RAPPORT TER TERECHTZITTING
in zaak C-216/87 ( *1 )
I — Feiten en procesverloop
1.
Op 6 december 1985 kondigde de Britse Minister of Agriculture, Fisheries and Food (hierna: de minister) in een persbericht aan, dat nieuwe voorwaarden zouden worden verbonden aan na 1 januari te verlenen visvergunningen. Daarmee diende te worden verzekerd dat vissersvaartuigen die onder de aan het Verenigd Koninkrijk toegekende quota visten, een „reële economische band” met dat land hadden.
2.
Het zijn drie voorwaarden en deze zaak betreft de eerste, de zogenoemde „exploitatievoorwaarde”. De tweede (betreffende de nationaliteit en de woonplaats van bemanningsleden) en de derde voorwaarde (de verplichting premies te betalen aan het sociale zekerheidsstelsel van het Verenigd Koninkrijk) vormen het onderwerp van zaak C-3/87, Agegate, die thans bij het Hof aanhangig is.
3.
De voorwaarde betreffende de exploitatie van vissersvaartuigen is als volgt geformuleerd :
„Het schip moet zijn activiteiten verrichten vanuit het Verenigd Koninkrijk, vanaf het eiland Man of de Kanaaleilanden: onverminderd het algemene karakter van dit vereiste, wordt een schip geacht daaraan te voldoen indien gedurende elk halfjaar van een kalenderjaar (dat wil zeggen van januari tot en met juni en van juli tot en met december) hetzij :
a)
ten minste 50% van het gewicht van de aan land gebrachte of overgeladen vangst van het schip waarop deze of enige andere óp het betrokken tijdstip geldige vergunning betrekking heeft, in het Verenigd Koninkrijk, op het eiland Man of de Kanaaleilanden aan land is gebracht en is verkocht of overgeladen bij verkoop binnen de Britse visserijzone; hetzij
b)
op andere wijze wordt bewezen dat het schip ten minste viermaal met tussenpozen van ten minste vijftien dagen een haven van het Verenigd Koninkrijk, het eiland Man of de Kanaaleilanden heeft aangedaan.”
4.
Blijkens de stukken is het Verenigd Koninkrijk voornemens, een wettelijke regeling aan te nemen waarin de inschrijving van vaartuigen in het Britse register van vissersvaartuigen aan dezelfde of soortgelijke voorwaarden wordt verbonden als de in zaak C-3/87, Agegate, in geding zijnde voorwaarden.
5.
Verzoeksters in het hoofdgeding zijn in het Verenigd Koninkrijk gevestigde ondernemingen die grotendeels in Spaanse handen zijn; zij hebben een aantal nieuwe vergunningen verkregen voor hun vissersvaartuigen, die naar behoren in het Verenigd Koninkrijk zijn ingeschreven. Die vergunningen bevatten de drie bovenvermelde voorwaarden, met inbegrip van de zogenoemde exploitatievoorwaarde.
6.
De afgegeven vergunningen golden voor verschillende zones waarvoor Britse quota bestaan en zij berustten uitdrukkelijk op de Sea Fish (Conservation) Act 1967, zoals gewijzigd, en op de Sea Fish Licensing Order 1983, zoals gewijzigd. Krachtens die wettelijke regeling moeten Britse vissersvaartuigen over een vergunning beschikken om te mogen vissen. De nieuwe voorwaarden waren in de vergunningen opgenomen zonder dat die wettelijke regeling opnieuw was gewijzigd.
7.
Bij brieven van 20 augustus en 9 september 1986 verzocht de minister aan verzoeksters om te bewijzen dat zij in de periode van 1 januari tot en met 30 juni 1986 aan de exploitatievoorwaarde hadden voldaan.
8.
Bij brieven van 20 en 23 oktober 1986 verschaften verzoeksters de minister alle gegevens waaruit huns inziens bleek dat aan die voorwaarde was voldaan. Zij wezen er onder meer op, dat zij voor de BTW in het Verenigd Koninkrijk waren ingeschreven, dat zij aldaar belasting betaalden op de door hun gemaakte winst, dat hun schepen evenals alle Britse vissersvaartuigen aan de door de Britse wetgeving voorgeschreven inspecties onderworpen waren en dat zij om door die inspecties te komen veel geld hadden uitgegeven.
9.
Bij brief van 12 december 1986 stelde de minister verzoeksters ervan in kennis, dat zijn voorlopige conclusie luidde, dat niet aan de exploitatievoorwaarde was voldaan en dat hun visvergunningen onmiddellijk zouden worden ingetrokken indien niet binnen 21 dagen afdoende bewijs voor het tegendeel zou worden geleverd.
10.
Op 17 december 1986 stelden verzoeksters beroep in bij de High Court of Justice of England and Wales, strekkende tot nietigverklaring van de voorlopige beschikkingen van de minister, als vervat in vorengenoemde brief van 12 december, alsmede van alle beschikkingen waarbij de minister die voorlopige beschikkingen zou bevestigen. Voor de nationale rechter wierpen verzoeksters onder meer de vraag op of de exploitatievoorwaarde verenigbaar is met het gemeenschapsrecht.
11.
Op 18 februari 1987 legden verzoeksters aan de minister nieuw materiaal over dat in hun ogen aantoonde, dat zij aan de exploitatievoorwaarde hadden voldaan.
12.
Bij 29 brieven, verzonden op 8 mei 1987, stelde de minister een aantal verzoeksters ervan op de hoogte dat, zonder het resultaat van het bij de nationale rechter aanhangig geding te prejudiciëren, hun visvergunningen met onmiddellijke ingang werden ingetrokken omdat zij in het eerste halfjaar van 1986 niet aan de exploitatievoorwaarde hadden voldaan.
13.
Bij brieven van 12 mei 1987 deelde de minister aan zeven verzoeksters evenwel mee, dat hun vergunningen gezien het door hen overgelegde nader bewijsmateriaal, niet zouden worden ingetrokken. In vier gevallen werd erkend, dat de schepen van die verzoeksters in het eerste halfjaar van 1986 lange tijd waren stilgelegd. Drie van die vier verzoeksters werden er evenwel van in kennis gesteld, dát hun vergunningen zouden worden ingetrokken, tenzij zij binnen 21 dagen aantoonden, dat zij in het tweede halfjaar van 1986 aan de exploitatievoorwaarde hadden voldaan. In twee andere van die zeven gevallen werden de betrokken schepen geacht nagenoeg aan de exploitatievoorwaarde te voldoen, en om die reden werden de vergunningen voor die schepen niet ingetrokken. In het geval van de zevende verzoekster ten slotte werd erkend dat zij aan de exploitatievoorwaarde had voldaan.
14.
Op 18 mei 1987 werden de partijen in het hoofdgeding door de High Court of Justice gehoord. Van oordeel dat het geschil de uitlegging vereiste van een aantal bepalingen en beginselen van gemeenschapsrecht, heeft de High Court of Justice of England and Wales bij beschikking van 22 mei 1987 krachtens artikel 177 EEG-Verdrag de behandeling van de zaak geschorst totdat het Hof van Justitie bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak zal hebben gedaan over de navolgende vragen:
„Vraag 1
Wanneer een Lid-Staat aan een aldaar ingeschreven onderneming een visvergunning afgeeft voor een vissersvaartuig waarvan deze onderneming eigenaar is en dat onder de vlag vaart van en is ingeschreven in deze Lid-Staat, en deze vergunning voorwaarden behelst (waaraan te allen tijde geheel moet worden voldaan) die moeten verzekeren dat het schip een ‚reële economische band’ heeft met de betrokken Lid-Staat, is dan een als volgt geformuleerde vergunningsvoorwaarde:
,Het schip moet zijn activiteiten verrichten vanuit het Verenigd Koninkrijk, het eiland Man of de Kanaaleilanden; onverminderd het algemene karakter van dit vereiste wordt een schip geacht daaraan te voldoen indien gedurende ieder halfjaar van een kalenderjaar (dat wil zeggen van januari tot en met juni en van juli tot en met december) ofwel:
a)
ten minste 50% van het gewicht van de aan land gebrachte of overgeladen vangst van het schip waarop deze of enige andere op het betrokken tijdstip geldige vergunning betrekking heeft, in het Verenigd Koninkrijk, het eiland Man of de Kanaaleilanden aan land is gebracht en verkocht of is overgeladen bij verkoop binnen de Britse visserijgrenzen; ofwel
b)
op andere wijze wordt bewezen dat het schip ten minste viermaal met tussenpozen van ten minste vijftien dagen een haven van het Verenigd Koninkrijk, het eiland Man of de Kanaaleilanden heeft aangedaan'
onverenigbaar met het gemeenschapsrecht op grond van haar bewoordingen en/of haar verband met de twee andere vergunningsvoorwaarden (waarop zaak C-3/87 betrekking heeft), en meer bepaald, is een dergelijke voorwaarde:
a)
onverenigbaar met het gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector, zoals onder meer vastgelegd bij verordening nr. 101/76 van de Raad;
b)
onverenigbaar met de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijprodukten, zoals onder meer vastgelegd bij verordening nr. 3796/81 van de Raad;
c)
verboden door de artikelen 7, 34, 40, 48 tot en met 51, 52 tot en met 58 of 59 tot en met 66 EEG-Verdrag of door één van deze bepalingen;
d)
ongeldig op grond dat zij onevenredig of onbillijk is dan wel in strijd met het gewettigd vertrouwen van verzoeksters;
e)
door het Verenigd Koninkrijk onbevoegd vastgesteld of onwettig krachtens artikel 5, lid 2, van verordening nr. 170/83 van de Raad, op grond dat zij wegens voornoemde punten in strijd is met de toepasselijke bepalingen van gemeenschapsrecht ?
