Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1 . Ambtenaren - Beroep - Voorafgaande administratieve klacht - Besluit tot afwijzing van klacht van niet bevorderde kandidaat - Motivering
( Ambtenarenstatuut, artikel 90, lid 2 )
2 . Ambtenaren - Bevordering - Vergelijking van verdiensten - Beoordelingsvrijheid van administratie - Grenzen - Eerbiediging van voorwaarden van kennisgeving van vacature
( Ambtenarenstatuut, artikel 45 )
3 . Ambtenaren - Beroep - Beroep tot schadevergoeding - Nietigverklaring van bestreden onwettig besluit - Passend herstel van morele schade - Niet in geval van andere schade dan die veroorzaakt door nietigverklaard besluit
( Ambtenarenstatuut, artikel 91 )
Samenvatting
1 . Het tot aanstelling bevoegd gezag is niet gehouden, bevorderingsbesluiten te motiveren tegenover de niet bevorderde kandidaten, doch het is wel verplicht, het besluit waarbij zij een door een niet bevorderde kandidaat krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut ingediende klacht afwijst, met redenen te omkleden, waarbij de motivering van deze afwijzing wordt geacht samen te vallen met die van het besluit waartegen de klacht was gericht .
2 . In verband met bevorderingen beschikt het tot aanstelling bevoegd gezag weliswaar over een ruime beoordelingsvrijheid bij de vergelijking van de verdiensten en de beoordelingsrapporten van de kandidaten en kan het daarbij met name de aard van het te vervullen ambt in aanmerking nemen, doch het dient dit te doen binnen het kader dat het zichzelf met de kennisgeving van vacature heeft gesteld .
3 . De nietigverklaring van een door een ambtenaar bestreden besluit van de administratie vormt op zichzelf een passend herstel van de morele schade die die ambtenaar mocht hebben geleden .
De nietigverklaring van het besluit tot aanstelling van een andere ambtenaar en van dat tot afwijzing van de sollicitatie van de verzoeker vormt echter op zich geen passend herstel van de door laatstgenoemde geleden morele schade, wanneer de in het besluit tot afwijzing van de klacht vervatte onjuiste negatieve beoordeling van zijn capaciteiten op zich kwetsend is en binnen de instelling in ruime kring bekend is geworden, waardoor hij stellig immateriële schade heeft geleden, onafhankelijk van het besluit tot afwijzing van zijn sollicitatie .
Partijen
In zaak C-343/87,
A . Culin, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J.-N . Louis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij Y . Hamilius, advocaat aldaar, 11, boulevard Royal,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door S . Fabro, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, bijgestaan door Cl . Verbraeken, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van een besluit tot aanstelling van een andere ambtenaar in een ambt van afdelingshoofd, waarnaar verzoeker eveneens had gesolliciteerd, van het besluit tot afwijzing van verzoekers sollicitatie en van het uitdrukkelijke besluit tot afwijzing van zijn klacht tegen die besluiten,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vierde Kamer ),
samengesteld als volgt : C . N . Kakouris, kamerpresident, T . Koopmans en M . Díez de Velasco, rechters,
advocaat-generaal : J . Mischo
griffier : B . Pastor, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 15 juli 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 september 1989,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 5 november 1987, heeft A . Culin, ambtenaar van de Commissie van Europese Gemeenschappen, beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 24 november 1986 tot aanstelling van N . Argyris in een ambt van afdelingshoofd ( rang A 3 ), van het besluit tot afwijzing van zijn sollicitatie naar dat ambt en van het besluit van 3 augustus 1987 tot afwijzing van zijn klacht desbetreffend . Het beroep strekt voorts tot veroordeling van de Commissie tot betaling van één frank als symbolische vergoeding van de materiële en immateriële schade die verzoeker door die besluiten zegt te hebben geleden .
2 Verzoeker is op 7 september 1959 in dienst getreden bij de Commissie en sinds 1 oktober 1984 tewerkgesteld bij de afdeling Textiel, kleding, leder en overige be - en verwerkende industrie van directoraat B van het Directoraat-generaal concurrentie ( hierna : "DG IV/B-2 ").
