Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelprodukten - Steun voor ondermelk en magere-melkpoeder bestemd voor voederdoeleinden - Steun voor karnemelk - Toekenningsvoorwaarden - Verkrijgingsprocédé - Verdere behandeling - Uitsluiting
( Verordening nr . 986/68 van de Raad, artikel 1; Verordening nr . 1105/68 van de Commissie, artikel 1, leden 4 en 6 )
Samenvatting
De bepalingen van verordening nr . 986/68 houdende vaststelling van de algemene voorschriften voor de toekenning van steun voor ondermelk en magere-melkpoeder bestemd voor voederdoeleinden, en van uitvoeringsverordening nr . 1105/68, in hun onderlinge samenhang gelezen, moeten aldus worden uitgelegd, dat zij voor de toekenning van de aldaar voorziene steun voor de produktie van karnemelk niet slechts elke toevoeging aan karnemelk van een niet in melk voorkomende stof uitsluiten, maar ook ieder procédé waarbij de karnemelk die bij de verwerking van melk tot boter is verkregen, een verdere behandeling ondergaat .
Partijen
In zaak 270/87,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven, in het aldaar aanhangig geding tussen
Cooeperatieve Melkverwerkingsvereniging DOC wa
en
Produktschap voor Zuivel,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van enkele bepalingen van verordening ( EEG ) nr . 986/68 van de Raad van 15 juli 1968 houdende vaststelling van de algemene voorschriften voor de toekenning van steun voor ondermelk en magere-melkpoeder bestemd voor voederdoeleinden ( PB 1968, L 169, blz . 4 ), en van verordening ( EEG ) nr . 1105/68 van de Commissie van 27 juli 1968 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de toekenning van steun voor ondermelk voor voederdoeleinden ( PB 1968, L 184, blz . 24 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vierde kamer ),
samengesteld als volgt : T . Koopmans, kamerpresident, C . N . Kakouris en M . Diez de Velasco, rechters,
advocaat-generaal : J . Mischo
griffier : J . A . Pompe, adjunct-griffier
gelet op de opmerkingen ingediend door :
- de Cooeperatieve Melkverwerkingsvereniging DOC wa, verzoekster in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door O . C . A . Millaard, advocaat te Zwolle,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R . C . Fischer als gemachtigde, bijgestaan door M . van Damme als deskundige,
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 26 januari 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 16 februari 1989,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij uitspraak van 4 september 1987, ingekomen bij het Hof op 9 september daaraanvolgend, heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van enkele bepalingen van verordening ( EEG ) nr . 986/68 van de Raad van 15 juli 1968 houdende vaststelling van de algemene voorschriften voor de toekenning van steun voor ondermelk en magere-melkpoeder bestemd voor voederdoeleinden ( PB 1968, L 169, blz . 4 ), en van verordening ( EEG ) nr . 1105/68 van de Commissie van 27 juli 1968 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de toekenning van steun voor ondermelk voor voederdoeleinden ( PB 1968, L 184, blz . 24 ).
2 Die vraag is gerezen in het kader van een geschil tussen een Nederlandse zuivelfabriek, Cooeperatieve Melkverwerkingsvereniging DOC wa ( hierna : DOC ), en het Produktschap voor Zuivel, het bevoegde Nederlandse orgaan voor de toekenning van genoemde steun, over de vraag of DOC recht had op steun voor bepaalde hoeveelheden karnemelk .
3 DOC heeft verzocht om toekenning van communautaire steun voor bepaalde hoeveelheden door haar geproduceerde karnemelk bestemd voor voederdoeleinden .
4 Bij twee beschikkingen, van 24 september en 24 oktober 1985, weigerde het Produktschap voor Zuivel de aangevraagde steun en bij een derde beschikking van 25 oktober 1985 vorderde het terugbetaling van steun die reeds aan DOC was betaald . De motivering van deze beschikkingen kwam erop neer, dat aan de karnemelk "een ingedikt melkprodukt" was toegevoegd .
5 Na afwijzing van haar bezwaarschriften tegen die beschikkingen stelde DOC beroep in bij het College van Beroep voor het Bedrijfsleven .
