Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1 . Ambtenaren - Rechten en verplichtingen - Recht van vakvereniging - Draagwijdte
( Ambtenarenstatuut, artikel 24 bis )
2 . Ambtenaren - Rechten en verplichtingen - Recht van vakvereniging - Grenzen - Geen verplichting van administratie vakbondsmededelingen te verspreiden
( Ambtenarenstatuut, artikel 24 bis )
3 . Ambtenaren - Zorgplicht van administratie - Draagwijdte - Collectieve arbeidsverhoudingen - Daarvan uitgesloten
4 . Ambtenaren - Gelijke behandeling - Door sommige instellingen verleende faciliteiten voor verspreiding van vakbondsmededelingen - Geen rechtsplicht - Onmogelijkheid gelijkheidsbeginsel in te roepen tegen andere instellingen
5 . Ambtenaren - Rechten en verplichtingen - Recht van vakvereniging - Draagwijdte - Deelneming van vakbondsvertegenwoordigers aan voorbereidende vergaderingen van overlegcomité - Verplichting van administratie vrijstelling van dienst te verlenen
( Ambtenarenstatuut, artikel 24 bis )
Samenvatting
1 . De gemeenschapsinstellingen en de krachtens artikel 1 Ambtenarenstatuut voor de toepassing van dat Statuut daarmee gelijkgestelde organen behoren niets te doen wat de uitoefening van de in de genoemde bepaling van artikel 24 bis erkende vrijheid van vakvereniging kan belemmeren .
De aldus erkende vrijheid van vakvereniging houdt overeenkomstig de algemene beginselen van het arbeidsrecht niet slechts het recht van ambtenaren en personeelsleden in om vrijelijk verenigingen van hun keuze op te richten, maar ook het recht van deze verenigingen om ter behartiging van de beroepsbelangen van hun leden elke rechtmatige activiteit te ontplooien .
Daaruit volgt in de eerste plaats, dat de instellingen en organen van de Gemeenschap hun ambtenaren en personeelsleden niet mogen verbieden lid te zijn van een vak - of beroepsorganisatie en aan de vakbondsactiviteiten deel te nemen, noch hen in enigerlei vorm mogen benadelen wegens dat lidmaatschap of die activiteiten .
In de tweede plaats volgt daaruit, dat de instellingen en organen van de Gemeenschap, zonder daarbij een ongerechtvaardigd onderscheid te maken tussen de diverse vak - en beroepsorganisaties, moeten aanvaarden dat deze de hun toekomende taak vervullen, in het bijzonder door de ambtenaren en personeelsleden te informeren, hen bij die instellingen en organen te vertegenwoordigen en deel te nemen aan het overleg met die instellingen en organen over alle aangelegenheden die het personeel raken .
2 . De vrijheid van vakvereniging is weliswaar een algemeen beginsel van arbeidsrecht, maar de inhoud ervan kan niet zover worden opgerekt, dat zij voor de instellingen en organen van de Gemeenschap ook de verplichting omvat hun bodediensten ter beschikking van de vakorganisaties te stellen voor het verspreiden van hun mededelingen .
Artikel 24 bis van het Statuut, waarin de vrijheid van vakvereniging in het kader van de communautaire openbare dienst wordt erkend, bevat geen nadere bepaling inzake de toekenning van dergelijke faciliteiten .
De instellingen en organen van de Gemeenschap hebben op dat punt geen verplichtingen, daar dit artikel 24 bis niet is aangevuld door een algemene uitvoeringsregeling, noch door een met een vak - of beroepsorganisatie gesloten overeenkomst .
3 . De zorgplicht is op zijn plaats in de individuele betrekkingen tussen het tot aanstelling bevoegd gezag en de onder dat gezag vallende ambtenaren en personeelsleden; er kan echter geen beroep op worden gedaan voor de oplossing van problemen verband houdend met collectieve betrekkingen tussen de instellingen en organen van de Gemeenschap en de vak - of beroepsorganisaties .
4 . Sommige instellingen en organen van de Gemeenschap bieden de vak - of beroepsorganisaties en hun vertegenwoordigers weliswaar faciliteiten voor de verspreiding van vakbondsmededelingen, zij het volgens verschillende modaliteiten, maar waar iedere statutaire verplichting daartoe ontbreekt, gaat het daarbij om faciliteiten die onverplicht zijn toegekend, uit hoofde van de interne organisatiebevoegdheid dan wel op grond van bijzondere overeenkomsten tussen de instelling of het orgaan en de vertegenwoordigers van het personeel .
