Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Dumpingmarge - Vaststelling van normale waarde - Met prioriteit in aanmerking te nemen factor - Prijs in kader van normale handelstransacties - Door producent gecontroleerde distributiemaatschappij - Beroep op door deze maatschappij toegepaste prijzen - Wettigheid
(Verordening nr. 2176/84 van de Raad, art. 2, lid 3, sub a en b)
2. Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Dumpingmarge - Vaststelling van normale waarde en uitvoerprijs - Verkoop-, administratieve en andere algemene kosten van verkoopmaatschappijen - Verschillende regelingen - Eventuele toepassing van correcties met oog op vergelijking tussen normale waarde en uitvoerprijs
(Verordening nr. 2176/84 van de Raad, art. 2, lid 3, sub b, ii, 8, sub b, 9 en 10, sub c)
3. Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Dumpingmarge - Vaststelling van uitvoerprijs - Samenstelling op basis van door eerste onafhankelijke koper betaalde prijs - Correcties voor kosten verbonden aan activiteiten van dochteronderneming van producent/exporteur vóór import - Wettigheid
(Verordening nr. 2176/84 van de Raad, art. 2, lid 8, sub b)
4. Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Dumpingmarge - Vergelijking tussen normale waarde en uitvoerprijs - Aanpassingen - Verschillen in handelsstadium - Bewijslast
(Verordening nr. 2176/84 van de Raad, art. 2, leden 9 en 10, sub c)
5. Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Dumpingmarge - Vergelijking tussen normale waarde en uitvoerprijs - Aanpassingen - Verschillen in verkoopsvoorwaarden - Inaanmerkingneming slechts in geval van rechtstreeks verband met betrokken verkopen - Kosten zonder dergelijk verband - Uitgesloten
(Verordening nr. 2176/84 van de Raad, art. 2, lid 10, sub c)
6. Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Schade - Betrokken bedrijfstak van Gemeenschap - Produktie van soortgelijk produkt - Beoordelingsbevoegdheid van instellingen - Geen duidelijke afbakening van segmenten voor indeling binnen assortiment van betrokken produkten - Geen beoordelingsfout
(Verordening nr. 2176/84 van de Raad, art. 2, lid 12, en 4, lid 4)
Samenvatting
1. Uit de tekst en de structuur van artikel 2, lid 3, van de anti-dumpingbasis verordening nr. 2176/84 blijkt, dat voor de vaststelling van de normale waarde in de eerste plaats dient te worden uitgegaan van de prijs die bij normale handelstransacties werkelijk is of moet worden betaald. De andere in die bepaling vermelde oplossingen zijn slechts secundair.
Wanneer in verband met de verkopen op de binnenlandse markt wordt geconstateerd, dat een producent taken die in de regel door een bedrijfsinterne verkoopafdeling worden verricht, opdraagt aan een distributiemaatschappij van zijn produkten, die hij economisch controleert en waarmee hij één enkele economische eenheid vormt, mogen de instellingen uitgaan van de prijzen die de eerste, van de distributeur onafhankelijke koper betaalt. Deze prijzen kunnen immers terecht worden beschouwd als de prijzen die bij normale handelstransacties werkelijk zijn of moeten worden betaald in de zin van artikel 2, lid 3, sub a, van verordening nr. 2176/84. Door de prijzen van de geassocieerde distributeur in aanmerking te nemen, kan worden voorkomen, dat kosten die zonder twijfel een bestanddeel van de verkoopprijs van een produkt vormen wanneer dit produkt wordt verkocht door een verkoopafdeling binnen de organisatie van de producent, buiten beschouwing blijven, wanneer dezelfde verkoopactiviteit wordt verricht door een juridisch zelfstandige, maar economisch door de producent gecontroleerde vennootschap.
2. Voor de berekening van de normale waarde en de uitvoerprijs gelden onderling verschillende regels; de verkoop-, administratieve en andere algemene uitgaven behoeven in beide gevallen derhalve niet noodzakelijkerwijs op gelijke wijze te worden behandeld.
De verkoop-, administratieve en andere algemene uitgaven van een door de producent gecontroleerde distributiemaatschappij die op de binnenlandse markt als een verkoopafdeling van die producent optreedt, kunnen in werkelijkheid alleen worden vergeleken met die van haar exportafdeling, waarvan de overeenkomstige uitgaven niet van de uitvoerprijs zijn afgetrokken, en niet met die van haar Europese dochterondernemingen. Met eventuele verschillen in de hoogte van die uitgaven zou rekening kunnen worden gehouden in het kader van de correcties bedoeld in artikel 2, lid 10, sub c, van de anti-dumpingbasisverordening nr. 2176/84.
