dat Canon voor 19 % in het kapitaal van die onderneming deelneemt, met een optie op aankoop van nog eens 30 %.
47 Volgens de instellingen voerden Olivetti en Océ PPC' s van oorsprong uit Japan in, om hun afnemers een volledig assortiment modellen te kunnen bieden . Die PPC' s, van de segmenten 1 en 2, werden verkocht tegen hogere prijzen dan die waartegen ze door de leveranciers ervan waren verkocht, en vertegenwoordigden tussen 35 en 40 % van de verkopen en verhuur van de op de markt gebrachte nieuwe apparaten in de periode tussen 1981 en juli 1985 . De pogingen van de twee ondernemingen om aldus een volledig assortiment modellen te ontwikkelen en op de markt te brengen, zijn evenwel ten gevolge van de door de Japanse invoer veroorzaakte lage marktprijzen mislukt .
48 Gelet op deze omstandigheden, die noch door de stukken noch ter terechtzitting zijn weerlegd, moet met betrekking tot Olivetti en Océ dan ook worden aangenomen, dat zij door hun invoer zichzelf geen schade hebben berokkend door de bezettingsgraad van hun produktiecapaciteit te verminderen, hun eigen prijzen te verlagen of af te zien van plannen voor de verhoging van hun produktie of voor de produktie van nieuwe produkten .
49 Gezien het voorafgaande moet worden geconcludeerd, dat de instellingen hun beoordelingsmarge niet hebben overschreden door Olivetti en Océ tot de "bedrijfstak van de Gemeenschap" te rekenen .
50 Ten aanzien van Tetras kan worden volstaan met de opmerking, dat blijkens de paragrafen 81 en 107 van de bestreden verordening deze producent noch voor de bepaling van de schade noch voor de vaststelling van de hoogte van het anti-dumpingrecht in aanmerking is genomen .
51 Volgens Gestetner had ook Rank Xerox niet als producent van de Gemeenschap mogen worden beschouwd . In dat verband herinnert zij er allereerst aan, dat Rank Xerox voor 50 % deelneemt in het kapitaal van de Japanse onderneming Fuji Xerox en dat beide ondernemingen worden gecontroleerd door Xerox Corporation ( VS ). De commerciële beslissingen van Rank Xerox worden dan ook genomen binnen de voor de gehele wereld ontworpen beleidsstrategie van de groep .
52 Voorts beperkt Rank Xerox zich volgens Gestetner in de segmenten 1 en 2 nagenoeg tot het assembleren van de uit Japan ingevoerde onderdelen, waarbij de in de Gemeenschap toegevoegde waarde enkel dan 20 % bereikt, wanneer de loonkosten worden meegerekend, en alleen 35 %, indien ook de fabriekswinst wordt inbegrepen . De door de instellingen vermelde toegevoegde waarde is slechts een gewogen gemiddelde voor alle kopieerapparaten van Rank Xerox in de segmenten 1 tot en met 4 . Doordat Rank Xerox zo van de invoer van Japanse PPC' s afhankelijk is, kan zij niet tot de "bedrijfstak van de Gemeenschap" worden gerekend .
53 Het besluit van Rank Xerox om kopieerapparaten met geringe capaciteit aan te kopen van Fuji Xerox, was niet ingegeven door de wens tot zelfbescherming, aldus Gestetner verder . Het was een beleidsbeslissing, zoals de Raad in paragraaf 64 van de aangevochten verordening zou hebben erkend .
54 Gestetner wijst tot slot op de schade die Rank Xerox aan de overige producenten in de Gemeenschap toebrengt door de wederverkoop van door Fuji Xerox tegen dumpingprijzen geleverde PPC' s, een schade die de Raad overigens in paragraaf 63 van de aangevochten verordening zou hebben toegegeven .
55 Op basis van deze argumenten betoogt Gestetner, dat de instellingen, door voormelde ondernemingen tot de "bedrijfstak van de Gemeenschap" te rekenen voor de bepaling van de schade die aan die bedrijfstak is toegebracht door de gestelde dumpingpraktijk, artikel 4, leden 1 en 5, van verordening nr . 2176/84 hebben geschonden . De invoering van anti-dumpingrechten was des te minder gerechtvaardigd, daar de andere producenten niet konden worden geacht "een groot deel van de totale communautaire produktie" te vormen in de zin van artikel 4, lid 5, zodat voor hun produktie geen schade kon worden vastgesteld .
