Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Verloop van procedure - Duur van meer dan een jaar - Toelaatbaarheid - Voorwaarde - Redelijke duur
( Verordening nr . 3017/79 van de Raad, artikel 7, lid 9 )
2 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Dumpingmarge - Vaststelling van de normale waarde - Met prioriteit in aanmerking te nemen factor - Prijs in kader van normale handelstransacties - Onmogelijkheid wegens geringe verkopen van representatieve textielexporteurs op binnenlandse markt - Aangenomen waarde
( Verordening nr . 3017/79 van de Raad, artikel 2 B, lid 3, sub a en b )
3 . Gemeenschappelijke handelspolitiek - Verdediging tegen dumpingpraktijken - Instelling van definitieve anti-dumpingrechten - Terugwerkende kracht - Verbod - Afwijking - Terugwerkende kracht voor periode waarin voorlopig anti-dumpingrecht gold - Ontbreken van overgangsregeling voor importen ter uitvoering van oude contracten - Vertrouwensbeginsel - Geen schending
( Verordening nr . 3017/79 van de Raad, artikelen 11, 12 en 13, lid 4, sub a )
Samenvatting
1 . De in artikel 7, lid 9, van verordening nr . 3017/79 genoemde termijn van een jaar voor het verloop van anti-dumpingprocedures heeft een indicatief karakter en is niet dwingend . Dit blijkt zowel uit de letter van die bepaling als uit de aard van de anti-dumpingprocedure, waarvan de voortgang niet enkel afhangt van de voortvarendheid van de gemeenschapsautoriteiten . Uit deze bepaling vloeit echter voort dat de anti-dumpingprocedure niet meer dan een redelijke tijd in beslag mag nemen, wat moet worden getoetst aan de bijzondere omstandigheden van het geval .
2 . Wanneer in de loop van een onderzoek blijkt, dat de ondernemingen die op grond van hun representativiteit ten aanzien van de uitvoer op de gemeenschappelijke markt waren uitgekozen ter bepaling van de factoren op grond waarvan de dumpingmarge wordt vastgesteld, slechts geringe hoeveelheden op de binnenlandse markt verkopen, zodat het niet mogelijk is de normale waarde van de produkten die het voorwerp zijn van dumping, af te leiden uit de bij normale transacties op de binnenlandse markt werkelijk betaalde of te betalen prijzen, mag volgens artikel 2 B, lid 3, sub b, van verordening nr . 3017/79 worden uitgegaan van de aangenomen waarde .
3 . Het in artikel 13, lid 4, sub a, van verordening nr . 3017/79 neergelegde verbod met, terugwerkende kracht anti-dumpingrechten in te stellen, is niet absoluut van aard . Daarop bestaan uitzonderingen, met name wanneer de verordening houdende instelling van een anti-dumpingrecht met terugwerkende kracht geldt voor de periode waarin een bij een eerdere verordening ingesteld voorlopig anti-dumpingrecht bestond .
Wanneer er een anti-dumpingprocedure loopt, weet, althans moet een voorzichtig ondernemer weten, dat het mogelijk is dat er een anti-dumpingrecht wordt ingesteld, en moet hij dus bij het sluiten van contracten met zijn leveranciers daarmee rekening houden . Wanneer het instellen van een anti-dumpingrecht niet gepaard gaat met overgangsmaatregelen ten gunste van transacties ter uitvoering van oude contracten, is er bijgevolg geen sprake van schending van het beginsel van het gewettigd vertrouwen .
Partijen
In zaak 246/87,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Finanzgericht Muenchen, in het aldaar aanhangig geding tussen
Continentale Produkten-Gesellschaft Erhardt-Renken GmbH & Co .
