Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Vrij verkeer van goederen - Douanerechten - Heffingen van gelijke werking - Aan verkeersdeelnemers in rekening brengen van kosten voor verrichtingen door grenskantoren tijdens door gemeenschapsbepalingen vastgestelde normale openingstijden - Ontoelaatbaarheid
( EEG-Verdrag, artikelen 9 en 12; Richtlijn 83/643 van de Raad, gewijzigd, artikel 5, lid 1, sub a )
Samenvatting
Door aan de verkeersdeelnemers in het intracommunautaire handelsverkeer de kosten in rekening te brengen van de controles en administratieve formaliteiten, verricht gedurende een deel van de normale openingstijden van de grenskantoren, vastgesteld bij artikel 5, lid 1, sub a, tweede streepje, van richtlijn 83/643, zoals gewijzigd bij richtlijn 87/53, komt een Lid-Staat de krachtens artikel 9 en 12 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet na . Immers, in het geval van een vervoerondernemer die zich bij een douanekantoor meldt tijdens de normale openingsuren van grensposten gaat het niet om een daadwerkelijk en individueel aan de verkeersdeelnemer verleende dienst die, zonder dat in strijd wordt gehandeld met die verdragsbepalingen, het voorwerp kan vormen van een tegenprestatie waarvan het bedrag evenredig is aan die dienst .
Partijen
In zaak 340/87,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G . Berardis, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner,
verzoekster,
tegen
Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door L . Ferrari Bravo, hoofd van de dienst Diplomatieke geschillen van het Ministerie van Buitenlandse Zaken, als gemachtigde, bijgestaan door I . M . Braguglia, avvocato dello Stato, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ter Italiaanse ambassade,
verweerster,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door de kosten van de controles en de administratieve formaliteiten die gedurende een deel van de normale openingstijd van de grenskantoren worden verricht, aan de verkeersdeelnemers in rekening te brengen, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 9 en 12 EEG-Verdrag, de bepalingen van de EEG-verordeningen betreffende de gemeenschappelijke ordeningen der markten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, die heffingen van gelijke werking als douanerechten in het handelsverkeer met derde landen verbieden, de bepalingen van de door de Gemeenschap met sommige derde landen gesloten preferentiële akkoorden, die eveneens heffingen van gelijke werking als douanerechten verbieden, alsmede artikel 5 van richtlijn 83/643 van de Raad van 1 december 1983 ter vereenvoudiging van de fysieke controle en de administratieve formaliteiten bij het goederenverkeer tussen Lid-Staten ( PB 1983, L 359, blz . 8 ), zoals gewijzigd bij richtlijn 87/53 van de Raad van 15 december 1986 ( PB 1987, L 24, blz . 33 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt : O . Due, president, F . Grévisse, kamerpresident, G . F . Mancini, C . N . Kakouris, F . A . Schockweiler, J . C . Moitinho de Almeida en M . Diez de Velasco, rechters,
advocaat-generaal : W . Van Gerven
griffier : D . Louterman, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 21 februari 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 april 1989,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 2 november 1987, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 169 EEG-Verdrag het Hof verzocht vast te stellen dat de Italiaanse Republiek, door de kosten van de controles en de administratieve formaliteiten die gedurende een deel van de normale openingstijd van de grenskantoren worden verricht, aan de verkeersdeelnemers in rekening te brengen, de verplichtingen niet is nagekomen die op haar rusten krachtens de artikelen 9 en 12 EEG-Verdrag, de bepalingen van de EEG-verordeningen betreffende de gemeenschappelijke ordeningen der markten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, die heffingen van gelijke werking als douanerechten in het handelsverkeer met derde landen verbieden, de bepalingen van de door de Gemeenschap met sommige derde landen gesloten preferentiële akkoorden, die eveneens heffingen van gelijke werking als douanerechten verbieden, alsmede artikel 5 van richtlijn 83/643 van de Raad van 1 december 1983 ter vereenvoudiging van de fysieke controle en de administratieve formaliteiten bij het goederenvervoer tussen Lid-Staten ( PB 1983, L 359, blz . 8 ), zoals gewijzigd bij richtlijn 87/53 van de Raad van 15 december 1986 ( PB 1987, L 24, blz . 33 ).