56 Voor de beoordeling, of de relevante feiten te zamen in dit geval de uitsluiting van Rank Xerox van de "bedrijfstak van de Gemeenschap" vereisten, moet in de eerste plaats worden vastgesteld, dat de toegevoegde waarde bij de door Rank Xerox in de Gemeenschap gefabriceerde PPC' s in de segmenten 1 tot en met 4 in de referentieperiode 50 % bedroeg . Die waarde was weliswaar lager bij de in het Verenigd Koninkrijk vervaardigde PPC' s met geringe capaciteit, maar zoals de Raad in paragraaf 58 van de bestreden verordening terecht opmerkt, "aangezien soortgelijke produkten in de procedure zijn gedefinieerd als alle fotokopieerapparaten, van personal copiers tot en met de in segment 5 van de Dataquest-indeling geklassificeerde toestellen, zou het onjuist zijn uitsluitend aan de hand van zijn produktie van één model of een beperkt gamma modellen na te gaan of een producent in de Gemeenschap deel uitmaakt van de bedrijfstak van de Gemeenschap ".
57 Voorts moet met betrekking tot de invoer van door Fuji Xerox geleverde PPC' s uit Japan worden opgemerkt, dat Rank Xerox volgens de instellingen niet had aangetoond, dat zij tot aankoop van de apparaten was overgegaan om redenen van zelfbescherming . Volgens de voorhanden inlichtingen ging het om een beleidsbeslissing binnen de Xerox-groep . De omvang van deze invoer was evenwel minimaal ten opzichte van het gehele gamma PPC' s dat Rank Xerox in de Gemeenschap produceert, alsook ten opzichte van de gehele gemeenschappelijke markt ( 1 %), en de wederverkoopprijzen waren gelijk aan die van de overeenkomstige door Rank Xerox geproduceerde apparaten .
58 Ook al is het waar, dat Rank Xerox door uit Japan met dumping ingevoerde PPC' s tegen lagere prijzen te verkopen dan die van de andere communautaire producenten, deze laatsten schade heeft berokkend, was het toch niet juist geweest om haar uit te sluiten van de kring van communautaire producenten en haar zodoende de bescherming te ontnemen, die het gemeenschapsrecht biedt tegen de schade die zij zelf zou hebben geleden .
59 Ten slotte moet worden opgemerkt, dat Rank Xerox zich volgens de Raad ertoe had verbonden om onderdelen die uit Japan werden betrokken, zelf te gaan fabriceren of in te kopen bij communautaire fabrikanten . De nakoming van deze verbintenis zou uiterst moeilijk zijn geworden zonder anti-dumpingmaatregelen .
60 Weliswaar heeft Rank Xerox 50% van het kapitaal van haar Japanse leverancier Fuji Xerox in handen, maar gezien de hiervóór genoemde omstandigheden, die noch in de stukken noch ter terechtzitting zijn weerlegd, moet worden geconcludeerd, dat de instellingen hun beoordelingsmarge niet hebben overschreden door Rank Xerox tot de "bedrijfstak van de Gemeenschap" te rekenen .
61 Mitsdien moet het middel van de onjuiste definitie van de "bedrijfstak van de Gemeenschap" worden verworpen .
Onjuiste beoordeling van de belangen van de Gemeenschap
62 Gezien de structuur en vooral de mate van concentratie van de markt, was het volgens Gestetner voor de belangen van de Gemeenschap niet nodig, anti-dumpingrechten in te stellen . Zij stelt verder, dat de invoering van de rechten de machtspositie van Rank Xerox versterkte en de mededinging beperkte, en dat de daaruit ontstane ontwikkeling van de markt ongunstig waren geweest voor de consument . Door anti-dumpingrechten in te stellen, zouden de instellingen derhalve artikel 12, lid 1, van verordening nr . 2176/84 hebben geschonden .
63 Voor de beantwoording van de vraag, of de belangen van de Gemeenschap een communautair optreden vereisen, moeten ingewikkelde economische situaties worden beoordeeld . Zoals het Hof onder meer heeft uiteengezet in het arrest van 7 mei 1987 ( zaak 255/84, Nachi Fujikoshi, Jurispr . 1987, blz . 1861, r.o . 21 ), dient het zich bij de toetsing van een dergelijke beoordeling te beperken tot de vraag, of de procedurevoorschriften in acht zijn genomen, of de feiten op grond waarvan de betwiste keuze is gemaakt, juist zijn vastgesteld, en of geen sprake is van een kennelijk onjuiste beoordeling van deze feiten dan wel van misbruik van bevoegdheid .
64 Volgens de instellingen is het twijfelachtig, of zonder anti-dumpingrechten een onafhankelijke communautaire PPC-produktie zou kunnen voortbestaan, die nochtans nodig is voor het behoud en de ontwikkeling van de voor de fabricage van reprografische apparatuur vereiste technieken alsmede voor de instandhouding van een groot aantal arbeidsplaatsen . Deze vrees berustte vooral op de overname door een Japanse fabrikant van de onderneming van een van de gemeenschapsproducenten tijdens het onderzoek . Ook achtten de instellingen de noodzaak tot bescherming van de gemeenschapsindustrie van groter gewicht dan de bescherming van de korte-termijn belangen van de consumenten .
