Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelprodukten - Steun voor tot mengvoeder verwerkte ondermelk en voor magere-melkpoeder bestemd voor kalvervoeding - Steun voor de verwerking van
magere-melkpoeder - Berekening - Coëfficiënt ter vermijding van cumulatie met speciale steun voor verwerking van melkpoeder met hoog vetgehalte - Uitvoeringsbepalingen
( Verordening nr . 1725/79 van de Commissie, artikelen 1, lid 5, en 4, lid 1, sub a )
Samenvatting
Artikel 1, lid 5, van verordening nr . 1725/79 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de toekenning van steun voor tot mengvoeder verwerkte ondermelk, dat bij verordening nr . 101/85 is ingevoerd om rekening te houden met de steun voor de verwerking van de vette bestanddelen van melkpoeder, kan niet aldus worden uitgelegd, dat het wijziging heeft gebracht in de kwantitatieve voorschriften betreffende de samenstelling van deze mengvoeders . Artikel 4, lid 1, sub a, van de verordening stelt de steunverlening afhankelijk van de naleving van deze voorschriften . Bijgevolg dient de daarin genoemde coëfficiënt van 0,9 enkel ter vaststelling van de hoeveelheden melkpoeder op basis waarvan de steun wordt berekend .
Partijen
In zaak 182/87,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven, in het aldaar aanhangig geding tussen
Trouw & Co . BV, te Putten,
en
Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten, te 's-Gravenhage,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 1, lid 5, en 4, lid 1, aanhef en sub a, van verordening nr . 1725/79 van de Commissie van 26 juli 1979 met betrekking tot de uitvoeringsbepalingen inzake de toekenning van steun van tot mengvoeder verwerkte ondermelk en voor magere-melkpoeder bestemd voor kalvervoeding ( PB 1979, L 199, blz . 1 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste kamer ),
samengesteld als volgt : R . Joliet, kamerpresident,
Sir Gordon Slynn en G . C . Rodríguez Iglesias, rechters,
advocaat-generaal : F . Jacobs
griffier : B . Pastor, administrateur
gelet op de opmerkingen ingediend door :
- Trouw & Co . BV, verzoekster in het hoofdgeding, ter terechtzitting vertegenwoordigd door L . H . van Lennep en E . H . Pijnacker Hordijk, advocaten te 's-Gravenhage, kantoor houdende te Brussel,
- Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten, verweerder in het hoofdgeding, voor de schriftelijke behandeling vertegenwoordigd door A . W . F . Helmstrijd,
- Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R . C . Fischer,
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 9 november 1988,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 30 november 1988,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij uitspraak van 5 juni 1987, ingekomen ten Hove op 10 juni daaraanvolgend, heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 1, lid 5, en artikel 4, lid 1, aanhef en sub a, van verordening nr . 1725/79 van de Commissie van 26 juli 1979 met betrekking tot de uitvoeringsbepalingen inzake de toekenning van steun voor tot mengvoeder verwerkte ondermelk en voor magere-melkpoeder bestemd voor kalvervoeding ( PB 1977, L 199, blz . 1 ).
2 In het kader van de maatregelen tot vermindering van de melkoverschotten heeft de Raad op 15 juli 1968 verordening nr . 986/68 vastgesteld, houdende de algemene voorschriften voor de toekenning van steun voor ondermelk en magere-melkpoeder bestemd voor voederdoeleinden ( PB 1968, L 169, blz . 4 ). Artikel 1 van deze verordening, zoals gewijzigd bij verordening nr . 472/75 van 27 februari 1975 ( PB 1975, L 52, blz . 22 ), definieert magere-melkpoeder als melk of karnemelk in poedervorm met een vetgehalte van ten hoogste 11 %. Oorspronkelijk voorzag deze verordening in één steunregeling voor de verwerking van magere-melkpoeder bij de vervaardiging van mengvoeder .
3 Bij verordening nr . 1725/79 heeft de Commissie de uitvoeringsbepalingen vastgesteld inzake de toekenning van steun voor het gebruik van magere-melkpoeder bij de vervaardiging van mengvoeder . Ingevolge artikel 4, lid 1, aanhef en sub a, van deze verordening heeft het verwerkende bedrijf enkel recht op steun indien het mengvoeder per 100 kg eindprodukt ten minste 60 kg en ten hoogste 70 kg magere-melkpoeder bevat .
