Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1. Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Dumpingmarge - Vaststelling van normale waarde - Aangenomen waarde - Verkoop-, administratieve en andere algemene kosten van verkoopmaatschappijen - Daaronder begrepen - Andere regeling dan voor samenstelling van uitvoerprijs - Eventuele toepassing van correcties met oog op vergelijking tussen normale waarde en uitvoerprijs
(Verordening nr. 2176/84 van de Raad, art. 2, lid 3, sub b, ii, 8, sub b, 9 en 10, sub c)
2. Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Dumpingmarge - Vaststelling van normale waarde - Aangenomen waarde - Berekening van winstmarge - Gemiddelde winst van andere exporteurs op winstgevende verkoop van soortgelijke produkten
(Verordening nr. 2176/84 van de Raad, art. 2, lid 3, sub b, ii)
3. Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Dumpingmarge - Vaststelling van normale waarde - Aangenomen waarde - Berekening van winstmarge - Gecombineerde marge van economische eenheid, gevormd door producent en verkoopmaatschappij
(Verordening nr. 2176/84 van de Raad, art. 2, lid 3, sub b, ii)
4. Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Dumpingmarge - Vaststelling van normale waarde - Aangenomen waarde - Inruilkorting voor gebruikt apparaat - Daaronder begrepen
(Verordening nr. 2176/84 van de Raad, art. 2, lid 3, sub b, ii)
5. Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Dumpingmarge - Vergelijking tussen normale waarde en uitvoerprijs - Aanpassingen - Verschillen in verkoopsvoorwaarden - Inaanmerkingneming slechts in geval van rechtstreeks verband met betrokken verkopen - Kosten zonder dergelijk verband - Uitgesloten
(Verordening nr. 2176/84 van de Raad, art. 2, lid 10, sub c)
6. Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Dumpingmarge - Vergelijking tussen normale waarde en uitvoerprijs - Aanpassingen - Verschillen in handelsstadium - Bewijslast
(Verordening nr. 2176/84 van de Raad, art. 2, leden 9 en 10, sub c)
7. Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Dumpingmarge - Vaststelling van normale waarde en uitvoerprijs - Verplichting, identieke methode toe te passen voor vaststelling - Neen - Vergelijkingsmethoden - Beoordelingsbevoegdheid van instellingen - Transactiegewijze methode - Toepassing niet beperkt tot geval van camouflage van dumping
(Verordening nr. 2176/84 van de Raad, art. 2, leden 9 en 13, sub b)
Samenvatting
1. Wanneer in verband met de verkopen op de binnenlandse markt wordt geconstateerd, dat een producent taken die in de regel door een bedrijfsinterne verkoopafdeling worden verricht, opdraagt aan zijn verkoopmaatschappijen, waarmee hij één enkele economische eenheid vormt, levert het feit dat de verkoop-, algemene en administratieve uitgaven van de verkoopmaatschappijen in de aangenomen normale waarde zijn opgenomen, terwijl alle kosten van de verkoopmaatschappijen in de Gemeenschap overeenkomstig artikel 2, lid 8, sub c, van de anti-dumpingbasisverordening nr. 2176/84 bij de samenstelling van de uitvoerprijs zijn afgetrokken, geen schending op van artikel 2, leden 3, sub b, ii, en 9, van genoemde verordening.
Immers, door de verkoop-, algemene en administratieve uitgaven van de verkoopmaatschappijen in de aangenomen normale waarde op te nemen, kan worden voorkomen, dat kosten die zonder twijfel een bestanddeel van de verkoopprijs van een produkt vormen wanneer dit produkt wordt verkocht door een verkoopafdeling binnen de organisatie van de producent, buiten beschouwing blijven, wanneer dezelfde verkoopactiviteit wordt verricht door een juridisch zelfstandige, maar economisch door de producent gecontroleerde vennootschap.
Voor de berekening van de normale waarde en de uitvoerprijs gelden onderling verschillende regels en de verkoop-, administratieve en andere algemene uitgaven behoeven in beide gevallen derhalve niet noodzakelijkerwijs op gelijke wijze te worden behandeld.