6 Voor die rechterlijke instantie voerde zij aan, dat karnemelk, om voor de betrokken steun in aanmerking te komen, in beginsel een droge-stofgehalte van 8 % moet hebben; om dat gehalte te bereiken, had zij het volgende procédé toegepast : "na de boterbereiding wordt het daarbij gebruikte, in de karnemelk achtergebleven spoelwater aan het zoete karnemelk-residu onttrokken . De aldus ingedikte zoete karnemelk wordt vervolgens weer samengebracht met het zure karnemelk-residu dat bij de boterbereiding ontstaat . De zure karnemelk zelf leent zich niet voor indamping ." Bij dit procédé zou er geen sprake zijn van een niet-toegestane toevoeging, ook al wordt een gedeelte van de betrokken hoeveelheid karnemelk daarvan afgescheiden en vervolgens, ingedikt, daarmee weer samengebracht .
7 Het College kwam tot de conclusie, dat volgens de Zuivelverordening 1968 geen steun wordt verleend voor karnemelk verkregen uit melk "waaraan iets is toegevoegd ". Aangezien die verordening uitvoering geeft aan desbetreffende gemeenschapsbepalingen waarin dezelfde formulering voorkomt, besloot het College de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de volgende prejudiciële vraag voor te leggen :
"Moet de verordening ( EEG ) nr . 986/68 van de Raad, meer in het bijzonder de passage 'waaraan niets is toegevoegd' in artikel 1, onder a van die verordening, gelezen in samenhang met de bepalingen van de verordening ( EEG ) nr . 1105/68 van de Commissie zo worden uitgelegd dat van een steunbelemmerende toevoeging in de zin van artikel 1 van de verordening ( EEG ) nr . 986/68 sprake is bij toepassing van een procédé, waarbij, om het vereiste droge-stofgehalte te bereiken, na de boterbereiding het daarbij gebruikte, in de karnemelk achtergebleven spoelwater aan het daartoe afgescheiden zoete karnemelk-residu wordt onttrokken, en waarbij vervolgens de aldus ingedikte zoete karnemelk weer wordt samengebracht met het zure karnemelk-residu, dat bij de boterbereiding ontstaat?"
8 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding en de toepasselijke rechtsvoorschriften, het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen uit het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
9 In de vraag van de verwijzende rechter wordt gesproken van een steunbelemmerende toevoeging, waarbij ervan wordt uitgegaan dat artikel 1 van verordening nr . 986/68 als voorwaarde voor toekenning van steun verlangt, dat aan de melk en dus ook aan de karnemelk niets is toegevoegd . Opgemerkt zij evenwel, dat het in het hoofdgeding niet gaat om toevoeging van een niet uit melk afkomstige stof .
10 Leest men de verwijzingsuitspraak in het licht van de processtukken, dan blijkt daaruit, dat er in casu, na de verwerking van de melk tot boter en nadat deze boter van het bijprodukt karnemelk is gescheiden, een verdere behandeling is gevolgd :
- de boter wordt met water gewassen;
- aan het mengsel van karnemelk en water dat hierbij ontstaat en dat ongeveer 4 % droge stof en 96 % water bevat, wordt vervolgens het overtollige water onttrokken;
- het residu is karnemelk met een verhoogd droge-stofgehalte;
- dit residu wordt vermengd met de oorspronkelijk bij de verwerking van de melk verkregen karnemelk, waardoor het droge-stofgehalte van deze karnemelk tot 8 % wordt verhoogd .
11 Zo gezien, moet de vraag aldus worden opgevat, dat zij er in wezen om gaat of de karnemelk die na de beschreven verdere behandeling wordt verkregen, in aanmerking kan komen voor de in de gemeenschapsregeling voorziene steun .
12 Alvorens die vraag kan worden beantwoord, moet worden vastgesteld dat verordening nr . 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten ( PB 1968, L 148, blz . 13 ), zoals gewijzigd, in artikel 10, lid 1, bepaalt dat steun wordt verleend aan, onder meer, in de Gemeenschap geproduceerde en als voeder voor dieren gebruikte ondermelk en karnemelk, indien deze produkten aan bepaalde vereisten voldoen .
