Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Oliën en vetten - Steun voor oliehoudende zaden - Voorfixatie - Schorsing - Voorwaarde - Abnormale situatie op markt - Enkele
mogelijkheid van verstoring als gevolg van materiële vergissing in omrekeningskoers voor berekening van steun - Onwettigheid van schorsing - Gevolgen
( Verordening nr . 1594/83 van de Raad, artikel 8, lid 1; Verordeningen van de Commissie nrs . 735 en 756/85 )
Samenvatting
Op het moment waarop zij verordening nr . 756/85 houdende schorsing van de voorfixatie van de steun voor koolzaad, raapzaad en zonnebloemzaad vaststelde, kon de Commissie, gelet op artikel 8, lid 1, van verordening nr . 1594/83 van de Raad, slechts rechtsgeldig tot schorsing van de voorfixatie besluiten, indien zich op de gemeenschappelijke markt voor oliehoudende zaden daadwerkelijk een abnormale, onevenwichtige situatie voordeed . Een materiële vergissing vormt echter op zichzelf geen abnormale marktsituatie en houdt niet noodzakelijkerwijze het risico in, dat er een dergelijke situatie zal ontstaan . Een materiële vergissing in de omrekeningskoers voor de berekening van de steun in verordening nr . 735/85 tot vaststelling van het bedrag van de steun in de sector oliehoudende zaden, waardoor slechts de mogelijkheid van een abnormale situatie ontstond, kan derhalve geen rechtvaardiging van de schorsing van de voorfixatie van de steun opleveren . Bijgevolg is verordening nr . 756/85 ongeldig, gelet op artikel 8, lid 1, van voormelde verordening van de Commissie .
De ongeldigheid van verordening nr . 756/85 impliceert, dat de handelaar, die op grond van verordening nr . 735/85 om een voorfixatiecertificaat heeft verzocht, er recht op heeft, in de situatie te worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd wanneer de voorfixatie niet geschorst was geweest . Zolang de ongeldigheid van laatstbedoelde verordening houdende vaststelling van het bedrag van de steun niet is vastgesteld, brengt de ongeldigheid van verordening nr . 756/85 voor de nationale instanties de verplichting mee, de voorfixatiecertificaten met terugwerkende kracht aan de handelaar af te geven en hem de steun te betalen overeenkomstig het bij verordening nr . 735/85 vastgestelde bedrag .
Partijen
In zaak 201/87,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven, in het aldaar aanhangig geding tussen
Cargill BV, te Amsterdam
en
Produktschap voor Margarine, Vetten en Oliën, te 's-Gravenhage,
om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van verordening nr . 756/85 van de Commissie van 22 maart 1985 houdende schorsing van de voorfixatie van de steun voor koolzaad, raapzaad en zonnebloemzaad ( PB 1985, L 81,
blz . 38 ), en over de gevolgen van de eventuele ongeldigheid van die verordening voor de afgifte van certificaten met voorfixatie, die tijdens de schorsing van de voorfixatie zijn aangevraagd,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste kamer ),
samengesteld als volgt :
R . Joliet, kamerpresident, Sir Gordon Slynn en G . C . Rodríguez Iglesias, rechters,
advocaat-generaal : G . Tesauro
griffier : B . Pastor, administrateur
gelet op de opmerkingen ingediend door :
- Cargill BV, verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door E . H . Pijnacker Hordijk, advocaat te Brussel,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R . C . Fischer en P . Hetsch, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 9 november 1988,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 14 december 1988,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 10 juni 1987, ingekomen ten Hove op 2 juli daaraanvolgend, heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de geldigheid van verordening nr . 756/85 van de Commissie van 22 maart 1985 houdende schorsing van de voorfixatie van de steun voor koolzaad, raapzaad en zonnebloemzaad ( PB 1985, L 81, blz . 38 ), en over de gevolgen van de eventuele ongeldigheid van die verordening voor de afgifte van certificaten met voorfixatie, die tijdens de schorsing van de voorfixatie zijn aangevraagd .
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding waarin Cargill BV ( hierna : Cargill ), verzoekster in het hoofdgeding, nietigverklaring vordert van een besluit van het Produktschap voor Margarine, Vetten en Oliën ( hierna : het Produktschap ), verweerder in het hoofdgeding, waarbij afgifte van certificaten met voorfixatie van de steun voor de verwerking van een hoeveelheid zonnebloemzaad is geweigerd .
3 Bij verordening nr . 735/85 van 21 maart 1985 ( PB 1985, L 80, blz . 18 ) stelde de Commissie het vanaf 22 maart 1985 geldende bedrag van de steun voor de verwerking van zonnebloemzaad vast .
4 Op 22 maart 1985 kocht Cargill 10 000 ton zonnebloemzaad in Frankrijk en verzocht zij het Produktschap om afgifte van certificaten met voorfixatie van de steun voor de verwerking ervan . Deze certificaten hadden normaal de volgende dag moeten zijn afgegeven .