De verkoop-, administratieve en andere algemene uitgaven van een door de producent gecontroleerde verkoopmaatschappij, die op de binnenlandse markt als een bedrijfsinterne verkoopafdeling van die producent optreedt, kunnen in werkelijkheid alleen worden vergeleken met die van zijn exportafdeling, waarvan de overeenkomstige uitgaven niet van de uitvoerprijs worden afgetrokken, en niet met die van haar Europese dochterondernemingen. Met eventuele verschillen in de hoogte van die uitgaven zou enkel rekening kunnen worden gehouden in het kader van de correcties bedoeld in artikel 2, lid 10, sub c, van verordening nr. 2176/84.
2. Het doel van samenstelling van de normale waarde is te komen tot een normale waarde die zo dicht mogelijk de verkoopprijs van een produkt benadert zoals deze zou zijn wanneer dit produkt in het land van oorsprong of van uitvoer in het kader van normale handelstransacties werd verkocht.
Om dit doel te bereiken, mogen de instellingen uitgaan hetzij van de winstmarge op de verkopen van andere modellen van dezelfde producent, hetzij van de winstmarge van een andere onderneming. De instellingen mogen ook uitgaan van de gemiddelde winst van andere exporteurs op die van hun modellen die gedurende de referentieperiode op de binnenlandse markt gemiddeld boven de produktiekosten zijn verkocht. Deze methode mag er evenwel niet toe leiden, dat de instellingen bij de berekening van de gemiddelde winst ook rekening houden met de verkopen van een bepaald model, wanneer in totaal geen winst wordt gemaakt, daar in dat geval het doel van het samenstellen van de normale waarde niet zou worden bereikt. Op die manier zouden de instellingen immers een normale waarde samenstellen die niet overeenstemt met de prijs in het kader van normale handelstransacties.
3. In het kader van de samenstelling van de normale waarde zijn de instellingen niet verplicht, als redelijk bedrag voor winst in de zin van artikel 2, lid 3, sub b, ii, van de anti-dumpingbasisverordening nr. 2176/84 de winstmarge van de producent te kiezen in plaats van die van zijn verkoopmaatschappij op de binnenlandse markt; zij mogen in dit verband uitgaan van de gecombineerde winstmarges van de twee ondernemingen, daar deze samen één enkele economische eenheid vormen.
4. De aan de koper verleende kortingen op de verkoopprijs van een nieuw apparaat bij inruil van een oud, die de waarde weergeven die de producent aan het uit de markt nemen van de gebruikte apparaten toekent, zijn te beschouwen als een onderdeel van de door de koper werkelijk betaalde of te betalen prijs en moeten dus worden meegerekend bij de bepaling van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de anti-dumpingbasisverordening nr. 2176/84.
5. Noch de salarissen van de verkoopleiders, die niet rechtstreeks de betrokken produkten aan de kopers verkopen, noch de gewone verplaatsingskosten en de reiskosten van de verkopers, noch de kosten van opslag, vervoer, verzekering en krediet, die niet door de verkoopmaatschappij, maar door de produktiemaatschappij worden gedragen, staan rechtstreeks in verband met de betreffende verkopen in de zin van artikel 2, lid 10, sub c, van de anti-dumpingbasisverordening nr. 2176/84. Zij rechtvaardigen dus geen verlaging van de normale waarde wegens verschillen in de verkoopvoorwaarden.
6. Een producent die niet aantoont, dat de verkopen op basis waarvan de normale waarde en de uitvoerprijs zijn vastgesteld, verschillende categorieën kopers betreffen en dus in verschillende handelsstadia hebben plaatsgevonden, rechtvaardigt niet zijn verzoek om correctie voor verschillen in handelsstadium in de zin van artikel 2, leden 9 en 10, van de anti-dumpingbasisverordening nr. 2176/84.
7. Artikel 2, lid 9, van de anti-dumpingbasisverordening nr. 2176/84 vereist niet, dat de normale waarde en de uitvoerprijs volgens dezelfde methode worden berekend. Artikel 2, lid 13, geeft enkel de verschillende mogelijkheden voor de berekening van de dumpingmarge aan en schrijft niet voor, dat de normale waarde en de uitvoerprijs volgens soortgelijke of identieke methoden worden berekend.