3. Wanneer de uitvoerprijs om andere dan de in artikel 2, lid 8, sub b, van de anti-dumpingbasisverordening nr. 2176/84 genoemde redenen wordt samengesteld op basis van de door de eerste onafhankelijke koper betaalde prijs, moet deze prijs worden gecorrigeerd voor de kosten en winsten in verband met de activiteiten van de dochteronderneming van de producent, door wier tussenkomst de exportverkoop is geschied en die de orders van de afnemers behandelt, de facturering verzorgt en de betalingen ontvangt. Immers, de wegens deze activiteiten door de dochteronderneming gedragen kosten verlagen daadwerkelijk het door de exporteur ontvangen bedrag en artikel 2, lid 8, sub b, van de verordening sluit niet uit, dat voor die kosten, ook al betreffen zij activiteiten die vóór de invoer zijn verricht, correcties worden toegepast.
4. Een producent die niet aantoont, dat de verkopen op basis waarvan de normale waarde en de uitvoerprijs zijn vastgesteld, verschillende categorieën kopers betreffen en dus in verschillende handelsstadia hebben plaatsgevonden, rechtvaardigt niet zijn verzoek om correctie voor verschillen in handelsstadium in de zin van artikel 2, leden 9 en 10, van de anti-dumpingbasisverordening nr. 2176/84.
5. Noch de aan de koper van een nieuw apparaat bij inruil van een oud model verleende inruilkorting, die de waarde weergeeft die de producent toekent aan het uit de markt nemen van het gebruikte apparaat, noch de vervoerkosten die de producent bij de verkopen aan zijn geassocieerde distributiemaatschappij draagt en die de interne overdracht van de produkten betreffen, noch de uitgaven van de verkopers in het kader van hun verkoopactiviteiten, die in de regel tot de administratieve en algemene kosten behoren, staan rechtstreeks in verband met de betreffende verkopen in de zin van artikel 2, lid 10, sub c, van verordening nr. 2176/84. Zij rechtvaardigen dus geen verlaging van de normale waarde wegens verschillen in de verkoopvoorwaarden.
6. De instellingen hebben geen beoordelingsfout begaan door bij de vaststelling van de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade aan te nemen, dat "de produktie van het soortgelijke produkt in de Gemeenschap" in de zin van artikel 4, lid 4, van de anti-dumpingbasisverordening nr. 2176/84 de produktie van alle fotokopieerapparaten in alle segmenten te zamen was, met uitzondering van apparaten die niet in de Gemeenschap werden geproduceerd. Immers, uit de marktonderzoeken waarop de instellingen zich hebben gebaseerd, blijkt, dat de segmenten voor de indeling van de fotokopieerapparaten niet duidelijk zijn afgebakend: enerzijds kunnen bepaalde fotokopieerapparaten wegens hun kenmerken en technische specificaties in verschillende segmenten worden ondergebracht en anderzijds bestaat er concurrentie zowel tussen apparaten van aangrenzende segmenten als tussen apparaten van niet-aangrenzende segmenten.
Partijen
In zaak C-171/87,
Canon Inc., te Tokio (Japan), vertegenwoordigd door I. Van Bael, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij F. Brausch, advocaat aldaar, Rue Zithe 8,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H.-J. Lambers, directeur van de juridische dienst, en E. Stein, juridisch adviseur, als gemachtigden, bijgestaan door H.-J. Rabe en M. Schuette, advocaten respectievelijk te Hamburg en te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij J. Kaeser, directeur van de juridische dienst van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100, Kirchberg,
verweerder,
ondersteund door
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Temple Lang, juridisch adviseur, en E. White, lid van de juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
en door
Committee of European Copier Manufacturers (CECOM), te Keulen, vertegenwoordigd door D. Ehle en V. Schiller, advocaten te Keulen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Arendt en Harles, advocaten aldaar, Avenue Marie-Thérèse 4,
interveniënten,
betreffende een verzoek om nietigverklaring van de artikelen 1 en 2 van verordening (EEG) nr. 535/87 van de Raad van 23 februari 1987 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van fotokopieerapparaten voor gewoon papier van oorsprong uit Japan (PB 1987, L 54, blz. 12), voor zover deze betrekking hebben op verzoekster,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: R. Joliet, kamerpresident, Sir Gordon Slynn, F. Grévisse, J. C. Moitinho de Almeida en M. Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 3 oktober 1990, waar Canon werd vertegenwoordigd door A. Vanderelst, advocaat te Brussel,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 december 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 6 juni 1987, heeft Canon Inc. (hierna: "Canon"), gevestigd te Tokio, krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag verzocht om nietigverklaring van de artikelen 1 en 2 van verordening (EEG) nr. 535/87 van de Raad van 23 februari 1987 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van fotokopieerapparaten voor gewoon papier van oorsprong uit Japan (PB 1987, L 54, blz. 12, hierna: "de bestreden verordening"), voor zover deze betrekking hebben op verzoekster.
2 Canon produceert fotokopieerapparaten voor gewoon papier (plain paper copiers, hierna: "PPC' s"), die zij verkoopt aan (a) distributiemaatschappijen waarvan zij aandeelhoudster is en die verantwoordelijk zijn voor de verkoop van de PPC' s in Japan, het Verenigd Koninkrijk, Frankrijk en Duitsland; aan (b) Canon Europa NV, te Amsterdam, een maatschappij die de uitvoer cooerdineert en vervolgens de PPC' s naar exclusieve distributeurs in Denemarken, Ierland en Griekenland uitvoert; en aan (c) Original Equipment Manufacturers (ondernemingen die onder hun eigen merknaam produkten verkopen die door andere ondernemingen zijn vervaardigd, hierna: "OEM' s").