4 De toename van de overschotten aan botervet vormde later voor de Raad aanleiding om een bijzondere steunregeling in te voeren ten einde de verwerking van melkpoeder met een hoog vetgehalte te bevorderen . Daartoe heeft hij bij verordening nr . 2128/84 van 17 juli 1984 ( PB 1984, L 196, blz . 6 ) verordening nr . 986/68 gewijzigd . De Commissie heeft daarop verordening nr . 3714/84 van 21 december 1984 vastgesteld ( PB 1984, L 341, blz . 65 ), die de uitvoeringsbepalingen voor de toekenning van die steun bevat .
5 Onder deze nieuwe regeling kunnen voor de verwerking van magere-melkpoeder met een vetgehalte tussen 9 en 11 % ( hierna : gedeeltelijk ontroomd melkpoeder ) twee verschillende soorten steun worden verleend . De verwerking van de niet-vette bestanddelen van dit type melkpoeder blijft recht geven op de steun bedoeld in verordening nr . 1725/79 van de Commissie . Daarnaast geeft de verwerking van de vette bestanddelen recht op een veel hogere steun krachtens verordening nr . 3714/84 .
6 Om te voorkomen dat tegelijkertijd twee steunregelingen zouden gelden voor de verwerking van de vette bestanddelen van gedeeltelijk ontroomd melkpoeder - welk vetgehalte in verordening nr . 3714/84 op 10 % is gesteld -, achtte de Commissie het noodzakelijk een vermindering van 10 % toe te passen op de hoeveelheid gedeeltelijk ontroomd melkpoeder die als grondslag dient voor de berekening van de steun voor de niet-vette bestanddelen .
7 Daartoe heeft de Commissie bij verordening nr . 101/85 van 15 januari 1985 ( PB 1985, L 13, blz . 12 ) aan artikel 1 van verordening nr . 1725/79 een lid 5 toegevoegd, dat luidt als volgt :
"5 . Voor de berekening van de uit te keren steun en voor de naleving van de kwantitatieve bepalingen in deze verordening worden de hoeveelheden magere-melkpoeder, als bedoeld in artikel 2, lid 1, sub e en f, van verordening ( EEG ) nr . 986/68, en ondermelk, als bedoeld in artikel 2, lid 2, van die zelfde verordening, vermenigvuldigd met een coëfficiënt 0,9 ."
8 Deze bepaling is aldus gemotiveerd :
"Overwegende dat bij de berekening van de op grond van verordening ( EEG ) nr . 1725/79 uit te keren steun voor magere-melkpoeder rekening dient te worden gehouden met de eventueel op grond van verordening ( EEG ) nr . 3714/84 voor melkvet uitgekeerde steun; dat derhalve een coëfficiënt moet worden vastgesteld voor de hoeveelheid melkpoeder in het produkt ."
9 In de tijd dat de bovenbeschreven tweevoudige steunregeling van toepassing was, verwerkte Trouw & Co . BV ( hierna : Trouw ), verzoekster in het hoofdgeding, magere-melkpoeder met een vetgehalte tussen 9 en 11 % tot mengvoeder . Vaststaat, dat het door Trouw geproduceerde mengvoeder per 100 kg eindprodukt een hoeveelheid magere-melkpoeder bevatte die lag tussen 60 en 70 kg . Voor dat mengvoeder ontving Trouw van het Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten ( hierna : het Hoofdproduktschap ), verweerder in het hoofdgeding, de in voornoemde verordeningen voorziene tweeërlei steun .
10 Nadien kwam het Hoofdproduktschap evenwel tot het oordeel, dat het de verwerkingssteun voor die produkten ten onrechte had toegekend . Het meende dat de bij verordening nr . 101/85 ingevoerde coëfficiënt niet enkel moest worden toegepast bij de vaststelling van de hoeveelheden waarvoor recht op steun bestaat, maar ook bij de berekening van de hoeveelheid gedeeltelijk ontroomd melkpoeder die het eindprodukt moet bevatten om voor steun in aanmerking te komen . Het Hoofdproduktschap meende daarom, dat ook ná toepassing van de coëfficiënt 0,9 op de in het eindprodukt verwerkte werkelijke hoeveelheid gedeeltelijk ontroomd melkpoeder, de hoeveelheid melkpoeder per 100 kg eindprodukt nog steeds tussen 60 en 70 kg moest bedragen . In casu voldeed het door Trouw geproduceerde mengvoeder niet aan deze laatste voorwaarde, zodat de steun ten onrechte zou zijn uitgekeerd . Om die reden besloot het Hoofdproduktschap de steun terug te vorderen .