De vrijheid van keuze tussen de in artikel 2, lid 13, sub b, van verordening nr. 2176/84 genoemde methoden, waarbij ingewikkelde economische situaties moeten worden beoordeeld, moet juist verzekeren, dat die methode wordt toegepast die voor het doel van de procedure tot instelling van een anti-dumpingrecht het meest geschikt is.
De toepassing van de transactiegewijze methode, die in het bijzonder gerechtvaardigd is wanneer de exporteur zich schuldig heeft gemaakt aan kunstgrepen om dumping te camoufleren, is niet beperkt tot de gevallen waarin de instellingen dergelijke gedragingen hebben geconstateerd.
Partijen
In zaak C-178/87,
Minolta Camera Co. Ltd, te Osaka (Japan), vertegenwoordigd door Chr. McGonigal en S. Holmes, Solicitors van Clifford Chance te Londen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van J.-C. Wolter, advocaat aldaar, Rue Zithe 8,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door H.-J. Lambers, directeur van de juridische dienst, en E. Stein, juridisch adviseur, als gemachtigden, bijgestaan door H.-J. Rabe en M. Schuette, advocaten respectievelijk te Hamburg en te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij J. Kaeser, directeur van de juridische dienst van de Europese Investeringsbank, Boulevard Konrad Adenauer 100, Kirchberg,
verweerder,
ondersteund door
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Temple Lang, juridisch adviseur, en E. White, lid van de juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij R. Hayder, representant van de juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
en door
Committee of European Copier Manufacturers (CECOM), te Keulen, vertegenwoordigd door D. Ehle en V. Schiller, advocaten te Keulen, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Arendt en Harles, advocaten aldaar, Avenue Marie-Thérèse 4,
interveniënten,
betreffende een verzoek om nietigverklaring van verordening (EEG) nr. 535/87 van de Raad van 23 februari 1987 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van fotokopieerapparaten voor gewoon papier van oorsprong uit Japan (PB 1987, L 54, blz. 12), voor zover zij verzoekster betreft,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: R. Joliet, kamerpresident, Sir Gordon Slynn, F. Grévisse, J. C. Moitinho de Almeida en M. Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo
griffier: D. Louterman-Hubeau, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 3 oktober 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 december 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 9 juni 1987, heeft Minolta Camera Co. Ltd (hierna: "Minolta"), gevestigd te Osaka, krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag verzocht om nietigverklaring van verordening (EEG) nr. 535/87 van de Raad van 23 februari 1987 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van fotokopieerapparaten voor gewoon papier van oorsprong uit Japan (PB 1987, L 54, blz. 12; hierna: "de bestreden verordening"), voor zover deze verordening verzoekster betreft.
2 Minolta vervaardigt fotokopieerapparaten voor gewoon papier (plain paper copiers, hierna: "PPC' s") die zij in de Gemeenschap uitsluitend aan Minolta Handelsgesellschaft mbH (hierna "Minolta Duitsland"), haar distributeur in Duitsland, verkoopt. Minolta Duitsland verkoopt zowel aan onafhankelijke klanten als aan exclusieve distributeurs in de andere Lid-Staten. In Japan verkoopt Minolta haar PPC' s via haar dochteronderneming Minolta Business Equipment Trading Co. Ltd (hierna: "MJS"), die in Japan verscheidene filialen heeft en aan dealers en eindverbruikers verkoopt.
3 In juli 1985 diende het Committee of European Copier Manufacturers (CECOM) bij de Commissie een klacht in, waarin Minolta en andere Japanse producenten ervan werden beschuldigd hun produkten in de Gemeenschap tegen dumpingprijzen te verkopen.