2 Artikel 11 van het decreet van de President van de Italiaanse Republiek ( DPR ), nr . 43 van 23 januari 1973 houdende de gecooerdineerde tekst van de wettelijke bepalingen op douanegebied, zoals gewijzigd bij artikel 1, punt 2, van DPR, nr . 254 van 8 mei 1985, bepaalt dat de openingstijden van de douanekantoren en hun verschillende diensten aan de landsgrenzen, de zeegrenzen en op de luchthavens, wanneer de verkeersomvang zulks rechtvaardigt, aldus moeten worden vastgesteld, dat de controles en formaliteiten betreffende het verkeer van vervoermiddelen en van goederen die niet onder een douanedoorvoerregeling vallen, van maandag tot en met vrijdag ten minste gedurende tien opeenvolgende uren kunnen plaatsvinden, behalve indien de betrokken dagen feestdagen zijn . Volgens die bepaling wordt voor douaneverrichtingen uitgevoerd tijdens de openingsuren van die kantoren die buiten de normale werktijd van de staatsambtenaren vallen - in Italië zes uur per dag van maandag tot en met zaterdag -, een bedrag in rekening gebracht dat overeenkomt met de kosten van de verleende dienst . Artikel 15 van DPR, nr . 254 bepaalt meer in het algemeen, dat de in het decreet bedoelde controles en administratieve formaliteiten die worden uitgevoerd gedurende de openingsuren van de kantoren welke buiten het werkrooster van de staatsambtenaren vallen, worden verricht tegen vergoeding van de kosten van de verleende diensten .
3 De Commissie was van mening, dat de Italiaanse bepalingen, voor zover zij van de deelnemers aan het economisch verkeer die zich bij de douanekantoren van de grensposten melden tijdens de bij richtlijn 83/643 in de versie van richtlijn 87/53 bepaalde normale openingsuren, een vergoeding verlangen voor de kosten van de diensten verleend door het douanepersoneel tijdens de vier uur die de normale werktijd van de staatsambtenaren in Italië te boven gaan, niet enkel onverenigbaar waren met artikel 5, leden 1 en 4, van richtlijn 83/643, zoals gewijzigd bij richtlijn 87/53, maar ook een heffing van gelijke werking als een bij de artikelen 9 en 12 EEG-Verdrag in het intracommunautaire handelsverkeer verboden douanerecht invoerden . Voorts zou de litigieuze Italiaanse regeling in het verkeer met derde landen in strijd zijn met het verbod van heffingen van gelijke werking als douanerechten in de EEG-verordeningen houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten, en in de tussen de Gemeenschap en sommige derde landen gesloten preferentiële akkoorden .
4 De Commissie leidde daarom de procedure van artikel 169 EEG-Verdrag in door de Italiaanse Republiek bij brief van 28 april 1986 in gebreke te stellen .
5 Toen die brief onbeantwoord bleef, zond de Commissie op 31 oktober 1986 de Italiaanse Republiek een met redenen omkleed advies als bedoeld in artikel 169, lid 1, EEG-Verdrag .
6 Op 21 mei 1987 deelde de Italiaanse Republiek de Commissie mee, dat er interministerieel overleg gaande was om het probleem grondig te onderzoeken, en dat de resultaten van dat onderzoek onverwijld aan de Commissie zouden worden meegedeeld .
7 Toen iedere mededeling daaromtrent uitbleef, heeft de Commissie het onderhavige beroep ingesteld .
8 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het geding, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
9 Met betrekking tot het intracommunautaire handelsverkeer moet eerst worden onderzocht, of de in geding zijnde vergoeding een heffing vormt van gelijke werking als een douanerecht, die verboden is ingevolge de artikelen 9 en 12 EEG-Verdrag juncto artikel 5 van richtlijn 83/643, zoals gewijzigd bij richtlijn 87/53 .
10 Dienaangaande zij er allereerst aan herinnerd, dat artikel 9 EEG-Verdrag in - en uitvoerrechten in eigenlijke zin, alsook alle heffingen van gelijke werking in het verkeer tussen Lid-Staten verbiedt .