3 Op 26 september 1986 publiceerde de Commissie kennisgeving van vacature COM/1607/86, betreffende het ambt van hoofd van die afdeling . Verzoeker, die dat ambt op dat moment waarnam, solliciteerde te zamen met zeventien andere ambtenaren .
4 In zijn advies van 27 oktober 1986 nam het raadgevend comité voor benoemingen in de rangen A 2 en A 3, overeenkomstig de voordracht van de directeur-generaal "Concurrentie", een lijst op van vijf kandidaten die in het bijzonder in aanmerking moesten worden genomen . Op die lijst kwam de naam van verzoeker niet voor . Op 24 november 1986 besloot de Commissie in het ambt te voorzien door aanstelling van Argyris, die op dat moment buiten DG IV werkzaam was .
5 In het besluit van 20 juli 1987 tot afwijzing van de klacht die verzoeker inmiddels had ingediend, verklaarde de Commissie onder meer, dat het tot aanstelling bevoegd gezag "met name rekening had gehouden met het door (( verzoeker )) vanaf 12 november 1985 vervulde interim, en is juist dit niet als bevredigend beoordeeld . Daarom heeft de Commissie aan het einde van dat interim besloten, door aanstelling van een andere ambtenaar in het ambt te voorzien ... Na hiermee het primaire argument te hebben beantwoord, is de Commissie van mening, dat de andere door (( verzoeker )) aangevoerde argumenten met betrekking tot de aanstelling van Argyris niet meer van belang zijn ".
6 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van de zaak en de conclusies, middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
7 Met betrekking tot verzoekers vordering tot nietigverklaring van het besluit tot afwijzing van zijn klacht, zij vooraf opgemerkt, dat volgens 's Hofs rechtspraak het beroep op het Hof tot gevolg heeft, dat het bezwarende besluit waartegen de klacht was ingediend, aan het oordeel van het Hof wordt onderworpen ( zie laatstelijk het arrest van 17.1.1989, zaak 293/87, Vainker, Jurispr . 1989, blz . 23 ). In casu moet het beroep dus worden geacht te strekken tot nietigverklaring van de besluiten tot aanstelling van Argyris en tot afwijzing van verzoekers sollicitatie .
Het middel ontleend aan schending van artikel 45 van het Statuut
8 Verzoeker stelt schending van artikel 45 van het Statuut . Volgens deze bepaling "geschiedt bevordering uitsluitend bij keuze uit de ambtenaren welke reeds een minimumdiensttijd in hun rang hebben, na een onderzoek waarbij de verdiensten der ambtenaren die voor bevordering in aanmerking komen, alsmede de beoordelingsrapporten die over hen zijn uitgebracht, onderling worden vergeleken ".
9 Verzoeker betoogt, dat de bovenvermelde beoordeling door de Commissie, in het antwoord op zijn klacht, van de wijze waarop bij zijn interim heeft vervuld, volstrekt niet overeenkomt met de in zijn persoonsdossier opgenomen beoordeling daarvan door zijn meerderen .
10 Omdat, zo vervolgt verzoeker, zijn sollicitatie is afgewezen om de in het antwoord op de klacht vermelde reden, volgt daaruit, dat bij de vergelijking van de verdiensten van de sollicitanten een kennelijke fout is gemaakt, die de gehele procedure die tot de aanstelling van Argyris in het betrokken ambt heeft geleid, ongeldig maakt .
11 Volgens de Commissie berust de verwijzing in het antwoord op verzoekers klacht naar de litigieuze beoordeling op een "eenvoudig misverstand", dat lang na het bestreden besluit is ontstaan en dat derhalve de geldigheid van dat besluit niet kan aantasten . De Commissie heeft op 24 mei 1988, na de indiening van het onderhavige beroep, het antwoord op de klacht voorzien van een addendum, waarin die beoordeling is rechtgezet en de werkelijke reden voor de afwijzing van verzoekers sollicitatie wordt vermeld, namelijk dat deze niet "alle vereiste kwalificaties (( bezat )) om tot de vijf meest geschikte kandidaten te worden gerekend ".