4 De door de Commissie ingeleide dumpingprocedure op basis van verordening (EEG) nr. 2176/84 van de Raad van 23 juli 1984 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB 1984, L 201, blz. 1) resulteerde in verordening (EEG) nr. 2640/86 van de Commissie van 21 augustus 1986 tot instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van fotokopieerapparaten voor gewoon papier van oorsprong uit Japan (PB 1986, L 239, blz. 5). Het voorlopig anti-dumpingrecht op de door Minolta vervaardigde en uitgevoerde PPC' s bedroeg 15,8 % van de nettoprijs franco grens Gemeenschap. Vervolgens stelde de Raad op voorstel van de Commissie bij de bestreden verordening een definitief anti-dumpingrecht van 20 % vast.
5 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
6 Tot staving van haar beroep voert Minolta vijf middelen aan, te weten onjuiste berekening van de aangenomen normale waarde, onjuiste vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs, onterechte toepassing van de transactiegewijze methode bij de vaststelling van de uitvoerprijs, schending van het "audi alteram partem"-beginsel en schending van de motiveringsplicht.
Onjuiste berekening van de aangenomen normale waarde
7 Minolta betoogt, dat de Raad artikel 2, leden 3, sub b, ii, en 9, van verordening nr. 2176/84 heeft geschonden door in de aangenomen normale waarde de verkoop-, algemene en administratieve kosten van haar verkoopmaatschappijen, een winstmarge van 14,6 % en bepaalde door de Japanse verkoopmaatschappijen aan hun klanten verleende inruilkortingen op te nemen.
8 Doordat de verkoop-, algemene en administratieve kosten van de verkoopmaatschappijen in de aangenomen normale waarde zijn opgenomen, is deze volgens Minolta in een later stadium dan het stadium "af-fabriek" vastgesteld, namelijk in het kleinhandelsstadium, terwijl de uitvoerprijs in het stadium "af-fabriek" is bepaald. Dienaangaande wijst zij erop, dat de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 8, van verordening nr. 2176/84 is samengesteld op basis van de verkoopprijs van haar rechtstreekse en indirecte dochtermaatschappijen in de Gemeenschap, van welke prijs de Raad alle door die ondernemingen in verband met de betrokken verkopen gemaakte kosten heeft afgetrokken.
9 In de eerste plaats moet worden vastgesteld, dat Minolta blijkens het dossier haar verkoopmaatschappijen in Japan economisch controleert en daaraan taken opdraagt die in de regel worden verricht door een bedrijfsinterne verkoopafdeling van de producent.
10 In het arrest van 5 oktober 1988 (zaak 250/85, Brother, Jurispr. 1988, blz. 5683, r.o. 16) heeft het Hof reeds verklaard, dat de scheiding van produktie- en verkoopactiviteiten binnen een groep die uit juridisch zelfstandige vennootschappen bestaat, niets afdoet aan het feit, dat het gaat om één enkele economische eenheid, die op deze wijze activiteiten verricht, die in andere gevallen worden verricht door een organisatie die ook juridisch een eenheid vormt.
11 Door in deze omstandigheden de verkoop-, algemene en administratieve kosten van verkoopmaatschappijen in de aangenomen normale waarde op te nemen, kan worden voorkomen, dat kosten die noodzakelijkerwijs in de verkoopprijs van een produkt moeten worden verwerkt wanneer het wordt verkocht door een verkoopafdeling binnen de organisatie van de producent, niet meer werden meegeteld, wanneer dat produkt wordt verkocht door een juridisch zelfstandige, maar economisch door de producent gecontroleerde vennootschap (arrest van 5 oktober 1988, gevoegde zaken 260/85 en 106/86, TEC, Jurispr. 1988, blz. 5855, r.o. 29).
12 Volgens 's Hofs rechtspraak (zie onder meer de arresten van 7 mei 1987 (zaak 240/84, Toyo, Jurispr. 1987, blz. 1809, r.o. 13; zaak 255/84, Nachi Fujikoshi, Jurispr. 1987, blz. 1861, r.o. 14; zaak 258/84, Nippon Seiko, Jurispr. 1987, blz. 1923, r.o. 14, en zaak 260/84, Minebea, Jurispr. 1987, blz. 1975, r.o. 8) gelden voor de berekening van de normale waarde en de uitvoerprijs onderling verschillende regels en behoeven de verkoop-, administratieve en andere algemene uitgaven in beide gevallen derhalve niet noodzakelijkerwijs op gelijke wijze te worden behandeld.
