Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1 . Ambtenaren - Beroep - Bezwarend besluit - Begrip - Salarisafrekening waaruit besluit omtrent indeling in salaristrap blijkt
( Ambtenarenstatuut, artikelen 90 en 91 )
2 . Ambtenaren - Verlof om redenen van persoonlijke aard - Herplaatsing - Indeling in salaristrap
( Ambtenarenstatuut, artikel 40, leden 3 en 4, sub d )
Samenvatting
1 . De ontvangst van de maandelijkse salarisafrekening doet de beroepstermijn tegen een administratief besluit ingaan, wanneer uit die afrekening duidelijk blijkt van het bestaan van dat besluit .
Dit is het geval, indien de na afloop van een verlof om redenen van persoonlijke aard herplaatste ambtenaar uit zijn salarisafrekening kan opmaken, welk besluit de administratie omtrent zijn salaristrapindeling heeft genomen, wanneer het herplaatsingsbesluit, zoals dat hem ter kennis is gebracht, ter zake niets vermeldt .
2 . Uit artikel 40, leden 3 en 4, sub d, slotzin, volgt, dat de indeling van een ambtenaar bij herplaatsing na zijn verlof om redenen van persoonlijke aard in beginsel blijft zoals deze was aan het begin van zijn verlof, zonder dat de administratie de duur van het verlof, of de tussen het einde van dat verlof en de uiteindelijke herplaatsing verstreken tijd in aanmerking hoeft te nemen voor de vaststelling van de salaristrapindeling .
Partijen
In zaak 200/87,
B . Giordani, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen bij het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek te Ispra, vertegenwoordigd door G . Marchesini, advocaat te Milaan, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van V . Biel, advocaat aldaar, 18a, rue des Glacis,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M . Wolfcarius, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door A . May, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit tot herplaatsing van verzoeker, voor zover hij daarbij in salaristrap 5 van rang A 5 is ingedeeld, alsmede een vordering tot schadevergoeding,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Derde kamer ),
samengesteld als volgt : F . Grévisse, kamerpresident, J . C . Moitinho de Almeida en M . Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal : W . Van Gerven
griffier : D . Louterman, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 1 december 1988,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 1 maart 1989,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 30 juni 1987, heeft B . Giordani, ambtenaar van de wetenschappelijke en technische groep bij het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek ( GCO ) te Ispra, een beroep ingesteld, waarin hij vordert :
1 ) nietigverklaring van het besluit tot herplaatsing van verzoeker, zoals dat nader is aangevuld door de salarisafrekening van 14 oktober 1986, voor zover hij daarbij in salaristrap 5 van rang A 5 is ingedeeld;
2 ) veroordeling van de Commissie hem zowel wat zijn anciënniteit in rang en salaristrap als wat zijn sociale zekerheid betreft, te herplaatsen met ingang van het tijdstip waarop de eerste post die hem overeenkomstig artikel 40, lid 4, sub d, had kunnen worden aangeboden, vrijkwam;
3 ) veroordeling van de Commissie tot betaling van schadevergoeding, gelijk aan het verschil tussen het nettosalaris dat hem over de gehele periode dat de herplaatsing op zich heeft laten wachten, door de Gemeenschappen had moeten worden betaald, en het gedurende diezelfde tijd verworven netto beroepsinkomen, alsmede tot betaling van het verschil tussen het hem sinds 1 september 1986 betaalde salaris en het bij salaristrap 8 van rang A 5 behorende salaris;
4 ) veroordeling van de Commissie tot betaling van rente ad 8 %, te berekenen vanaf de respectieve vervaldata, alsmede tot betaling van de kosten van het geding, en
5 ) de Commissie bij wijze van instructiemaatregel te gelasten om een lijst over te leggen van de vacatures in administratieve en wetenschappelijke functies in de periode 1974 tot 1986, die in aanmerking hadden kunnen komen voor de herplaatsing van verzoeker, maar waarin andere kandidaten zijn benoemd .
