Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Ambtenaren - Bezoldiging - Gezinstoelagen - Kostwinnerstoelage - Voorwaarden voor toekenning - Echtgenoot die vergoeding wegens beëindiging van dienst ontvangt - Gelijkstelling met inkomen uit winstgevende bezigheid als beroep - Ontoelaatbaarheid
( Ambtenarenstatuut, bijlage VII, artikel 1, lid 3 )
Samenvatting
Voor de toekenning van de kostwinnerstoelage moeten krachtens artikel 1, lid 3, van bijlage VII bij het Statuut die inkomens in aanmerking worden genomen, die worden genoten uit een winstgevende bezigheid als beroep .
De vergoeding die wordt betaald aan een ambtenaar die gebruik heeft gemaakt van de regeling betreffende beëindiging van de dienst kan niet met een dergelijk inkomen worden gelijkgesteld .
Partijen
In zaak 307/87,
M . Klein, voormalig ambtenaar bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen, woonachtig te Silkeborg ( Denemarken ), vertegenwoordigd door G . Vandersanden, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A . Schmitt, advocaat aldaar, 13, boulevard Royal,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J . Griesmar als gemachtigde, domicilie gekozen hebben te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van de juridische dienst van de Commissie, bâtiment Jean Monnet, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het op artikel 1, lid 3, van bijlage VII bij het Ambtenarenstatuut gebaseerde besluit van de Commissie, waarbij zij weigert verzoekster de in artikel 67, lid 1, sub a, van het Statuut bedoelde kostwinnerstoelage toe te kennen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Derde kamer ),
samengesteld als volgt : F . Grévisse, kamerpresident, J . C . Moitinho de Almeida en M . Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal : F . Jacobs
griffier : B . Pastor, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 1 december 1988,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 december 1988,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 8 oktober 1987, heeft M . Klein, voormalig ambtenaar bij de Commissie van de Europese Gemeenschappen, beroep ingesteld tot nietigverklaring van het op 10 juli 1987 bekrachtigde besluit van 17 december 1986, waarbij de Commissie haar verzoek om uitkering van de kostwinnerstoelage heeft verworpen .
2 Verzoekster werd per 1 mei 1986 arbeidsongeschikt verklaard . Overeenkomstig artikel 78, derde alinea, van het Ambtenarenstatuut ontvangt zij een invaliditeitspensioen dat is vastgesteld op 69,1666% van haar oude basissalaris in de zesde salaristrap van rang LA 4 .
3 De echtgenoot van Klein, ambtenaar bij de Raad van de Europese Gemeenschappen, heeft op 1 oktober 1986 de dienst beëindigd ingevolge de bepalingen van verordening nr . 3518/85 van de Raad van 12 december 1985 tot vaststelling van bijzondere maatregelen betreffende de beëindiging van de dienst van ambtenaren van de Europese Gemeenschappen in verband met de toetreding van Spanje en Portugal ( PB 1985, L 335, blz . 56 ).
4 Krachtens artikel 4, lid 1, van die verordening ontvangt de echtgenoot van Klein een vergoeding, gelijk aan 70% van het basissalaris dat behoort bij de vijfde salaristrap van de rang LA 5, die hij bij zijn vertrek uit de dienst had . Bovendien wordt krachtens artikel 4, lid 5, van voornoemde verordening aan hem de kostwinnerstoelage betaald die is vastgesteld volgens artikel 1 van bijlage VII van het Ambtenarenstatuut, waarnaar in artikel 4, lid 5, van die verordening wordt verwezen, 5 % van het basissalaris bedraagt .
5 Verzoekster stelt, dat niet haar echtgenoot maar zijzelf recht heeft op de kostwinnerstoelage, en dit op grond van artikel 1, lid 4, van bijlage VII bij het Statuut, krachtens hetwelk "indien ... echtgenoten die in dienst van de Gemeenschappen zijn beiden recht hebben op de kostwinnerstoelage, deze slechts wordt uitgekeerd aan de echtgenoot met het hoogste basissalaris ".
6 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten en de argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hieronder slechts weergegeven, voor zover dit noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
7 De Commissie baseerde haar weigering om verzoekster de kostwinnerstoelage toe te kennen op de bepalingen van artikel 1, lid 3, van bijlage VII bij het Statuut, dat luidt als volgt :
" 3 . De ambtenaar die recht heeft op de kostwinnerstoelage en wiens echtgenoot een winstgevende bezigheid als beroep uitoefent die een beroepsinkomen oplevert van meer dan het jaarlijkse basissalaris van een ambtenaar van de rang C 3 in de derde salaristrap, op welk salaris de aanpassingscoëfficiënt is toegepast van het land waar de echtgenoot zijn beroep uitoefent vóór belasting, geniet deze toelage niet, behoudens bijzonder besluit van het tot aanstelling bevoegde gezag . Het genot van de toelage wordt evenwel in elk geval gehandhaafd indien de echtgenoten een of meer te hunnen laste komende kinderen hebben ."