13 Hieraan moet worden toegevoegd, dat de verkoop-, administratieve en andere algemene uitgaven van de verkoopmaatschappijen, die, zoals hierboven gezegd, als een verkoopafdeling van Minolta optreden, in werkelijkheid alleen kunnen worden vergeleken met die van haar exportafdeling, waarvan de overeenkomstige uitgaven niet van de uitvoerprijs zijn afgetrokken, en niet met die van haar Europese dochterondernemingen. Met eventuele verschillen in de hoogte van die uitgaven zou rekening kunnen worden gehouden in het kader van de correcties bedoeld in artikel 2, lid 10, sub c, van verordening nr. 2176/84.
14 Daaruit volgt, dat het middel betreffende de opneming van verkoop-, administratieve en andere algemene uitgaven in de normale waarde moet worden afgewezen.
15 Volgens Minolta is de in de normale waarde opgenomen winstmarge van 14,6 % te hoog, omdat de Raad geen rekening heeft gehouden met de gemiddelde winst op alle relevante modellen die op de Japanse markt waren verkocht, noch met de omzet uit de niet-rendabele verkopen van bepaalde modellen op die markt, en omdat hij de winstmarge niet in het stadium "af-fabriek" heeft berekend.
16 Dienaangaande zij eraan herinnerd, dat de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 4, van verordening nr. 2176/84 is samengesteld, omdat alle naar de Gemeenschap uitgevoerde PPC-modellen van Minolta in Japan werden verkocht tegen prijzen die gemiddeld onder de produktiekosten ervan lagen. Zoals in paragraaf 10 van de bestreden verordening vermeld, heeft de Raad de winstmarge bepaald aan de hand van de gemiddelde winst die de andere PPC-exporteurs hadden behaald op die van hun modellen, die gedurende de referentieperiode in Japan gemiddeld boven de produktiekosten waren verkocht. In de loop van de procedure verklaarde de Raad, dat hij bij de berekening van deze winst rekening heeft gehouden met de winst op de verkopen van een bepaald model, ook al waren sommige verkopen verlieslatend.
17 In dit verband moet erop worden gewezen, dat wanneer de Raad ter bepaling van de gemiddelde winst rekening zou moeten houden met de verkopen van een bepaald model, ook al werd in totaal geen winst gemaakt, het doel van het samenstellen van de normale waarde niet zou worden bereikt. Het doel van deze samenstelling is immers te komen tot een normale waarde die zo dicht mogelijk de verkoopprijs van een produkt benadert, zoals deze zou zijn, wanneer dit produkt in het land van oorsprong of van uitvoer in het kader van normale handelstransacties zou worden verkocht. Dat is niet het geval wanneer, onder meer om redenen van commercieel beleid, op de verkoop van een bepaald model geen winst wordt behaald.
18 Om dit doel te bereiken, mogen de instellingen uitgaan hetzij van de winstmarge op de verkopen van andere modellen van dezelfde producent, hetzij van de winstmarge van een andere onderneming (zie de arresten van 5 oktober 1988, gevoegde zaken 277/85 en 300/85, Canon, Jurispr. 1988, blz. 5731, r.o. 21 en 22, en zaak 301/85, Sharp, Jurispr. 1988, blz. 5813, r.o. 8). De instellingen mogen bijgevolg ook uitgaan van een gemiddelde winst overeenkomstig de in rechtsoverweging 16 beschreven methode.
19 Hierbij moet overigens worden opgemerkt, dat de Raad in verordening (EEG) nr. 2423/88 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB 1988, L 209, blz. 1), waarbij verordening nr. 2176/84 is ingetrokken, duidelijk deze weg heeft gekozen. Immers, artikel 2, lid 3, sub b, ii, van deze verordening bepaalt uitdrukkelijk, dat het in de aangenomen normale waarde op te nemen bedrag voor winst wordt berekend door deze te relateren aan de door dezelfde producent of door andere producenten bij winstgevende verkopen van soortgelijke produkten geboekte winst.