3 In juli 1985 diende het Committee of European Copier Manufacturers (CECOM) bij de Commissie een klacht in, waarin Canon en andere Japanse producenten ervan werden beschuldigd hun produkten in de Gemeenschap tegen dumpingprijzen te verkopen.
4 De door de Commissie ingeleide anti-dumpingprocedure op basis van verordening (EEG) nr. 2176/84 van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB 1984, L 201, blz. 1) resulteerde in verordening (EEG) nr. 2640/86 van de Commissie van 21 augustus 1986 tot instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van fotokopieerapparaten voor gewoon papier van oorsprong uit Japan (PB 1986, L 239, blz. 5). Het voorlopige anti-dumpingrecht op de door Canon vervaardigde en uitgevoerde PPC' s bedroeg 15,8 % van de nettoprijs franco grens Gemeenschap. Vervolgens stelde de Raad op voorstel van de Commissie bij de bestreden verordening een definitief anti-dumpingrecht van 20 % vast.
5 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
6 Tot staving van haar beroep voert Canon vijf middelen aan, te weten onjuiste berekening van de normale waarde, onjuiste berekening van de uitvoerprijs, onjuiste vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs, onjuiste vaststelling van de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade en schending van de motiveringsplicht.
Onjuiste berekening van de normale waarde
7 Canon betoogt in de eerste plaats, dat de instellingen ten onrechte de prijs bij transacties in Japan tussen Canon en haar Japanse verkoopmaatschappij Canon Sales Company (hierna: "CSC") niet als normale waarde hebben beschouwd, doch met toepassing van artikel 2, lid 3, sub a, van verordening nr. 2176/84 de normale waarde hebben vastgesteld op basis van de prijzen die CSC bij de eerste verkoop aan een onafhankelijke koper in rekening bracht. Daarmee hebben zij de normale waarde vastgesteld voor een handelsstadium dat niet vergelijkbaar is met dat waarmee rekening is gehouden bij de samenstelling van de uitvoerprijs, die is berekend op basis van de verkopen van Canon aan haar Europese dochterondernemingen. Een en ander heeft tot gevolg, dat ook na correctie overeenkomstig artikel 2, lid 10, van verordening nr. 2176/84, nog bepaalde uitgaven van CSC in de normale waarde zijn begrepen, terwijl de door Canons Europese dochterondernemingen gedane uitgaven bij de berekening van de uitvoerprijs zijn uitgesloten. Volgens Canon waren die verkopen niet vergelijkbaar en hadden de instellingen de normale waarde dus moeten vaststellen overeenkomstig artikel 2, lid 3, sub b, van verordening nr. 2176/84, dat wil zeggen dat zij hadden moeten uitgaan van de vergelijkbare prijs bij uitvoer naar een derde land, ofwel een normale waarde hadden moeten samenstellen.
8 Om te beginnen zij erop gewezen, dat luidens artikel 2, lid 3, sub a, van verordening nr. 2176/84 onder normale waarde wordt verstaan "de vergelijkbare prijs die bij normale handelstransacties werkelijk is of moet worden betaald voor een soortgelijk produkt dat bestemd is voor verbruik in het land van uitvoer of het land van oorsprong". Andere, sub b, i en ii, genoemde elementen kunnen als normale waarde worden gebruikt, "wanneer op de binnenlandse markt van het land van uitvoer of van oorsprong geen verkoop van een soortgelijk produkt in het kader van normale handelstransacties plaatsvindt of indien dergelijke verkopen geen bruikbare vergelijking mogelijk maken". Uit de tekst en de structuur van genoemde bepalingen blijkt duidelijk, dat voor de vaststelling van de normale waarde in de eerste plaats dient te worden uitgegaan van de prijs die bij normale handelstransacties werkelijk is of moet worden betaald. De andere oplossingen zijn slechts secundair (arrest van 5 oktober 1988, gevoegde zaken 277/85 en 300/85, Canon, Jurispr. 1988, blz. 5731, r.o. 11).
9 Voorts moet worden vastgesteld, dat Canon blijkens het dossier de distributiemaatschappij van haar produkten in Japan - CSC - economisch controleert en daaraan taken opdraagt die in de regel worden verricht door een bedrijfsinterne verkoopafdeling van de producent.
10 In het arrest van 5 oktober 1998 (zaak 250/85, Brother, Jurispr. 1988, blz. 5683, r.o. 16) heeft het Hof reeds verklaard, dat de scheiding van produktie- en verkoopactiviteiten binnen een groep die uit juridisch zelfstandige vennootschappen bestaat, niets afdoet aan het feit, dat het gaat om één enkele economische eenheid, die op deze wijze activiteiten verricht, die in andere gevallen worden verricht door een organisatie die ook juridisch een eenheid vormt.