Vraag 2
Zo de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, maakt het dan enig verschil, indien de bevoegde instanties van deze Lid-Staat de voorwaarde toepassen als enkel doelend op de fysieke aanwezigheid van het schip in de Lid-Staat, zodat ieder ander bewijs van economische, financiële en fiscale banden tussen het vaartuig, zijn eigenaars en beheerders enerzijds en de betrokken Lid-Staat anderzijds buiten beschouwing blijft als van geen belang voor de vraag of aan de voorwaarde is voldaan ?”
15.
De beschikking van de High Court of Justice of England and Wales is op 14 juli 1987 ter griffie van het Hof ingeschreven.
16.
Krachtens artikel 20 van's Hofs Sta-tuut-EEG zijn op 14 oktober 1987 schriftelijke opmerkingen ingediend door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Oliver, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, op 22 oktober 1987 door het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door H. R. L. Purse, van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde, bijgestaan door J. Laws en C. Vajda, barristers, op 23 oktober door de Ierse Republiek, vertegenwoordigd door L. J. Dockery, Chief State Solicitor, als gemachtigde, bijgestaan door J. O'Reilly, barrister, en op 29 oktober 1987 door het Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door J. Conde de Saro, directeur-generaal Coördinatie van juridische en institutionele aangelegenheden van de Gemeenschappen, en door R. Silva de Lapuerta, abogado del Estado, als gemachtigden. Schriftelijke opmerkingen werden eveneens op 22 oktober 1987 ingediend door Jaderow Ltd en de andere verzoeksters in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door D. Vaughan QC, G. Barling, barrister, en S. Swabey, solicitor.
17.
Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en de advocaat-generaal gehoord, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
II — Schriftelijke opmerkingen
De eerste vraag
A — De bepalingen van het EEG-Verdrag Artikel 34
18.
Jaderow Ltd en de andere verzoeksters in het hoofdgeding (hierna: verzoeksters) stellen allereerst, dat blijkens het arrest van het Hof van 28 maart 1985 (zaak 100/84, Commissie/Verenigd Koninkrijk, Jurispr. 1985, blz. 1169) en artikel 4, lid 2, sub f, van verordening (EEG) nr. 802/68 van de Raad van 27 juni 1968 betreffende de gemeenschappelijke definitie van het begrip „oorsprong van goederen” (PB 1985, L 148, blz. 1), de oorsprong van op zee gevangen vis wordt bepaald volgens de vlag of de registratie van het vaartuig. De door verzoeksters gevangen vis is dus wat land van oorsprong betreft Brits.
19.
Aangezien het vereiste dat 50% van de vangst van een vaartuig aan land moet worden gebracht of verkocht in het Verenigd Koninkrijk, tot gevolg heeft dat de rechtstreekse uitvoer van door verzoeksters schepen gevangen vis naar andere Lid-Staten onmogelijk of althans duurder wordt gemaakt, is het in strijd met artikel 34 EEG-Verdrag, zoals door het Hof uitgelegd in het arrest van 13 december 1984 (zaak 251/83, Haug-Adrion, Jurispr. 1984, blz. 4277, r. o. 20). Hetzelfde geldt wanneer de door verzoeksters schepen gevangen vis niet als van Britse oorsprong zou worden beschouwd, daar het vereiste dat 50% van de vangst van een vaartuig aan land gebracht en verkocht moet worden in het Verenigd Koninkrijk, de export van die vis van de plaats waar deze is gevangen naar andere Lid-Staten onmogelijk maakt.
20.
Het vereiste, dat schepen ten minste viermaal in elk halfjaar een haven in het Verenigd Koninkrijk moeten aandoen, is eveneens in strijd met artikel 34 en/of artikel 30, daar het de exploitanten van die schepen ervan weerhoudt om havens in andere Lid-Staten aan te doen ten einde aldaar vis af te leveren en om produkten in te nemen voor gebruik aan boord dan wel voor wederverkoop in het Verenigd Koninkrijk of elders.
21.
Het Verenigd Koninkrijk acht de exploitatievoorwaarde noch op zichzelf, noch in samenhang met de in zaak C-3/87 aan de orde zijnde voorwaarden, in strijd met artikel 34 EEG-Verdrag. Zij heeft niet specifiek de beperking van exportstromen tot doel of tot gevolg, en evenmin voert zij een verschil in behandeling in tussen de binnenlandse handel en de export van het Verenigd Koninkrijk. De betrokken voorwaarde werd ingevoerd om misbruik van de aan het Verenigd Koninkrijk toegekende quota te voorkomen, een doel dat bescherming door het gemeenschapsrecht verdient.
22.
De Commissie stelt in de eerste plaats, dat ofschoon de letterlijke tekst van de betrokken voorwaarde de indruk wekt dat zij wordt vervuld ongeacht de wijze waarop het schip vanuit het Verenigd Koninkrijk opereert, de minister in de praktijk de voorwaarde eerst vervuld acht indien aan een van de beide specifieke vereisten is voldaan.
23.
Ten aanzien van het vereiste om vis in het Verenigd Koninkrijk aan land te brengen en te verkopen, gaat de Commissie ervan uit, dat een Brits vissersvaartuig in zekere zin moet worden gelijkgesteld met Brits grondgebied. In dat verband wijst zij op artikel 4, lid 2, sub f, van verordening nr. 802/86 en op het arrest in zaak 100/84, Commissie/Verenigd Koninkrijk, beide reeds aangehaald. Daaruit volgt dat er sprake is van uitvoer in de zin van artikel 34 EEG-Verdrag wanneer vis aan boord van een Brits schip aan land wordt gebracht in een andere Lid-Staat. Het betrokken vereiste is strijdig met artikel 34 EEG-Verdrag, zoals uitgelegd door het Hof in met name het arrest van 14 juli 1981 (zaak 155/80, Oebel, Jurispr. 1981, blz. 1993, r. o. 15), omdat het tot gevolg heeft dat rechtstreekse uitvoer naar een andere Lid-Staat van de Gemeenschap van 50% van de vangst aan boord van het schip, wordt verhinderd of althans moeilijker of duurder wordt gemaakt. Daaraan doet niet af, dat 50% van de vangst bij verkoop mag worden overgeladen binnen de Britse visserijzone en dus buiten de Britse territoriale wateren.
24.
Het vereiste dat het vaartuig ten minste viermaal per halfjaar een Britse haven moet aandoen, is in strijd met artikel 34 omdat het de aanlanding van vis in andere Lid-Staat ontmoedigt.
25.
Het doel van de betrokken vereisten is het bevorderen van de industrie en de werkgelegenheid in het Verenigd Koninkrijk, vooral in de Britse havens en in de visverwerking. Zij hebben derhalve een zuiver economisch doel, wat evenwel ingevolge de rechtspraak van het Hof geen rechtvaardiging kan vormen voor maatregelen die onder de artikelen 30 of 34 vallen (arrest van 9 juni 1982, zaak 95/81, Commissie/Italië, Jurispr. 1982, blz. 2187).
26.
Geen enkele andere bepaling van het Verdrag is in deze zaak relevant.
27.
Ierland en het Koninkrijk Spanje hebben geen opmerkingen ingediend betreffende de verenigbaarheid van de aangevochten voorwaarde met artikel 34 EEG-Verdrag.
Artikel 39
28.
Dit vraagstuk is niet in de verwijzingsbeschikking aan de orde gesteld, doch door Jaderow in haar bij het Hof ingediende opmerkingen.
29.
Volgens Jaderow is de exploitatievoorwaarde in strijd met de in artikel 39, lid 1, EEG-Verdrag neergelegde doelstellingen, en wel om de volgende redenen:
a)
zij doet de produktiviteit afnemen door van de exploitanten van vissersvaartuigen te eisen, dat zij zich bevoorraden in Britse havens, ook wanneer dit economisch of commercieel niet noodzakelijk of wenselijk is;
b)
zij verhindert, dat de op die schepen werkzame „share fishermen” een redelijke levensstandaard verwerven, daar directe verkoop van vis in Lid-Staten waar de prijzen hoger liggen dan in het Verenigd Koninkrijk, wordt belemmerd;
c)
zij verhindert, dat de levering aan verbruikers tegen redelijke prijzen geschiedt, doordat de kosten van de visvangst nodeloos stijgen, terwijl de hoeveelheid door verzoeksters aan de markten van andere Lid-Staten geleverde vis daalt, en daardoor ook de mededinging op het gebied van de prijzen op die markten.
De artikelen 7 en 40
30.
Jaderow is van mening, dat de exploitatievoorwaarde in strijd is met artikel 7, omdat zij de discriminerende elementen in de in zaak C-3/87 aan de orde zijnde voorwaarden versterkt. Bovendien is de exploitatievoorwaarde enkel gericht op vissersschepen in handen van ondernemingen met Spaanse aandeelhouders.
31.
De voorwaarde is ook in strijd met artikel 40, lid 3, daar zij zwaarder drukt op vissers die hun vangsten naar andere Lid-Staten willen exporteren dan op vissers die hun vangsten op de Britse markt verkopen.
32.
Het Verenigd Koninkrijk stelt, dat de voorwaarden in de visvergunningen enkel gelden voor Britse vissersvaartuigen en geen aantasting vormen van het recht van vissersvaartuigen van andere Lid-Staten om in de wateren van het Verenigd Koninkrijk te vissen of van het recht op gelijke toegang tot de havens en de inrichtingen waar de vis in eerste aanleg wordt verhandeld. De vraag of vissersvaartuigen van andere Lid-Staten worden gediscrimineerd, is dan ook niet aan de orde.
