Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Ambtenaren - Bezwarend besluit - Begrip - Interne organisatiemaatregel - Daarvan uitgesloten - Beoordelingsbevoegdheid van administratie - Grenzen - Statutaire positie van betrokkenen - Overeenstemming tussen rang en ambt
( Ambtenarenstatuut, artikel 25 )
Samenvatting
Een loutere beheersdaad, zoals een herverdeling van de werkzaamheden binnen een administratieve eenheid, die geen afbreuk doet aan de statutaire positie van de betrokkenen of aan het beginsel van overeenstemming tussen de rang van ambtenaren en het ambt waarin zij zijn tewerkgesteld, kan niet als een nadelige beslissing in de zin van artikel 25 van het Statuut worden aangemerkt .
Een dergelijke handeling valt binnen de discretionaire bevoegdheid waarover een administratie bij de verdeling van de werkzaamheden over haar personeelsleden beschikt . De administratie behoeft de betrokken ambtenaar dus niet vooraf te horen en behoeft haar besluit niet te motiveren .
Partijen
In zaak 280/87,
André Hecq, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Bonlez ( België ), vertegenwoordigd door J . Putzeys en X . Leurquin, advocaten te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij M . Nickts, 87, avenue Guillaume,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door M . Wolfcarius, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit om verzoeker te ontheffen van de verantwoordelijkheid voor verwarming en sanitair in het gebouw van de Commissie aan de Frère-Orban-square te Brussel,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vierde kamer ),
samengesteld als volgt : T . Koopmans, kamerpresident, C . N . Kakouris en M . Diez de Velasco, rechters,
advocaat-generaal : J . Mischo
griffier : H . A . Ruehl, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 20 oktober 1988,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 27 oktober 1988,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 22 september 1987, heeft A . Hecq, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen in de rang B 3, beroep ingesteld strekkende, in de eerste plaats, tot nietigverklaring van het besluit van onbekende datum en onbekende auteur, waarbij hij werd ontheven van de verantwoordelijkheid voor verwarming en sanitair in het gebouw van de Commissie aan de Frère-Orban-square te Brussel ( hierna : het Orbangebouw ), en, in de tweede plaats, tot zijn herstel in alle statutaire rechten die hij vóór 1 februari 1986 bezat .
2 Blijkens de door de Commissie in antwoord op een vraag van het Hof verstrekte inlichtingen, werd het besluit om verzoeker van de verantwoordelijkheid voor het Orbangebouw te ontheffen, op 27 januari 1987 genomen door B . Petersen, hoofd van de dienst Gebouwen . Deze wilde het Orbangebouw, waar zich een aantal technische problemen voordeden, onder een andere sector brengen ( te weten de sector "multi-techniques", die opereert in ploegen met een verantwoordelijke voor elk technisch probleem ). Het besluit hield geen nieuwe tewerkstelling van verzoeker in, daar deze, in dezelfde sector, belast bleef met het beheer van verscheidene gebouwen; alleen het aantal gebouwen was met één verminderd .
3 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
4 In een eerder beroep heeft verzoeker nietigverklaring gevorderd van de besluiten waarbij hij was belast met de verantwoordelijkheid voor verwarming en sanitair in de door de Commissie vanaf december 1984 in gebruik genomen of te nemen nieuwe gebouwen ( zaak 19/87 ). Die besluiten hadden betrekking op zes gebouwen, waaronder ook het Orbangebouw . Bij arrest van 23 mei 1988 van de Vierde kamer is zijn beroep verworpen, waarna verzoeker in de onderhavige zaak afstand heeft gedaan van het middel inhoudende dat het hier bestreden besluit een rechtstreeks uitvloeisel is van eerdere onwettige handelingen .
5 In die omstandigheden dienen enkel nog te worden onderzocht het middel inhoudende dat het bestreden besluit niet gerechtvaardigd was door het dienstbelang en niet met redenen was omkleed, en het middel ontleend aan schending van de zorgplicht van de administratie ten aanzien van haar ambtenaren, doordat het besluit was genomen zonder rekening te houden met verzoekers belangen en zonder dat hem de gelegenheid was geboden, vooraf zijn standpunt kenbaar te maken .
