Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Uitkeringen voor wezen - Uitsluitend toepassing van hoofdstuk 8 van verordening nr . 1408/71 en bepalingen waarnaar dat verwijst
( Verordening nr . 1408/71 van de Raad, artikelen 44, lid 3, 48, lid 1, 78 en 79 )
Samenvatting
Artikel 44, lid 3, van verordening nr . 1408/71 moet aldus worden uitgelegd, dat wezenpensioenen uitsluitend worden beheerst door de bepalingen van hoofdstuk 8 van die verordening, in voorkomend geval aangevuld door toepassing van bepalingen van andere hoofdstukken der verordening, waarnaar in de bepalingen van hoofdstuk 8 uitdrukkelijk wordt verwezen . Daaruit volgt met name dat artikel 48, lid 1, volgens hetwelk het bevoegde orgaan van een Lid-Staat, waar de tijdvakken van verzekering of van wonen minder dan een jaar bedragen, onder bepaalde voorwaarden niet verplicht is uitkeringen voor die tijdvakken toe te kennen, niet van toepassing is op wezenpensioenen .
Partijen
In zaak 269/87,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Bayerische Landessozialgericht, in het aldaar aanhangig geding tussen
N . Ventura
en
Landesversicherungsanstalt Schwaben,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 44, lid 3, 48, lid 1, en de bepalingen betreffende de uitkeringen aan wezen van verordening nr . 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen,
alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen ( gecodificeerde versie van verordening nr . 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, PB 1983, L 230, blz . 6 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Derde kamer ),
samengesteld als volgt : F . Grévisse, kamerpresident, J . C . Moitinho de Almeida en M . Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal : W . Van Gerven
griffier : H . A . Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de opmerkingen ingediend door :
- N . Ventura, vertegenwoordigd door J . Stahlberg, advocaat te Muenchen;
- de Landesversicherungsanstalt Schwaben, vertegenwoordigd door haar directeur M . Wanders;
- de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door P . G . Ferri, avvocato dello stato, als gemachtigde;
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D . Gouloussis en J . Grunwald, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 19 oktober 1988,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 november 1988,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 7 juli 1987, ingekomen ten Hove op 8 september daaraanvolgend, heeft het Bayerische Landessozialgericht krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 44, lid 3, en 48, lid 1, van verordening nr . 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen ( gecodificeerde versie van verordening nr . 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, PB 1983, L 230, blz . 6 ).
2 Deze vraag is gerezen in een geding tussen de zoon van een op 30 augustus 1974 in de Bondsrepubliek Duitsland overleden migrerende werknemer en de Landesversicherungsanstalt Schwaben ( hierna : de LVA Schwaben ), die weigerde hem het wezenpensioen verder tot het volle bedrag te betalen, nadat hij zich in juli 1975 in Italië had gevestigd .
3 De LVA Schwaben baseerde haar beschikking op artikel 78, lid 2, sub b-i, van verordening nr . 1408/71, volgens hetwelk in een geval als het onderhavige, waarin de overleden verzekerde aan wettelijke regelingen van meer dan één Lid-Staat onderworpen was, de uitkeringen voor wezen moeten worden betaald door de bevoegde instanties van de Staat waar de betrokkene woont .
4 De Italiaanse instanties weigerden evenwel de betrokken uitkeringen te betalen en beriepen zich daarvoor op artikel 48, lid 1, van verordening nr . 1408/71, naar luid waarvan het bevoegde orgaan van een Lid-Staat niet verplicht is uitkeringen toe te kennen, indien de totale duur der krachtens de wettelijke regeling van deze Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering of van wonen minder dan een jaar bedraagt en indien, uitsluitend rekening houdende met deze tijdvakken, geen enkel recht op uitkeringen krachtens die wettelijke regeling bestaat .
5 Van mening dat de Duitse instanties als gevolg van die weigering verplicht waren hem vanaf 1975 het wezenpensioen tot het volle bedrag te betalen, vorderde Ventura de nietigverklaring van de beschikking van de LVA Schwaben van 1975 voor het Sozialgericht Augsburg en in hoger beroep voor het Bayerische Landessozialgericht .
6 Daar de LVA Schwaben evenwel aanvoerde, dat de beschikking van de Italiaanse instanties onjuist is, omdat artikel 44, lid 3, van verordening nr . 1408/71 uitdrukkelijk bepaalt dat artikel 48, lid 1, - de rechtsgrondslag voor die beschikking -, niet geldt voor de wezenpensioenen, stelde het Bayerische Landessozialgericht de navolgende prejudiciële vraag :
"Moet artikel 44, lid 3, van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 aldus worden uitgelegd, dat uitkeringen aan wezen in de zin van artikel 79 van de verordening aan een in Italië woonachtige wees zonder toepassing van artikel 48, lid 1, van de verordening moeten worden betaald, wanneer de verzekerde in Italië weliswaar verzekeringstijdvakken van minder dan twaalf maanden heeft vervuld ( artikel 48, lid 1 ), maar - indien men de tijdvakken in andere Lid-Staten meetelt - wel de wachttijd heeft vervuld en aan de overige door het Italiaanse recht gestelde voorwaarden voldoet?"
7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het rechtskader van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven, voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
8 Artikel 48, lid 1, van verordening nr . 1408/71, dat betrekking heeft op het geval waarin de totale duur der krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat vervulde tijdvakken van verzekering of van wonen minder dan een jaar bedraagt, maakt deel uit van hoofdstuk 3, "Ouderdom en overlijden ( pensioenen )", van die verordening .
9 Artikel 44, het eerste artikel van hoofdstuk 3 van de verordening, bepaalt dat dit hoofdstuk geen betrekking heeft op wezenpensioenen, welke overeenkomstig hoofdstuk 8 worden toegekend .