en
Hauptzollamt Muenchen-West,
om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van verordening nr . 3453/81 van de Commissie van 2 december 1981 houdende instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde garens van katoen, van oorsprong uit Turkije ( PB 1981, L 347, blz . 19 ), en van verordening nr . 789/82 van de Raad van 2 april 1982 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde garens van katoen, van oorsprong uit Turkije ( PB 1982, L 90, blz . 1 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Zesde kamer ),
samengesteld als volgt : T . Koopmans, kamerpresident, G . F . Mancini, C . N . Kakouris, F . A . Schockweiler en M . Diez de Velasco, rechters,
advocaat-generaal : M . Darmon
griffier : D . Louterman, hoofdadministrateur
gelet op de opmerkingen ingediend door :
- de Raad van de Europese Gemeenschappen, voor de schriftelijke behandeling en ter terechtzitting vertegenwoordigd door H . J . Lambers, directeur bij zijn juridische dienst, en voor de schriftelijke behandeling voorts door zijn juridisch adviseur E . Stein, als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, voor de schriftelijke behandeling vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur P . Gilsdorf als gemachtigde, voor de schriftelijke behandeling en ter terechtzitting bijgestaan door R . Wagner, een in het kader van het uitwisselingsprogramma van ambtenaren ter beschikking van de Commissie gestelde Duitse rechter,
- de regering van de Helleense Republiek, voor de schriftelijke behandeling vertegenwoordigd door G . Kranidiotis, bijzonder gevolmachtigde van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, als gemachtigde, en ter terechtzitting door N . Frangakis, hoofd van de juridische dienst van de permanente vertegenwoordiging van Griekenland bij de Europese Gemeenschappen, en E . Marinou, lid van de bijzondere juridische dienst voor de Europese Gemeenschappen bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 24 januari 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 februari 1989,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 23 juli 1987, ingekomen bij het Hof op 13 augustus daaraanvolgend, heeft het Finanzgericht Muenchen krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de geldigheid van verordening nr . 3453/81 van de Commissie van 2 december 1981 houdende instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde garens van katoen, van oorsprong uit Turkije ( PB 1981, L 347, blz . 19 ), en van verordening nr . 789/82 van de Raad van 2 april 1982 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde garens van katoen, van oorsprong uit Turkije ( PB 1982, L 90, blz . 1 ).
2 Die vraag is gerezen in een geschil tussen Continentale Produkten-Gesellschaft Erhardt-Renken GmbH & Co ., een importeur van katoenen garens, verzoekster in het hoofdgeding ( hierna : verzoekster ), en Hauptzollamt Muenchen-West, verweerder in het hoofdgeding, over vier heffingnota' s van respectievelijk 15, 20, 27 en 28 april 1982, door het Hauptzollamt aan verzoekster in het hoofdgeding gezonden in verband met de invoer, tussen 14 en 27 april 1982, van vier partijen katoenen garens van oorsprong uit Turkije .
3 Met genoemde heffingnota' s had het Hauptzollamt een anti-dumpingrecht van 12 % van de waarde van de ingevoerde goederen in rekening gebracht .
4 Verzoekster betwistte voor het Finanzgericht Muenchen de geldigheid van de verordeningen nrs . 3453/81 en 789/82, op grond waarvan het anti-dumpingrecht was bepaald . Zij voerde in hoofdzaak aan, dat deze verordeningen waren vastgesteld in strijd met een aantal bepalingen van verordening nr . 3017/79 van de Raad van 20 december 1979 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de EEG ( PB 1979, L 339, blz . 1, hierna : de basisverordening ).
5 Aangezien het Finanzgericht Muenchen in twijfel verkeerde omtrent de geldigheid van de verordeningen nrs . 3453/81 van de Commissie en 789/82 van de Raad, besloot het de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof te verzoeken om een prejudiciële beslissing over de volgende vraag :
"Zijn verordening nr . 3453/81 van de Commissie van 2 december 1981 houdende instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde garens van katoen, van oorsprong uit Turkije ( PB 1981, L 347, blz . 19 ), en verordening nr . 789/82 van de Raad van 2 april 1982 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde garens van katoen, van oorsprong uit Turkije ( PB 1982, L 90, blz . 1 ), geldig?"
6 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten en het juridisch kader van het hoofdgeding, de in geding zijnde gemeenschapsbepalingen, het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven, voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
7 Blijkens de verwijzingsbeschikking heeft verzoekster de geldigheid van verordening nr . 789/82 eerst betwist op grond dat, in de eerste plaats, bij de vaststelling ervan de wettelijke duur van de anti-dumpingprocedure ruimschoots was overschreden - zulks in strijd met artikel 7, lid 9, van de basisverordening, dat bepaalt dat de anti-dumpingprocedure "in het algemeen binnen een jaar na de aanvangsdatum afgesloten (( dient )) te zijn" -, en dat, in de tweede plaats, de redenen van deze termijnoverschrijding in de considerans van de verordening hadden moeten worden uiteengezet .