11 Onder die omstandigheden mochten de instellingen uitgaan van de prijzen die de eerste, van de distributeur onafhankelijke koper betaalde. Deze prijzen kunnen immers terecht worden beschouwd als de prijzen die bij normale handelstransacties werkelijk zijn of moeten worden betaald in de zin van artikel 2, lid 3, sub a, van verordening nr. 2176/84.
12 Met betrekking tot Canons argument, dat de Raad de normale waarde heeft vastgesteld op basis van verkopen die niet vergelijkbaar waren met die welke in aanmerking zijn genomen voor de berekening van de uitvoerprijs, dient eraan te worden herinnerd dat, zoals het Hof in voormeld arrest van 5 oktober 1988 (gevoegde zaken 277/85 en 300/85, r.o. 19) uitmaakte, aan de in artikel 2, lid 3, sub a, van verordening nr. 2176/84 gestelde eis van vergelijkbaarheid is voldaan, wanneer de normale waarde en de uitvoerprijs beide zijn vastgesteld uitgaande van de eerste verkoop aan een onafhankelijke koper. De vergelijking moet derhalve tussen de aldus berekende cijfers worden verricht, onverminderd de in artikel 2, leden 9 en 10, van verordening nr. 2176/84 uitdrukkelijk voorziene correcties en verminderingen.
13 Wat ten slotte het feit betreft, dat sommige uitgaven van CSC in de normale waarde zijn begrepen, moet gelet op het voorgaande (r.o. 9 en 10) en overeenkomstig het arrest van 5 oktober 1988 (gevoegde zaken 273/85 en 107/86, Silver Seiko, Jurispr. 1988, blz. 5927, r.o. 14) worden opgemerkt, dat door de prijzen van de geassocieerde distributeur in aanmerking te nemen, kan worden voorkomen, dat kosten die zonder twijfel een bestanddeel van de verkoopprijs van een produkt vormen wanneer dit produkt wordt verkocht door een verkoopafdeling binnen de organisatie van de producent, buiten beschouwing blijven, wanneer dezelfde verkoopactiviteit wordt verricht door een juridische zelfstandige, maar economisch door de producent gecontroleerde vennootschap.
14 In de tweede plaats betoogt Canon, dat bij haar OEM-verkopen en de verkopen van drie van haar merknaamprodukten (de modellen A, B en C), waarvoor zowel de normale waarde als de uitvoerprijs is samengesteld, de instellingen niet alleen de produktiekosten en een winstmarge in de normale waarde hebben opgenomen, maar ook alle verkoop-, administratieve en andere uitgaven van Canon en CSC. Voor de uitvoerprijs daarentegen zijn alleen de verkoop-, administratieve en andere uitgaven van Canon meegerekend, en niet die van haar Europese dochterondernemingen. Bijgevolg is de aangenomen normale waarde niet vergelijkbaar met de uitvoerprijs.
15 Volgens 's Hofs rechtspraak [zie onder meer de arresten van 7 mei 1987 (zaak 240/84, Toyo, Jurispr. 1987, blz. 1809, r.o. 13; zaak 255/84, Nachi Fujikoshi, Jurispr. 1987, blz. 1861, r.o. 14; zaak 258/84, Nippon Seiko, Jurispr. 1987, blz. 1923, r.o. 14, en zaak 260/84, Minebea, Jurispr. 1987, blz. 1975, r.o. 8)] gelden voor de berekening van de normale waarde en de uitvoerprijs onderling verschillende regels en behoeven de verkoop-, administratieve en andere algemene uitgaven in beide gevallen derhalve niet noodzakelijkerwijs op gelijke wijze te worden behandeld.
16 Hieraan moet worden toegevoegd, dat de verkoop-, administratieve en andere algemene uitgaven van CSC, die, zoals hierboven gezegd, als een verkoopafdeling van Canon optreedt, in werkelijkheid alleen kunnen worden vergeleken met die van haar exportafdeling, waarvan de overeenkomstige uitgaven niet van de uitvoerprijs zijn afgetrokken, en niet met die van haar Europese dochterondernemingen. Met eventuele verschillen in de hoogte van die uitgaven zou rekening kunnen worden gehouden in het kader van de correcties bedoeld in artikel 2, lid 10, sub c, van verordening nr. 2176/84.
17 In de derde plaats betoogt Canon, dat de normale waarde van vorenbedoelde drie, onder haar eigen merk verkochte produkten kunstmatig is verhoogd, doordat winstmarges zijn gebruikt die niet bij de betrokken produkten pasten.
18 In zoverre moet om te beginnen worden opgemerkt, dat de Raad zijn beoordelingsbevoegdheid niet heeft overschreden door bij de berekening van de normale waarde van de drie modellen uit te gaan van de gemiddelde winst, die de instellingen hadden berekend op basis van het bedrag waarmee de produktiekosten, daaronder begrepen een redelijk bedrag voor de verkoop-, administratieve en andere algemene uitgaven, werd overschreden bij alle verkopen van de modellen van Canon die in het kader van normale handelstransacties hadden plaatsgevonden.