12 Gelet op het voorgaande en alvorens in te gaan op het aan artikel 45 van het Statuut ontleende nietigheidsmiddel, moet worden onderzocht, wat de motivering van de bestreden besluiten is .
13 In dit verband zij eraan herinnerd, dat het tot aanstelling bevoegd gezag volgens 's Hofs rechtspraak niet gehouden is, bevorderingsbesluiten te motiveren tegenover de niet bevorderde kandidaten, maar dat het daarentegen wel verplicht is, het besluit waarbij zij een door een niet bevorderde kandidaat krachtens artikel 90, lid 2, van het Statuut ingediende klacht afwijst, met redenen te omkleden ( arrest van 30.10.1974, zaak 188/73, Grassi, Jurispr . 1974, blz . 1099 ), waarbij de motivering van deze afwijzing wordt geacht samen te vallen met die van het besluit waartegen de klacht was gericht ( zie de arresten van 27.10.1977, zaak 121/76, Moli, Jurispr . 1977, blz . 1971, en 13.4.1978, zaak 75/77, Mollet, Jurispr . 1978, blz . 897 ). Deze rechtspraak is ook in een geval als het onderhavige van toepassing .
14 Er valt dus van uit te gaan, dat de in het antwoord op verzoekers klacht vermelde motivering ook ten grondslag ligt aan de bestreden besluiten, aangezien deze laatste de redenen waarom verzoekers sollicitatie niet is aanvaard, niet vermelden . De Commissie heeft deze motivering later evenwel als "misverstand" teruggetrokken in het bovenbedoelde addendum bij haar antwoord op verzoekers klacht .
15 Deze in het addendum opgenomen verbeterde motivering kan echter niet in aanmerking worden genomen, aangezien zij dateert van na de instelling van het beroep .
16 Mitsdien moet worden vastgesteld, dat een motivering van de bestreden besluiten ontbreekt . Deze dienen derhalve nietig te worden verklaard .
Het middel ontleend aan schending van kennisgeving van vacature COM/1607/86
17 Verzoeker stelt, dat de kandidaten voor het te vervullen ambt volgens punt 3 van de kennisgeving van vacature onder meer dienden te beschikken over "kennis van een of meer van de betrokken sectoren ".
18 De benoemde kandidaat zou zich echter nooit met een van de betrokken sectoren hebben beziggehouden en geen enkele kennis van de daar spelende problemen bezitten . Dit zou overigens duidelijk blijken uit de nota van 28 oktober 1986, door de directeur-generaal "Concurrentie" via een lid van de Commissie gericht aan de administratie, waarin hij blijk gaf van zijn voorkeur voor de in geding zijnde kandidaat . Volgens die nota moesten "niet zozeer specifieke kennis van deze of gene materie, maar onbevangenheid en organisatievermogen de doorslaggevende criteria zijn bij de keuze van de kandidaten voor de post in kwestie ".
19 Volgens 's Hofs rechtspraak beschikt het tot aanstelling bevoegd gezag weliswaar over een ruime beoordelingsvrijheid bij de vergelijking van de verdiensten en de beoordelingsrapporten van kandidaten en kan het daarbij met name de aard van het te vervullen ambt in aanmerking nemen, doch dient het dit niettemin te doen binnen het kader dat het zichzelf met de kennisgeving van vacature heeft gesteld ( zie het arrest van 30.10.1974, reeds aangehaald ).
20 Tot de voor het te vervullen ambt vereiste kwalificaties behoorde in dit geval, volgens punt 3 van de kennisgeving van vacature, "kennis van een of meer van de betrokken sectoren ". Die sectoren nu kunnen geen andere zijn dan die welke binnen de competentie van afdeling DG IV/B-2 vallen, te weten mededingingsregelingen en misbruik van machtspositie in de textiel -, kleding -, leder - en overige be - en verwerkende industrie .
21 Blijkens het dossier evenwel heeft het tot aanstelling bevoegd gezag niet de in de kennisgeving van vacature genoemde voorwaarde als doorslaggevend criterium beschouwd bij de keuze van de kandidaten voor het te vervullen ambt , maar veeleer "onbevangenheid en organisatievermogen ".