5 In tussentijd had de Commissie echter geconstateerd, dat door een fout in de omrekeningskoersen voor de toekenning van de steun in een bijlage bij verordening nr . 735/85 het steunbedrag hoger was dan voorzien bij artikel 27 van verordening nr . 136/66 van de Raad van 22 september 1966 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector oliën en vetten ( PB 30.9.1966, blz . 3025 ). Volgens dit artikel moet de steun gelijk zijn aan het verschil tussen de communautaire richtprijs en de wereldmarktprijs .
6 Daarop stelde de Commissie op 22 maart 1985 verordening nr . 755/85 vast ( PB 1985, L 81, blz . 36 ), waarbij zij het bedrag van de steun per 23 maart 1985 tot het juiste niveau omlaagbracht .
7 Voorts was de Commissie van mening, dat die fout ertoe dreigde te leiden, dat er aanvragen om voorfixatie werden ingediend in een omvang die niet in overeenstemming was met de normale afzet van in de Gemeenschap voortgebrachte zaden . Om dat tegen te gaan, stelde zij eveneens op 22 maart 1985 verordening nr . 756/85 vast, die op 23 maart 1985 in werking trad en waarbij de voorfixatie voor aanvragen die, zoals in casu, op 22 maart 1985 waren ingediend, werd geschorst .
8 Deze verordening is gebaseerd op artikel 8 van verordening nr . 1594/83 van de Raad van 14 juni 1983 betreffende de steun voor oliehoudende zaden ( PB 1983, L 163, blz . 44 ). Lid 1 van dat artikel luidt als volgt :
"1 . Wanneer zich op de zadenmarkt van de Gemeenschap abnormale situaties voordoen, in het bijzonder wanneer de omvang van de verzoeken om steun vooraf vast te stellen niet in overeenstemming blijkt met de normale afzet van de in de Gemeenschap voortgebrachte zaden, kan voor de gevallen waarin het in artikel 4 bedoelde certificaat nog niet is afgegeven, tot wijziging van het steunbedrag en tot schorsing van het vooraf vaststellen van dit bedrag worden besloten, voor zover dit voor het herstel van het evenwicht tussen de markt van de Gemeenschap en de wereldmarkt noodzakelijk is ."
9 Genoemd artikel 8 bepaalt voorts, dat in de regel tot schorsing van de voorfixatie wordt besloten volgens de procedure van het Comité van beheer, maar dat in dringende gevallen de Commissie zelfstandig tot schorsing kan besluiten .
10 Onder verwijzing naar de schorsing van de voorfixatie wees het Produktschap bij besluit van 25 maart 1985 de door Cargill ingediende aanvragen om certificaten met voorfixatie af .
11 Nadien is gebleken, dat de op 22 maart 1985 in alle Lid-Staten ingediende aanvragen om voorfixatie van de steun voor oliehoudende zaden betrekking hadden op een niet ongewoon grote hoeveelheid van ongeveer 40 000 ton .
12 Van het besluit van het Produktschap is Cargill in beroep gekomen bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven, waar zij stelde dat de verordening houdende schorsing van de voorfixatie ongeldig was .
13 In die omstandigheden heeft de nationale rechter het Hof verzocht om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen :
"1 . Is verordening ( EEG ) nr . 756/85 van de Commissie van 22 maart 1985, houdende schorsing van de voorfixatie van de steun voor koolzaad, raapzaad en zonnebloemzaad, geldig, gelet op
- het bij artikel 8, eerste lid, van verordening ( EEG ) nr . 1594/83 van de Raad gestelde vereiste voor de uitoefening van de schorsingsbevoegdheid,
en
- de bij voormeld artikel 8, derde lid, gestelde procedurevoorschriften?
2 . Ingeval het Hof van Justitie oordeelt dat verordening ( EEG ) nr . 756/85 ongeldig is, brengen de gemeenschappelijke voorschriften betreffende de steun bij de verwerking van zonnebloemzaad, in samenhang met de artikelen 5 en 176 EEG-Verdrag, dan mee dat het nationale uitvoeringsorgaan gehouden is de aangevraagde certificaten alsnog te verstrekken en/of voor de desbetreffende hoeveelheden zonnebloemzaad steun overeenkomstig de bedragen van verordening ( EEG ) nr . 735/85 te betalen?"
14 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, de toepasselijke regeling en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
De eerste vraag
15 Met zijn eerste vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of verordening nr . 756/85 van de Commissie, gelet op artikel 8, lid 1, van verordening nr . 1594/83 van de Raad, geldig is en, meer in het bijzonder, of de Commissie de voorfixatie mocht schorsen zodra de vrees bestond dat er als gevolg van een materiële vergissing in de omrekeningskoersen voor de berekening van de steun een abnormale situatie op de markt zou ontstaan, dan wel of zij eerst tot schorsing mocht overgaan wanneer de abnormale situatie daadwerkelijk was ontstaan . Subsidiair wenst de verwijzende rechter te vernemen, of bij de vaststelling van verordening nr . 756/85 artikel 8, lid 3, van verordening nr . 1594/83 van de Raad in acht is genomen, hetgeen veronderstelt dat er sprake was van hoogdringendheid, zodat de Commissie het Comité van beheer niet behoefde te raadplegen .