19 Model C is gedurende een vrij lange periode en in aanzienlijke hoeveelheden met verlies verkocht, en de Raad was derhalve terecht van oordeel, dat deze verkopen niet in het kader van normale handelstransacties in de zin van artikel 2, lid 4, van verordening nr. 2176/84 hadden plaatsgevonden.
20 Voorts is model B bij de berekening van Canons dumpingmarge buiten beschouwing gelaten, aangezien dit model in de Gemeenschap in zeer geringe aantallen werd verkocht.
21 Ten slotte betwist Canon niet de stelling van de Raad, dat de door de Commissie bij de samenstelling van de normale waarde van model A begane vergissing - haars inziens voldeed dit model niet aan de regel, dat met de verkopen op de markt slechts rekening moet worden gehouden wanneer deze 5 % of meer van de uitvoer naar de Gemeenschap uitmaken - slechts een geringe invloed op de dumpingmarge had en dat aanpassing van de hoogte van het anti-dumpingrecht dus niet nodig was.
22 Uit het voorgaande volgt, dat het middel betreffende de onjuiste berekening van de normale waarde in zijn geheel moet worden verworpen.
Onjuiste berekening van de uitvoerprijs
23 Canon betoogt om te beginnen, dat voor de verkopen aan twee OEM-kopers de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 8, sub a, van verordening nr. 2176/84 is vastgesteld, en niet, zoals de Raad stelt, overeenkomstig artikel 2, lid 8, sub b. De - in artikel 2, lid 10, van de verordening niet voorziene - aftrek van een willekeurig op 5 % gesteld bedrag is dientengevolge onwettig.
24 Voorts stelt Canon, dat de instellingen op de verkopen naar Ierland, Denemarken en Griekenland via Canon Europa niet artikel 2, lid 8, sub b, van verordening nr. 2176/84 hadden mogen toepassen en evenmin bij de samenstelling van de uitvoerprijs alle uitgaven van Canon Europa en een winstmarge van 5 % hadden mogen aftrekken.
25 Volgens Canon is artikel 2, lid 8, sub b, van verordening nr. 2176/84 alleen dan van toepassing op de voormelde twee soorten verkopen, wanneer het produkt na te zijn ingevoerd aan een onafhankelijke verkoper wordt doorverkocht. Tijdens het onderzoek importeerde Canon Europa echter geen PPC' s. Haar verkopen zijn dus niet te beschouwen als verkopen van ingevoerde produkten; evenmin zijn haar uitgaven als uitgaven tussen de invoer en de wederverkoop aan te merken.
26 In dit verband zij opgemerkt, dat de door Canon geproduceerde PPC' s worden verkocht door tussenkomst van Canon Europa, die de orders van de afnemers behandelt, de facturering verzorgt en de betalingen ontvangt. Gezien de activiteiten van Canon Europa ontstaan bij haar kosten die tot een daadwerkelijke verlaging van het door de exporteur ontvangen bedrag leiden.
27 Blijkens het arrest van het Hof van 14 maart 1990 (zaak C-156/87, Gestetner, Jurispr. 1990, blz. I-781, r.o. 32 en 33) staat het feit dat de bij Canon Europa ontstane kosten verband houden met activiteiten die vóór de invoer zijn verricht, niet in de weg aan toepassing van artikel 2, lid 8, sub b, van verordening nr. 2176/84; deze bepaling belet niet om de nodige correcties uit te voeren, wanneer de uitvoerprijs om andere dan de daarin genoemde redenen moet worden samengesteld.
28 Onder die omstandigheden was het, zoals het Hof in het arrest Gestetner (r.o. 34) oordeelde, juist om de uitvoerprijs voor de verkopen aan OEM' s samen te stellen op basis van de door de eerste onafhankelijke koper betaalde prijs, gecorrigeerd voor de kosten en winst die met de rol van Canon Europa verband hielden.
29 Hetzelfde geldt voor de berekening van de uitvoerprijs voor de verkopen van Canon, via Canon Europa, aan de drie onafhankelijke nationale importeurs. In paragraaf 15, derde alinea, van de bestreden verordening merkte de Raad immers op, dat Canon Europa in al deze gevallen de voor een importerende dochteronderneming kenmerkende taken vervult, die vergelijkbaar zijn met die welke in het geval van de OEM' s worden verricht.
30 Noch uit de processtukken, noch ter terechtzitting is gebleken, dat teveel was afgetrokken. Mitsdien moet het middel betreffende de onjuiste berekening van de uitvoerprijs worden verworpen.
Onjuiste vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs
31 Canon betoogt, dat de instellingen artikel 2, lid 10, sub c, van verordening nr. 2176/84 hebben geschonden door deze bepaling restrictief uit te leggen en de normale waarde niet aan te passen voor de kosten van CSC, verschillen in handelsstadium, de inruilkortingen, de door Canon ter zake van haar verkopen aan CSC gemaakte vervoerkosten en de rechtstreekse uitgaven van het verkooppersoneel met betrekking tot de verkoopactiviteiten.