8 Volgens de Commissie moet de vergoeding die wordt betaald aan een ambtenaar, die ingevolge 's Raads verordening nr . 3518/85 de dienst heeft beëindigd, worden gelijkgesteld met een inkomen uit een "winstgevende beroepsbezigheid" in de zin van lid 3 van voornoemd artikel 1 van het Statuut .
9 De Commissie is van mening, dat deze vergoeding een vervangend inkomen vormt, dat het levensonderhoud moet waarborgen van de werknemer die niet meer in staat is om een beroepsactiviteit uit te oefenen, op dezelfde voet als de uitkeringen die de sociale-zekerheidsorganen bij ziekte betalen aan de werknemer die zijn werkzaamheden heeft moeten onderbreken, de werkloosheidsuitkeringen, de ontslagvergoedingen of de bezoldiging van een ambtenaar die tuchtrechtelijk is geschorst . Die inkomens moeten in aanmerking worden genomen voor de toepassing van voornoemd lid 3 .
10 Verder stelt de Commissie, dat het beginsel van gelijke behandeling zou worden geschonden, indien die bepaling niet zou gelden voor de vrijwillige beëindiging van de dienst . De interpretatie die verzoekster aan die bepaling geeft zou er met name toe leiden, dat met elkaar gehuwde ambtenaren die beide een rang in de categorie A hebben, een kostwinnerstoelage zouden ontvangen, enkel omdat een van beide gebruik heeft gemaakt van de regeling betreffende de vrijwillige beëindiging van de dienst, terwijl een ander echtpaar van wie de ene echtgenoot ambtenaar is in een rang van een lagere categorie, en de andere geen ambtenaar is, geen recht zou hebben op die toelage, indien lid 3 wegens het inkomen van de echtgenoot die geen ambtenaar is, toepasselijk zou zijn .
11 De argumenten van de Commissie kunnen niet worden aanvaard .
12 In de eerste plaats moeten krachtens artikel 1, lid 3, van bijlage VII bij het Statuut die inkomens in aanmerking worden genomen die worden genoten uit een winstgevende bezigheid als beroep . Degeen die gebruik heeft gemaakt van de regeling betreffende beëindiging van de dienst, oefent niet een dergelijke activiteit uit . Zoals de Commissie zelf erkent, valt de vergoeding die verzoeksters echtgenoot ontvangt, niet onder de letter van voornoemde bepaling .
13 Op grond van de door de Commissie aangevoerde argumenten kan aan de betrokken bepaling niet een uitlegging worden gegeven die indruist tegen de bewoordingen zelf .
14 In de eerste plaats houdt de regeling in verordening nr . 3518/85, waarvan de echtgenoot van Klein gebruik heeft gemaakt, in dat de dienst definitief wordt beëindigd . Anders dan de Commissie beweert kan diens positie dus niet worden gelijkgesteld met die van een werknemer met ziekteverlof, een werkloze werknemer of een ambtenaar die disciplinair is geschorst . Zijn positie vertoont meer verwantschap met die van iemand die een invaliditeits - of een ouderdomspensioen geniet, ten aanzien waarvan de Commissie erkent dat het pensioen niet een inkomen uit een "winstgevende bezigheid als beroep" in de zin van artikel 1, lid 3, van bijlage VII bij het Statuut oplevert .
15 In de tweede plaats kan niet, zoals de Commissie doet, een beroep worden gedaan op het beginsel van gelijke behandeling om de toepassing te beletten van artikel 1, lid 3, van bijlage VII bij het Statuut . De positie van de echtgenoot die een vergoeding wegens beëindiging van de dienst ontvangt en die dus de dienst heeft beëindigd, kan niet worden vergeleken met die van de echtgenoot die een winstgevende beroepswerkzaamheid blijft uitoefenen . Zou dit argument worden aanvaard, dan zou men ook moeten erkennen dat het beginsel van gelijke behandeling wordt geschonden, indien voornoemde bepaling niet wordt toegepast op de invaliditeits - en ouderdomspensioenen, hetgeen door verweerster wordt uitgesloten .
16 Uit het voorafgaande volgt, dat het besluit van de Commissie waarbij zij weigert verzoekster de kostwinnerstoelage toe te kennen, moet worden nietig verklaard .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
17 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Derde kamer ),
rechtdoende :
1 ) Verklaart nietig het besluit van 17 december 1986 waarbij verzoekster de kostwinnerstoelage is geweigerd .
2 ) Verwijst de Commissie in de kosten van het geding .
Full & Egal Universal Law Academy