Op dergelijke, op eigen initiatief van de instellingen of organen tot stand gekomen maatregelen kan geen beroep worden gedaan tot staving van het middel ontleend aan schending van het beginsel van gelijke behandeling, dat is gericht tegen de instellingen en organen die weigeren de vakbondsvertegenwoordigers even gunstig te behandelen .
5 . De instellingen en organen van de Gemeenschap moeten de vakbondsactiviteiten respecteren die noodzakelijk zijn om een doeltreffende deelneming aan de overlegprocedure te verzekeren waarvan de in het besluit van de Raad van 23 juni 1981 bedoelde procedure deel uitmaakt, en die deze in staat moet stellen zijn besluiten inzake het personeel met volledige kennis van zaken te nemen . De vrijheid van vakvereniging houdt immers juist voor de vakbonden de mogelijkheid in om aan zulk overleg deel te nemen en aldus bij de totstandkoming van besluiten te worden betrokken .
Daaruit volgt, dat wanneer de Commissie besluit tot een vergadering met de vertegenwoordigers van de vak - of beroepsorganisaties om voorstellen met betrekking tot de wijzigingen van het Statuut en de Regeling en de ontwikkeling van de bezoldigingen en pensioenen aan de Raad voor te bereiden, die vertegenwoordigers de noodzakelijke faciliteiten moeten krijgen om hen in staat te stellen aan die vergadering deel te nemen .
De vakbondsvertegenwoordigers dienen daartoe dus te worden vrijgesteld van de dienst, volgens voorwaarden die eenzijdig of bij overeenkomst door de autoriteiten van elk van de instellingen en organen van de Gemeenschap kunnen worden vastgesteld .
Partijen
In de gevoegde zaken C-193/87 en C-194/87,
H . Maurissen, ambtenaar van de Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd en bijgestaan door J.-N . Louis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Y . Hamilius, advocaat aldaar,.11, boulevard Royal,
en
Union syndicale, service public européen, te Luxemburg, in de persoon van haar secretaris-generaal A . Buick, vertegenwoordigd en bijgestaan J.-N . Louis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Y . Hamilius, advocaat aldaar, 11, boulevard Royal,
verzoekers,
ondersteund door
Internationale des services publics, te Ferney-Voltaire ( Frankrijk ), vertegenwoordigd en bijgestaan door M . Deruyver en V . Leclercq, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Y . Hamilius, advocaat aldaar, 11, boulevard Royal,
interveniënte,
tegen
Rekenkamer van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M . Becker en M . Ekelmans als gemachtigden, bijgestaan door L . Defalque, advocaat te Brussel, en J.-A . Stoll als adviseur, domicilie gekozen hebbende ter zetel van de Rekenkamer,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van twee besluiten van de president van de Rekenkamer, te weten
- het besluit van 17 maart 1987 houdende aanwijzing aan de interne bodedienst van de Rekenkamer om voorlopig niet meer mee te werken bij de verspreiding van vakbondsmededelingen;
- het besluit van 31 maart 1987 om de vertegenwoordigers van de Union syndicale geen vrijstelling van de dienst te verlenen voor het bijwonen van vergaderingen van de vakverenigingen met de Commissie van de Europese Gemeenschappen over algemene personeelsaangelegenheden,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt : O . Due, president, Sir Gordon Slynn, C . N . Kakouris, F . A . Schockweiler en M . Zuleeg, kamerpresidenten, T . Koopmans, J . C . Moitinho de Almeida, G . C . Rodríguez Iglesias en F . Grévisse, rechters,
advocaat-generaal : M . Darmon
griffier : J.-G . Giraud
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 17 oktober 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 5 december 1989,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift ingekomen ten Hove op 22 juni 1987 ( zaak 193/87 ), heeft H . Maurissen, ambtenaar van de Rekenkamer, krachtens artikel 91 Ambtenarenstatuut beroep ingesteld tot nietigverklaring van twee besluiten, van 17 en 31 maart 1987, van de president van de Rekenkamer betreffende de uitoefening van vakbondsactiviteiten binnen de Rekenkamer .
2 Bij verzoekschrift ingekomen ten Hove op 22 juni 1987 ( zaak 194/87 ), heeft Union syndicale, service public européen, te Luxemburg, krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag beroep ingesteld tot nietigverklaring van dezelfde twee besluiten .
3 Naar uit de stukken blijkt, uitte het uitvoerend comité van Union syndicale te Luxemburg in een vlugschrift van 26 februari 1987 betreffende de plannen van de Rekenkamer met betrekking tot de geraamde uitgaven voor het begrotingsjaar 1988, bezwaren tegen de voorgenomen verhoging van het aantal tijdelijke functionarissen . Volgens het vlugschrift zou die stijging niet alleen het niveau van de communautaire overheidsdienst omlaag halen, maar bovendien de onafhankelijkheid van de Rekenkamer op het spel zetten en haar taak als "financieel geweten van Europa" in het gedrang brengen .