33.
Het Verenigd Koninkrijk ontkent, dat er sprake is van discriminatie van Britse vaartuigen in Spaanse handen.
De artikelen 48 tot en met 51
34.
Volgens Jaderow is de exploitatievoorwaarde in strijd met de artikelen 48 tot en met 51, omdat zij in samenhang met de in zaak C-3/87 in geding zijnde voorwaarden, inbreuk maakt op de rechten die de bemanningsleden, die werknemer kunnen zijn, aan het gemeenschapsrecht ontlenen. Ook werkt zij ontmoedigend op de tewerkstelling van werknemers uit andere Lid-Staten.
35.
Het Verenigd Koninkrijk acht de exploitatievoorwaarde niet in strijd met de artikelen 48 tot en met 51 EEG-Verdrag. Deze conclusie dringt zich op, zelfs indien die voorwaarde wordt gezien in samenhang met de overige in de vergunningen vervatte voorwaarden. Het Verenigd Koninkrijk verwijst in dit verband naar bijlage 6 van zijn opmerkingen, alwaar het zijn standpunt uiteenzet over de uitlegging van de artikelen 56, lid 1, en 57, lid 1, van de Toetredingsakte 1985 en over de uitlegging van de gemeenschappelijke verklaring betreffende werknemers, gevoegd bij de Toetredingsakte (PB 1985, L 302, blz. 480), en alwaar het zijn opmerkingen betreffende de sociale zekerheidsvoorwaarde, aan de orde in zaak C-3/87, herhaalt.
De artikelen 52 tot en met 58
36.
Jaderow acht het feit dat de betrokken vaartuigen de Britse vlag voeren of in het Verenigd Koninkrijk zijn geregistreerd en eigendom zijn van Britse ondernemingen, voldoende grond om te spreken van vestiging in de zin van artikel 52. Aangezien een permanente fysieke aanwezigheid niet noodzakelijk is voor vestiging in de zin van het Verdrag (arrest van 12 juli 1984, Zaak 107/83, Ordre des avocats, Jurispr. 1984, blz. 2971), is de exploitatievoorwaarde in strijd met artikel 52.
37.
De voorwaarde is eveneens met dat artikel in strijd, daar zij een verkapte vorm van discriminatie inhoudt van Britse ondernemingen in Spaanse handen, tegen welke de Britse wettelijke regeling inzake visvergunningen specifiek is gericht.
38.
Ten slotte is de exploitatievoorwaarde in strijd met artikel 52, omdat zij ondernemingen uit andere Lid-Staten ervan afhoudt om zich in het Verenigd Koninkrijk te vestigen met het oog op activiteiten in de visserijsector.
39.
De Britse regering wijst er allereerst op, dat de door de artikelen 52 en volgende toegekende rechten betrekking hebben op de ondernemingen die vissersvaartuigen exploiteren doch niet op die schepen zelf. Zowel het gemeenschapsrecht (Algemeen programma voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging van 15 januari 1962, PB 1962, nr. 2, blz. 36), als het Engelse recht vereisen als criterium voor vestiging het bestaan van een werkelijke en duurzame band met de economie van de Lid-Staat waar een natuurlijke of rechtspersoon zich vestigt. De exploitatievoorwaarde is juist ingevoerd om aan dat vereiste te voldoen.
40.
Met het stellen van die voorwaarde heeft het Verenigd Koninkrijk slechts bepaald, welke vissersvaartuigen als Britse vissersvaartuigen in overeenstemming met verordening nr. 2241/87 (PB 1987, L 207, blz. 1) hun vangsten onder de Britse quota mogen brengen. Met andere woorden, aldus oefende het Verenigd Koninkrijk zijn in het volkenrecht erkende recht uit om vast te stellen wie zijn onderdanen zijn. Artikel 52 beoogt niet, dat recht aan een Lid-Staat te ontnemen. Zou dat wel het geval zijn, dan zou dat de vernietiging betekenen van het zorgvuldig afgewogen systeem van verdeling van quota tussen de Lid-Staten en van de band tussen de quota van elke Lid-Staat en de schepen die de vlag van die staat voeren.
41.
Volgens het Koninkrijk Spanje is de Britse regeling discriminerend ten nadele van onderdanen van andere Lid-Staten en daarom in strijd met artikel 52, doordat deze regeling de toekenning van visvergunningen afhankelijk stelt van het bestaan van een reële economische band tussen zowel Britse als uit andere Lid-Staten afkomstige vissersvaartuigen en het Verenigd Koninkrijk. Die regeling kan niet worden gerechtvaardigd uit hoofde van de artikelen 55 en 56 EEG-Verdrag.
De artikelen 59 tot en met 66
42.
Jaderow merkt op dat de exploitatievoorwaarde in strijd is met de artikelen 59 tot en met 66 EEG-Verdrag, omdat zij verzoeksters in het hoofdgeding verhindert hun diensten in andere Lid-Staten te verrichten of ten behoeve van henzelf door in andere Lid-Staten gevestigde personen diensten te laten verrichten, zoals de diensten van „share fishermen”.
43.
Het Verenigd Koninkrijk stelt, dat de betrokken voorwaarde verzoeksters niet verhindert in andere Lid-Staten diensten te verrichten door het exploiteren van niet onder Britse vlag varende vaartuigen.
44.
Een onderneming moet in een andere Lid-Staat gevestigd zijn, indien zij haar diensten in een Lid-Staat wil kunnen verrichten. In de onderhavige zaak heeft het Verenigd Koninkrijk criteria vastgesteld om te bepalen of er sprake is van een daadwerkelijke vestiging op Brits grondgebied. De uitlegging van verzoeksters dat dat vereiste in strijd is met artikel 59 EEG-Verdrag, maakt artikel 52 zinledig. De noodzaak om de vestiging van ondernemingen in het Verenigd Koninkrijk te regelen en om het in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid ingevoerde quotastelsel te handhaven, rechtvaardigen elke beperking van het verrichten van diensten die uit de betrokken voorwaarde kan voortvloeien.
45.
Het Koninkrijk Spanje acht de exploitatievoorwaarde discriminerend voor onderdanen van andere Lid-Staten, die worden verhinderd hun diensten in het Verenigd Koninkrijk te verrichten. Zij is daarom in strijd met artikel 59 EEG-Verdrag.
B — De relevante gemeenschapswetgeving
46.
Artikel 5, lid 2, eerste volzin, van verordening (EEG) nr. 170/83 van de Raad van 25 januari 1983 tot instelling van een communautaire regeling voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden (PB 1983, L 24, biz. 1) bepaalt, dat „de Lid-Staten in overeenstemming met de geldende communautaire bepalingen, de voorschriften vast(stellen) voor het gebruik van de hun toegewezen quota”.
47.
Jaderow is van mening, dat de maatregelen die de Lid-Staten krachtens artikel 5, lid 2, van verordening nr. 170/83 mogen nemen, in overeenstemming met het gemeenschapsrecht moeten zijn. De door het Verenigd Koninkrijk genomen maatregel komt neer op een wijziging van de werkingssfeer van het quotastelsel en is derhalve meer dan het louter beheer van een visquotum. De Lid-Staten zijn niet bevoegd, dergelijke maatregelen te nemen.
48.
Artikel 11 van verordening (EEG) nr. 2241/87 van de Raad van 23 juli 1987 houdende vaststelling van bepaalde maatregelen voor controle op de visserijactiviteiten (PB 1987, L 207, biz. 1) bepaalt, dat alle vangsten door vaartuigen die de vlag van een Lid-Staat voeren of die in een Lid-Staat zijn geregistreerd, op het quotum van die staat in mindering worden gebracht, en dat de betrokken vissersschepen eerst verplicht zijn de visvangst te staken indien het quotum van die staat volledig is gebruikt. In de gemeenschapsregeling betreffende de visserij is geen nadere voorwaarde vastgesteld met betrekking tot de band die tussen een vissersvaartuig en een Lid-Staat moet bestaan.
49.
De exploitatievoorwaarde beperkt ook het recht van Britse vissersvaartuigen op toegang tot de wateren, havens en installaties van andere Lid-Staten. Om die reden is zij in strijd met artikel 2, lid 1, van verordening nr. 101/76 van de Raad van 19 januari 1976 (PB 1976, L 20, biz. 19) en artikel 27, lid 2, van verordening nr. 3796/81 van de Raad van 29 december 1981 (PB 1981, L 379, biz. 19).
50.
De Britse regering stelt om te beginnen, dat de wettelijke regeling inzake de visvergunningen werd vastgesteld om te voorkomen dat de aan het Verenigd Koninkrijk toegekende visquota zouden worden ontdoken.
51.
De verordeningen nr. 170/83 en nr. 2241/87 gaan uit van de gedachte dat de Lid-Staten bevoegd zijn, regels te geven betreffende vlaggen en registratie, om kunstmatige nieuwe registratie van schepen uit deze Lid-Staten te voorkomen. Datzelfde doel kan worden bereikt door maatregelen als de in geding zijnde, die betrekking hebben op de exploitatie van het vaartuig. De exploitatievoorwaarde, op zichzelf of in samenhang met de in zaak C-3/87 aan de orde zijnde voorwaarden, gaat derhalve niet de bij artikel 5, lid 2, van verordening nr. 170/83 aan de Lid-Staten verleende bevoegdheid te boven.