11 Tegen dat besluit is Trouw opgekomen bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven . Zij betoogde dat artikel 1, lid 5, van verordening nr . 1725/79, dat in de toepassing van een verminderingscoëfficiënt voorziet, enkel geldt voor de vaststelling van de hoeveelheden op basis waarvan de steun aan de verwerkende bedrijven wordt verleend . Daarentegen zou deze bepaling geen wijziging brengen in de kwantitatieve voorschriften van artikel 4, lid 1, aanhef en sub a, van verordening nr . 1725/79 . Het zou dus volstaan, dat het mengvoeder vóór toepassing van de coëfficiënt ten minste 60 kg en ten hoogste 70 kg magere-melkpoeder per 100 kg eindprodukt bevat, en aan deze voorwaarde zou in casu zijn voldaan .
12 Ter beslissing van dit geschil heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld :
"Moeten artikel 1, lid 5, en artikel 4, aanhef en onder a, van de verordening ( EEG ) nr . 1725/79 in hun onderlinge samenhang zo worden uitgelegd dat de werkelijke hoeveelheden magere-melkpoeder per 100 kg eindprodukt met een coëfficiënt van 0,9 dienen te worden vermenigvuldigd en dat de uitkomst van die vermenigvuldiging dient te liggen tussen 60 kg en 70 kg?"
13 Voor een nadere uiteenzetting van de toepasselijke bepalingen, de feiten van het hoofdgeding en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
14 De prejudiciële vraag strekt er in wezen toe te vernemen, of de in artikel 1, lid 5, van verordening nr . 1725/79 genoemde coëfficiënt van 0,9 enkel dient ter bepaling van de hoeveelheden magere-melkpoeder op basis waarvan de steun wordt berekend, dan wel of hij ook moet worden toegepast op de werkelijk aanwezige hoeveelheden gedeeltelijk ontroomd melkpoeder per 100 kg eindprodukt, in die zin dat er enkel recht op steun ontstaat indien ook ná toepassing van de coëfficiënt de hoeveelheid magere-melkpoeder nog steeds ten minste 60 kg en ten hoogste 70 kg bedraagt .
15 In haar opmerkingen voor het Hof blijft Trouw bij de redenering die zij voor de nationale rechter heeft ontwikkeld . Het Hoofdproduktschap daarentegen heeft afstand genomen van het standpunt dat aan zijn besluit ten grondslag lag en dat het ook in de procedure voor de nationale rechter heeft verdedigd . Indien de hoeveelheden melkpoeder in het eindprodukt na toepassing van de coëfficiënt nog steeds tussen 60 en 70 kg moeten liggen, dan zouden, zo merkt het op, de verwerkende bedrijven om voor steun in aanmerking te komen, verplicht zijn meer gedeeltelijk ontroomd melkpoeder te gebruiken; daardoor zou het verwerkingsproces veel duurder worden en zou de steunregeling economisch gezien haar doelmatigheid verliezen . Het Hoofdproduktschap heeft zich daarom aangesloten bij de door Trouw verdedigde opvatting .
16 Onder verwijzing naar de bewoordingen van artikel 1, lid 5, van verordening nr . 1725/79 betoogt de Commissie, dat de coëfficiënt weliswaar moet worden toegepast op de hoeveelheid gedeeltelijk ontroomd melkpoeder in het eindprodukt, op basis waarvan de steun moet worden berekend, maar dat die hoeveelheid na de vermindering nog steeds tussen 60 en 70 kg per 100 kg eindprodukt moet liggen . In dit verband merkt de Commissie op, dat de steun voor de verwerking van vette bestanddelen ten doel had, de producenten van diervoeder aan te zetten tot het gebruik van melkpoeder met een bijzonder hoog vetgehalte . Om echter te verzekeren dat de verwerkte hoeveelheid niet-vette bestanddelen even groot blijft als onder de vroegere steunregeling, zou de hoeveelheid melkpoeder ook na vermindering door toepassing van de coëfficiënt nog moeten voldoen aan de kwantitatieve voorschriften van artikel 4, lid 1, van verordening nr . 1725/79 . Deze uitlegging zou garanderen dat het eindprodukt ten minste 60 kg niet-vette bestanddelen bevat, zoals dat onder de vroegere regeling het geval was .
