Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Gemeenschappelijk douanetarief - Communautaire tariefcontingenten - Niet-vaststelling van jaarlijks contingent door Raad - Vervroegde toewijzing door Commissie op basis van aan Raad gedane voorstellen - Opschorting van afgifte van invoercertificaten door Commissie - Toelaatbaarheid - Definitieve vaststelling door Raad - Verdeling van resterende beschikbare hoeveelheid - Voorrang voor nog aanhangige aanvragen
( Verordening nr . 3656/83 van de Commissie, artikel . 2 )
Samenvatting
Wanneer de Commissie, bij gebreke van definitieve vaststelling van een jaarlijks tariefcontingent door de Raad, verordening nr . 3656/83 houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor produkten van post 07.06 A van het gemeenschappelijk douanetarief, van oorsprong uit derde landen, en in het bijzonder artikel 2 inzake de procedure voor de afgifte van invoercertificaten toepast, mag zij de vervroegde afgifte van deze certificaten opschorten wanneer de reeds aanhangige aanvragen, gezien de reeds toegewezen hoeveelheden, de omvang van het door haar aan de Raad voorgestelde jaarlijkse contingent overschrijden, en kan daarop de evenredigheidsregel niet worden toegepast zolang de totale omvang van de te verdelen hoeveelheid niet is vastgesteld .
Wanneer de Commissie, na de definitieve vaststelling van het contingent door de Raad, het beschikbare restant verdeelt, mag zij nieuwe certificaataanvragen toelaten, maar moet zij ingevolge lid 3 van genoemd artikel 2 voorrang geven aan de bevestigde aanhangige aanvragen die ten gevolge van de opschorting niet konden worden toegewezen . Indien de hoeveelheid waarop deze aanvragen betrekking hebben de beschikbare hoeveelheid overschrijdt, moet de evenredigheidsregel worden toegepast .
Partijen
In zaak 217/87,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven, in het aldaar aanhangig geding tussen
1 ) J . F . Krohn ( GmbH & Co .) KG, te Hamburg,
2 ) Van Es Douane-agenten BV, te Rotterdam,
en
Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten, te 's-Gravenhage,
om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van twee mededelingen van de Commissie aan de Nederlandse instanties over de afgifte van invoercertificaten voor maniok van oorsprong uit niet-GATT-landen in het kader van een jaarlijks tariefcontingent,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Tweede kamer ),
samengesteld als volgt : O . Due, kamerpresident, K . Bahlmann en T . F . O' Higgins, rechters,
advocaat-generaal : J . Mischo
griffier : D . Louterman, administrateur
gelet op de opmerkingen ingediend door :
- de vennootschappen Krohn en Van Es, vertegenwoordigd door L . J . van Lennep en E . H . Pijnacker-Hordijk, advocaten te 's-Gravenhage,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R . C . Fischer als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 5 mei 1988,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 15 juni 1988,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
Bij uitspraak van 12 juni 1987, ingekomen ten Hove op 14 juli daaraanvolgend, heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven ( hierna : het College van Beroep ) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de geldigheid van besluiten vervat in mededelingen van de Commissie van de Europese Gemeenschappen aan de Nederlandse instanties betreffende de afgifte van invoercertificaten in het kader van een jaarlijks tariefcontingent .
Deze vragen zijn gerezen in een geding dat door Krohn, een internationale handelaar in maniok, en haar douane-agent Van Es is aangespannen tegen het Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten ( hierna : het Hoofdproduktschap ), de met de afgifte van invoercertificaten belaste Nederlandse instantie .
Bij verordening nr . 604/83 van de Raad van 14 maart 1983 betreffende de invoerregeling die voor de jaren 1983 tot en met 1986 geldt voor de produkten van post 07.06 A van het gemeenschappelijk douanetarief en houdende wijziging van verordening nr . 950/68 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief ( PB 1983, L 72, blz . 3 ), werd voor de jaren 1983 tot en met 1986 de invoer van maniokwortels van oorsprong uit derde landen onderworpen aan een invoerheffing van ten hoogste 6 % ad valorem, binnen de grenzen van een aantal jaarlijkse tariefcontingenten .
Voor een aantal niet bij de GATT aangesloten derde landen, waaronder China, werd voor 1983 een tariefcontingent vastgesteld bij verordening nr . 604/83 zelf; de contingenten voor de drie volgende jaren zouden, op voorstel van de Commissie, later door de Raad worden bepaald .
Artikel 2 van verordening nr . 3656/83 van de Commissie van 23 december 1983 ( PB 1983, L 361, blz . 32 ), houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor de betrokken produkten, luidt als volgt :
"1 . De aanvragen om een invoercertificaat voor 1984, voor 1985 en voor 1986 mogen vanaf half december van het betrokken jaar bij de instanties van de Lid-Staten worden ingediend, onder voorbehoud dat de geldigheid ervan in de daaropvolgende maand januari ingaat .