2 Blijkens het dossier heeft Giordani, die destijds was ingedeeld in de rang A 5, salaristrap 4, in 1971 verlof om redenen van persoonlijke aard genomen, dat tot 1974 werd verlengd . Voordat dit verlof definitief ten einde liep, liet Giordani de Commissie weten, dat hij de dienst wilde hervatten . De Commissie antwoordde hem toen, dat aan zijn verzoek geen gevolg kon worden gegeven, omdat er in zijn categorie of groep geen met zijn rang overeenkomende posten vacant waren .
3 Giordani heeft daarna nog meerdere malen een verzoek om herplaatsing ingediend, waarop ofwel niet ofwel steeds in negatieve zin werd geantwoord, en wel wegens gebrek aan beschikbare posten . Op 9 april 1986 diende Giordani opnieuw een verzoek om herplaatsing in bij de Commissie, op grond van artikel 90, lid 1, van het Statuut .
4 Bij besluit van 26 mei 1986 werd Giordani met ingang van 1 september 1986 herplaatst als wetenschappelijk technisch ambtenaar in de rang A 5 bij het GCO te Ispra . In het besluit waren de overige aanstellingsvoorwaarden, zoals salaristrap en anciënniteit in rang en salaristrap, niet genoemd .
5 Bij inzage van zijn salarisafrekening van 14 oktober 1986 stelde Giordani vast, dat hem het salaris van een ambtenaar in salaristrap 5 van de rang A 5 was betaald .
6 Op 26 november 1986 diende Giordani op grond van artikel 90, lid 2, van het Statuut een klacht in, waarop het tot aanstelling bevoegde gezag echter op geen enkele wijze heeft gereageerd .
7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het geding, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven, voor zover dit noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
De vordering tot nietigverklaring
De ontvankelijkheid
8 Aanvankelijk, in haar verweerschrift, beriep de Commissie zich op niet-ontvankelijkheid van het beroep, wegens termijnoverschrijding . In dupliek trok zij deze stelling echter in, al bleef zij erbij, dat het beroep eerst was ingeschreven na het verstrijken van de in het Statuut gestelde termijn . Ter terechtzitting betoogde de vertegenwoordiger van de Commissie, dat het bezwarend besluit waartegen het eerste onderdeel van het petitum zich richt, te weten de vordering tot nietigverklaring van het besluit om verzoeker in salaristrap 5 van de rang A 5 in te delen, niet de salarisafrekening van 14 oktober 1986, maar het besluit tot herplaatsing van 26 mei 1986 is . Weliswaar vermeldde het herplaatsingsbesluit niet uitdrukkelijk de salaristrap van de rang waarin Giordani was geplaatst, maar deze had tijdig naar de bijzonderheden moeten informeren . In ieder geval is volgens de Commissie tussen 26 mei 1986 en de eerste reactie van betrokkene, te weten zijn klacht van 26 november 1986, te veel tijd verstreken .
9 Verzoeker brengt naar voren, dat hij de precieze voorwaarden van zijn herplaatsing pas te weten was gekomen na ontvangst van zijn salarisafrekening van 14 oktober 1986 . Zijn klacht van 26 november 1986 richtte zich dus tegen de eerste handeling waaruit hem duidelijk werd, dat de administratie had nagelaten of geweigerd de periode van zijn onvrijwillige afwezigheid in aanmerking te nemen . In dit verband haalt verzoeker eerdere arresten van het Hof aan over vertraagde herplaatsing na een verlof om redenen van persoonlijke aard ( arresten van 1 juli 1976, zaak 58/75, Sergy, Jurispr . 1976, blz . 1139, en 5 mei 1983, zaak 785/79, Pizziolo, Jurispr . 1983, blz . 1343 ).
10 Om te beginnen zij vastgesteld, dat onduidelijk is gebleven, of de Commissie nu wel of niet de niet-ontvankelijkheid inroept . Onder deze omstandigheden dient toepassing te worden gegeven aan artikel 92, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering, volgens welke bepaling het Hof in iedere stand van het geding ambtshalve middelen van niet-ontvankelijkheid, welke van openbare orde zijn, in behandeling kan nemen .