17 Dienaangaande zij opgemerkt, dat de coëfficiënt zodanig is vastgesteld, dat het krachtens verordening nr . 1725/79 voor de verwerking van melkpoeder toegekende steunbedrag met 10 % wordt verlaagd . De reden daarvan is dat bij verordening nr . 2128/84 van de Raad een speciale steun voor de verwerking van het vetbestanddeel van melkpoeder is ingevoerd, welk bestanddeel door verordening nr . 3714/84 op 10 % van het melkpoeder is gesteld . Met de invoering van de coëfficiënt wilde men dus vermijden, dat twee keer steun zou worden verleend voor de verwerking van de vette bestanddelen van melkpoeder .
18 Anderzijds wordt in de considerans van verordening nr . 101/85, waarbij artikel 1, lid 5, in verordening nr . 1725/79 is ingevoegd, niet gesproken van de noodzaak de werkelijke hoeveelheden melkpoeder in het eindprodukt te verhogen, ten einde te verzekeren dat de verwerkte hoeveelheden niet-vette bestanddelen gelijk blijven .
19 Laatstgenoemde bepaling kan overigens niet aldus worden uitgelegd, dat zij wijziging heeft gebracht in de kwantitatieve voorschriften van artikel 4, lid 1, van verordening nr . 1725/79 .
20 Onder de vroeger geldende steunregeling bevatte het in het eindprodukt verwerkte melkpoeder immers reeds een bepaald percentage vet . Dit percentage kon zelfs gelijk zijn aan het onder de nieuwe steunregeling toegestane maximumvetgehalte van 11 %. Ook indien de toepassing van de nieuwe regeling geleid heeft tot verwerking van meer vette bestanddelen en een dienovereenkomstige vermindering van de verwerking van niet-vette bestanddelen, bestaat er in ieder geval geen reden om die vermindering op tien procent te stellen .
21 Voorts moet worden opgemerkt, dat de vroegere steunregeling nooit heeft voorgeschreven dat het eindprodukt per 100 kg 60 kg niet-vette bestanddelen moest bevatten . Vóór de invoering van de speciale steunregeling voor de verwerking van vette bestanddelen bepaalde artikel 4, lid 1, aanhef en sub a, van verordening nr . 1725/79 immers al, dat het mengvoeder per 100 kg eindprodukt ten minste 60 kg melkpoeder moest bevatten . Ook deze minimumhoeveelheid van 60 kg melkpoeder bevatte een bepaald percentage vette bestanddelen, dat kon oplopen tot 11 %. Onder de vroegere regeling is dus de toekenning van steun voor het gebruik van melkpoeder bij de vervaardiging van mengvoeder nooit afhankelijk geweest van de aanwezigheid van 60 kg niet-vette bestanddelen per 100 kg eindprodukt .
22 Mitsdien moet aan het College van Beroep voor het Bedrijfsleven worden geantwoord, dat de in artikel 1, lid 5, van verordening nr . 1725/79 genoemde coëfficiënt van 0,9 enkel dient ter vaststelling van de hoeveelheden melkpoeder op basis waarvan de steun wordt berekend .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
23 De kosten door de Commissie wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste kamer ),
uitspraak doende op de door het College van Beroep voor het Bedrijfsleven bij uitspraak van 5 juni 1987 gestelde vraag, verklaart voor recht :
De in artikel 1, lid 5, van verordening nr . 1725/79 van de Commissie van 26 juli 1979 genoemde coëfficiënt van 0,9 dient enkel ter vaststelling van de hoeveelheden melkpoeder op basis waarvan de steun wordt berekend .
Full & Egal Universal Law Academy