4 Op 17 maart 1987 zond de president van de Rekenkamer een brief aan H . Maurissen - de enige ambtenaar van de Rekenkamer onder de leden van het uitvoerend comité van Union syndicale, die onderaan het vlugschrift waren vermeld - waarin hij zich over de vorm en de inhoud van het vlugschrift beklaagde en Maurissen in kennis stelde van zijn besluit de interne bodedienst voorshands een verbod op te leggen om vakbondsmededelingen te verspreiden . In deze brief verzocht hij Maurissen deze mededelingen in de toekomst aan het personeelscomité te overhandigen, dat voor de verspreiding daarvan een beroep kon doen op de interne bodedienst; andere vormen van verspreiding zou hij zelf moeten verzorgen .
5 Op 11 maart 1987 had de secretaris-generaal van Union syndicale te Luxemburg de president van de Rekenkamer overigens laten weten, dat bij zijn instelling een vakbondsafvaardiging was opgericht, en hem verzocht de daartoe aangewezen leden van die afvaardiging vrij te stellen van de dienst voor het bijwonen van bijeenkomsten met de Commissie van de Europese Gemeenschappen over personeelszaken .
6 Bij brief van 31 maart 1987 aan de secretaris-generaal van Union syndicale nam de president van de Rekenkamer akte van de oprichting van een vakbondsafvaardiging, doch deelde hij mee dat hij het verzoek om de betrokkenen vrij te stellen van de dienst, niet kon inwilligen .
7 De onderhavige beroepen zijn gericht tegen de besluiten van 17 en 31 maart 1987 .
8 Aangezien de Rekenkamer de ontvankelijkheid van beide beroepen betwist, besloot het Hof vooraf bij afzonderlijk arrest uitspraak te doen over deze middelen van niet-ontvankelijkheid .
9 Bij arrest van 11 mei 1989 verklaarde het Hof het beroep van Maurissen ontvankelijk . Voorts verklaarde het de conclusies van het beroep van Union syndicale tegen het besluit van 31 maart 1987 ontvankelijk en de conclusies van het beroep tegen het besluit van 17 maart 1987 niet-ontvankelijk .
10 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het geding, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen, wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
11 Voor de beoordeling van de gegrondheid van de beroepen zij er vooraf aan herinnerd, dat luidens artikel 24 bis Ambtenarenstatuut "de ambtenaren het recht van vereniging hebben; zij kunnen met name lid zijn van vak - of beroepsorganisaties van Europese ambtenaren ".
12 De gemeenschapsinstellingen en de krachtens artikel 1 Ambtenarenstatuut voor de toepassing van dat Statuut daarmee gelijkgestelde organen behoren niets te doen wat de uitoefening van de in de genoemde bepaling van artikel 24 bis erkende vrijheid van vakvereniging kan belemmeren .
13 Volgens de rechtspraak van het Hof ( arresten van 8.10.1974, zaak 175/73, Union syndicale, en zaak 18/74, Algemeen Vakverbond, Jurispr . 1974, blz . 917, resp . 933 ) houdt de aldus erkende vrijheid van vakvereniging overeenkomstig de algemene beginselen van het arbeidsrecht, niet slechts het recht van ambtenaren en personeelsleden in om vrijelijk verenigingen van hun keuze op te richten, maar ook het recht van deze verenigingen om ter behartiging van de beroepsbelangen van hun leden elke rechtmatige activiteit te ontplooien .
14 Daaruit volgt in de eerste plaats, dat de instellingen en organen van de Gemeenschap hun ambtenaren en personeelsleden niet mogen verbieden lid te zijn van een vak - of beroepsorganisatie en aan de vakbondsactiviteiten deel te nemen, noch hen in enigerlei vorm mogen benadelen wegens dat lidmaatschap of die activiteiten .
15 In de tweede plaats volgt daaruit, dat de instellingen en organen van de Gemeenschap, zonder daarbij een ongerechtvaardigd onderscheid te maken tussen de diverse vak - en beroepsorganisaties, moeten aanvaarden dat deze de hun toekomende taak vervullen, in het bijzonder door de ambtenaren en personeelsleden te informeren, hen bij die instellingen en organen te vertegenwoordigen en deel te nemen aan het overleg met die instellingen en organen over alle aangelegenheden die het personeel raken .