52.
Zou het Hof de exploitatievoorwaarde geen maatregel voor de instandhouding van de visbestanden achten, dan vormt die voorwaarde volgens het Verenigd Koninkrijk een maatregel ter verzekering van een redelijke levensstandaard voor vissers, die als zodanig verenigbaar is met artikel 5, lid 2, van verordening nr. 170/83 en de artikelen 156 tot en met 166 van de Toetredingsakte van 1985.
53.
De betrokken voorwaarde is niet in strijd met artikel 2, lid 1, van verordening nr. 101/76, omdat zij enkel op Britse vissersvaartuigen van toepassing is en derhalve aan vaartuigen van andere Lid-Staten niet de toegang tot de binnen de jurisdictie van het Verenigd Koninkrijk gelegen wateren wordt ontzegd.
54.
Ten slotte is het vereiste om vis in het Verenigd Koninkrijk aan te landen en te verkopen geen voorwaarde betreffende de verhandeling van vis, ten aanzien waarvan de Lid-Staten blijkens het arrest van het Hof van 3 oktober 1985 (zaak 207/84, De Boer, Jurispr. 1985, blz. 3203) niet meer bevoegd zijn, maar enkel een middel om te controleren of aan de exploitatievoorwaarde is voldaan.
55.
De Commissie noemt een aantal bepalingen uit de communautaire visserijwetgeving waarin wordt uitgegaan van het recht om vangsten rechtstreeks aan te landen in elke Lid-Staat. Dat geldt met name voor bij voorbeeld a) artikel 27, lid 2, van vorengenoemde verordening nr. 3796/81, dat de Lid-Staten de bevoegdheid geeft om „de nodige maatregelen te nemen om aan alle vissersschepen die onder de vlag van één der Lid-Staten varen, gelijke voorwaarden te verzekeren ten aanzien van de toegang tot de havens en het gebruik van de inrichtingen waar de produkten in eerste aanleg worden verhandeld, alsmede van alle uitrustingen en technische installaties die daartoe behoren”; b) artikel 9 van verordening nr. 3137/82 van de Commissie van 19 november 1982 (PB 1982, L 335, blz. 1) dat de procedure vastlegt „wanneer een producentenorganisatie of een van haar leden zijn produkten te koop aanbiedt in een andere Lid-Staat dan die waar de betrokken producentenorganisatie is erkend”; c) artikel 6 van verordening nr. 2057/82 van de Raad van 29 juni 1982 (PB 1982, L 220, blz. 1), dat bepaalt dat „bij de aanlanding na iedere reis de kapitein van een vissersvaartuig... dat de vlag van een Lid-Staat voert of in een Lid-Staat is geregistreerd, of diens gemachtigde, een verklaring (verstrekt) aan de autoriteiten van de Lid-Staat waarvan hij de losplaatsen gebruikt...”.
56.
De Commissie betoogt voorts, dat de exploitatievoorwaarde buiten de door artikel 5, lid 2, van verordening nr. 170/83 aan de Lid-Staten verleende bevoegdheid valt.
57.
De Ierse regering stelt, dat de in deze zaak aan de orde gestelde principiële vraag het recht van een Lid-Staat betreft om de maatregelen te treffen die noodzakelijk zijn om te verzekeren dat de hem door de Gemeenschap toegekende visquota niet worden ontdoken. De voor Spanje geldende visquota zijn in de artikelen 154 tot en met 166 van het Toetredingsverdrag van 1985 neergelegd. Bepaalde Spaanse belangengroepen, die ontevreden zijn over de aan Spanje toegekende quota, trachten een groter aandeel te verkrijgen door onder de aan het Verenigd Koninkrijk toegekende quota te vissen. Het na jarenlange onderhandeling door de communautaire visserijwetgeving bereikte delicate evenwicht kan daardoor in gevaar komen.
58.
De Britse regeling inzake visvergunningen druist niet in tegen het gemeenschapsrecht, aangezien het doel ervan is te verzekeren dat de verdeling van de door de Gemeenschap ingestelde TAC's in acht wordt genomen. De eerder aangehaalde verordening nr. 3796/81 erkent de noodzaak, de plaatselijke vissersgemeenschappen te beschermen wanneer een nationaal quotum gevaar loopt, alsook de noodzaak de stabiliteit van de markt te bevorderen met passende maatregelen.
59.
Het Koninkrijk Spanje stelt dat het Verenigd Koninkrijk niet krachtens artikel 5, lid 2, van verordening nr. 170/83 de bevoegdheid heeft om maatregelen te treffen die tot gevolg hebben dat de toegang tot visserijzones wordt beperkt, doch geen enkel verband houden met de instandhouding en het beheer van de visbestanden. Het regelen van de toegang tot de wateren en de communautaire visbestanden valt binnen de uitsluitende bevoegdheid van de Gemeenschappen.
60.
De maatregelen van het Verenigd Koninkrijk inzake visvergunningen druisen niet in tegen verordening nr. 3796/81 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijprodukten, daar die twee regelingen verschillende onderwerpen betreffen.
C — De beginselen van evenredigheid, rechtszekerheid en gewettigd vertrouwen
61.
Jaderow is van mening, dat de exploitatievoorwaarde excessief is en niet in verhouding staat tot het doel, betreffende de reële economische band met het Verenigd Koninkrijk. Dat doel kan met minder bezwarende middelen worden bereikt. Voorts zijn de sancties op het niet-naleven van die voorwaarde excessief, zoals bij voorbeeld de intrekking van de visvergunning wegens lichte overtredingen.
62.
Ook is de betrokken voorwaarde vaag en onnauwkeurig, omdat de beide criteria ter beoordeling van de naleving van de voorwaarde niet volledig zijn geregeld, zodat verzoeksters geheel afhankelijk zijn van de veranderende opvattingen van de Britse autoriteiten. De voorwaarde is derhalve in strijd met het beginsel van de rechtszekerheid.
63.
Ten slotte is de voorwaarde in strijd met het beginsel van het gewettigd vertrouwen. Verzoeksters in het hoofdgeding koesterden het gewettigd vertrouwen dat Spaanse onderdanen in het Verenigd Koninkrijk na de toetreding van Spanje tot de Gemeenschap hun rechten zouden behouden. De betrokken voorwaarde bemoeilijkt de exploitatie van Britse vissersschepen in Spaans eigendom. Bovendien is ook de arbitraire, onredelijke en duidelijk onbillijke wijze waarop de exploitatievoorwaarde door de Britse autoriteiten wordt uitgelegd, eveneens in strijd met het vertrouwensbeginsel.
64.
Volgens het Verenigd Koninkrijk is de exploitatievoorwaarde billijk en niet in strijd met het evenredigheidsbeginsel. In casu is niet het gewettigd vertrouwen van verzoeksters geschonden, maar het gewettigd vertrouwen van Britse vissers die door verzoeksters optreden niet volledig van de aan het Verenigd Koninkrijk toegewezen quota konden profiteren.
De tweede vraag
65.
De nationale rechter stelt deze vraag enkel voor het geval de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, dat wil zeggen voor het geval de twee vereisten die zijn vervat in de exploitatievoorwaarde, verenigbaar worden geacht met het gemeenschapsrecht.
66.
Met zijn tweede vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of het voor de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht enig verschil maakt, indien de Britse autoriteiten die voorwaarde zodanig toepassen dat ieder ander bewijs van economische, financiële en fiscale banden tussen het vaartuig, zijn eigenaars en de betrokken Lid-Staat niet in aanmerking kan worden genomen.
67.
Jaderow acht beantwoording van de tweede vraag overbodig. In elk geval moet de tweede vraag haars inziens aldus worden beantwoord dat de exploitatievoorwaarde onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht, indien zij door de bevoegde nationale autoriteiten zodanig wordt toegepast, dat ieder ander bewijs van economische, financiële en fiscale banden tussen de vissersvaartuigen en de betrokken Lid-Staat als irrelevant wordt uitgesloten.
68.
Het Verenigd Koninkrijk betoogt, dat de vissersvaartuigen aan de vereisten moeten voldoen „onverminderd het algemene karakter” van de exploitatievoorwaarde, hetgeen de eigenaars van schepen die in een bepaald tijdvak niet volledig voldoen aan een van beide vereisten, de mogelijkheid biedt om op andere wijze te bewijzen dat de schepen daadwerkelijk vanuit het Verenigd Koninkrijk hebben geopereerd. Evenwel is het door verzoeksters in het hoofdgeding overgelegde bewijs, zoals hun inschrijving in het Verenigd Koninkrijk voor de BTW, het feit dat zij aldaar vennootschapsbelasting alsook de exploitatiekosten van in het Verenigd Koninkrijk ingeschreven vissersvaartuigen betalen, niet van dien aard dat daarmee wordt bewezen dat de betrokken ondernemingen hun voornaamste bedrijfsactiviteiten in het Verenigd Koninkrijk uitoefenen. Die factoren zijn dan ook niet relevant voor het bewijs of aan de exploitatievoorwaarde is voldaan.
69.
De Commissie zegt, dat zij de tweede vraag niet afzonderlijk zal onderzoeken, daar met die vraag volgens haar het Hof om een uitspraak wordt verzocht over de wettigheid van beide vorengenoemde vereisten, afzonderlijk beschouwd.
70.
De Ierse regering meent, dat het antwoord op de tweede vraag afhangt van het antwoord van het Hof op de eerste vraag. Ter zake ondersteunt Ierland de door het Verenigd Koninkrijk aangevoerde argumenten.