11 Zoals het Hof al menigmaal heeft vastgesteld ( zie laatstelijk het arrest van 27 september 1988, zaak 18/87, Commissie/Bondsrepubliek Duitsland, Jurispr . 1988, blz . 5427 ) vindt het verbod van douanerechten en heffingen van gelijke werking voorts zijn rechtvaardiging in de belemmering die geldelijke lasten wegens grensoverschrijding - hoe gering zij ook zijn - opleveren voor het goederenverkeer, doordat zij kunstmatig de prijs van de ingevoerde of uitgevoerde goederen ten opzichte van binnenlandse goederen verhogen . Ongeacht benaming en structuur, vormt iedere eenzijdig opgelegde geldelijke last die wegens grensoverschrijding op goederen wordt gelegd en geen douanerecht is in eigenlijke zin, een heffing van gelijke werking in de zin van de artikelen 9, 12, 13 en 16 EEG-Verdrag .
12 In de onderhavige zaak wordt niet betwist, dat de in de Italiaanse wettelijke regeling voorziene heffing wegens grensoverschrijding op de goederen wordt gelegd en dat zij bij de transportkosten komt, waardoor de prijs van de vervoerde goederen wordt verhoogd .
13 Anderzijds wordt niet gesteld, dat de wegens grensoverschrijding verrichte formaliteiten en handelingen waarvoor de heffing wordt opgelegd, op grond van het gemeenschapsrecht plaatsvinden . Mitsdien moet worden aangenomen, dat het in casu gaat om formaliteiten en handelingen die enkel ingevolge de nationale wetgeving worden verricht .
14 Volgens de regering van de Italiaanse Republiek evenwel vindt de in haar wetgeving voorziene heffing haar rechtvaardiging in het feit dat zij wordt opgelegd voor verrichtingen buiten de normale werktijden van het douanepersoneel van de grensposten en aldus de tegenprestatie vormt voor een aan de vervoerondernemer verleende dienst, aan de waarde waarvan zij evenredig is .
15 Volgens vaste rechtspraak van het Hof is een wegens grensoverschrijding op goederen gelegde last geen door het Verdrag verboden heffing van gelijke werking, indien hij de tegenprestatie vormt voor een daadwerkelijk en individueel aan de verkeersdeelnemer verleende dienst en het bedrag ervan evenredig is aan die dienst ( zie het arrest van 26 februari 1975, zaak 63/74, Cadsky, Jurispr . 1975, blz . 281 ). Wil dit het geval zijn, dan moet het gaan om een bijzonder of individueel voordeel voor de deelnemer aan het economisch verkeer .
16 Van zulk een bijzondere dienst is evenwel geen sprake in het geval van een vervoerondernemer die zich bij een douanekantoor meldt tijdens de normale openingsuren van grensposten, die bij artikel 5, lid 1, sub a, tweede streepje, van richtlijn 83/643, zoals gewijzigd bij richtlijn 87/53, zijn vastgesteld op ten minste tien opeenvolgende uren van maandag tot en met vrijdag en ten minste zes opeenvolgende uren op zaterdag, behalve indien de betrokken dagen feestdagen zijn .
17 Hieruit volgt, dat de Italiaanse Republiek, door in het kader van het intracommunautaire handelsverkeer aan de verkeersdeelnemers de kosten in rekening te brengen van de controles en administratieve formaliteiten verricht gedurende een deel van de normale openingstijden van de grenskantoren, vastgesteld bij artikel 5, lid 1, sub a, tweede streepje, van richtlijn 83/643, zoals gewijzigd bij richtlijn 87/53, de krachtens de artikelen 9 en 12 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet is nagekomen .
18 Met betrekking tot de douaneverrichtingen in het handelsverkeer met derde landen verklaart de Commissie in haar brief waarmee zij de Italiaanse regering in gebreke stelde, dat "het heffen, van in de omstandigheden bedoeld in artikel 5, lid 1, tweede streepje, van richtlijn 83/643 handelende belastingplichtigen, van bijzondere vergoedingen als tegenprestatie voor diensten, van maandag tot en met vrijdag door het douanepersoneel verleend gedurende vier binnen de normale openingstijden van de douanekantoren vallende uren, een heffing vormt van gelijke werking als een douanerecht, verboden bij de EEG-verordeningen betreffende de gemeenschappelijke ordening van de markten in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid alsmede bij de door de Gemeenschap met sommige derde landen gesloten preferentiële akkoorden ".