20 Minolta' s argument, dat de Raad in ieder geval rekening had moeten houden met de omzet uit alle verkopen, dus ook de niet-rendabele, kan evenmin worden aanvaard. Had de Raad dat gedaan, dan zou hij immers een normale waarde hebben vastgesteld die niet overeenstemde met de in het kader van normale handelstransacties behaalde prijs.
21 Met betrekking tot Minolta' s argument, dat wegens de rentabiliteitsschommelingen die zich in de loop van de tijd bij een model voordoen, de Raad had moeten uitgaan van de gedurende het gehele "leven" van een PPC-model gemaakte winst, moet worden opgemerkt, dat volgens artikel 2, lid 4, van verordening nr. 2176/84 verkopen met verlies mogen worden uitgesloten, mits zij over een vrij lange periode hebben plaatsgevonden. In casu is aan die voorwaarde voldaan, daar dergelijke verkopen tijdens de gehele onderzoeksperiode, van januari tot en met juli 1985, zijn geconstateerd.
22 Wat ten slotte de opneming van de door de verkoopmaatschappijen in Japan behaalde winst betreft, volstaat het eraan te herinneren, dat de instellingen niet verplicht zijn om als "redelijk bedrag voor winst" in de zin van artikel 2, lid 3, sub b, ii, van verordening nr. 2176/84 de winstmarge van de producent te kiezen in plaats van die van zijn verkoopmaatschappij op de binnenlandse markt; zij mochten in dit verband uitgaan van de gecombineerde winstmarges van de twee ondernemingen, daar deze samen één enkele economische eenheid vormen (arrest van 5 oktober 1988, gevoegde zaken 273/85 en 107/86, Silver Seiko, Jurispr. 1988, blz. 5927, r.o. 17).
23 Bijgevolg heeft de Raad de winstmarge in casu vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 3, sub b, ii, van verordening nr. 2176/84.
24 Met betrekking tot het feit dat bepaalde door de Japanse verkoopmaatschappijen aan hun klanten verleende inruilkortingen in de normale waarde zijn opgenomen betoogt Minolta, dat deze kortingen normale kortingen zijn, die geen verband houden met inruiltransacties. Zij worden automatisch en volgens een standaardbedrag verleend aan de leden van de "Minolta Society", een club die zijn leden diverse voordelen biedt en waarvan de dealers van MJS lid kunnen worden. Minolta voegt daaraan toe, dat de Raad deze kortingen niet in de normale waarde had mogen opnemen, daar zij rechtstreeks in verband stonden met de betrokken verkopen in de zin van artikel 2, lid 10, sub c, van verordening nr. 2176/84.
25 In dit verband moet worden vastgesteld, dat blijkens paragraaf 13 van de bestreden verordening de inruilkorting die aan de koper van een nieuw apparaat wordt verleend bij inruil van een oud apparaat, het voordeel belichaamt dat de producent ontleent aan het uit de markt nemen van de ingeruilde apparaten en aan het ontbreken van een tweedehandsmarkt voor PPC' s in Japan. Volgens de Raad wordt "de vraag naar nieuwe toestellen (...) op het hoogst mogelijke peil gehandhaafd, met prijzen die dus ook op hogere niveaus worden gehouden dan ingeval er een tweedehandsmarkt zou hebben bestaan" en leidt dit "niet alleen tot hogere prijzen, maar ook tot hogere produktieniveaus die normaliter moeten leiden tot schaalvergrotingsvoordelen en evenredig hogere winstniveaus".
26 Onder die omstandigheden moeten de betrokken kortingen, die de waarde weergeven die de producent aan het uit de markt nemen van de gebruikte PPC' s toekent, in aanmerking worden genomen bij de bepaling van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 3, van verordening nr. 2176/84.
27 Aan deze vaststelling doet niet af Minolta' s stelling, dat de kortingen een vast bedrag uitmaken en niet per transactie verschillen.
28 De Raad heeft de normale waarde dus correct samengesteld door een bedrag voor de inruilbetalingen daarin op te nemen.
29 Uit het voorgaande volgt, dat het middel betreffende de onjuiste berekening van de aangenomen normale waarde in zijn geheel moet worden verworpen.
