Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Verdrag betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen - Uitsluitende bevoegdheden - Geschillen ten aanzien van huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen - Pachtovereenkomst met betrekking tot onroerend goed bestaande uit in twee verdragsluitende staten gelegen delen - Gerechten van iedere staat bij uitsluiting bevoegd ten aanzien van in die staat gelegen delen .
( Executieverdrag, artikel 16, lid 1 )
Samenvatting
Artikel 16, aanhef en sub 1, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, moet aldus worden uitgelegd, dat in een geschil omtrent het al dan niet bestaan van een pachtovereenkomst met betrekking tot een onroerend goed, gelegen in twee verdragsluitende staten, de gerechten van iedere verdragsluitende staat bij uitsluiting bevoegd zijn ten aanzien van de op het grondgebied van hun staat gelegen onroerende goederen .
Partijen
In zaak 158/87,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken, van het Gerechtshof te Arnhem, in het aldaar aanhangig geding tussen
R . O . E . Scherrens ( België )
en
M . G . Maenhout ( België ), R . A . M . van Poucke ( Nederland ) en L . M . L . van Poucke ( België ),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 16, aanhef en sub 1, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken ( PB 1968, L 299, blz . 32 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Zesde kamer ),
samengesteld als volgt : O . Due, kamerpresident, T . Koopmans, K . Bahlmann, C . Kakouris en T . F . O' Higgins, rechters,
advocaat-generaal : G . F . Mancini
griffier : H . A . Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de opmerkingen ingediend door :
- M . G . Maenhout en R . A . M . van Poucke, geïntimeerden, vertegenwoordigd door H . M . den Hollander, advocaat en procureur te Oostburg, Nederland,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J . Pipkorn, bijgestaan door W . J . Calkoen, van het kantoor Dutilh, Van der Hoeven en Slager, advocaten en notarissen te Rotterdam,
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 11 februari 1988,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 19 april 1988,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 23 maart 1987, ingekomen ten Hove op 26 mei daaraanvolgend, heeft het Gerechtshof te Arnhem krachtens het Protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging door het Hof van Justitie van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken ( hierna : Executieverdrag ), een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 16, aanhef en sub 1, Executieverdrag .
2 Deze vraag is gerezen in een geschil tussen Scherrens en Maenhout en anderen, over de vraag of tussen Scherrens, als pachter, en Maenhout en haar nadien overleden echtgenoot, als verpachters, mondeling een pachtovereenkomst is gesloten voor een hoeve, bestaande uit gebouwen met circa 5 ha landbouwgrond, gelegen in Maldegem ( België ), alsmede vier percelen grond van circa 12 ha, gelegen in Sluis ( Nederland ).
3 Blijkens het dossier gaat het hierbij niet om belendende gronden, maar liggen de percelen in Nederland en het Belgische perceel zeven kilometer uit elkaar .
4 Het ter zake van de pacht gerezen geschil werd door Scherrens bij de Vrederechter te Eeklo ( België ) aanhangig gemaakt voor het in België gelegen gedeelte van het bedrijf, maar tevens bij de pachtkamer van het Kantongerecht Oostburg ( Nederland ) voor het in Nederland gelegen los land . Het Kantongerecht oordeelde dat geen afdoende bewijs van de sluiting van de pachtovereenkomst was geleverd en wees de vordering af, waarop Scherrens hoger beroep aantekende bij de pachtkamer van het Gerechtshof te Arnhem .
5 Volgens het verwijzingsarrest houdt de pachter, appellant, staande dat er één pachtovereenkomst bestaat voor de hoeve en de percelen land . Overwegende dat derhalve de mogelijkheid bestaat, dat de Belgische en de Nederlandse rechter tot onderling tegenstrijdige beslissingen komen, heeft het Gerechtshof een antwoord noodzakelijk geacht op de vraag, welke rechter op grond van artikel 16, aanhef en sub 1, Executieverdrag in gevallen als het onderhavige bevoegd is . Daarop heeft het Gerechtshof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof verzocht "uitspraak te doen omtrent de vraag, hoe artikel 16, aanhef en sub 1, van het hiervoor aangehaalde Verdrag moet worden uitgelegd ten aanzien van pacht van een hoeve, waarvan de gebouwen ( met enig land ) zijn gelegen in de ene verdragsluitende Staat ( België ) en ( het grootste deel van ) het land in de andere ( Nederland )".
6 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven, voor zover zulks noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
7 Artikel 16 Executieverdrag luidt als volgt :
"Ongeacht de woonplaats zijn bij uitsluiting bevoegd :
1 ) ten aanzien van zakelijke rechten op en huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen : de gerechten van de verdragsluitende Staat waar het onroerend goed gelegen is;
..."