65 Deze noodzaak rechtvaardigt eveneens de eventuele versterking van de marktpositie van een van de communautaire fabrikanten als gevolg van de invoering van anti-dumpingrechten, vooral omdat de instellingen geen reden hadden om misbruik te vrezen . Opmerking verdient, dat sinds de invoering van die rechten geen van de zes Japanse fabrikanten die een deel van de communautaire markt in handen hadden, zich uit die markt heeft teruggetrokken .
66 Er moet dan ook worden vastgesteld, dat de instellingen geen kennelijke beoordelingsfout hebben gemaakt door zich op het standpunt te stellen, dat de belangen van de Gemeenschap de invoering van anti-dumpingrechten vereisten .
67 Mitsdien moet het middel ontleend aan de onjuiste beoordeling van de belangen van de Gemeenschap, worden verworpen .
Ontoereikende motivering van de afwijzing van de door Gestetner aangeboden verbintenis
68 Volgens Gestetner is de motivering van de afwijzing van de door haar aangeboden verbintenis ontoereikend en daardoor in strijd met de vereisten van artikel 190 EEG-Verdrag . De Commissie heeft zich ertoe beperkt te verwijzen naar haar traditionele praktijk om geen verbintenissen van importeurs te aanvaarden ( paragraaf 100 van de bestreden verordening ), zonder verklaring van de achtergronden van die praktijk en van de wijze van toepassing ervan in het onderhavige geval, waarin verzoekster als exporteur moest worden beschouwd .
69 Volgens vaste rechtspraak van het Hof ( met name het arrest van 26.6.1986, zaak 203/85, Nicolet Instrument, Jurispr . 1986, blz . 2049, r.o . 10 ) dient de door artikel 190 EEG-Verdrag verlangde motivering de redenering van de communautaire instantie waarvan de bestreden handeling afkomstig is, duidelijk en ondubbelzinnig te doen uitkomen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en hun rechten kunnen verdedigen, en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen .
70 Aan dit vereiste is in casu voldaan . De praktijk van de Commissie om geen verbintenissen te aanvaarden van importeurs, die door de Raad wordt bevestigd in paragraaf 100 van de bestreden verordening, is zowel gebaseerd op de Gatt-anti-dumpingcode, die in artikel 7 enkel de mogelijkheid opent tot aanvaarding van door exporteurs aangeboden verbintenissen, als op artikel 10 van verordening nr . 2176/84 . Ofschoon artikel 10 de mogelijkheid voor de Commissie om een door een importeur aangeboden verbintenis te aanvaarden niet uitsluit, volgt uit de formulering van dat artikel echter, dat dergelijke verbintenissen slechts in uitzonderlijke gevallen kunnen worden aanvaard . De leden 4 en 6 van dat artikel, betreffende de voortzetting van het onderzoek na de aanvaarding van een verbintenis en de instelling van anti-dumpingrechten na de opzegging van een verbintenis of de ontdekking van een inbreuk daarop, spreken immers enkel van exporteurs, dat wil zeggen die handelaren van wie in beginsel verbintenissen kunnen worden aanvaard .
71 Deze regeling is om twee redenen gerechtvaardigd . Enerzijds zou de aanvaarding van een door een importeur aangeboden verbintenis een aanmoediging voor hem zijn om buiten de Gemeenschap voorraden te blijven kopen tegen dumpingprijzen . Voorts zouden andere importeurs op dezelfde wijze moeten worden behandeld en dit zou, in verband met het grote aantal betrokken ondernemingen, het toezicht op de naleving van de verbintenissen buitengewoon moeilijk maken .
72 Het is niet relevant, of Gestetner de eigenlijke exporteur van de PPC' s is of de importeur . Aangezien de PPC' s worden gekocht voor invoer in de Gemeenschap en dus de redenen voor niet-aanvaarding van door de importeurs aangeboden verbintenissen gelden, kon Gestetner in dit verband niet als exporteur worden beschouwd ( paragraaf 100, vierde alinea, van de bestreden verordening ).
73 Het middel ontleend aan onvoldoende motivering van de afwijzing van de door Gestetner aangeboden verbintenis, moet derhalve worden verworpen en daarmee het gehele beroep .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
74 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen, daaronder begrepen die van de interveniënten, die zulks hebben gevorderd . De aan de zijde van verzoekster tussengekomen onderneming Mita zal de eigen kosten dragen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende :
1 ) Verwerpt het beroep .
2 ) Verwijst verzoekster in de kosten, daaronder begrepen die van de interveniënten . Verstaat dat Mita haar eigen kosten zal dragen .
Full & Egal Universal Law Academy