Onjuiste vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs
30 Minolta betoogt, dat de Raad artikel 2, lid 10, sub c, van verordening nr. 2176/84 heeft geschonden door geen correctie toe te passen ten einde rekening te houden met de salarissen van de verkopers, bepaalde vervoerkosten en een aantal andere kosten van Minolta' s produktiemaatschappij in Japan (hierna: "MO") en van MJS, hoewel die kosten rechtstreeks verband hielden met de betrokken verkopen in de zin van voormelde bepaling.
31 Wat in de eerste plaats de correctie voor de salarissen van de verkopers betreft, heeft de Raad de gevraagde correctie verleend, doch daarbij geen rekening gehouden met de salarissen van de verkoopleiders. In de loop van het onderzoek was namelijk komen vast te staan, dat de functie van verkoopleider in wezen algemene directie- en beheerstaken inhield, maar niet de rechtstreekse verkoop van PPC' s aan klanten. De Raad was dus terecht van oordeel, dat de salarissen van de verkoopleiders niet rechtstreeks in verband stonden met de betrokken verkopen in de zin van artikel 2, lid 10, sub c, van verordening nr. 2176/84.
32 Wat in de tweede plaats de vervoerkosten betreft, heeft de Raad juist gehandeld door een correctie te verlenen ten belope van twee derde van de kosten van het gebruik van voertuigen door de verkopers, en het resterende derde deel, dat de gewone vervoerkosten van de verkopers betrof, als niet rechtstreeks met de verkopen verband houdend te beschouwen. Hetzelfde geldt voor de correctie die voor de reiskosten van de verkopers is verleend.
33 Wat in de derde plaats bepaalde kosten van MO (opslag, vervoer, verzekering en krediet) en van MJS (vervoer, voertuigen en krediet) betreft, volstaat de opmerking dat, zoals de Raad heeft gesteld, deze kosten geen rechtstreeks verband met de verkopen hielden.
34 Met betrekking tot de correcties ten slotte, die zijn gevraagd omdat de normale waarde en de uitvoerprijs niet in hetzelfde handelsstadium zouden zijn bepaald, moet worden opgemerkt, dat beide zijn bepaald op basis van de prijs waartegen het produkt voor de eerste keer aan een onafhankelijke koper is verkocht.
35 Bovendien heeft Minolta niet aangetoond, dat de verkopen op basis waarvan de normale waarde en de uitvoerprijs zijn vastgesteld, verschillende categorieën kopers betroffen en dus in verschillende handelsstadia hadden plaatsgevonden, zodat de gevraagde correcties gerechtvaardigd waren. De instellingen waren derhalve niet verplicht, die correcties te verlenen.
36 Gelet op deze vaststelling, behoeft de door Minolta aangevoerde schending van artikel VI van de GATT en van de artikelen 1 en 2 van de anti-dumpingcode, op grond dat de Raad de normale waarde en de uitvoerprijs niet in hetzelfde handelsstadium zou hebben vergeleken, niet te worden onderzocht.
37 Uit het voorgaande volgt, dat het middel betreffende de onjuiste vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs moet worden afgewezen.
Onterechte toepassing van de transactiegewijze methode ter vaststelling van de uitvoerprijs
38 Minolta betoogt, dat de toepassing van de transactiegewijze methode ter berekening van de uitvoerprijs geen deugdelijke vergelijking tussen deze prijs en de normale waarde in de zin van artikel 2, leden 2, 9 en 13, sub b, van verordening nr. 2176/84 mogelijk maakte. Daar voor ieder PPC-model een normale waarde is berekend, hadden voor een deugdelijke vergelijking de uitvoerprijzen op basis van een gewogen gemiddelde prijs moeten worden vastgesteld.
39 Volgens Minolta volgt uit het arrest van 7 mei 1987 (zaak 258/84, Nippon Seiko, reeds aangehaald, r.o. 25), dat de exporteur al dan niet opzettelijk een handeling moet hebben verricht met het doel de dumping te camoufleren, wil de transactiegewijze methode gerechtvaardigd zijn. In casu is geen dergelijke handeling verricht, en was er dus geen reden om deze methode toe te passen en af te wijken van de methode van de gewogen gemiddelde uitvoerprijs.