32 Vooraf zij opgemerkt, dat volgens de in rechtsoverweging 15 aangehaalde arresten van 7 mei 1987, met name het arrest in zaak 260/84 (Minebea, r.o. 43), de partij die om correctie verzoekt, moet bewijzen dat haar verzoek gegrond is, dit wil zeggen dat het gestelde verschil een van de in artikel 2, lid 9, van verordening nr. 2176/84 genoemde factoren betreft, dat dit verschil van invloed is op de vergelijkbaarheid van de prijzen en ten slotte dat, wanneer het in het bijzonder gaat om verschillen in de verkoopsvoorwaarden, deze verschillen in rechtstreeks verband staan met de betrokken verkoop.
33 Canon ontkent niet dat, zoals in de paragrafen 17 en 18 van de bestreden verordening wordt gezegd, de instellingen daadwerkelijk overeenkomstig artikel 2, lid 9, van verordening nr. 2176/84 correcties hebben toegepast ten einde rekening te houden met verschillen in, onder meer, de verkoopsvoorwaarden. De bij CSC ontstane kosten, die Canon van de normale waarde afgetrokken wil zien, betreffen enkel administratieve en de algemene kosten. Artikel 2, lid 10, sub c, van verordening nr. 2176/84 stelt evenwel als algemene regel, dat correcties voor dergelijke kosten uitgesloten zijn, en Canon heeft geen bijzondere omstandigheden aangetoond die een afwijking van die regel zouden kunnen rechtvaardigen.
34 Het feit dat CSC ook als distributeur van produkten van andere producenten optreedt, rechtvaardigt een dergelijke afwijking niet. Uit paragraaf 12 van verordening nr. 2640/86 en de bestreden verordening blijkt duidelijk, dat de instellingen met deze activiteiten van CSC rekening hebben gehouden ten einde in de normale waarde alleen de met de verkoop van Canons PPC' s verband houdende kosten te verwerken.
35 Met betrekking tot de correcties die zijn gevraagd omdat de normale waarde en de uitvoerprijs in verschillende handelsstadia zouden zijn bepaald, moet worden vastgesteld, zoals hierboven in rechtsoverweging 12 vermeld, dat beide zijn bepaald op basis van de prijs waartegen het produkt voor het eerst aan een onafhankelijke koper is verkocht.
36 Bovendien heeft Canon niet aangetoond, dat de verkopen op basis waarvan de normale waarde en de uitvoerprijs zijn vastgesteld, verschillende categorieën kopers betroffen en dus in verschillende handelsstadia hadden plaatsgevonden, zodat de gevraagde correcties gerechtvaardigd waren. De instellingen waren derhalve niet verplicht, die correcties te verlenen.
37 Wat betreft de gevraagde correcties voor de inruilkorting die aan kopers van nieuwe toestellen werd verleend bij inruil van een oud model, moet worden opgemerkt, dat blijkens paragraaf 13 van de bestreden verordening deze korting het voordeel belichaamt dat de producent ontleent aan het uit de markt nemen van de ingeruilde apparaten en aan het ontbreken van een tweedehandsmarkt voor PPC' s in Japan. Volgens de Raad wordt "de vraag naar nieuwe toestellen op het hoogst mogelijke peil gehandhaafd, met prijzen die dus ook op hogere niveaus worden gehouden dan ingeval er een tweedehandsmarkt zou hebben bestaan" en leidt "deze hogere vraag niet alleen tot hogere prijzen maar ook tot hogere produktieniveaus die normaliter moeten leiden tot schaalvergrotingsvoordelen en evenredig hogere winstniveaus".
38 Onder die omstandigheden kan van de betrokken kortingen, die de waarde weergeven die de producent aan het uit de markt nemen van de gebruikte apparaten toekent, niet worden gezegd, dat zij rechtstreeks in verband staan met de betreffende verkoop in de zin van artikel 2, lid 10, sub c, van verordening nr. 2176/84. Bijgevolg hebben de instellingen de gevraagde correcties terecht geweigerd.
39 Met betrekking tot de correctie die is gevraagd voor de door Canon gemaakte vervoerkosten in verband met haar verkopen aan CSC, moet worden opgemerkt, dat deze kosten de kosten van de interne overdracht van produkten van Canon aan CSC vertegenwoordigen, en derhalve niet rechtstreeks in verband staan met de betreffende verkoop, zoals artikel 2, lid 10, sub c, van verordening nr. 2176/84 verlangt.
40 Wat ten slotte de uitgaven van de verkopers in het kader van hun verkoopactiviteiten betreft (reis- en parkeerkosten, autoverzekering en verkoopopleiding) moet worden vastgesteld, dat dergelijke uitgaven in de regel als administratieve en algemene kosten worden beschouwd en derhalve niet in aanmerking komen voor correctie krachtens artikel 2, lid 10, sub c, van verordening nr. 2176/84. Canon heeft geen bijzondere omstandigheden aangetoond die een afwijking van de in die bepaling neergelegde algemene regel zouden kunnen rechtvaardigen.