6 Het verweer van de Commissie is in wezen gebaseerd op de stelling, dat het bestreden besluit een loutere beheersdaad is en om technische redenen is genomen . Zonder dat verzoekers technische prestaties ook maar de minste kritiek verdienen, was de organisatie van de technische werkzaamheden in het Orbangebouw ondoelmatig gebleken . De controle op verschillende niveaus en de cooerdinatie tussen de verschillende vakgroepen was niet geslaagd en de oorspronkelijk voorziene technische opdeling functioneerde niet . Dit alles had tot technische mankementen geleid, waaronder een storing in de verwarming, die veel last had veroorzaakt . Daarom was het noodzakelijk geweest, de verantwoordelijkheid voor het gebouw op te dragen aan de sector "multi-techniques" van de dienst Gebouwen, die beter is toegerust om een veelheid aan technische problemen op te lossen .
7 Bij de beoordeling van dit betoog moet vooreerst worden vastgesteld, dat verzoeker het bestaan van de door de Commissie genoemde technische problemen niet ernstig heeft betwist en niet heeft gesteld, dat het besluit om hem van zijn verantwoordelijkheid voor het Orbangebouw te ontheffen, in feite een verkapte tuchtmaatregel was met het doel de inhoud van zijn ambt te wijzigen . Nochtans moet ook worden vastgesteld, dat het bestreden besluit is genomen in een periode toen de verhouding tussen verzoeker en zijn hiërarchieke meerderen weer was verslechterd, en dat de Commissie in haar antwoord op verzoekers klacht zowel gewag maakt van de technische problemen als van het slechte werkklimaat . In dat antwoord wordt namelijk enerzijds gesproken over het ontbreken van "een soepele en vlotte cooerdinatie tussen de vakgroepen" en van "een goed verlopende controle op de verschillende niveaus" in het betrokken gebouw, en anderzijds op de noodzaak "goede arbeidsomstandigheden binnen de dienst en samenhang en geloofwaardigheid naar buiten te handhaven ".
8 De Commissie heeft weliswaar niet kunnen verklaren, welk verband er bestaat tussen de door haar gesignaleerde technische problemen en de noodzaak het werkklimaat te verbeteren, doch van zijn kant heeft verzoeker niets aangevoerd wat de voorstelling van zaken die de Commissie heeft gegeven met betrekking tot de toenmalige technische problemen in het Orbangebouw, zou kunnen ontzenuwen .
9 Gelet op het voorgaande, moet worden aangenomen dat het bestreden besluit geen andere strekking had dan het aantal gebouwen waarvoor verzoeker de zorg had, met één te verminderen, en dat dat besluit dus een loutere beheersdaad was, die binnen de discretionaire bevoegdheid valt waarover een administratie bij de verdeling van de werkzaamheden over haar personeelsleden beschikt .
10 Aan de uitoefening van die discretionaire bevoegdheid zijn weliswaar grenzen gesteld, in zoverre daarbij geen afbreuk mag worden gedaan aan de statutaire positie van de betrokkenen of aan het beginsel van de overeenstemming tussen de rang van ambtenaren en het ambt waarin zij zijn tewerkgesteld ( zie het arrest van 17 mei 1984, zaak 338/82, Albertini en Montagnani, Jurispr . 1984, blz . 2123 ), maar in casu is niet gebleken van een dergelijke aantasting van verzoekers rechten .
11 Het bestreden besluit kan bijgevolg niet worden aangemerkt als een bezwarende handeling in de zin van het Statuut; de administratie behoefde de betrokken ambtenaar dus niet vooraf te horen en behoefde haar besluit niet te motiveren .
12 Ter terechtzitting heeft verzoeker het Hof nog verzocht, ambtshalve vast te stellen, dat de persoon die het bestreden besluit heeft genomen ( B . Petersen ), daartoe niet bevoegd was . De bevoegdheid van een diensthoofd ter zake van beheersdaden behoort evenwel niet tot de vragen die het Hof ambtshalve kan onderzoeken .
13 Daar de onwettigheid van het bestreden besluit evenmin aan de hand van andere elementen van het dossier kan worden vastgesteld, moet het beroep worden verworpen .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
14 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Volgens artikel 70 van dit Reglement blijven echter de kosten door de instellingen ter zake van beroepen van personeelsleden der Gemeenschappen gemaakt, te haren laste .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vierde kamer ),
rechtdoende :
1 ) Verwerpt het beroep .
2 ) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen .
Full & Egal Universal Law Academy