40 Om te beginnen zij opgemerkt, dat artikel 2, lid 9, van verordening nr. 2176/84 niet vereist, dat de normale waarde en de uitvoerprijs volgens dezelfde methode worden berekend. Artikel 2, lid 13, geeft enkel de verschillende mogelijkheden voor de berekening van de dumpingmarge aan en schrijft niet voor, dat de normale waarde en de uitvoerprijs volgens soortgelijke of identieke methoden worden berekend (zie onder meer het reeds geciteerde arrest van 7 mei 1987 in zaak 258/84, r.o. 15 en 18).
41 Voorts moet worden benadrukt, dat de vrijheid van keuze tussen de in artikel 2, lid 13, sub b, van verordening nr. 2176/84 genoemde methoden juist moet verzekeren, dat die methode wordt toegepast die voor het doel van de procedure tot instelling van een anti-dumpingrecht het meest geschikt is, en dat bij die keuze ingewikkelde economische situaties moeten worden beoordeeld (zie meergenoemd arrest van 7 mei 1987, r.o. 21 en 24). Noch uit het dossier noch ter terechtzitting is evenwel gebleken, dat de Raad een kennelijke fout heeft begaan door de transactiegewijze methode te kiezen.
42 Minolta' s argument, dat toepassing van de transactiegewijze methode enkel gerechtvaardigd is wanneer de exporteur zich schuldig heeft gemaakt aan kunstgrepen om dumping te camoufleren, kan niet worden aanvaard. Deze methode is weliswaar een geschikt middel om daartegen in te gaan, doch de toepassing ervan is geenszins beperkt tot de gevallen waarin de instellingen dergelijke gedragingen hebben geconstateerd.
43 Uit het voorgaande volgt, dat het middel betreffende de onterechte toepassing van de transactiegewijze methode ter vaststelling van de uitvoerprijs moet worden afgewezen.
Schending van het "audi alteram partem"-beginsel
44 Minolta betoogt, dat wanneer de Raad in de verscheidenheid van haar prijzen een kunstgreep ter camouflage van dumping zag en daarom de transactiegewijze methode toepaste, hij het "audi alteram partem"-beginsel heeft geschonden, aangezien Minolta nooit in de gelegenheid is gesteld haar standpunt dienaangaande te kennen te geven.
45 Hierbij volstaat de vaststelling, dat voor zover de Raad genoemde methode heeft toegepast ook bij gebreke van eventuele kunstgrepen om dumping te camoufleren, hij in het geheel niet verplicht was Minolta te horen over bewijsmateriaal waarover hij terzake wellicht beschikte.
46 Uit het voorgaande volgt, dat het middel betreffende schending van het "audi alteram partem"-beginsel moet worden afgewezen.
Schending van de motiveringsplicht
47 Minolta betoogt, dat de Raad artikel 190 EEG-Verdrag heeft geschonden door onvoldoende te motiveren, waarom hij ter berekening van de dumpingmarge de transactiegewijze methode heeft gebruikt, zoals voorzien in artikel 2, lid 13, sub b, van verordening nr. 2176/84.
48 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat de wijze waarop de dumpingmarge is berekend, in de paragrafen 6 en 29 van de voorlopige verordening is beschreven en bevestigd in de paragrafen 5 en 26 van de bestreden verordening. Bovendien is de toepassing van de transactiegewijze methode een gebruikelijke praktijk van de instellingen, wat de betrokkenen niet onbekend kan zijn geweest.
49 Gelet op het voorgaande moet het middel betreffende schending van de motiveringsplicht worden afgewezen; mitsdien moet het beroep in zijn geheel worden verworpen.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
50 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Aangezien verzoekster in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen, daaronder begrepen die van interveniënte CECOM, die in die zin heeft geconcludeerd. Ingevolge artikel 69, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering draagt de Commissie haar eigen kosten.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
rechtdoende:
1) Verwerpt het beroep.
2) Verwijst verzoekster in de kosten, daaronder begrepen die van interveniënte CECOM.
Full & Egal Universal Law Academy