2 . De gegevens betreffende de naam van de importeur, de gevraagde hoeveelheden en hun oorsprong worden door de Lid-Staten per telexbericht aan de Commissie medegedeeld uiterlijk op de donderdag van de week die volgt op die waarin de aanvraag is ingediend .
3 . Uiterlijk op de vrijdag van de week die volgt op die waarin de in lid 2 bedoeld mededeling is gedaan, stelt de Commissie per land of groep van landen als bedoeld in artikel 1 van verordening ( EEG ) nr . 604/83, in voorkomend geval naar evenredigheid van de aanvragen, de hoeveelheden vast waarvoor certificaten worden afgegeven .
4 . ..."
Verordening nr . 758/86 van de Raad van 10 maart 1986 ( PB 1986, L 72, blz . 1 ), waarbij het tariefcontingent voor 1986 overeenkomstig het voorstel van de Commissie van november 1985 werd vastgesteld op 200 000 ton, trad in werking op 16 maart 1986 .
Inmiddels had de Commissie tussen 1 januari en 11 februari 1986 definitieve toestemming gegeven voor de vervroegde afgifte door de nationale instanties van invoercertificaten voor een hoeveelheid van 130 000 ton .
Op 19 februari 1986 waren bij de Commissie certificaataanvragen voor een totale hoeveelheid van 87 020,261 ton aanhangig, die door de nationale instanties na 11 februari waren meegedeeld . Te zamen met de 130 000 ton waarvoor reeds certificaten waren goedgekeurd en afgegeven, overschreed deze hoeveelheid het door de Commissie aan de Raad voorgestelde contingent van 200 000 ton .
Bij telexbericht van 20 februari 1986 berichtte de Commissie derhalve aan de betrokken nationale instanties, dat geen verdere certificaten konden worden afgegeven zolang de Raad de verordening houdende vaststelling van het tariefcontingent voor 1986 niet had aangenomen .
Op basis van deze mededeling wees het Hoofdproduktschap twee certificaataanvragen voor maniok van oorsprong uit China af, die op 13 respectievelijk 20 februari 1986 door verzoeksters in het hoofdgeding waren ingediend en door het Hoofdproduktschap aan de Commissie waren meegedeeld . De gestelde waarborgen werden vrijgegeven . Verzoeksters in het hoofdgeding stelden bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven terstond beroep in tegen deze afwijzende besluiten .
Na de inwerkingtreding van verordening nr . 758/86 van de Raad, waarbij het contingent voor 1986 werd vastgesteld op 200 000 ton, deelde de Commissie de bevoegde nationale instanties bij telexbericht van 21 maart 1986 mee, dat om alle importeurs gelijke toegang te verschaffen tot de 70 000 ton waarvoor nog geen certificaten waren afgegeven, de toewijzing zou geschieden op basis van de evenredigheidsregel van artikel 2, lid 3, van verordening nr . 3656/83 . Tevens berichtte de Commissie, dat de termijn voor de bevestiging van reeds eerder meegedeelde certificaataanvragen en voor de indiening van nieuwe aanvragen werd verlengd tot 24 maart 1986 .
Verzoeksters in het hoofdgeding bevestigden hun twee certificaataanvragen en dienden twee nieuwe in bij het Hoofdproduktschap, dat deze vier aanvragen, te zamen met aanvragen van andere importeurs, bij telexbericht van 24 maart 1986 aan de Commissie meedeelde .
Bij telexbericht van 25 maart 1986 deelde de Commissie het Hoofdproduktschap mee, dat deze vier aanvragen slechts konden worden gehonoreerd met toepassing van een verdelingscoëfficiënt van 4,191315 %.
Daarop hebben verzoeksters in het hoofdgeding beroep ingesteld tegen de besluiten van het Hoofdproduktschap houdende toepassing van die coëfficiënt; zij stellen dat de Commissie in haar mededelingen van 20 februari en 21 maart 1986 noch de in artikel 2 van verordening nr . 3656/83 gestelde termijnen in acht heeft genomen, noch het in artikel 2, lid 3, van deze verordening neergelegde beginsel, dat aanvragen in volgorde van binnenkomst moeten worden behandeld . Zodra het contingent was vastgesteld, had de resterende hoeveelheid allereerst moeten worden gebruikt om - eventueel naar evenredigheid - aan de nog aanhangige aanvragen te voldoen, en pas daarna hadden de nieuwe aanvragen aan de beurt mogen komen . Die mededelingen zouden bovendien in strijd zijn met het discriminatieverbod en het rechtszekerheidsbeginsel .
Onder deze omstandigheden heeft het College van Beroep besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen :
"1 ) Is de mededeling van de Commissie aan verweerder van 20 februari 1986 in strijd met het gemeenschapsrecht, in het bijzonder verordening ( EEG ) nr . 3656/83, het discriminatieverbod neergelegd in artikel 40, lid 3, van het EEG-Verdrag en het rechtszekerheidsbeginsel?
2 ) Is de mededeling van de Commissie aan verweerder van 21 maart 1986 in strijd met het gemeenschapsrecht, in het bijzonder verordening ( EEG ) nr . 3656/83, het discriminatieverbod neergelegd in artikel 40, lid 3, van het EEG-Verdrag en het rechtszekerheidsbeginsel?"
Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven, voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
De mededeling van 20 februari 1986
Opgemerkt zij, dat de Commissie op 20 februari 1986 niet kon doorgaan met de vervroegde toewijzing van het contingent, waarvan de aan de Raad voorgestelde omvang was overschreden, terwijl zij ook de in artikel 2, lid 3, van verordening nr . 3656/83 neergelegde evenredigheidsregel niet kon toepassen, daar de Raad de omvang van het contingent nog niet definitief had vastgesteld .
Voorts staat vast, dat met de mededeling van 20 februari 1986 niet is vooruitgelopen op de uiteindelijke toewijzing van de nog beschikbare hoeveelheid naar evenredigheid van het totaal van de bevestigde aanhangige en de nieuwe aanvragen .
Overigens hebben verzoeksters in het hoofdgeding zelf in hun bij het Hof ingediende opmerkingen erkend, dat het niet redelijk is om wanneer de naar verwachting door de Raad te bepalen hoeveelheid nagenoeg is bereikt, door te gaan met het toewijzen van aanvragen, zolang de Raad het desbetreffende contingent niet daadwerkelijk heeft vastgesteld .
Hieruit volgt dat de mededeling van de Commissie van 20 februari 1986 niet in strijd is met de door het College van Beroep aangehaalde communautaire rechtsnormen .
De mededelingen van 21 en 25 maart 1986
Om een nuttig antwoord te kunnen geven op de tweede vraag van het College van Beroep, moet ook worden onderzocht of de mededeling van de Commissie van 25 maart 1986 geldig is . Daarin heeft zij immers toepassing gegeven aan de in de mededeling van 21 maart 1986 neergelegde beginselen, dat ook nieuwe certificaataanvragen zouden worden toegelaten en dat het restant van het contingent zou worden toegewezen naar evenredigheid van het totaal van de bevestigde aanhangige en de nieuwe aanvragen .
Hoewel de Commissie er geen verwijt van kan worden gemaakt, dat zij in verband met de mogelijkheid dat niet alle aanhangige aanvragen zouden worden bevestigd, de indiening van nieuwe certificaataanvragen heeft toegelaten, was zij na de definitieve vaststelling van het contingent door de Raad wel verplicht, bij de verdeling van het restant van het contingent voorrang te geven aan de bevestigde aanhangige aanvragen, eventueel met toepassing van de evenredigheidsregel .
Na de inwerkingtreding van verordening nr . 758/86 hadden de bevestigde aanhangige aanvragen ingevolge artikel 2, lid 3, van verordening nr . 3656/83 voorrang moeten krijgen boven de nieuwe aanvragen, en wel op grond van de datum van hun oorspronkelijke mededeling aan de Commissie .
Niet steekhoudend is het door de Commissie ter terechtzitting aangevoerde argument, dat zij, indien zij bij de toewijzing van het nog beschikbare contingent voorrang had gegeven aan de bevestigde aanhangige aanvragen, achteraf had moeten reconstrueren, in welke chronologische volgorde de nationale instanties haar in iedere week tussen 20 februari en 21 maart de certificaataanvragen zouden hebben meegedeeld zo de Commissie de vervroegde verdeling van het verwachte contingent niet had onderbroken .
Met alle bevestigde aanhangige en door de nationale instanties op 24 maart 1986 meegedeelde nieuwe aanvragen voor zich en zonder dat een dergelijke reconstructie nodig was geweest, had de Commissie toen het restant kunnen toewijzen met voorrang voor de bevestigde aanhangige aanvragen .
Op de vragen van het College van Beroep moet mitsdien worden geantwoord, dat de mededelingen van de Commissie van 21 en 25 maart 1986 in strijd zijn met artikel 2, lid 3, van verordening nr . 3656/83 en dat het in laatstgenoemde mededeling vervatte besluit derhalve ongeldig is .
Nu is vastgesteld dat de mededelingen van 21 en 25 maart 1986 onwettig zijn, behoeft het Hof ze niet te toetsen aan het discriminatieverbod en het rechtszekerheidsbeginsel .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Tweede kamer ),
uitspraak doende op de door het College van Beroep voor het Bedrijfsleven bij uitspraak van 12 juni 1987 gestelde vragen, verklaart voor recht :
1 ) Bij onderzoek van de eerste vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de mededeling van de Commissie van 20 februari 1986 kunnen aantasten .
2 ) De mededelingen van de Commissie van 21 en 25 maart 1986 zijn in strijd met artikel 2, lid 3, van verordening nr . 3656/83 van de Commissie houdende uitvoeringsbepalingen van de invoerregeling voor 1984, 1985 en 1986 voor produkten van post 07.06 A van het gemeenschappelijk douanetarief van oorsprong uit andere derde landen dan Thailand, en het in de laatste van die mededelingen vervatte besluit is derhalve ongeldig .
Full & Egal Universal Law Academy