Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Ambtenaren - Verlof om redenen van persoonlijke aard - Verstrijken - Herplaatsing ter uitvoering van arrest van Hof - Termijn - Termijn noodzakelijk voor beoordeling en vergelijking van bekwaamheden van verschillende ambtenaren die op herplaatsing wachten
( Ambtenarenstatuut, artikel 40, lid 4, sub d )
Ambtenaren - Verlof om redenen van persoonlijke aard - Verstrijken - Onwettig niet herplaatsen - Financieel nadeel - Vergoeding - Modaliteiten
( Ambtenarenstatuut, artikel 40, lid 4, sub d )
Samenvatting
De instelling die ter uitvoering van een arrest van het Hof verplicht is om een ambtenaar na het verstrijken van zijn verlof om redenen van persoonlijke aard overeenkomstig artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut te herplaatsen, behoort met spoed te handelen, maar moet wel de tijd worden gegund die nodig is om de bekwaamheden van deze ambtenaar te beoordelen en te vergelijken met die van andere ambtenaren, die zich in dezelfde situatie als hij bevinden .
De vergoeding verschuldigd aan een ambtenaar, die als gevolg van onregelmatig gedrag van een instelling, na het verstrijken van zijn verlof om redenen van persoonlijke aard niet is herplaatst, moet worden bepaald rekening houdend met de verplichting van betrokkene redelijke zorg te betrachten om zijn schade te beperken, in voorkomend geval door een andere werkkring te zoeken of, a fortiori, door zijn bestaande werkkring aan te houden .
De betrokken instelling is niet gehouden tot herstel van de eventuele financiële schade als gevolg van de beslissing van de ambtenaar om ontslag te nemen en in zijn vorige standplaats te gaan wonen, nog voordat hij het bericht van zijn herplaatsing heeft ontvangen . In dat geval heeft de instelling het recht om van het aan betrokkene te betalen bedrag af te trekken wat hij had kunnen verdienen als hij tot het tijdstip van ontvangst van het bericht van zijn herplaatsing was blijven werken .
Bovendien moet genoemde vergoeding bij gebreke van uitdrukkelijke of naar analogie toepasselijke bepalingen in het Statuut voor de betalingsvoorwaarden ervan, worden uitbetaald in de valuta van het land waar betrokkene werkzaam was en met toepassing van de voor dat land geldende aanpassingscoëfficiënt .
Partijen
In zaak 292/87,
A . Pizziolo, wetenschappelijk ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, wonende te Alkmaar ( Nederland ), vertegenwoordigd en bijgestaan door M . Slusny, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van E . Arendt, advocaat aldaar, 34IV, rue Philippe-II,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J . Griesmar als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van de juridische dienst van de Commissie, bâtiment Jean Monnet,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 2 december 1986, dat gebaseerd is op de fictie dat verzoeker tijdens de periode van 1 oktober 1983 tot 7 maart 1984 nog steeds bij AGIP werkzaam was, en tot veroordeling van de Commissie tot betaling van het bedrag van de nettobezoldigingen die hij in genoemde periode zou hebben ontvangen, en zulks in Duitse mark, met toepassing van de voor de Bondsrepubliek Duitsland geldende aanpassingscoëfficiënt en zonder aftrek van de fictieve inkomsten,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vierde kamer ),
samengesteld als volgt : G . C . Rodríguez Iglesias, kamerpresident, T . Koopmans en C . N . Kakouris, rechters,
advocaat-generaal : Sir Gordon Slynn
griffier : J . A . Pompe, adjunct-griffier
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 2 juni 1988,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 2 juni 1988,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van het Hof op 30 september 1987, heeft Pizziolo, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, beroep ingesteld, in wezen strekkende tot nietigverklaring van de besluiten van de Commissie, waarbij zij weigerde in de eerste plaats om hem het bedrag van de nettobezoldigingen te betalen, die hij tijdens de periode van 1 oktober 1983 tot 7 maart 1984 zou hebben ontvangen indien hij werkelijk was herplaatst, en in de tweede plaats om dit bedrag in Duitse mark te betalen met toepassing van de voor de Bondsrepubliek Duitsland geldende aanpassingscoëfficiënt .