11 Ingevolge artikel 91, lid 2, van het Statuut is het beroep van een ambtenaar slechts ontvankelijk, indien tevoren bij het tot aanstelling bevoegd gezag een klacht in de zin van artikel 90, lid 2, van het Statuut is ingediend . Deze klacht moet op haar beurt binnen een termijn van drie maanden tegen het voor betrokkene bezwarend besluit zijn ingediend .
12 In de eerste plaats moet de stelling van de Commissie worden verworpen, dat verzoeker uit eigen beweging navraag had moeten doen naar de verdere bijzonderheden van zijn herplaatsing en dat, nu hij zulks niet tijdig gedaan heeft, zijn klacht te laat is . Immers, de Commissie had de essentiële voorwaarden van verzoekers herplaatsing, zoals salaristrap en anciënniteit, in haar besluit van 26 mei behoren te vermelden . In ieder geval kan het feit, dat het besluit onvolledig was, niet ten nadele van verzoeker werken .
13 Wat vervolgens de vraag betreft, of de salarisafrekening van 14 oktober 1986 kan worden beschouwd als een bezwarende handeling waartegen binnen de in artikel 90, lid 2, van het Statuut diende te worden opgekomen, zij eraan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof ( zie laatstelijk het arrest van 22 september 1988, zaak 159/86, Canters, Jurispr . 1988, blz . 4859 ), de ontvangst van de maandelijkse salarisafrekening de beroepstermijn tegen een administratief besluit doet ingaan, wanneer uit die afrekening duidelijk blijkt van het bestaan van dat besluit .
14 Ook al valt het te betreuren, dat verzoeker een essentiale van zijn herplaatsing heeft moeten vernemen uit een simpele salarisafrekening en niet door de Commissie zelf van het noodzakelijkerwijs ter zake genomen besluit op de hoogte is gesteld, moet niettemin worden erkend, dat uit deze afrekening duidelijk van het bestaan blijkt van een besluit van de Commissie omtrent de toegekende salaristrap . De termijn voor het indienen van een klacht tegen dit besluit is begonnen te lopen op het moment dat verzoeker kennis kon nemen van zijn salarisafrekening van 14 oktober 1986 . De klacht van 26 november 1986 is dus niet te laat ingediend . De vordering tot nietigverklaring van het bestreden besluit moet dus ontvankelijk worden verklaard .
Ten gronde
15 Verzoeker stelt, dat de Commissie, door hem in salaristrap 5 van de rang A 5 in te delen, heeft nagelaten of geweigerd de periode van onvrijwillige afwezigheid van de dienst in aanmerking te nemen . Hij beschouwt zijn herplaatsing, die na de afloop van het verlof om redenen van persoonlijke aard twaalf jaar lang op zich heeft laten wachten, als een kennelijke schending van artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut .
16 De Commissie betoogt, dat de administratie vanaf het eerste verzoek om herplaatsing van verzoeker stelselmatig iedere vacature voor een post in de wetenschappelijke groep in aanmerking heeft genomen . Voor geen enkele vacature bleek verzoeker echter de vereiste kwalificaties te bezitten, en hij kon derhalve niet worden herplaatst .
17 Ingevolge artikel 40, lid 3, neemt de salaris-anciënniteit gedurende het verlof van de ambtenaar niet toe en komt hij niet voor bevordering in aanmerking; hij neemt niet deel aan het stelsel van sociale zekerheid, bedoeld in de artikelen 72 en 73, en de daaronder vallende risico' s zijn niet gedekt . In de slotzin van artikel 40, lid 4, sub d, is bovendien bepaald, dat de ambtenaar tot de datum van zijn daadwerkelijke herplaatsing met verlof om redenen van persoonlijke aard zonder bezoldiging blijft .
18 Uit deze bepalingen volgt, dat de indeling van een ambtenaar bij herplaatsing in beginsel blijft zoals deze was aan het begin van het verlof om redenen van persoonlijke aard . In casu staat vast, dat de indeling van verzoeker, zoals deze uit de salarisafrekening blijkt, met deze bepalingen in overeenstemming is, onverminderd zijn recht om op grond van andere bepalingen van het Statuut te verlangen in een andere salaristrap te worden ingedeeld .
19 Het onderdeel van het beroep, strekkende tot nietigverklaring van het besluit tot herplaatsing, dient mitsdien te worden verworpen .