16 De wettigheid van de bestreden besluiten moet in het licht van deze overwegingen worden beoordeeld .
Het beroep van Maurissen tegen het besluit van 17 maart 1987
17 Ter ondersteuning van zijn conclusies voert Maurissen twee middelen aan : schending van artikel 24 bis Ambtenarenstatuut en miskenning van het beginsel van gelijke behandeling van de ambtenaren .
Het eerste middel
18 Het besluit van 17 maart 1987 maakt het onmogelijk voor de verspreiding van vakbondsmededelingen gebruik te maken van de interne bodedienst . Het verbiedt echter niet de verspreiding van die mededelingen binnen de Rekenkamer en zoals uit de bewoordingen ervan blijkt, belet het met name niet, dat de vakbondsvertegenwoordigers "op eigen initiatief" gebruik maken van "elke andere vorm van verspreiding ".
19 Het besluit weigert dus enkel een faciliteit toe te staan die weliswaar de activiteit van Maurissen als vakbondsvertegenwoordiger zou hebben vergemakkelijkt, maar waarvan het ontbreken niet tot gevolg heeft, dat hem de uitoefening van zijn vakbondsactiviteiten wordt belet .
20 Een dergelijk besluit zou slechts kunnen worden afgekeurd, indien het recht op de bij dat besluit geweigerde faciliteit, zoals Maurissen stelt, te vinden was hetzij in een in de communautaire rechtsorde geldend algemeen beginsel van arbeidsrecht, hetzij in de statutaire bepalingen of de eenzijdig dan wel bij overeenkomst tot stand gekomen uitvoeringsregelingen daarvan, hetzij in de zorgplicht .
21 Dienaangaande zij allereerst opgemerkt, dat de vrijheid van vakvereniging weliswaar een algemeen beginsel van arbeidsrecht is, maar dat de inhoud ervan niet zover kan worden opgerekt, dat zij voor de instellingen en organen van de Gemeenschap ook de verplichting omvat hun bodediensten ter beschikking van de vakorganisaties te stellen voor het verspreiden van hun mededelingen .
22 Artikel 24 bis van het Statuut, waarin de vrijheid van vakvereniging in het kader van de communautaire openbare dienst wordt erkend, bevat geen nadere bepaling inzake de toekenning van dergelijke faciliteiten . Die bepaling is op dat punt ook niet aangevuld door een algemene uitvoeringsregeling van de Rekenkamer zelf, noch door een tussen haar en enige vak - of beroepsorganisatie gesloten overeenkomst .
23 Met betrekking tot de zorgplicht ten slotte zij opgemerkt, dat deze op zijn plaats is in de individuele betrekkingen tussen het tot aanstelling bevoegd gezag en de onder dat gezag vallende ambtenaren en personeelsleden; er kan echter geen beroep op worden gedaan voor de oplossing van problemen verband houdend met collectieve betrekkingen tussen de instellingen en organen van de Gemeenschap en de vak - of beroepsorganisaties .
24 Mitsdien moet het eerste middel worden afgewezen .
Het tweede middel
25 Dit middel houdt in, dat de president van de Rekenkamer, door zijn weigering de vakbondsvertegenwoordigers op het punt van verspreiding van vakbondsmededelingen even gunstig te behandelen als de andere instellingen en organen van de Gemeenschap doen, het beginsel van gelijke behandeling van de ambtenaren heeft miskend .
26 Sommige andere instellingen en organen van de Gemeenschap bieden de vak - of beroepsorganisaties en hun vertegenwoordigers weliswaar faciliteiten op dat punt, zij het volgens verschillende modaliteiten, maar waar iedere statutaire verplichting daartoe ontbreekt, gaat het daarbij om faciliteiten die onverplicht zijn toegekend, uit hoofde van de interne organisatiebevoegdheid dan wel op grond van bijzondere overeenkomsten tussen de instelling of het orgaan en de vertegenwoordigers van het personeel .
27 Op dergelijke, op eigen initiatief van de instellingen of organen tot stand gekomen maatregelen kan geen beroep worden gedaan tot staving van het middel ontleend aan schending van het beginsel van gelijke behandeling .
28 Bijgevolg moet het tweede middel worden afgewezen .
29 Het beroep van Maurissen moet derhalve worden verworpen voor zover het is gericht tegen het besluit van 17 maart 1987 .
De beroepen tegen het besluit van 31 maart 1987
30 Allereerst moet het middel worden beoordeeld dat verzoekers ontlenen aan de bij artikel 24 bis van het Statuut gewaarborgde vrijheid van vakvereniging .
