Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Vrij verkeer van goederen - Communautair douanevervoer - Overtredingen of onregelmatigheden - Beroep op regeling van intern communautair douanevervoer ten einde in een Lid-Staat uit een derde land afkomstige goederen die in een andere Lid-Staat zijn binnengesmokkeld, binnen te brengen en in het vrije verkeer te brengen - Ontstaan van douaneschuld uitsluitend in Lid-Staat van import
( Verordening nr . 222/77 van de Raad, artikel 36, lid 1 )
Samenvatting
Artikel 36, lid 1, van verordening nr . 222/77 van de Raad betreffende communautair douanevervoer moet aldus worden uitgelegd, dat het in de weg staat aan het ontstaan van een douaneschuld in een Lid-Staat wegens het in het vrije verkeer brengen van goederen, die uit een derde land afkomstig, eerst in een andere Lid-Staat zijn binnengesmokkeld, en van daaruit in intern communautair douaneverkeer zijn vervoerd naar de Lid-Staat, waarin zij in het vrije verkeer zijn gebracht, aangezien de in de andere Lid-Staat begane overtredingen daar reeds een douaneschuld hebben doen ontstaan .
Partijen
In zaak 252/87,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Bundesfinanzhof, in het aldaar aanhangig geding tussen
Hauptzollamt Hamburg-St . Annen
en
Wilhelm Kiwall KG, te Hamburg,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van het gemeenschapsrecht betreffende het ontstaan en de inning van een douaneschuld,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Zesde kamer ),
samengesteld als volgt : O . Due, kamerpresident, T . Koopmans, K . Bahlmann, C . N . Kakouris en T . F . O' Higgins, rechters,
advocaat-generaal : M . Darmon
griffier : D . Louterman, administrateur
gelet op de opmerkingen ingediend door :
- Wilhelm Kiwall KG, verweerster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door H . Colombus, belastingadviseur,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J . Sack als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 31 mei 1988,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 juli 1988,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
Bij beschikking van 2 juli 1987, ingekomen ten Hove op 20 augustus daaraanvolgend, heeft het Bundesfinanzhof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van het gemeenschapsrecht betreffende het ontstaan en de heffing van een douaneschuld .
Deze vraag is gerezen in een geding tussen Wilhelm Kiwall KG te Hamburg ( hierna : verweerster ) en het Hauptzollamt Hamburg-St . Annen ( hierna : verzoeker ) over de navordering van een douaneschuld die ingevolge het destijds geldende Duitse douanerecht was ontstaan door het in de Bondsrepubliek Duitsland in het vrije verkeer brengen van uit een derde land afkomstige goederen, die zich in de Gemeenschap nog niet in het vrije verkeer bevonden .
Uit de stukken blijkt, dat verweerster in de periode van 12 januari 1979 tot 9 mei 1980 in Denemarken kousen had gekocht, die zij in de Bondsrepubliek Duitsland in het vrije verkeer bracht onder overlegging van een communautair T2-formulier overeenkomstig de procedure van verordening nr . 222/77 van de Raad van 13 december 1976 betreffende communautair douanevervoer ( PB 1979, L 38, blz . 1 ). Verzoeker hief dienovereenkomstig slechts de omzetbelasting bij invoer .
Later werd vastgesteld dat deze uit een derde land afkomstige goederen door de verkoper in Denemarken waren binnengesmokkeld en dat het T2-formulier derhalve op onregelmatige wijze van de Deense autoriteiten was verkregen . Verzoeker vorderde deswege bij nota van 19 februari 1981 van verweerster een bedrag aan invoerrechten van 241 676,76 DM .
Op het beroep van verweerster werd die nota door het Finanzgericht Hamburg vernietigd . In de door verzoeker ingestelde "Revisions"-procedure heeft het Bundesfinanzhof de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd :
" Was bij de stand van de harmonisatie der douanewetgevingen in mei 1980 met het gemeenschapsrecht verenigbaar een Duits douanevoorschrift dat voorzag in het ontstaan van een douaneschuld voor uit een derde land afkomstige goederen, die tevoren in een andere Lid-Staat waren binnengesmokkeld en van daaruit, zonder dat aldaar de invoerformaliteiten waren vervuld, in strijd met de voorschriften in intern communautair douanevervoer in de Bondsrepubliek Duitsland waren binnengebracht?"
Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van de zaak, het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
De nationale rechter vraagt, kort gezegd, of de in mei 1980 geldende bepalingen van communautair douanerecht in de weg stonden aan het ontstaan van een douaneschuld in een Lid-Staat wegens het in het vrije verkeer brengen van goederen die, uit een derde land afkomstig, eerst in een andere Lid-Staat zijn binnengesmokkeld en van daar uit onder de regeling voor intern communautair douanevervoer in eerstgenoemde Lid-Staat zijn binnengebracht .