De vordering tot reconstructie van de loopbaan en tot schadevergoeding
20 De Commissie roept de niet-ontvankelijkheid in van deze onderdelen van het beroep, op grond dat ter zake niet eerst een verzoek is ingediend als bedoeld in artikel 90, lid 1, van het Statuut .
21 Verzoeker stelt, dat onder de hierboven genoemde omstandigheden de verzoeken om herplaatsing en toekenning van schadevergoeding blijkens de salarisafrekening van 14 oktober 1986 bij stilzwijgend besluit van de Commissie zijn afgewezen, zodat hij hiertegen de klacht van 26 november 1986 kon indienen .
22 Ingevolge de artikelen 90 en 91 van het Statuut hangt de ontvankelijkheid van een beroep af van het regelmatig verloop van de in die bepalingen geregelde voorgaande administratieve procedure . In een geval als het onderhavige, waarin de ambtenaar een besluit van de administratie tracht te verkrijgen, inhoudende dat zij artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut heeft geschonden en hem de daardoor geleden schade zal vergoeden, moet de administratieve procedure worden ingeleid door een verzoek van betrokkene waarbij hij de administratie overeenkomstig artikel 90, lid 1, van het Statuut vraagt het verlangde besluit te nemen . Slechts tegen een besluit tot afwijzing van zulk een verzoek kan de betrokkene overeenkomstig artikel 90, lid 2, een klacht bij de administratie indienen .
23 In casu is deze in het Statuut dwingend voorgeschreven administratieve weg niet gevolgd .
24 Aan de door verzoeker op 26 november 1986 ingediende klacht is immers, wat het tweede, derde en vierde onderdeel van het beroep betreft, geen verzoek als bedoeld in artikel 90, lid 1, van het Statuut voorafgegaan . Blijkens het dossier heeft de Commissie integendeel pas uit de klacht vernomen, dat verzoeker van oordeel was te laat te zijn herplaatst .
25 Ten slotte moet worden vastgesteld, dat de salarisafrekening van 14 oktober 1986 als grondslag artikel 40, lid 3, heeft en niet artikel 40, lid 4, sub d, eerste zin, van het Statuut, op grond van welke laatste bepaling verzoeker vergoeding verlangt van de schade die hij naar eigen zeggen heeft geleden .
26 Gelet op het bovenstaande, kan het bestreden besluit dat in de salarisafrekening van 14 oktober 1986 ligt besloten, niet worden aangemerkt als een stilzwijgende afwijzing van het verzoek van betrokkene .
27 Onder deze omstandigheden moeten de vorderingen tot reconstructie van de loopbaan en tot toekenning van schadevergoeding niet-ontvankelijk worden verklaard, en behoeft geen uitspraak te worden gedaan op het verzoek instructiemaatregelen te gelasten .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
28 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering dient de in het ongelijk gestelde partij in de kosten te worden verwezen . Ingevolge artikel 70 van dit Reglement blijven de door de instellingen ter zake van beroepen van personeelsleden der Gemeenschappen gemaakte kosten evenwel te haren laste, onverminderd het bepaalde in artikel 69, paragraaf 3, tweede alinea . Volgens deze laatste bepaling kan het Hof ook de in het gelijk gestelde partij veroordelen tot vergoeding van de door haar toedoen aan de wederpartij opgekomen kosten, die naar 's Hofs oordeel nodeloos of vexatoir zijn veroorzaakt .
29 Door de essentiële voorwaarden van de herplaatsing van betrokkene, zoals salaristrap en anciënniteit, niet in het besluit van 26 mei 1986 te vermelden, heeft de Commissie verzoeker op een dwaalspoor gebracht, ten gevolge waarvan deze heeft gemeend een beroep met voormelde inhoud te kunnen instellen . In deze omstandigheden dient de Commissie de helft van de aan verzoeker opgekomen kosten te dragen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Derde kamer ),
rechtdoende :
1 ) Verwerpt het beroep .
2 ) Verwijst de Commissie in haar eigen kosten en in de helft van de kosten van verzoeker .
Full & Egal Universal Law Academy