2 Verzoeker heeft van 1 maart 1970 tot 28 februari 1971 verlof om redenen van persoonlijke aard genoten . Voordien was hij als wetenschappelijk ambtenaar verbonden aan de dienst "Keramiek en metallurgie" van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek te Karlsruhe . Verzoeker heeft niet om verlenging van zijn verlof verzocht; toen de Commissie hem na afloop van het verlof niet herplaatste, stelde hij een beroep in waarin hij vorderde per 1 maart 1971 te worden herplaatst .
3 Bij tussenarrest van 2 april 1981 ( zaak 785/79, Pizziolo, Jurispr . 1981, blz . 969 ) verwierp het Hof verzoekers vordering tot herplaatsing met ingang van genoemde datum . Het Hof besloot echter tot een deskundigenonderzoek met betrekking tot de vraag, of verzoeker de vereiste kwalificaties en bekwaamheden bezat om in een aantal inmiddels vacant geworden functies herplaatst te worden .
4 Na dit onderzoek veroordeelde het Hof de Commissie bij arrest van 5 mei 1983 ( zaak 785/79, Pizziolo, Jurispr . 1983, blz . 1343 ) om verzoeker met ingang van 1 januari 1977 te herplaatsen en hem de bedragen te betalen overeenkomend met de nettobezoldigingen die hij zou hebben ontvangen indien hij op 1 januari 1977 was herplaatst, tot aan de dag van zijn daadwerkelijke herplaatsing, onder aftrek van de netto-inkomsten gedurende hetzelfde tijdvak verworven in de uitoefening van andere werkzaamheden .
5 Verzoeker blijkt in Italië bij de onderneming AGIP Nucleare te hebben gewerkt . Op 30 september 1983 nam hij ontslag en ging hij, in afwachting van de volgens hem aanstaande herplaatsing, in Bad Herrenalb bij Karlsruhe wonen . Bij telegram van 24 februari 1984 verzocht de Commissie hem zijn werkzaamheden te hervatten te Petten, in een functie die op 16 juni 1983 onder nr . COM/R/564/83 vacant was verklaard; deze herplaatsing ging op 7 maart 1984 in .
6 Wat de berekening van de aan verzoeker verschuldigde bedragen betreft, nam de Commissie als fictie aan, dat hij tot genoemde datum bij AGIP werkzaam was geweest en zij verminderde het te betalen bedrag met de inkomsten die hij in de periode van 30 september 1983 tot 7 maart 1984 van deze onderneming zou hebben ontvangen als hij daar in dienst was gebleven . Dit besluit van de Commissie vormt het belangrijkste voorwerp van het onderhavige beroep .
7 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen uit het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
De weigering tot integrale betaling van het bedrag van de nettobezoldigingen
8 Tot staving van zijn vordering stelt verzoeker, dat de Commissie verplicht was hem onmiddellijk te herplaatsen, aangezien het arrest van 5 mei 1983 zijn herplaatsing aan geen enkele termijn had gebonden . Door hem niet onmiddellijk te herplaatsen, zou de Commissie onzorgvuldig hebben gehandeld en zij zou zijn salaris over de periode van verzuim dan ook volledig moeten uitbetalen .
9 De Commissie verwijt verzoeker echter, dat hij niet heeft voldaan aan de hem in genoemd arrest opgedragen verplichting ervoor te zorgen, dat zijn schade beperkt bleef . Hij zou juist het tegendeel hebben gedaan en zou de gevolgen daarvan dus zelf moeten dragen .
10 Er moet worden vastgesteld dat, zoals de Commissie terecht aanvoert, het arrest van 5 mei 1983 de Commissie gelastte verzoeker overeenkomstig artikel 40, lid 4, sub d, van het Statuut te herplaatsen, wat niet alleen betekent dat er een post vacant moet zijn, maar ook dat de bekwaamheden van de ambtenaar moeten worden beoordeeld en vergeleken met die van andere ambtenaren, die zich in dezelfde situatie als hij bevinden .
11 Het staat wel vast, dat ook andere ambtenaren die met verlof om redenen van persoonlijke aard waren en van wie de bekwaamheden eveneens moesten worden onderzocht, voor de op 16 juni 1983 vacant verklaarde post in aanmerking kwamen . Nergens blijkt uit de processtukken, dat de administratie voor dit onderzoek onnodig veel tijd heeft gebruikt .
12 Onder deze omstandigheden kan niet worden gezegd, dat de Commissie onvoldoende zorgvuldig is geweest door verzoeker pas op 23 februari 1984 mee te delen, dat hij in Petten werd herplaatst .