8 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat de in artikel 7, lid 9, van de basisverordening genoemde termijn een indicatief karakter heeft en niet dwingend is . Dit blijkt zowel uit de letter van die bepaling, waarin de woorden "in het algemeen" worden gebruikt, als uit de aard van de anti-dumpingprocedure, waarvan de voortgang niet enkel afhangt van de voortvarendheid van de gemeenschapsautoriteiten . Hierbij moet echter worden gepreciseerd, dat uit deze bepaling voortvloeit dat de anti-dumpingprocedure niet meer dan een redelijke tijd in beslag mag nemen, wat moet worden getoetst aan de bijzondere omstandigheden van het geval .
9 In casu blijkt de procedure langer dan gewoonlijk, namelijk 32 maanden, te hebben geduurd . Uit de stukken blijkt echter, dat de Commissie wegens een aantal bijzondere omstandigheden niet in staat was, het onderzoek binnen een jaar af te sluiten . Tot die omstandigheden behoren met name de politieke gebeurtenissen en de devaluatie van de Turkse valuta in het betrokken tijdvak, het gebrek aan samenwerking van de Turkse exporteurs met de gemeenschapsautoriteiten, de noodzaak van langdurige onderhandelingen met de vereniging van Turkse textielexporteurs ( TTEA ), en het feit dat de Turkse exporteurs zelf om een verlenging van de onderzoekperiode hadden gevraagd, met welk verzoek de Commissie had ingestemd door die periode met de laatste drie maanden van 1981 uit te breiden, terwijl het oorspronkelijk enkel om de periode van 1 januari tot 30 september 1981 ging . Een en ander is overigens in de considerans van verordening nr . 789/82 genoegzaam toegelicht .
10 Onder deze omstandigheden moet worden vastgesteld, dat de duur van de procedure, ook al was die ongewoon lang, een passend tijdsbestek niet heeft overschreden en dus geen afbreuk kan doen aan de geldigheid van verordening nr . 789/82 .
11 Vervolgens stelt verzoekster, dat de ondernemingen die overeenkomstig artikel 2 B, lid 3, van de basisverordening waren uitgekozen ter bepaling van de normale waarde van de produkten en van de dumpingmarge, niet representatief waren . Dit zou in het bijzonder blijken uit de omstandigheid, dat de Commissie bij die ondernemingen tot bijzondere aanpassingen van de produktiekosten moest overgaan .
12 Met de Commissie moet op dit punt worden vastgesteld, dat de betrokken ondernemingen, zoals in de considerans van verordening nr . 789/82 wordt verklaard, in overleg met de Turkse vereniging van textielexporteurs en de klagers waren gekozen op grond van hun representativiteit met betrekking tot hun exporten naar de gemeenschapsmarkt . Later was gebleken, dat die ondernemingen slechts geringe hoeveelheden van de betrokken produkten op de binnenlandse markt verkochten en dat het niet mogelijk was, aan de hand van hun verkopen op de Turkse binnenlandse markt de normale waarde in de zin van artikel 2 B, lid 3, sub a, van de basisverordening af te leiden uit de bij normale transacties op de binnenlandse markt werkelijk betaalde of te betalen prijs . Nu een bruikbare vergelijking niet mogelijk was, zijn de berekeningen gemaakt op basis van de overeenkomstig artikel 2 B, lid 3, sub b, van de basisverordening aangenomen waarde, dat wil zeggen op basis van de kosten van de representatieve ondernemingen . De geldigheid van verordening nr . 789/82 kan derhalve ook uit dezen hoofde niet worden aangevochten .
13 Verzoekster voert verder aan, dat er geen sprake was van schade, die een voorwaarde is voor het instellen van een anti-dumpingrecht, en dat het in geding zijnde anti-dumpingrecht alleen is ingesteld ter bescherming van de gemeenschapsproduktie .
14 Op dit punt moet worden vastgesteld, dat de schade die de gemeenschapsindustrie door de betrokken importen heeft geleden, in de considerans van verordening nr . 789/82 uitvoerig en met cijfers gestaafd wordt beschreven . Die considerans bevat nauwkeurige gegevens - in absolute cijfers en procentueel - over de toeneming van de invoer van katoenen garens uit Turkije, de teruggang van de gemeenschapsproduktie, de capaciteitsbenutting van de gemeenschapsindustrie, die in verscheidene Lid-Staten tot minder dan 65 % is gedaald, en de duidelijke vermindering van het aantal arbeidsplaatsen in de gemeenschapsondernemingen in de sector katoenen garens . Verzoekster heeft de juistheid van deze gegevens niet in ernst betwist . Ook in zoverre kan de geldigheid van verordening nr . 789/82 dus niet in twijfel worden getrokken .