8 Met zijn prejudiciële vraag wenst de nationale rechterlijke instantie te vernemen of artikel 16, aanhef en sub 1, Executieverdrag aldus moet worden uitgelegd, dat in een geschil omtrent het al dan niet bestaan van een pachtovereenkomst met betrekking tot een onroerend goed, gelegen in twee verdragsluitende staten, de gerechten van iedere verdragsluitende staat bij uitsluiting bevoegd zijn ten aanzien van de op het grondgebied van hun staat gelegen onroerende goederen .
9 Er zij aan herinnerd dat het Hof in zijn arrest van 15 januari 1985 ( zaak 241/83, Roesler, Jurispr . 1985, blz . 99 ) overwoog, dat de uitsluitende bevoegdheid die artikel 16, aanhef en sub 1, toekent aan de gerechten van de verdragsluitende staat waar het onroerend goed is gelegen, zijn bestaansreden vindt in de nauwe band van huur en pacht van onroerend goed met de rechtsregels inzake onroerend goed en de - meestal dwingende - voorschriften inzake het gebruik ervan, zoals de wettelijke regelingen betreffende het toezicht op de huur - en pachtprijzen en de bescherming van de rechten van huurder en pachters .
10 Het Hof voegde daaraan toe dat artikel 16, aanhef en sub 1, een rationele bevoegdheidsverdeling tot stand beoogt te brengen, door de voorkeur te geven aan het gerecht dat zijn bevoegdheid ontleent aan het feit dat het zich in de nabijheid bevindt van de plaats waar het onroerend goed is gelegen, omdat dit gerecht het best in staat is om rechtstreeks kennis te nemen van de feitelijke omstandigheden die verband houden met de sluiting en de uitvoering van overeenkomsten betreffende huur en pacht van onroerend goed .
11 Op grond van deze overwegingen oordeelde het Hof in voornoemde zaak, die betrekking had op de huur van een onroerend goed dat geheel op het grondgebied van één verdragsluitende staat was gelegen, dat artikel 16, aanhef en sub 1, van toepassing is op elke overeenkomst inzake huur en verhuur van onroerend goed, ongeacht de bijzondere kenmerken van die overeenkomst .
12 In beginsel gelden dezelfde overwegingen in het geval van huur of pacht van een onroerend goed waarvan de delen op het grondgebied van twee verdragsluitende staten zijn gelegen .
13 Mitsdien moet artikel 16, aanhef en sub 1, aldus worden uitgelegd, dat in een geschil omtrent het al dan niet bestaan van een pachtovereenkomst met betrekking tot een onroerend goed, gelegen in twee verdragsluitende staten, de gerechten van iedere verdragsluitende staat in beginsel bij uitsluiting bevoegd zijn ten aanzien van de op het grondgebied van hun staat gelegen onroerende goederen .
14 Het is evenwel niet uitgesloten, dat een onroerend goed waarvan de delen in twee verdragsluitende staten zijn gelegen doch voorwerp zijn van één pachtovereenkomst, zodanige bijzondere kenmerken vertoont dat een uitzondering op de hiervoor uiteengezette algemene regel van uitsluitende bevoegdheden moet worden gemaakt . Dit zou bij voorbeeld het geval kunnen zijn wanneer de op het grondgebied van de ene verdragsluitende staat gelegen delen palen aan die in de andere staat, en het goed bijna geheel in één van de twee staten is gelegen . In dergelijke omstandigheden kan het passend zijn om het goed te beschouwen als een eenheid die geheel in een van deze staten is gelegen, ten einde aan de gerechten van deze staat uitsluitende bevoegdheid inzake de pacht van het onroerend goed te verlenen .
15 In casu blijkt uit het dossier echter niet, dat het onroerend goed dergelijke bijzondere kenmerken vertoont, aangezien de in de twee verdragsluitende staten gelegen delen noch belendend zijn noch bijna geheel in de ene of in de andere verdragsluitende staat gelegen zijn .
16 Mitsdien moet op de voorgelegde vraag worden geantwoord, dat artikel 16, aanhef en sub 1, Executieverdrag aldus moet worden uitgelegd, dat in een geschil omtrent het al dan niet bestaan van een pachtovereenkomst met betrekking tot een onroerend goed, gelegen in twee verdragsluitende staten, de gerechten van iedere verdragsluitende staat bij uitsluiting bevoegd zijn ten aanzien van de op het grondgebied van hun staat gelegen onroerende goederen .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
17 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Zesde kamer ),
uitspraak doende op de door het Gerechtshof te Arnhem bij arrest van 23 maart 1987 gestelde vraag, verklaart voor recht :
Artikel 16, aanhef en sub 1, van het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken moet aldus worden uitgelegd, dat in een geschil omtrent het al dan niet bestaan van een pachtovereenkomst met betrekking tot een onroerend goed, gelegen in twee verdragsluitende staten, de gerechten van iedere verdragsluitende staat bij uitsluiting bevoegd zijn ten aanzien van de op het grondgebied van hun staat gelegen onroerende goederen .
Full & Egal Universal Law Academy