13 Wat het gedrag van verzoeker betreft, moet eraan worden herinnerd, dat het Hof in zijn arrest van 5 mei 1983 had gepreciseerd, dat hij redelijke zorg moest betrachten om zijn schade te beperken, in voorkomend geval door een andere werkkring te zoeken . Met des te meer reden kon dus worden verlangd, dat hij zijn andere werkkring aanhield, totdat het tot aanstelling bevoegd gezag hem zou meedelen dat hij daadwerkelijk werd herplaatst .
14 Er moet dus worden vastgesteld, dat verzoeker geen redelijke zorg heeft betracht door voortijdig ontslag te nemen, en dat hij de eventuele nadelige gevolgen van deze beslissing zelf dient te dragen . De Commissie mocht dus op het aan verzoeker te betalen bedrag in mindering brengen wat deze had kunnen verdienen, indien hij was blijven werken totdat hij het bericht van zijn herplaatsing had ontvangen .
15 Het verzoek om nietigverklaring van dit besluit moet derhalve worden afgewezen .
De betalingsvoorwaarden
16 Verzoeker stelt, dat de Commissie het hem verschuldigde bedrag in Duitse mark had moeten betalen met toepassing van de voor de Bondsrepubliek Duitsland geldende aanpassingscoëfficiënt, omdat hij na in Italië ontslag te hebben genomen, in afwachting van zijn daadwerkelijke herplaatsing was gaan wonen in Bad Herrenalb, waar hij een woning bezat . Uit het Statuut en uit de rechtspraak van het Hof ( arrest van 31 mei 1979, zaak 156/78, Newth, Jurispr . 1979, blz . 1941 ) zou namelijk voortvloeien, dat hij recht heeft op betaling in de valuta en met toepassing van de aanpassingscoëfficiënt van zijn woonland, in casu de Bondsrepubliek Duitsland .
17 De Commissie is daarentegen van mening, dat zij niet verplicht was om aan dit verzoek te voldoen, omdat verzoeker van woonplaats was veranderd om persoonlijke redenen, die niets te maken hadden met zijn statutaire verhouding met de Commissie .
18 Bij gebreke van uitdrukkelijke bepalingen ter zake in het Statuut, doet verzoeker een beroep op de regels betreffende de aanpassingscoëfficiënt in de gevallen van ter beschikking gestelde ambtenaren ( artikel 41 ) en ambtenaren in actieve dienst ( artikelen 63 en 64 ). Er moet evenwel worden geconstateerd, dat geen van deze regels op verzoeker kan worden toegepast .
19 Het staat namelijk vast, dat verzoeker tijdens de betrokken periode niet in actieve dienst was en dat hij, zoals het Hof reeds heeft vastgesteld, er ook geen recht op had om te worden beschouwd als in die periode wél in actieve dienst te zijn geweest, daar de Commissie zijn herplaatsing niet onredelijk heeft vertraagd .
20 Het ter beschikking staan en de ontheffing van het ambt om redenen van dienstbelang, welke twee regelingen aan de orde waren in het arrest van 31 mei 1979, kunnen evenmin op een lijn worden gesteld met verzoekers situatie . Dit zijn namelijk situaties, waaraan een door het dienstbelang ingegeven besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag ten grondslag ligt en niet een door persoonlijke motieven ingegeven besluit van de ambtenaar .
21 Ten slotte moet eraan worden herinnerd, dat het door de Commissie aan verzoeker te betalen bedrag was bedoeld om het verschil te compenseren tussen de bezoldiging die hij zou hebben ontvangen indien hij bij de Commissie was herplaatst, en het salaris dat hij in Italië zou hebben verdiend bij de onderneming waar hij werkte, wanneer hij daar tot het tijdstip van zijn daadwerkelijke herplaatsing was blijven werken .
22 Hieruit volgt, dat de Commissie juist heeft gehandeld door op de over de omstreden periode aan verzoeker verschuldigde bedragen de voor Italië geldende aanpassingscoëfficiënt te blijven toepassen en deze in Italiaanse valuta uit te betalen .
23 Het beroep moet dus in zijn geheel worden verworpen .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
24 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, voor zover zulks is gevorderd . Volgens artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering blijven echter de kosten door de instellingen ter zake van beroepen van personeelsleden der Gemeenschappen gemaakt te haren laste .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vierde kamer ),
rechtdoende :
1 ) Verwerpt het beroep .
2 ) Verstaat dat elk van beide partijen de eigen kosten zal dragen .
Full & Egal Universal Law Academy