Dienaangaande zij erop gewezen, dat artikel 36, lid 1, van verordening nr . 222/77 betreffende communautair douanevervoer het volgende bepaalt :
" Wanneer wordt vastgesteld dat bij communautair douanevervoer in een bepaalde Lid-Staat een overtreding of onregelmatigheid is begaan, wordt de actie tot invordering van de eventueel opeisbare rechten en andere heffingen - onverminderd eventuele strafvervolging - door deze Lid-Staat ingesteld volgens zijn wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen ."
In zijn arrest van 27 november 1984 ( zaak 99/83, Fioravanti, Jurispr . 1984, blz . 3939 ), dat betrekking had op de uitlegging van de gelijkluidende bepaling van de voorheen geldende verordening nr . 542/69 van de Raad van 18 maart 1969 betreffende communautair douanevervoer ( PB 1969, L 77, blz . 1 ), heeft het Hof verklaard voor recht, dat, wanneer ten gevolge van een bij een communautair douanevervoer begane overtreding de opeisbare rechten en andere heffingen niet zijn geïnd, de Lid-Staat waar die overtreding heeft plaatsgevonden, die rechten of heffingen overeenkomstig zijn wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen dient in te vorderen .
Uit de stukken in de onderhavige zaak blijkt, dat de overtredingen bestaande in het in de Gemeenschap binnensmokkelen en in het op onregelmatige wijze verkrijgen van het T2-formulier, beide in Denemarken zijn begaan . Wegens hun nauwe samenhang moeten beide overtredingen worden geacht te zijn begaan bij communautair douanevervoer . Ingevolge de vorenaangehaalde bepaling, zoals uitgelegd in voornoemd arrest van 27 november 1984, staat het derhalve aan de Deense autoriteiten, de wegens de invoer van de goederen in de Gemeenschap opeisbaar geworden uitvoerrechten te innen . De in Denemarken gepleegde feiten hebben derhalve reeds een douaneschuld doen ontstaan .
Wanneer door een in een Lid-Staat begane overtreding of onregelmatigheid een douaneschuld in die Lid-Staat is ontstaan, laat artikel 36 van verordening nr . 222/77 geen ruimte voor het ontstaan van een douaneschuld in een andere Lid-Staat, waar het T2-formulier later wordt gebruikt om de betrokken goederen in het vrije verkeer te brengen . Deze conclusie is in overeenstemming met de idee van de douane-unie, die zich verzet tegen dubbele belasting van goederen bij hun binnenkomst in het door verordening nr . 1496/68 van de Raad van 27 september 1968 ( PB 1968, L 238, blz . 1 ) omschreven douanegebied van de Gemeenschap . Hieraan zij echter toegevoegd, dat artikel 36 van verordening nr . 222/77 de door het nationale recht voorziene mogelijkheid van strafrechtelijke vervolging van degene die een in een andere Lid-Staat onregelmatig verkregen T2-formulier gebruikt, uitdrukkelijk onverlet laat .
Mitsdien moet op de prejudiciële vraag van de nationale rechter worden geantwoord, dat artikel 36, lid 1, van verordening nr . 222/77 van de Raad van 13 december 1976 betreffende communautair douanevervoer, aldus moet worden uitgelegd, dat het in de weg staat aan het ontstaan van een douaneschuld in een Lid-Staat wegens het in het vrije verkeer brengen van goederen die, uit een derde land afkomstig, eerst in een andere Lid-Staat zijn binnengesmokkeld, en van daar uit onder de regeling voor intern communautair douanevervoer zijn vervoerd naar de Lid-Staat waar zij in het vrije verkeer zijn gebracht, aangezien de in de andere Lid-Staat begane overtredingen of onregelmatigheden daar reeds een douaneschuld hebben doen ontstaan .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Zesde kamer ),
uitspraak doende op de door het Bundesfinanzhof bij beschikking van 2 juli 1987 gestelde vraag, verklaart voor recht :
Artikel 36, lid 1, van verordening nr . 222/77 van de Raad van 13 december 1976 betreffende communautair douanevervoer, moet aldus worden uitgelegd, dat het in de weg staat aan het ontstaan van een douaneschuld in een Lid-Staat wegens het in het vrije verkeer brengen van goederen die, uit een derde land afkomstig, eerst in een andere Lid-Staat zijn binnengesmokkeld, en van daar uit onder de regeling voor intern communautair douanevervoer zijn vervoerd naar de Lid-Staat waar zij in het vrije verkeer zijn gebracht, aangezien de in de andere Lid-Staat begane overtredingen of onregelmatigheden daar reeds een douaneschuld hebben doen ontstaan .
Full & Egal Universal Law Academy