13 Op basis van artikel 10, lid 2, van die verordening heeft de Raad verordening nr . 986/68 vastgesteld, waarvan artikel 1, zoals gewijzigd, luidt als volgt :
"In de zin van deze verordening wordt verstaan onder :
a ) Melk :
het door het melken van één of meer koeien verkregen produkt waaraan niets is toegevoegd en waaraan ten hoogste een deel der vetstoffen is onttrokken;
b ) Karnemelk :
het bij het tot boter verwerken van melk of room verkregen produkt, ook indien zuur of gezuurd;
c ) Ondermelk :
melk en karnemelk met een vetgehalte van ten hoogste 1 %;
..."
14 Krachtens de haar bij artikel 10, lid 3, van verordening nr . 804/68 verleende bevoegdheid heeft de Commissie verordening nr . 1105/68 vastgesteld, waarvan artikel 1, lid 2, bepaalt dat "de steun slechts wordt verleend voor de in de voedermelk verwerkte hoeveelheid ondermelk ".
15 Met het oog op de beantwoording van de prejudiciële vraag zij er vervolgens op gewezen, dat volgens artikel 1 van verordening nr . 986/68 karnemelk "het bij het tot boter verwerken van melk ... verkregen produkt" is . Letterlijk genomen gaat het in deze bepaling dus om het produkt dat wordt verkregen bij het tot boter verwerken van melk, zonder enige verdere behandeling .
16 Deze uitlegging vindt met name bevestiging in artikel 1, lid 4, van verordening nr . 1105/68, zoals gewijzigd, dat bepaalt dat de karnemelk die resulteert uit de verwerking van melk tot boter, als bestanddeel waarvoor steun wordt verleend, niet op een gezien de gebezigde produktietechniek abnormale wijze mag worden verdund .
17 Bevestiging van deze uitlegging is voorts te vinden in lid 6, sub a, van voornoemd artikel 1, bepalende dat indien het gemiddelde van de in een Lid-Staat of in een gebied van een Lid-Staat gebruikelijke minimumwaarden hoger ligt dan het voor karnemelk vereiste minimumgehalte van 8 % aan vetloze droge stof, van dit percentage mag worden afgeweken; het mag dan worden vervangen door genoemd gemiddelde . Omgekeerd bepaalt lid 6, sub c, van hetzelfde artikel, dat verminderde steun wordt toegekend indien het droge-stofgehalte van karnemelk om gegronde technische redenen ten minste 4 % bedraagt, doch lager ligt dan het vereiste minimumgehalte aan vetloze droge stof . Uit deze bepalingen blijkt dat wijziging van het droge-stofgehalte van karnemelk niet is toegestaan .
18 Uit het voorgaande volgt, dat voor zover het de toekenning van steun voor karnemelk betreft, voornoemde gemeenschapsbepalingen het oog hebben op karnemelk zoals die op natuurlijke wijze wordt verkregen bij de oorspronkelijke verwerking van melk tot boter, met uitsluiting van iedere verdere behandeling, ook al bestaat deze niet in toevoeging in eigenlijke zin van een niet uit melk afkomstige stof, doch enkel in indikking of verdunning .
19 Op de vraag van de nationale rechter moet mitsdien worden geantwoord, dat de bepalingen van verordening nr . 986/68 van de Raad en verordening nr . 1105/68 van de Commissie, in hun onderlinge samenhang gelezen, aldus moeten worden uitgelegd, dat zij, voor de toekenning van de aldaar voorziene steun, niet slechts elke toevoeging aan karnemelk van een niet in melk voorkomende stof uitsluiten, maar ook ieder procédé waarbij de karnemelk die bij de verwerking van melk tot boter is verkregen, een verdere behandeling ondergaat .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
20 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van haar opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vierde kamer ),
uitspraak doende op de door het College van Beroep voor het Bedrijfsleven bij uitspraak van 4 september 1987 gestelde vraag, verklaart voor recht :
De bepalingen van verordening nr . 986/68 van de Raad en verordening nr . 1105/68 van de Commissie, in hun onderlinge samenhang gelezen, moeten aldus worden uitgelegd, dat zij, voor de toekenning van de aldaar voorziene steun, niet slechts elke toevoeging aan karnemelk van een niet in melk voorkomende stof uitsluiten, maar ook ieder procédé waarbij de karnemelk die bij de verwerking van melk tot boter is verkregen, een verdere behandeling ondergaat .
Full & Egal Universal Law Academy