41 Daaraan doet niets af het argument van Canon, dat voor dergelijke uitgaven op basis van identieke bewijzen in de zaak die tot het arrest van 5 oktober 1988 (gevoegde zaken 277/85 en 300/85, Canon, reeds aangehaald) heeft geleid, wel een correctie is toegekend. Zelfs indien die uitgaven en hun band met de verkoop vergelijkbaar zouden zijn, wat overigens niet is aangetoond, moet worden opgemerkt dat, gelijk het Hof oordeelde in het arrest van 28 oktober 1982 (zaak 52/81, Faust, Jurispr. 1982, blz. 3745), waar de gemeenschapsinstellingen over een beoordelingsmarge beschikken bij de keuze van de middelen die voor de verwezenlijking van hun beleid noodzakelijk zijn, de ondernemers zich niet kunnen beroepen op een gewettigd vertrouwen in het gehandhaafd blijven van de aanvankelijk gekozen middelen, die de instellingen in de uitoefening van hun bevoegdheid kunnen wijzigen.
42 Uit het voorgaande volgt, dat het middel betreffende de onjuiste vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs moet worden afgewezen.
Onjuiste vaststelling van de door de bedrijfstak van de Gemeenschap geleden schade
43 De instellingen zijn tot de conclusie gekomen, dat alle PPC' s - althans die welke in aangrenzende segmenten vallen -, van de personal copiers tot segment 5 van de Dataquest-indeling, als soortgelijke produkten zijn aan te merken; de apparaten van segment 6, die niet in de Gemeenschap werden geproduceerd, zijn van de procedure uitgesloten (paragraaf 31 van de bestreden verordening).
44 Volgens de PPC-indelingen van Info-Markt en Dataquest, die de instellingen in de onderhavige zaak als uitgangspunt hebben genomen, bestaat de PPC-markt uit verschillende segmenten die aan de hand van de technische specificaties en prestaties van de betrokken apparaten zijn te onderscheiden. In paragraaf 31 van de bestreden verordening is evenwel vermeld, dat de Japanse producenten tijdens de referentieperiode alleen PPC' s van het segment van de personal copiers en van de segmenten 1 tot en met 4 exporteerden.
45 Canon betoogt, dat de instellingen ten onrechte de segmentering van de PPC-markt hebben genegeerd en alle apparaten als soortgelijke produkten in de zin van artikel 2, lid 12, van verordening nr. 2176/84 hebben beschouwd. Deze opvatting heeft geleid tot een onjuiste beoordeling van de mededingingsverhoudingen, met name wat betreft de Canon Personal Copier (hierna: "PC"), die een nieuwe markt heeft gecreëerd die verschilt van de PPC' s van segment 1.
46 Volgens Canon blijkt uit gedetailleerd onderzoek van de cijfers over de ontwikkeling van het marktaandeel van de betrokken communautaire producenten, zowel in elk segment afzonderlijk als in groepen van aangrenzende segmenten, dat dit marktaandeel niet is gedaald en dat de communautaire producenten geen schade hebben geleden ten gevolge van de invoer van Japanse fotokopieerapparaten.
47 Volgens artikel 4, lid 1, van verordening nr. 2176/84 wordt "schade slechts vastgesteld indien de invoer met dumping of subsidiëring door het effect van de dumping of de subsidiëring schade veroorzaakt, dat wil zeggen aanmerkelijke schade aan een gevestigde bedrijfstak van de Gemeenschap toebrengt of dreigt toe te brengen of een aanzienlijke vertraging bij de vestiging van een bedrijfstak meebrengt". Artikel 4, lid 4, bepaalt: "Het effect van de invoer met dumping of subsidiëring wordt geraamd ten opzichte van de produktie van het soortgelijke produkt in de Gemeenschap (...)" Bovendien somt artikel 4, lid 2, een aantal factoren op waarmee bij het onderzoek naar de schade rekening moet worden gehouden, waaronder de invloed van de betrokken invoer op de produktie in de Gemeenschap blijkens, onder meer, de ontwikkeling van het marktaandeel van de betrokken producenten.
48 Op basis van het marktonderzoek van Info-Markt en Dataquest concludeerden de instellingen, dat weliswaar niet alle PPC' s soortgelijke produkten zijn, doch dat dit wel het geval is met de PPC' s in aangrenzende segmenten, van de personal copiers tot de fotokopieerapparaten van segment 5 van de Dataquest-indeling. Uit het dossier blijkt, dat in vorenbedoeld marktonderzoek de segmenten als zodanig niet duidelijk zijn afgebakend: enerzijds kunnen bepaalde PPC' s wegens sommige van hun kenmerken en technische specificaties in verschillende segmenten worden ondergebracht en anderzijds bestaat er concurrentie zowel tussen PPC' s van aangrenzende segmenten als tussen PPC' s die in de verschillende hierboven vermelde segmenten zijn ingedeeld.