C. N. Kakouris
rechter-rapporteur
( *1 ) Procestaal: Engels.
ARREST VAN HET HOF
14 december 1989 ( *1 )
In zaak C-216/87,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de High Court of Justice of England and Wales, in het aldaar aanhangig geding tussen
The Queen
en
Ministry of Agriculture, Fisheries and Food, ex parte Jaderow Ltd e.a.,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van diverse bepalingen en beginselen van gemeenschapsrecht, in verband met de vraag of de voorwaarde die ingevolge de nationale wettelijke regeling wordt gesteld aan de exploitatie van onder Britse vlag varende vissersvaartuigen, verenigbaar is met het gemeenschapsrecht,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt: O. Due, president, Sir Gordon Slynn, C. N. Kakouris en F. A. Schockweiler, kamerpresidenten, T. Koopmans, G. F. Mancini, R. Joliét, T. F. O'Higgins, G. C. Rodríguez Iglesias, F. Grévisse en M. Diez de Velasco, rechters,
advocaat-generaal: J. Mischo
griffier: H. A. Rühi, hoofdadministrateur
gelet op de opmerkingen ingediend door:
—
Jaderow e.a., vertegenwoordigd door D. Vaughan QC, en G. Barling, barrister, en S. Swabey, solicitor, van Thomas Cooper & Stibbard,
—
de regering van het Verenigd Koninkrijk, in de schriftelijke procedure vertegenwoordigd door H. R. L. Purse, van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde, bijgestaan door J. Laws, en C. Vajda, barristers, en ter terechtzitting door C. Bellamy QC en C. Vajda, barrister,
—
de regering van de Ierse Republiek, vertegenwoordigd door L. J. Dockery, Chief State Solicitor, als gemachtigde, bijgestaan door J. O'Reilly, barrister,
—
de regering van het Koninkrijk Spanje, vertegenwoordigd door J. Conde de Saro, directeur-generaal Coördinatie juridische en institutionele aangelegenheden van de Gemeenschappen, en R. Silva de Lapuerta, abogado del Estado, als gemachtigden,
—
de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Oliver, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 26 oktober 1988,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 november 1988,
het navolgende
Arrest
1
Bij beschikking van 22 mei 1987, ingekomen ten Hove op 14 juli daaraanvolgend, heeft de High Court of Justice of England and Wales krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 7, 34, 40, 48 tot en met 51, 52 tot en met 58 en 59 tot en met 66 EEG-Verdrag, van verordening (EEG) nr. 101/76 van de Raad van 19 januari 1976 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector (PB 1976, L 20, biz. 19), van verordening (EEG) nr. 3796/81 van de Raad van 29 december 1981 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijprodukten (PB 1981, L 379, biz. 1) en van verordening (EEG) nr. 170/83 van de Raad van 25 januari 1983 tot instelling van een communautaire regeling voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden (PB 1983, L 24, biz. 1).
2
Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen het Ministry of Agriculture, Fisheries and Food en Jaderow Ltd en andere ondernemingen die vissersvaartuigen exploiteren, die alle in het Verenigd Koninkrijk zijn gevestigd en grotendeels in Spaanse handen zijn (hierna: verzoeksters in het hoofdgeding).
De wetgeving en de praktijk inzake de visserij in het Verenigd Koninkrijk
3
Ingevolge de Sea Fish (Conservation) Act 1967, zoals gewijzigd bij de Fishery-Limits Act 1976 en de Fisheries Act 1981, moeten in het Verenigd Koninkrijk geregistreerde vissersvaartuigen beschikken over een visvergunning. Die wettelijke regeling is aangevuld bij de British Fishing Boats Act 1983, de British Fishing Boats Order 1983 en de Sea Fish Licensing Order 1983.
4
In de visvergunningen die vanaf 1 januari 1986 door de autoriteiten van het Verenigd Koninkrijk krachtens die wettelijke regeling werden verleend, werden de door die vergunningen gedekte visserijzones en vissoorten vastgesteld en werden de voorwaarden vermeld die steeds cumulatief moesten zijn vervuld. Werd aan deze voorwaarden niet voldaan, dan werden de vergunningen ingetrokken. Het doel van die voorwaarden was, te verzekeren dat vissersvaartuigen een „reële economische band” met het Verenigd Koninkrijk hadden. Die voorwaarden betreffen in de eerste plaats de activiteiten van het vaartuig waarvoor de vergunning werd verleend, en in de tweede plaats de bemanning.
5
De voorwaarde betreffende de exploitatie van het vissersvaartuig was geformuleerd als volgt:
„Het schip moet zijn activiteiten verrichten vanuit het Verenigd Koninkrijk, vanaf het eiland Man of de Kanaaleilanden: onverminderd het algemene karaktervan dit vereiste, wordt een schip geacht daaraan te voldoen indien gedurende elk halfjaar van een kalenderjaar (dat wil zeggen van januari tot en met juni en van juli tot en met december) hetzij :
a)
ten minste 50% van het gewicht van de aan land gebrachte of overgeladen vangst van het schip waarop deze of enige andere op het betrokken tijdstip geldige vergunning betrekking heeft, in het Verenigd Koninkrijk, op het eiland Man of de Kanaaleilanden aan land is gebracht en is verkocht of overgeladen bij verkoop binnen de Britse visserijzone ; hetzij
b)
op andere wijze wordt bewezen dat het schip ten minste viermaal met tussenpozen van ten minste vijftien dagen een haven van het Verenigd Koninkrijk, het eiland Man of de Kanaaleilanden heeft aangedaan.”
6
De voorwaarden betreffende de bemanning van het vissersvaartuig waren geformuleerd als volgt:
„ i)
Ten minste 75% van de bemanning moet bestaan uit Britse onderdanen of EEG-onderdanen (tot 1 januari 1988 met uitzondering van Griekse onderdanen en tot 1 januari 1993 met uitzondering van Spaanse en Portugese onderdanen, niet zijnde een echtgenoot of een kind beneden de 21 jaar van een Griekse, Spaanse of Portugese werknemer die reeds in het Verenigd Koninkrijk is gevestigd in overeenstemming met de overgangsregeling inzake het vrije verkeer van werknemers na de toetreding van Griekenland, Spanje en Portugal tot de Gemeenschappen, voorzien in de desbetreffende Toetredingsverdragen), die zijn gewone woonplaats heeft in het Verenigd Koninkrijk, het eiland Man of de Kanaaleilanden; de gewone woonplaats is de woonplaats aan wal en ter zake wordt dienst aan boord van een Brits schip niet aangemerkt als woonplaats in het Verenigd Koninkrijk, het eiland Man of de Kanaaleilanden.
ii)
De kapitein en alle bemanningsleden moeten bijdragen betalen aan het nationale verzekeringsstelsel van het Verenigd Koninkrijk, of aan de gelijkwaardige stelsels van het eiland Man of de Kanaaleilanden: als zodanig zijn aan te merken de bijdragen van klasse 1, ‚special mariners’, en de bijdragen voor zelfstandigen (self-employed) van klasse 2 of klasse 4.”
Het hoofdgeding
7
Verzoeksters verkregen na 1 januari 1986 een reeks vergunningen voor hun vissersvaartuigen die in het Verenigd Koninkrijk zijn ingeschreven en onder Britse vlag varen.
8
Bij brieven van 20 augustus en 9 september 1986 verzocht de Minister of Agriculture, Fisheries and Food aan verzoeksters om voor het tijdvak van 1 januari tot en met 30 juni 1986 aan te tonen, dat aan de voorwaarde betreffende de exploitatie van het vissersvaartuig was voldaan. Na een briefwisseling tussen verzoeksters en de minister stelde deze hen bij brief van 12 december 1986 in kennis van zijn voorlopig besluit om hun visvergunningen in te trekken.
9
Op 17 december 1986 stelden verzoeksters beroep in bij de High Court of Justice of England and Wales, strekkende tot nietigverklaring van de voorlopige beschikkingen van de minister, zoals vervat in zijn brief van 12 december, alsook van alle beschikkingen waarbij de minister die voorlopige beschikkingen zou bevestigen. Ter zake betoogden zij onder meer, dat de voorwaarde betreffende de exploitatie van de vissersvaartuigen, afzonderlijk beschouwd of in samenhang met de andere voorwaarden betreffende de bemanning, onverenigbaar was met het gemeenschapsrecht.