22 Dusdoende is het tot aanstelling bevoegd gezag, door zich niet te houden aan de in kennisgeving van vacature COM/1607/86 gestelde voorwaarden, getreden buiten het wettigheidskader dat zij zichzelf door die kennisgeving had gesteld .
23 Dit middel moet mitsdien worden aanvaard .
24 Op grond van het voorgaande moet worden geconcludeerd, dat het besluit van de Commissie van 24 november 1986 tot aanstelling van N . Argyris in het ambt van hoofd van de afdeling Textiel, kleding, leder en overige be - en verwerkende industrie bij het Directoraat-generaal concurrentie, alsmede het besluit van de Commissie tot afwijzing van verzoekers sollicitatie naar dit ambt, nietig moeten worden verklaard, zonder dat het noodzakelijk is de overige in het beroep aangevoerde middelen te onderzoeken .
De schadevordering
25 Verzoeker vordert veroordeling van de Commissie tot betaling van "één frank, als vergoeding van de door hem geleden materiële en immateriële schade ". Aangezien verzoekers materiële schade, ook wanneer zij zou zijn aangetoond, redelijkerwijze niet in het gevorderde bedrag kan bestaan, moet worden aangenomen dat de vordering strekt tot herstel van zijn immateriële schade .
26 Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat volgens de rechtspraak van het Hof de nietigverklaring van een door een ambtenaar bestreden besluit van de administratie op zichzelf een passend herstel vormt van elke morele schade die die ambtenaar mocht hebben geleden, en dat een schadevordering daardoor zonder voorwerp geraakt ( zie arresten van 7.10.1985, zaak 128/84, Van der Stijl, Jurispr . 1985, blz . 3281, en 9.7.1987, gevoegde zaken 44/85, 77/85, 294/85 en 295/85, Hochbaum en Rawes, Jurispr . 1987, blz . 3259 ).
27 In casu moet er evenwel op worden gewezen, dat de motivering van het antwoord van de Commissie op verzoekers klacht een onjuist gebleken negatieve beoordeling van zijn leidinggevende capaciteiten bevatte . Doordat deze op zich kwetsende beoordeling bij de Commissie in ruime kring bekend is geworden, heeft verzoeker stellig immateriële schade geleden, onafhankelijk van het besluit tot afwijzing van zijn sollicitatie .
28 Deze immateriële schade kan niet worden geacht volledig te zijn hersteld door de rectificatie in het door de Commissie bekendgemaakte addendum bij het antwoord op zijn klacht, dat op 24 mei 1988 is gedateerd . Het is immers niet zeker, dat dat addendum bekend is geworden aan al degenen die kennis hebben kunnen nemen van bedoelde kwetsende beoordeling, met name de omstandigheid in aanmerking genomen, dat die rectificatie negeneneenhalve maand na het antwoord op verzoekers klacht heeft plaatsgehad .
29 Mitsdien moet worden geoordeeld, dat de nietigverklaring van het besluit tot aanstelling van Argyris en van de afwijzing van verzoekers sollicitatie op zich geen passend herstel vormt van de immateriële schade die verzoeker heeft geleden . Er zijn derhalve termen aanwezig om de Commissie te veroordelen tot betaling aan verzoeker van één frank als symbolische vergoeding van diens immateriële schade .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
30 Volgens artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vierde Kamer ),
rechtdoende :
1 ) Verklaart nietig het besluit van de Commissie van 24 november 1986 houdende aanstelling van N . Argyris op de post van hoofd van de afdeling Textiel, kleding, leder en overige be - en verwerkende industrie bij het Directoraat-generaal concurrentie .
2 ) Verklaart nietig het besluit van de Commissie tot afwijzing van de sollicitatie van verzoeker Culin naar die post .
3 ) Veroordeelt de Commissie tot betaling aan verzoeker Culin van één frank, als symbolische vergoeding van diens immateriële schade .
4 ) Verwerpt het beroep voor het overige .
5 ) Verwijst de Commissie in de kosten van het geding .
Full & Egal Universal Law Academy