49 Bijgevolg moet worden erkend, dat de verschillen - onder meer wat betreft snelheid en capaciteit - tussen PPC' s die in een of meer segmenten vallen, onvoldoende zijn om te concluderen dat die PPC' s niet een identieke functie hebben of niet aan dezelfde behoeften voldoen. Bovendien, zoals in paragraaf 30, derde alinea, van de bestreden verordening wordt gezegd, bevestigt het feit dat de beslissing van de kopers kan worden beïnvloed door factoren die in het bijzonder verband houden met de keuze tussen centraliseren of decentraliseren van hun kopieerfaciliteiten, dat tussen apparaten van verschillende categorieën concurrentie bestaat.
50 Deze overwegingen gelden eveneens voor de PC' s en de PPC' s van segment 1. Blijkens het gestelde in paragraaf 29 van de bestreden verordening, dat door Canon niet is betwist, heeft de ontwikkeling van de PC de uitbreiding van de markt voor kleine copiers bevorderd, doch eveneens de mededinging in de sector van de eenvoudige apparaten vergroot. Bijgevolg faalt het argument, dat de introductie van de PC een markt heeft gecreëerd die verschilt van die voor andere PPC' s.
51 Gelet op het voorgaande behoeft niet te worden onderzocht of, zoals Canon stelt, het marktaandeel van de betrokken communautaire producenten in een of ander van die segmenten is gestegen.
52 Bijgevolg moet worden vastgesteld, dat Canon niet heeft aangetoond, dat de instellingen een beoordelingsfout hebben gemaakt door aan te nemen dat in casu "de produktie van het soortgelijke produkt in de Gemeenschap" in de zin van artikel 4, lid 4, van verordening nr. 2176/84 de produktie van alle PPC' s in alle segmenten te zamen was.
53 Mitsdien moet het middel betreffende de onjuiste vaststelling van de door de communautaire bedrijfstak geleden schade worden afgewezen.
Schending van de motiveringsplicht
54 Canon betoogt, dat de bestreden verordening ontoereikend gemotiveerd is, in de eerste plaats wat betreft de vergelijking tussen de verkopen die zijn gebruikt om de normale waarde vast te stellen, zoals voorgeschreven bij artikel 2, lid 3, sub a, van verordening nr. 2176/84, en de verkopen die voor de berekening van de uitvoerprijs in aanmerking zijn genomen; in de tweede plaats wat betreft de weigering van de Raad om het bewijsmateriaal te onderzoeken dat in verband met de activiteiten van CSC was aangevoerd, en, ten slotte, wat betreft de weigering om bepaalde verkoopkosten als rechtstreeks verband houdend met de verkoop te beschouwen.
55 Volgens vaste rechtspraak van het Hof (zie met name het arrest van 14 maart 1990, zaak C-156/87, reeds aangehaald, r.o. 69) dient de door artikel 190 EEG-Verdrag verlangde motivering de redenering van de communautaire instantie waarvan de bestreden handeling afkomstig is, duidelijk en ondubbelzinnig te doen uitkomen, opdat de belanghebbenden de rechtvaardigingsgronden van de genomen maatregel kunnen kennen en hun rechten kunnen verdedigen, en het Hof zijn toezicht kan uitoefenen.
56 In casu is aan dit vereiste voldaan. Immers, in de paragrafen 5 tot en met 16 van de bestreden verordening geeft de Raad aan, dat de normale waarde en de uitvoerprijs op basis van de door de eerste onafhankelijke koper betaalde prijs zijn vastgesteld, en legt hij uit, waarom hij de door de Commissie daarbij gevolgde methode heeft bevestigd of ten dele geaccepteerd.
57 Met betrekking tot het bewijsmateriaal waaruit zou blijken dat CSC ook andere taken dan die van een verkooporgaan verrichtte, volgt uit de vorenstaande rechtsoverwegingen 9 tot en met 11, dat de instellingen niet verplicht waren deze bewijzen te onderzoeken om vast te stellen, of CSC daadwerkelijk taken verrichtte die in de regel door een verkoopafdeling worden verricht. Zoals hierboven gezegd (r.o. 34), is met die andere taken rekening gehouden, opdat alleen de kosten betreffende de verkoop van Canons PPC' s in de normale waarde zouden worden opgenomen.
58 Wat ten slotte de weigering betreft om met bepaalde kosten rekening te houden omdat zij niet rechtstreeks verband hielden met de verkoop, zijn in paragraaf 20 van de bestreden verordening, waarin paragraaf 26 van verordening nr. 2640/86 wordt bevestigd, en in de paragrafen 13 en 14 de redenen vermeld die aan het standpunt van de instellingen terzake ten grondslag liggen.
59 Gelet op het voorgaande moet het middel betreffende schending van de motiveringsplicht worden afgewezen; mitsdien moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
60 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen, daaronder begrepen die van interveniënte CECOM, die in die zin heeft geconcludeerd. Ingevolge artikel 69, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering draagt de Commissie haar eigen kosten.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst verzoekster in de kosten, daaronder begrepen die van interveniënte CECOM.
Full & Egal Universal Law Academy