15 Subsidiair ten slotte stelt verzoekster, dat verordening nr . 789/82 ten dele ongeldig is, doordat zij met terugwerkende kracht geldt voor contracten die vóór haar inwerkingtreding zijn gesloten, doch nadien zijn uitgevoerd . De verordening zou derhalve ongeldig zijn, voor zover zij niet voorziet in een volledige vrijstelling van anti-dumpingrechten voor importen die op grond van die "oude contracten" hebben plaatsgevonden . Daardoor zou het vertrouwensbeginsel zijn geschonden .
16 In de eerste plaats moet worden opgemerkt, dat een verordening houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht, terugwerkende kracht heeft voor zover zij van toepassing is op importen die vóór haar bekendmaking hebben plaatsgevonden . Vervolgens zij erop gewezen, dat, ingevolge artikel 13, lid 4, sub a, van de basisverordening en de bepalingen inzake de instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht, instelling met terugwerkende kracht van een definitief anti-dumpingrecht weliswaar in beginsel niet is toegestaan, doch - onder meer - wél wanneer de terugwerkende kracht geldt voor de periode waarin een bij een eerdere verordening ingesteld voorlopig anti-dumpingrecht bestond . In casu was bij verordening nr . 3453/81 een voorlopig anti-dumpingrecht van 16 % met ingang van 2 december 1981 ingesteld . Bij verordening nr . 789/82 is een lager definitief anti-dumpingrecht van 12 % ingesteld, doch eerst met ingang van 1 januari 1982, dus vier weken na de instelling van het voorlopig anti-dumpingrecht . Hier is dus geen sprake van onwettige terugwerkende kracht .
17 Vervolgens moet worden vastgesteld, dat de omstandigheid dat de bestreden verordening geen overgangsregeling bevat betreffende een bijzondere behandeling voor importen op grond van oude contracten, geen inbreuk kan maken op het beginsel inzake de bescherming van het gewettigd vertrouwen . Aangezien er nog een anti-dumpingprocedure liep, wist, althans had een voorzichtig ondernemer moeten weten, dat het mogelijk was dat er een anti-dumpingrecht zou worden ingesteld, en had hij dus bij het sluiten van contracten met zijn leveranciers daarmee rekening kunnen houden . Bijgevolg is er geen sprake van schending van een gewettigd vertrouwen van de deelnemers aan het economisch verkeer .
18 Op grond van het voorgaande moet worden vastgesteld, dat bij onderzoek van de gestelde vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van verordening nr . 789/82 van de Raad van 2 april 1982 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde garens van katoen, van oorsprong uit Turkije .
19 De verwijzende rechter heeft ook de geldigheid van verordening nr . 3453/81 houdende instelling van een voorlopig anti-dumpingrecht, aan de orde gesteld .
20 Ingevolge artikel 11 van de basisverordening verliezen de verordeningen houdende instelling van voorlopige rechten hun geldigheid na een bepaalde termijn of na de instelling van definitieve rechten .
21 Bovendien bepaalt artikel 2 van verordening nr . 789/82 : "De ingevolge verordening ( EEG ) nr . 3453/81 tot zekerheid van het voorlopige recht gestelde bedragen worden definitief geïnd ten belope van het definitieve recht, dat wil zeggen 75 % van het bedrag van het voorlopige recht . Het saldo van deze bedragen, dat wil zeggen 25 % van het voorlopige recht, wordt vrijgegeven", en voorts : "Voor wat evenwel de produkten betreft die vóór 1 januari 1982 in het vrije verkeer zijn gebracht, worden de bedragen die tot zekerheid zijn gesteld van het voorlopige anti-dumpingrecht, vrijgegeven ."
22 Hieruit volgt, dat na de inwerkingtreding van verordening nr . 789/82 voor de onder verordening nr . 3453/81 vallende importen hetzij de anti-dumpingrechten zijn vrijgegeven hetzij verordening nr . 789/82 geldt .
23 Waar geen bijzondere grieven tegen verordening nr . 3453/81 zijn aangevoerd, behoeft de geldigheid daarvan dus niet te worden onderzocht .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
24 De kosten door de Commissie en de Raad van de Europese Gemeenschappen en de regering van de Helleense Republiek wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Zesde kamer ),
uitspraak doende op de door het Finanzgericht Muenchen bij beschikking van 23 juli 1987 gestelde vraag, verklaart voor recht :
Bij onderzoek van de gestelde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van verordening nr . 789/82 van de Raad van 2 april 1982 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van bepaalde garens van katoen, van oorsprong uit Turkije .
Full & Egal Universal Law Academy