10 Daaruit volgt, dat de bepalingen van hoofdstuk 3 van de verordening, waaronder artikel 48, lid 1, niet van toepassing zijn op de wezenpensioenen, met uitzondering van de bepalingen waarnaar uitdrukkelijk wordt verwezen in hoofdstuk 8, dat betrekking heeft op uitkeringen aan wezen, inzonderheid de wezenpensioenen of wezenrenten, met uitzondering van die welke ingevolge de verzekering tegen arbeidsongevallen en beroepsziekten worden toegekend .
11 Aangezien in hoofdstuk 8 niet naar artikel 48, lid 1, wordt verwezen, is dit laatste niet van toepassing op de in de prejudiciële vraag genoemde uitkeringen aan wezen .
12 Deze uitlegging zal de verwijzende rechter in staat stellen het bij hem aanhangige geding te beslechten, daar reeds uit de bewoordingen van die vraag blijkt, dat de eraan ten grondslag liggende twijfel niet betrekking heeft op de uitlegging van de artikelen 78, lid 2, sub b-i, en 79, lid 1, sub a, van verordening nr . 1408/71, krachtens welke de Lid-Staat waar de betrokkene woont, verplicht is het wezenpensioen te betalen, wanneer de overleden verzekerde, zoals in het hoofdgeding, onder meer aan de wettelijke regeling van die Lid-Staat was onderworpen, doch op de uitlegging van artikel 48, lid 1, dat, indien het in het hoofdgeding van toepassing ware geweest, de instanties van de Lid-Staat van de woonplaats zou hebben bevrijd van de in genoemde bepalingen neergelegde verplichting .
13 Die uitlegging moet evenwel worden vervolledigd met enkele aanwijzingen die voor de nationale rechter nuttig kunnen zijn en aan de rechtspraak van het Hof van Justitie kunnen worden ontleend .
14 Allereerst blijkt uit de uitlegging die het Hof van Justitie in zijn arresten van 9 juli 1980 ( zaak 807/79, Gravina, Jurispr . 1980, blz . 2205 ) en 24 november 1983 ( zaak 320/82, D' Amario, Jurispr . 1983, blz . 3811 ) van de bepalingen van hoofdstuk 8 van verordening nr . 1408/71 heeft gegeven en die verweerster in het hoofdgeding bij haar nieuwe beschikking van 2 maart 1984 zelf heeft willen toepassen, het volgende : Het recht op een wezenpensioen krachtens de wettelijke regeling van de volgens die bepalingen bevoegde Lid-Staat leidt, ingeval de overleden vader aan de wettelijke regelingen van meer dan één Lid-Staat onderworpen was, niet tot verval van het recht op hogere uitkeringen aan wezen dat uitsluitend is gebaseerd op de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat . Is het bedrag van de uitkeringen die in de eerste Lid-Staat daadwerkelijk zijn ontvangen of hadden moeten worden ontvangen, lager dan het uitsluitend krachtens de wettelijke regeling van de andere Lid-Staat voorziene bedrag, dan heeft de wees jegens het bevoegde orgaan van laatstgenoemde Lid-Staat recht op een aanvulling ten belope van het verschil tussen de twee bedragen .
15 Verder is het vaste rechtspraak van het Hof ( zie inzonderheid het arrest van 27 maart 1980, gevoegde zaken 66, 127 en 128/79, Salumi, Jurispr . 1980, blz . 1237 ), dat de uitlegging die het Hof van Justitie krachtens de hem bij artikel 177 EEG-Verdrag verleende bevoegdheid geeft van een voorschrift van gemeenschapsrecht, de betekenis en strekking van dat voorschrift verklaart en preciseert zoals het sedert het tijdstip van zijn inwerkingtreding moet of had moeten worden verstaan of toegepast . Hieruit volgt, dat het aldus uitgelegde voorschrift door de rechter ook kan en moet worden toegepast op rechtsbetrekkingen die zijn ontstaan en tot stand gekomen vóór het arrest waarbij op het verzoek om uitlegging is beslist .
16 Bijgevolg moeten het wezenpensioen verschuldigd door de instanties van de Lid-Staat waar de rechthebbende woont en de aanvullende uitkering verschuldigd door de instanties van de Lid-Staat waar de wees recht op uitkeringen heeft verworven, worden betaald vanaf het tijdstip waarop de wees zich op het grondgebied van de eerstgenoemde staat heeft gevestigd .
17 Mitsdien moet aan de verwijzende rechter, gezien de formulering van de prejudiciële vraag, worden geantwoord, dat artikel 44, lid 3, van verordening nr . 1408/71 aldus moet worden uitgelegd, dat wezenpensioenen uitsluitend worden beheerst door de bepalingen van hoofdstuk 8 van die verordening, in voorkomend geval aangevuld door toepassing van bepalingen van andere hoofdstukken der verordening, waarnaar in de bepalingen van hoofdstuk 8 uitdrukkelijk wordt verwezen .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
18 De kosten door de Italiaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Derde kamer ),
uitspraak doende op de door het Bayerische Landessozialgericht bij beschikking van 7 juli 1987 gestelde vraag,
verklaart voor recht :
Artikel 44, lid 3, van verordening nr . 1408/71 moet aldus worden uitgelegd, dat wezenpensioenen uitsluitend worden beheerst door de bepalingen van hoofdstuk 8 van die verordening, in voorkomend geval aangevuld door toepassing van bepalingen van andere hoofdstukken der verordening, waarnaar in de bepalingen van hoofdstuk 8 uitdrukkelijk wordt verwezen .
Full & Egal Universal Law Academy