19 In het aan de regering van de Italiaanse Republiek gezonden met redenen omkleed advies is het bezwaar van de Commissie op gelijke wijze geformuleerd .
20 In haar verzoekschrift bezigt de Commissie dezelfde bewoordingen, maar voegt zij eraan toe, dat de door de Italiaanse wetgeving voorziene vergoeding in het bijzonder in strijd is met artikel 20, lid 2, van verordening nr . 425/77 van de Raad van 14 februari 1977 tot wijziging van verordening nr . 805/68 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector rundvlees, en tot aanpassing van verordening nr . 827/68, alsmede van verordening nr . 950/68 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief ( PB 1977, L 61, blz . 1 ), en met artikel 6 van de overeenkomst gehecht aan verordening nr . 1691/73 van de Raad van 25 juni 1973 houdende sluiting van een Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen en houdende vaststelling van bepalingen ter uitvoering daarvan ( PB 1973, L 171, blz . 1 ).
21 De Commissie heeft evenwel niet het minste argument aangevoerd om aan te tonen dat een in de hierboven omschreven omstandigheden verlangde vergoeding is te beschouwen als een door het gemeenschapsrecht verboden heffing van gelijke werking als een douanerecht . Waar het in casu gaat om formaliteiten en verrichtingen die kunnen worden geacht plaats te vinden om te voldoen aan door het gemeenschapsrecht, met name ter uitvoering van het gemeenschappelijk douanetarief opgelegde verplichtingen, had de Commissie dienen aan te tonen, in welk opzicht en onder welke voorwaarden het heffen van zulk een vergoeding in strijd is met een bij of krachtens het EEG-Verdrag opgelegde verplichting .
22 Weliswaar is het de Lid-Staten in het algemeen niet toegestaan, bovenop de krachtens de gemeenschapsregeling verschuldigde rechten nog binnenlandse vergoedingen te heffen, omdat die gemeenschapsregeling dan haar noodzakelijk eenvormig karakter zou verliezen ( zie het arrest van 28 juni 1978, zaak 70/77, Simmenthal, Jurispr . 1978, blz . 1453 ), doch dit neemt niet weg, dat de Commissie tot staving van haar bezwaar geen enkel argument heeft aangevoerd waaruit blijkt of, en in welke omstandigheden, de gestelde niet-nakoming moet worden geacht vast te staan, met name gezien het argument van de Italiaanse regering, dat de betrokken heffing de tegenprestatie vormt voor een daadwerkelijk aan de importeur verleende dienst .
23 Door dit verzuim van de Commissie is het Hof niet in staat, de aan de Italiaanse Republiek verweten niet-nakoming met de vereiste nauwkeurigheid vast te stellen .
24 Mitsdien moeten de conclusies van de Commissie met betrekking tot de in het handelsverkeer met derde landen geheven vergoedingen worden verworpen .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
25 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Volgens artikel 69, paragraaf 3, eerste alinea, kan het Hof de proceskosten echter geheel of gedeeltelijk compenseren indien partijen onderscheidenlijk op één of meer punten in het ongelijk worden gesteld . Aangezien de Commissie slechts ten aanzien van een deel van haar grieven in het gelijk is gesteld, dienen de kosten te worden gecompenseerd .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verklaart :
1 ) Door in het kader van het intracommunautaire handelsverkeer aan de verkeersdeelnemers de kosten in rekening te brengen van de controles en administratieve formaliteiten verricht gedurende een deel van de normale openingstijden van de grenskantoren, vastgesteld bij artikel 5, lid 1, sub a, tweede streepje, van richtlijn 83/643 van de Raad van 1 december 1983 ter vereenvoudiging van de fysieke controle en de administratieve formaliteiten bij het goederenvervoer tussen Lid-Staten, zoals gewijzigd bij richtlijn 87/53, is de Italiaanse Republiek de krachtens de artikelen 9 en 12 EEG-Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen .
2 ) Het beroep wordt verworpen voor het overige .
3 ) Elk der partijen zal de eigen kosten dragen .
Full & Egal Universal Law Academy