31 Onder erkenning van het beginsel van vrijheid van vakvereniging heeft de Rekenkamer verwezen naar het besluit van de Raad van 23 juni 1981 tot instelling van een overlegprocedure . Zij betoogt, dat zij krachtens dat besluit weliswaar is gehouden, de door de vak - of beroepsorganisaties aangewezen vertegenwoordigers van haar personeel vrijstelling van de dienst te verlenen om de vergaderingen van het in het besluit bedoelde "overlegcomité" te kunnen bijwonen, maar dat die verplichting niet ook voor de door de Commissie georganiseerde voorbereidende vergaderingen geldt .
32 In dat verband zij allereerst opgemerkt, dat de in het besluit van de Raad van 23 juni 1981 geregelde overlegprocedure van toepassing is op voorstellen van de Commissie aan de Raad tot wijziging van het Ambtenarenstatuut of de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Gemeenschappen, en voorstellen inzake de toepassing van de bepalingen van het Statuut of de Regeling betreffende de bezoldigingen en pensioenen .
33 Die procedure vindt toepassing in het kader van een zogenoemd overlegcomité, bestaande uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten en de administratieve autoriteiten van de instellingen en organen van de Gemeenschap, maar ook uit door de vak - en beroepsorganisaties aangewezen vertegenwoordigers van het personeel .
34 Met betrekking tot wijzigingen van het Statuut en de Regeling en de ontwikkeling van de bezoldigingen en pensioenen is het weliswaar de Raad die de noodzakelijke besluiten neemt, doch deze instelling kan slechts handelen op voorstel van en in nauwe samenwerking met de Commissie . De werkzaamheden van het in het besluit van 23 juni 1981 bedoelde overlegcomité maken dus deel uit van een procedure waarvan de eerste fasen zich afspelen binnen de Commissie en tijdens de vergaderingen van de Commissie met de vertegenwoordigers van de vakbonden .
35 De instellingen en organen van de Gemeenschap moeten derhalve de vakbondsactiviteiten respecteren die noodzakelijk zijn om een doeltreffende deelneming aan die overlegprocedure te verzekeren . De vrijheid van vakvereniging houdt immers juist voor de vakbonden de mogelijkheid in om aan zulk overleg deel te nemen en aldus bij de totstandkoming van besluiten te worden betrokken .
36 Daaruit volgt, dat wanneer de Commissie besluit tot een vergadering met de vertegenwoordigers van de vak - of beroepsorganisaties om de voorstellen aan de Raad voor te bereiden, die vertegenwoordigers de noodzakelijke faciliteiten moeten krijgen om hen in staat te stellen aan die vergadering deel te nemen .
37 De vakbondsvertegenwoordigers dienen daartoe dus te worden vrijgesteld van de dienst, volgens voorwaarden die eenzijdig of bij overeenkomst door de autoriteiten van elk van de instellingen en organen van de Gemeenschap kunnen worden vastgesteld .
38 Mitsdien moet het besluit van 31 maart 1987 worden nietigverklaard, aangezien het door zijn algemeen en principieel karakter de vertegenwoordigers van de vak - of beroepsorganisaties elke vrijstelling van de dienst voor deelneming aan door de Commissie belegde vergaderingen ontzegt . Het tweede door verzoekers aangevoerde middel behoeft derhalve niet meer te worden onderzocht .
39 Mitsdien moeten de beroepen tegen het besluit van de president van de Rekenkamer van 31 maart 1987 worden toegewezen en het beroep van Maurissen voor het overige worden verworpen .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
40 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Volgens artikel 70 van dat Reglement blijven echter de kosten door de instellingen ter zake van beroepen van personeelsleden der Gemeenschappen gemaakt, te hunnen laste .
41 In zaak 193/87 dient de Rekenkamer haar eigen kosten te dragen, alsmede de helft van de kosten van Maurissen, daar deze de nietigverklaring heeft verkregen van één van de in zijn beroep bestreden besluiten .
42 In zaak 194/87 is Union syndicale in een van haar conclusies in het gelijk en in de andere in het ongelijk gesteld . Daarom zal elk van de partijen in deze zaak, daaronder begrepen Internationale des services publics die aan de zijde van Union syndicale heeft geïntervenieerd, de eigen kosten moeten dragen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende :
1 ) Verklaart nietig het besluit van de president van de Rekenkamer van 31 maart 1987 .
2 ) Verwerpt het beroep van H . Maurissen voor het overige .
3 ) In zaak 193/87 : verstaat dat de Rekenkamer haar eigen kosten zal dragen alsmede de helft van de kosten van H . Maurissen, daaronder begrepen die welke op het kort geding zijn gevallen .
4 ) In zaak 194/87 : verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen .
Full & Egal Universal Law Academy