10
Ten einde dit geschil te kunnen oplossen, heeft de High Court of Justice het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vragen:
„Vraag 1
Wanneer een Lid-Staat aan een aldaar ingeschreven onderneming een visvergunning afgeeft voor een vissersvaartuig waarvan deze onderneming eigenaar is en dat onder de vlag vaart van en is ingeschreven in deze Lid-Staat, en deze vergunning voorwaarden behelst (waaraan te allen tijde geheel moet worden voldaan) die moeten verzekeren dat het schip een ‚reële economische band’ heeft met de betrokken Lid-Staat, is dan een als volgt geformuleerde vergunningsvoorwaarde:
‚Het schip moet zijn activiteiten verrichten vanuit het Verenigd Koninkrijk, het eiland Man of de Kanaaleilanden; onverminderd het algemene karakter van dit vereiste wordt een schip geacht daaraan te voldoen indien gedurende ieder halfjaar van een kalenderjaar (dat wil zeggen van januari tot en met juni en van juli tot en met december) ofwel:
a)
ten minste 50% van het gewicht van de aan land gebrachte of overgeladen vangst van het schip waarop deze of enige andere op het betrokken tijdstip geldige vergunning betrekking heeft, in het Verenigd Koninkrijk, het eiland Man of de Kanaaleilanden aan land is gebracht en verkocht of is overgeladen bij verkoop binnen de Britse visserijgrenzen; ofwel
b)
op andere wijze wordt bewezen dat het schip ten minste viermaal met tussenpozen van ten minste vijftien dagen een haven van het Verenigd Koninkrijk, het eiland Man of de Kanaaleilanden heeft aangedaan’
onverenigbaar met het gemeenschapsrecht op grond van haar bewoordingen en/of haar verband met de twee andere vergunningsvoorwaarden (waarop zaak C-3/87 betrekking heeft), en meer bepaald, is een dergelijke voorwaarde:
a)
onverenigbaar met het gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector, zoals onder meer vastgelegd bij verordening nr. 101/76 van de Raad;
b)
onverenigbaar met de gemeenschappelijke ordening der markten in de sector visserijprodukten, zoals onder meer vastgelegd bij verordening nr. 3796/81 van de Raad;
c)
verboden door de artikelen 7, 34, 40, 48 tot en met 51, 52 tot en met 58 of 59 tot en met 66 EEG-Verdrag of door één van deze bepalingen;
d)
ongeldig op grond dat zij onevenredig of onbillijk is dan wel in strijd met het gewettigd vertrouwen van verzoeksters;
e)
door het Verenigd Koninkrijk onbevoegd vastgesteld of onwettig krachtens artikel 5, lid 2, van verordening nr. 170/83 van de Raad, op grond dat zij wegens voornoemde punten in strijd is met de toepasselijke bepalingen van gemeenschapsrecht ?
Vraag 2
Zo de eerste vraag ontkennend wordt beantwoord, maakt het dan enig verschil, indien de bevoegde instanties van deze Lid-Staat de voorwaarde toepassen als enkel doelend op de fysieke aanwezigheid van het schip in de Lid-Staat, zodat ieder ander bewijs van economische, financiële en fiscale banden tussen het vaartuig, zijn eigenaars en beheerders enerzijds en de betrokken Lid-Staat anderzijds buiten beschouwing blijft als van geen belang voor de vraag of aan de voorwaarde is voldaan ?”
11
Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen, naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
12
Blijkens de verwijzingsbeschikking betreft het hoofdgeding in wezen de voorwaarden die mogen worden gesteld aan Britse vaartuigen die vissen onder de door de Gemeenschap aan het Verenigd Koninkrijk toegekende quota. De vraag of dergelijke voorwaarden in overeenstemming met het gemeenschapsrecht zijn ter zake van visserij waarvoor geen quota gelden buiten beschouwing latend, dient dus, alvorens de door de gestelde vragen opgeworpen punten worden geïnventariseerd en onderzocht, een overzicht te worden gegeven van de hoofdlijnen van de regeling betreffende de visserijquota binnen het algemene kader van het gemeenschapsrecht betreffende de visserij.
13
De gemeenschapsregeling stelt als beginsel dat alle vissersvaartuigen die de vlag van een Lid-Staat voeren of aldaar zijn ingeschreven, onder gelijke voorwaarden toegang hebben tot de visbestanden [artikel 2, lid 1, van verordening (EEG) nr. 101/76 van de Raad van 19 januari 1976 houdende de totstandbrenging van een gemeenschappelijk structuurbeleid in de visserijsector, (PB 1976, L 20, biz. 19], behoudens voor de zone binnen de grens van twaalf zeemijl gerekend vanaf de laagwaterlijn van de Lid-Staten, ten aanzien waarvan de Lid-Staten tot 31 december 1992 van de regel van gelijke toegang mogen afwijken [artikel 100 van de Toetredingsakte van 1972, in samenhang met artikel 6 van verordening (EEG) nr. 170/83 van de Raad van 25 januari 1983 tot instelling van een communautaire regeling voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden (PB 1983, L 24, blz. 1]. De gestelde vragen betreffen niet de bijzondere regeling voor die twaalfmijlszone.
14
Bij verordening nr. 170/83 van de Raad werd ter uitvoering van artikel 102 van de Toetredingsakte van 1972 een gemeenschapsregeling voor de instandhouding en het beheer van de visbestanden vastgesteld, waarbij de visserijactiviteit werd beperkt. Bovendien waren reeds bij verordening (EEG) nr. 2057/82 van de Raad van 29 juni 1982 (PB 1982, L 220, blz. 1) controlemaatregelen vastgesteld ten einde te verzekeren dat de aan de visvangst gestelde beperkingen werden nageleefd. Verordening nr. (EEG) 2057/82 werd gewijzigd bij verordening nr. 4027/86 van de Raad van 18 december 1986 (PB 1986, L 376, blz. 4).
15
Ingevolge artikel 3 van verordening nr. 170/83 wordt elk jaar overgegaan tot de vaststelling van totaal toegestane vangsten (TAC's) die door de Gemeenschap per bestand of groep bestanden mogen worden gevangen, wanneer blijkt dat de vangsten van een soort of aanverwante soorten moeten worden beperkt. Artikel 4, lid 1, van die verordening bepaalt, dat „het in artikel 3 bedoelde gedeelte dat voor de Gemeenschap beschikbaar is, zo onder de Lid-Staten (wordt) verdeeld dat elke Lid-Staat een relatieve stabiliteit wordt gewaarborgd in de visserijactiviteiten met betrekking tot elk van de betrokken bestanden”. In de bewoordingen van artikel 4, lid 2, is er een „verdeling van de bestanden over de Lid-Staten”. Artikel 5, lid 1, van verordening nr. 170/83 bepaalt, dat de Lid-Staten de hun toegekende quota geheel of gedeeltelijk mogen uitwisselen.
16
Artikel 5, lid 2, bepaalt: „De Lid-Staten stellen, in overeenstemming met de geldende communautaire bepalingen, de voorschriften vast voor het gebruik van de hun toegewezen quota.” Voorts wordt bepaald, dat de uitvoeringsbepalingen van dat lid zo nodig worden vastgesteld volgens de in artikel 14 voorziene zogenoemde „beheerscomité-procedure”.
17
Aldus werd bij de bepalingen van die verordening een stelsel van nationale visquota ingevoerd. Zoals blijkt uit de bepalingen van verordening nr. 2057/82, in het bijzonder uit artikel 10, lid 1, en uit de bepalingen van verordening nr. 4027/86, koppelt de gemeenschapsregeling de nationale quota aan de vaartuigen die de vlag van een Lid-Staat voeren of aldaar zijn geregistreerd; enkel die vaartuigen mogen onder de quota van die staat vissen.
18
Bij de uitoefening van de hun toegekende bevoegdheid om de regels voor het gebruik van hun quota vast te stellen, mogen de Lid-Staten bepalen, welke vaartuigen onder hun nationale quota mogen vissen, mits de daarbij gehanteerde criteria verenigbaar zijn met het gemeenschapsrecht.
19
Wat dit aangaat, mogen de Lid-Staten bepaalde vissersvaartuigen verbieden onder hun nationale quota te vissen, tenzij wordt voldaan aan bepaalde voorwaarden inzake bij voorbeeld de afmetingen, het bouwjaar, of de staat van het vaartuig, de uitrusting, het aantal vissers aan boord, de logies- en kantinefaciliteiten voor de bemanning, de sanitaire voorzieningen en de veiligheid, enzovoort, voor zover die voorwaarden niet bij uitsluiting door gemeenschapsbepalingen worden geregeld.
20
Derhalve moet worden onderzocht of, en zo ja, in hoeverre het gemeenschapsrecht zich ertegen verzet dat voorwaarden als de onderhavige worden gesteld. Hiertoe kunnen de door de nationale rechter gestelde vragen als volgt worden samengevat:
I.
Verzet het gemeenschapsrecht zich ertegen dat een Lid-Staat voor de toelating van een van zijn vaartuigen tot de visserij onder nationale vangstquota
a)
voorwaarden stelt die moeten verzekeren dat het vaartuig een „reële economische band” met die Lid-Staat heeft;
b)
ter verzekering van het bestaan van een dergelijke band als voorwaarde stelt, dat het vaartuig zijn activiteiten moet verrichten „vanuit het grondgebied” van die Lid-Staat;
c)
deze voorwaarde vervuld acht, indien wordt aangetoond dat elk halfjaar van elk kalenderjaar (dat wil zeggen van januari tot en met juni en van juli tot en met december)
i)
50% van het gewicht van de binnen het quotum gevangen vis aan land is gebracht of verkocht op het grondgebied van deze Lid-Staat, of
ii)
het schip ten minste viermaal met tussenpozen van ten minste vijftien dagen een haven van deze Lid-Staat heeft aangedaan;
d)
door te eisen dat de visserijactiviteiten vanuit zijn grondgebied worden verricht en door aldus enkel uit te gaan van de aanwezigheid van het schip, elk ander bewijs van het bestaan van een reële economische band tussen het schip en de betrokken Lid-Staat uitsluit ?
II.
Verzet het gewettigd vertrouwen van vissers die voordien visserijactivteiten verrichtten, zich ertegen dat nieuwe, voordien niet voorziene voorwaarden worden opgelegd ?
III.
Verzet het gemeenschapsrecht zich ertegen dat een voorwaarde als de hiervoor uiteengezette wordt gesteld, gelet op het verband met de beide andere voorwaarden die het voorwerp zijn van zaak C-3/87 ?
Vraag I a: reële economische band van het schip met de Lid-Staat
21
Voor de beantwoording van deze vraag moet het doel van het stelsel van nationale quota in aanmerking worden genomen.