16 Wat het eerste onderdeel van de vraag betreft, zij gewezen op wat er in de zevende overweging van de considerans van verordening nr . 1594/83 van de Raad wordt gepreciseerd, namelijk dat de mogelijkheid om de voorfixatie te schorsen, is voorzien om abnormale situaties op de zadenmarkt te "verhelpen ". Artikel 8, lid 1, van deze verordening bepaalt voorts, dat wanneer zich op de zadenmarkt abnormale situaties voordoen, tot schorsing van de voorfixatie van de steun kan worden besloten, voor zover dit voor het "herstel" van het evenwicht tussen de markt van de Gemeenschap en de wereldmarkt noodzakelijk is . Ten slotte is na het voorval waaruit de onderhavige zaak is voortgekomen, artikel 8, lid 1, van verordening nr . 1594/83 van de Raad gewijzigd in die zin, dat schorsing van de voorfixatie mogelijk is in geval van een abnormale situatie die een verstoring van de gemeenschappelijke markt veroorzaakt "of kan veroorzaken" ( verordening nr . 935/86 van de Raad van 25 maart 1986 tot wijziging van verordening nr . 1594/83 betreffende de steun voor oliehoudende zaden, PB 1986, L 87, blz . 5 ).
17 Uit het voorgaande volgt, dat de Commissie op het moment waarop zij verordening nr . 756/85 vaststelde, slechts rechtsgeldig tot schorsing van de voorfixatie kon besluiten, indien zich op de gemeenschappelijke markt voor oliehoudende zaden daadwerkelijk een abnormale, onevenwichtige situatie voordeed .
18 Vaststaat, dat er in casu van een dergelijke abnormale situatie geen sprake is geweest . Een materiële vergissing vormt immers op zichzelf geen abnormale marktsituatie en zoals uit de onderhavige zaak blijkt, houdt zij niet noodzakelijkerwijze het risico in, dat er een dergelijke situatie zal ontstaan . De enkele mogelijkheid, dat er als gevolg van een materiële vergissing in de omrekeningskoersen voor de berekening van de steun een abnormale situatie zou ontstaan, kon dus geen rechtvaardiging zijn voor de bestreden schorsingsmaatregel . Bovendien is na de hierbedoelde feiten artikel 8 van verordening nr . 1594/83 bij verordening nr . 935/86 van de Raad aangevuld met een bepaling op grond waarvan de voorfixatie van de steun kan worden geschorst indien "er een fout voorkomt in het steunbedrag dat is gepubliceerd ". Ten tijde van de vaststelling van de verordening waarbij tot de gekritiseerde schorsing werd besloten, leverde een dergelijke fout dus geen grond op om de voorfixatie te schorsen .
19 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat verordening nr . 756/85 van de Commissie, gelet op artikel 8, lid 1, van verordening nr . 1594/83 van de Raad, ongeldig is .
De tweede vraag
20 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen, of de ongeldigheid van verordening nr . 756/85 van de Commissie voor het Produktschap de verplichting meebrengt om de op 22 maart 1985 door Cargill aangevraagde voorfixatiecertificaten met terugwerkende kracht aan haar af te geven en haar de steun te betalen overeenkomstig het bij verordening nr . 735/85 vastgestelde bedrag .
21 De ongeldigheid van de verordening houdende schorsing van de voorfixatie, impliceert dat Cargill er recht op heeft, in de situatie te worden gebracht waarin zij zou hebben verkeerd wanneer de voorfixatie niet geschorst was geweest . Wat verordening nr . 735/85 van de Commissie betreft, die volgens partijen een materiële vergissing bevat, deze moet voor geldig worden gehouden zolang de ongeldigheid ervan niet is vastgesteld . In het kader van deze prejudiciële zaak is de vraag betreffende de geldigheid van die verordening niet aan de orde gesteld .
22 Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat zolang de ongeldigheid van verordening nr . 735/85 van de Commissie niet is vastgesteld, de ongeldigheid van verordening nr . 756/85 van de Commissie voor het Produktschap de verplichting meebrengt, de op 22 maart 1985 door Cargill aangevraagde voorfixatiecertificaten met terugwerkende kracht aan haar af te geven en haar de steun te betalen overeenkomstig het bij verordening nr . 735/85 van de Commissie vastgestelde bedrag .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
23 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste kamer ),
uitspraak doende op de door het College van Beroep voor het Bedrijfsleven bij beschikking van 10 juni 1987 gestelde vragen, verklaart voor recht :
1 ) Verordening nr . 756/85 van de Commissie is ongeldig, gelet op artikel 8, lid 1, van verordening nr . 1594/83 van de Raad .
2 ) Zolang de ongeldigheid van verordening nr . 735/85 van de Commissie niet is vastgesteld, brengt de ongeldigheid van verordening nr . 756/85 van de Commissie voor het Produktschap de verplichting mee, de op 22 maart 1985 door Cargill aangevraagde voorfixatiecertificaten met terugwerkende kracht aan haar af te geven en haar de steun te betalen overeenkomstig het bij verordening nr . 735/85 van de Commissie vastgestelde bedrag .
Full & Egal Universal Law Academy