22
Dat doel blijkt vooral uit artikel 4 van verordening nr. 170/83, uitgelegd met inachtneming van de considerans van die verordening. Volgens dat artikel worden de totaal toegestane vangsten zo verdeeld, dat „elke Lid-Staat een relatieve stabiliteit wordt gewaarborgd in de visserijactiviteiten met betrekking tot elk van de betrokken bestanden”. De begrippen stabiliteit en relativiteit worden in de considerans van de verordening gedefinieerd. De zesde overweging stelt, dat „in het kader van deze stabiliteit... rekening moet worden gehouden met de bijzondere behoeften van de gebieden waar de plaatselijke bevolking zeer sterk is aangewezen op de visserij en aanverwante industrieën”. Volgens de zevende overweging moet „de nagestreefde relatieve stabiliteit in deze zin ... worden begrepen”. Uit de vierde overweging van de considerans van verordening (EEG) nr. 172/83 van de Raad van 25 januari 1983 inzake de vaststelling van de voor 1982 geldende totaal toegestane vangsten voor bepaalde visbestanden of groepen visbestanden in de visserijzone van de Gemeenschap en het voor de Gemeenschap beschikbare gedeelte van deze vangsten, de verdeling van dit gedeelte over de Lid-Staten en de bij de visserij in het kader van de totaal toegestane vangsten in acht te nemen voorschriften (PB 1983, L 24, biz. 30) blijkt verder dat „voor een billijke verdeling van de beschikbare hoeveelheden in het bijzonder rekening moet worden gehouden met de traditionele visserijactiviteit, de bijzondere behoeften van de gebieden waar de plaatselijke bevolking sterk afhankelijk is van de visserij en aanverwante industrieën, en het verlies van vangstmogelijkheden in de wateren van derde landen”.
23
Blijkens het voorgaande hebben de quota tot doel, te waarborgen dat elke Lid-Staat van de totaal toegestane vangsten van de Gemeenschap een deel krijgt, dat voornamelijk wordt vastgesteld aan de hand van de vangsten die vóór de invoering van het quotastelsel ten goede zijn gekomen aan de traditionele visserij, de plaatselijke bevolking die sterk afhankelijk is van de visserij, en de aanverwante industrieën van die Lid-Staat.
24
Ook is het stelsel van nationale quota gekozen om de instandhoudingsmaatregelen voor de visbestanden, zoals voorzien in artikel 102 van de Toetredingsakte van 1972, zo snel mogelijk in werking te kunnen laten treden. Het stelsel vormt dus een stadium op weg naar een communautair visserijbeleid, dat tot een herstructurering en een aanpassing van de vissersvloten aan de beschikbare visbestanden moet leiden. Dit quotastelsel vormt evenwel een afwijking van de in artikel 2, lid 1, van verordening nr. 101/76 neergelegde, algemene regel van de gelijke voorwaarden ten aanzien van de toegang tot de visbestanden.
25
Mitsdien zijn de maatregelen die de Lid-Staten kunnen nemen wanneer zij de hun bij artikel 5, lid 2, van vorengenoemde verordening nr. 170/83 toegekende bevoegdheid uitoefenen om bepaalde schepen die hun vlag voeren, van het gebruik van hun nationale quota uit te sluiten, slechts gerechtvaardigd, indien deze passend en noodzakelijk zijn om het hiervóór omschreven doel van de quota te verwezenlijken.
26
Dit doel kan inderdaad voorwaarden rechtvaardigen die een reële economische band tussen het vaartuig en de betrokken Lid-Staat beogen te verzekeren, wanneer dergelijke voorwaarden bedoeld zijn om de quota aan de van de visserij afhankelijke bevolkingsgroepen en de aanverwante industrieën ten goede te laten komen. Daarentegen kan elk vereiste van een economische band dat dat kader te buiten gaat, niet door het stelsel van nationale quota worden gerechtvaardigd.
27
Mitsdien moet op vraag I a worden geantwoord, dat het gemeenschapsrecht in zijn huidige stand zich er niet tegen verzet, dat een Lid-Staat voor de toelating van een van zijn vaartuigen tot de visserij onder de nationale vangstquota, voorwaarden stelt die moeten verzekeren dat het vaartuig een reële economische band met die Lid-Staat heeft, voor zover die band slechts de relatie tussen de visserijactiviteiten van dat vaartuig en de van de visserij afhankelijke bevolkingsgroepen en de aanverwante industrieën betreft.
Vraag I b: de verplichting om vanuit een nationale haven te opereren
28
Gelet op de voorgaande overwegingen en het hiervoor gegeven antwoord, moet de in deze vraag bedoelde voorwaarde in beginsel in overeenstemming met het doel van de quota worden geacht en derhalve ook als verenigbaar met het gemeenschapsrecht worden beschouwd, voor zover zij enkel de verplichting inhoudt om doorgaans vanuit een nationale haven te opereren. Zij zou evenwel dat doel overschrijden indien zij de verplichting zou inhouden dat voor elke visreis vanuit een nationale haven moet worden uitgevaren.
29
Mitsdien moet op deze vraag worden geantwoord, dat het gemeenschapsrecht in zijn huidige stand zich er niet tegen verzet, dat een Lid-Staat voor de toelating van een van zijn vaartuigen tot de visserij onder nationale vangstquota, ter verzekering van het bestaan van een reële economische band als hiervóór omschreven, als voorwaarde stelt dat het vaartuig zijn activiteiten moet verrichten vanuit nationale havens, voor zover die voorwaarde niet inhoudt dat het vaartuig voor al zijn reizen vanuit een nationale haven moet uitvaren.
Vraag I c: het bewijs voor het lossen van een deel van de vangsten en voor het periodiek aandoen van de internationale havens
30
Deze vraag betreft de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van de aanlanding van een gedeelte van de onder de quota gevangen vis of het periodiek aandoen door het vaartuig van nationale havens, niet als voorwaarde voor de verlening van visvergunningen maar om te bewijzen dat het vaartuig zijn activiteiten vanuit nationale havens verricht.
31
Met elk van die omstandigheden kan worden aangetoond dat het vaartuig doorgaans vanuit een nationale haven opereert en wordt het bewijs geleverd dat het een reële economische band heeft met de van de visserij afhankelijke bevolkingsgroepen en de aanverwante industrieën, zulks in overeenstemming met het doel van het stelsel van nationale quota.
32
Mitsdien moet op deze vraag worden geantwoord, dat het gemeenschapsrecht in zijn huidige stand zich er niet tegen verzet, dat een Lid-Staat voor de toelating van een van zijn vaartuigen tot de visserij onder nationale vangstquota ervan uitgaat, dat het bewijs dat de activiteiten van het vaartuig vanuit nationale havens worden verricht, kan worden geleverd doordat een deel van de vangsten in nationale havens wordt gelost of doordat het vaartuig periodiek nationale havens aandoet.
Vraag I d: de uitsluiting van enig ander bewijs van een reële economische band
33
Deze vraag bestaat uit twee delen. In het eerste deel wordt gevraagd of het gemeenschapsrecht zich ertegen verzet, dat een Lid-Staat als bewijs voor het feit dat een vaartuig vanuit nationale havens opereert, slechts aanvaardt dat een bepaald gedeelte van de vangsten in nationale havens wordt gelost of het vaartuig periodiek nationale havens aandoet (bewijs bedoeld in vraag I c). In het tweede deel wordt gevraagd of het gemeenschapsrecht zich ertegen verzet dat een Lid-Staat voor het bewijs van een reële economische band tussen die staat en de vaaruigen die onder zijn quota vissen, enkel in aanmerking neemt of het vaartuig vanuit nationale havens opereert (voorwaarde bedoeld in vraag I b).
34
Met betrekking tot het eerste deel van de vraag zij opgemerkt, dat een dergelijke beperking van de bewijsmiddelen in feite inhoudt dat het betrokken vaartuig ofwel het vereiste deel van zijn vangsten in de nationale havens moet lossen ofwel met de vereiste regelmaat die havens moet aandoen.
35
Wat het lossen van een deel van de vangsten in de nationale havens betreft, zij opgemerkt dat artikel 6, lid 1, van verordening nr. 2057/82 de kapitein van een vaartuig verplicht, „aan de autoriteiten van de Lid-Staat waarvan hij de losplaatsen gebruikt, een verklaring (te verstrekken)”, waarin met name de aangevoerde hoeveelheden en de vangstplaats moeten worden vermeld, en dat artikel 9, lid 1, van deze verordening, zoals gewijzigd bij verordening nr. 4027/86, bepaalt: „De Lid-Staten dragen zorg voor de registratie van de aanvoer van alle vangsten uit een aan een TAC of quotum onderworpen bestand of groep bestanden door vaartuigen die de vlag voeren van een Lid-Staat of in een Lid-Staat zijn geregistreerd.” Uit deze bepalingen volgt, dat een vissersvaartuig zijn vangsten rechtstreeks in ongeacht welke Lid-Staat kan aanlanden.
36
Mitsdien mag een Lid-Staat wanneer hij in overeenstemming met artikel 5, lid 2, van verordening nr. 170/83 de uitvoeringsbepalingen van de aan die Lid-Staat toebedeelde quota vaststelt, niet eisen dat de vangsten of een deel daarvan in de nationale havens worden aangeland.
37
Die constatering betekent, dat het aanlanden van de vangsten of een deel daarvan in de nationale havens niet het enige toegestane bewijs mag vormen voor het feit dat een schip vanuit die havens opereert.
38
Deze zelfde constatering sluit evenwel niet uit, dat het aanlanden van vangsten ter zake als één van de bewijsmiddelen mag worden aanvaard, met dien verstande evenwel dat de overige toegestane bewijsmiddelen niet direct of indirect de verplichting mogen opleggen om de vangsten in nationale havens aan te voeren. Dat zou het geval zijn, indien de betrokken visser, om dat andere bewijs te leveren, zich in feite gedwongen zou zien om de vangsten van het vaartuig in nationale havens aan te landen, of indien dat bewijs in de praktijk zo moeilijk te leveren zou zijn, dat het hem geen andere keuze laat dan te bewijzen dat de vangsten in nationale havens zijn aangeland.
39
Betreffende het periodiek aandoen van de havens zij eraan herinnerd, dat zojuist is vastgesteld dat het gemeenschapsrecht in zijn huidige stand zich er niet tegen verzet dat een Lid-Staat voor de toelating van een van zijn vaartuigen tot de visserij onder zijn vangstquota als voorwaarde stelt, dat het vaartuig zijn activiteiten verricht vanuit nationale havens, voor zover die voorwaarde niet inhoudt dat het vaartuig voor al zijn reizen vanuit een nationale haven moet uitvaren.
40
In die omstandigheden verzet het gemeenschapsrecht zich er evenmin tegen, dat een Lid-Staat als bewijs dat aan die verplichting voldaan is, de eis stelt dat het vaartuig met een bepaalde frequentie een nationale haven aandoet, mits de vereiste frequentie de normale visserijactiviteiten niet belemmert en zij niet in feite betekent dat een deel van de vangsten moet worden aangeland wanneer die havens worden aangedaan.
41
Mitsdien moet op dat deel van de vraag worden geantwoord, dat het gemeenschapsrecht zich er niet tegen verzet, dat een Lid-Staat als bewijs dat voldaan is aan de voorwaarde dat de activiteiten van het vaartuig vanuit nationale havens worden verricht, slechts aanvaardt dat een bepaald gedeelte van de vangsten in nationale havens wordt aangeland of dat het vaartuig met een bepaalde regelmaat nationale havens aandoet, met dien verstande evenwel dat door de vereiste frequentie waarmee het vaartuig die havens dient aan te doen, niet direct of indirect de verplichting mag worden opgelegd dat de vangsten van het vaartuig in nationale havens moeten worden aangeland en de uitoefening van normale visserijactiviteiten niet mag worden belemmerd.
42
Met betrekking tot het tweede deel van de vraag blijkt uit de verwijzingsbeschikking en de andere elementen van het dossier, dat dit met name slaat op het feit dat bepaalde economische, financiële en fiscale factoren worden uitgesloten als bewijs voor het bestaan van een reële economische band; te noemen zijn het feit dat vennootschappen die eigenaar zijn van de betrokken vissersvaartuigen of deze beheren, volgens de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk zijn opgericht, dat zij aldaar belastingplichtig zijn voor de vennootschapsbelasting en de BTW, dat zij aan het bevoegde Britse ministerie de statistische gegevens betreffende de visserijactiviteiten van hun vaartuigen meedelen, dat zij aan inspecties door de Britse autoriteiten onderworpen zijn en dat zij de nodige bedragen investeren om te verzekeren dat hun vaartuigen aan de Britse normen voldoen, en dat de opbrengst van de vangsten van hun vaartuigen op hun bankrekening in het Verenigd Koninkrijk wordt gestort.
43
Bij het stellen van die vraag gaat de nationale rechter uit van een zeer ruime definitie van het begrip „reële economische band”. In het hiervóór op vraag I a gegeven antwoord is evenwel verklaard, dat het gemeenschapsrecht in zijn huidige stand zich er niet tegen verzet, dat een Lid-Staat een reële economische band met zijn vissersvaartuigen eist, niet in algemene zin, maar voor zover die band enkel de relatie tussen de visserijactiviteiten van die vaartuigen en de van de visserij afhankelijke bevolkingsgroepen en de aanverwante industrieën betreft.
44
Gezien deze zeer enge definitie van de band die een Lid-Staat mag eisen, wanneer hij voor een vaartuig vergunning verleent om onder zijn quota te vissen, behoeft het tweede deel van de vraag, zoals hiervóór uiteengezet, niet te worden beantwoord.
Vraag II: bet gewettigd vertrouwen
45
Dienaangaande zij opgemerkt, dat op grond van de bij artikel 5, lid 2, van verordening nr. 170/83 aan de Lid-Staten voorbehouden bevoegdheid, de visserijactiviteiten afhankelijk konden worden gesteld van vergunningen, waaraan uiteraard beperkingen in de tijd en verschillende voorwaarden zijn verbonden. De invoering van het quotastelsel was overigens slechts een van de momenten in de evolutie van de visserijsector, die wordt gekenmerkt door instabiliteit en voortdurende wijzigingen van de situatie als gevolg van een reeks gebeurtenissen, zoals de uitbreiding in 1976 van de visserijzones van 200 mijl vanaf bepaalde kusten in de Gemeenschap, de noodzaak om instandhoudingsmaatregelen voor de visbestanden vast te stellen, wat op internationaal vlak geschiedde door de invoering van de TAC's, de discussies over de verdeling tussen de Lid-Staten van de TAC's die beschikbaar waren voor de Gemeenschap, welke uiteindelijk plaatsvond op basis van een referentieperiode die liep van 1973 tot 1978, doch die elk jaar opnieuw wordt onderzocht.
46
In die omstandigheden mochten de ondernemingen in de visserijsector niet verwachten, dat de gemeenschapsregeling elke wijziging van de in een nationale wettelijke regeling of praktijk gestelde voorwaarden voor de verlening van vergunningen voor de visserij onder nationale quota en de vaststelling van nieuwe, met het gemeenschapsrecht verenigbare voorwaarden uitsloot.
47
Mitsdien moet op die vraag worden geantwoord, dat het gemeenschapsrecht in zijn huidige stand zich niet verzet tegen een wettelijke regeling of praktijk van een Lid-Staat, waarbij voor de verlening van vergunningen voor de visserij onder nationale quota een nieuwe, voordien niet voorziene voorwaarde wordt opgelegd.
Vraag III: het verband tussen de in geding zijnde voorwaarde en de voorwaarden die het voorwerp zijn in zaak C-3/87
48
Gezien de hiervóór gegeven antwoorden, volgens welke een voorwaarde als de in geding zijnde onder de gestelde voorbehouden niet onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht, behoeft deze vraag niet te worden beantwoord. De verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van voorwaarden als die waarnaar de nationale rechter verwijst, wordt onderzocht in het arrest in zaak C-3/87, dat op dezelfde dag is gewezen als het arrest in de onderhavige zaak.
Kosten
49
De kosten door de regering van het Verenigd Koninkrijk, van Ierland en van het Koninkrijk Spanje alsmede door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE,
uitspraak doende op de door de High Court of Justice of England and Wales bij beschikking van 22 mei 1987 gestelde vragen, verklaart voor recht:
Het gemeenschapsrecht in zijn huidige stand
1)
verzet zich er niet tegen, dat een Lid-Staat voor de toelating van een van zijn vaartuigen tot de visserij onder nationale vangstquota voorwaarden stelt die moeten verzekeren dat het vaartuig een daadwerkelijke economische band met die Lid-Staat heeft, voor zover die band slechts de relatie tussen de visserijactiviteiten van dat vaartuig en de van de visserij afhankelijke bevolkingsgroepen en de aanverwante industrieën betreft;
2)
verzet zich er niet tegen, dat een Lid-Staat voor de toelating van een van zijn vaartuigen tot de visserij onder nationale vangstquota, ter verzekering van het bestaan van een daadwerkelijke economische band als hiervóór omschreven, als voorwaarde stelt dat het vaartuig zijn activiteiten verricht vanuit nationale havens, voor zover die voorwaarde niet inhoudt dat het vaartuig voor al zijn reizen vanuit een nationale haven moet uitvaren;
3)
verzet zich er niet tegen, dat een Lid-Staat voor de toelating van een van zijn vaartuigen tot de visserij onder nationale vangstquota ervan uitgaat, dat het bewijs dat de activiteiten van het vaartuig vanuit nationale havens worden verricht, kan worden geleverd doordat een deel van de vangsten in nationale havens wordt aangeland of doordat het vaartuig periodiek nationale havens aandoet;
4)
verzet zich er niet tegen, dat een Lid-Staat als bewijs dat voldaan is aan de voorwaarde dat de activiteiten van het vaartuig vanuit nationale havens wordt uitgeoefend, slechts aanvaardt dat een bepaald gedeelte van de vangsten in nationale havens wordt aangeland of dat het vaartuig met een bepaalde regelmaat nationale havens aandoet, met dien verstande evenwel dat door de vereiste frequentie waarmee het vaartuig die havens dient aan te doen, niet direct of indirect de verplichting mag worden opgelegd dat de vangsten van het vaartuig in nationale havens moeten worden aangeland en de uitoefening van normale visserijactiviteiten niet mag worden belemmerd;
5)
verzet zich niet tegen een wettelijke regeling of praktijk van een Lid-Staat, waarbij voor de verlening van vergunningen voor de visserij onder nationale quota een nieuwe, voordien niet voorziene voorwaarde wordt opgelegd.
Due
Slynn
Kakouris
Schockweiler
Koopmans
Mancini
Joliet
O'Higgins
Rodríguez Iglesias
Grévisse
Diez de Velasco
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 14 december 1989.
De griffier
J.-G. Giraud
De president
O. Due
( *1 ) Procestaai: Engels.
Full & Egal Universal Law Academy