Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Beroep tot nietigverklaring - Middelen - Middelen ontleend aan onverenigbaarheid van nationale bepalingen met gemeenschapsrecht - Niet-ontvankelijkheid
( EEG-Verdrag, artikel 173 )
Samenvatting
In het kader van een beroep tot nietigverklaring van een handeling van afgeleid recht kan het Hof geen uitspraak doen over middelen ontleend aan de gestelde onverenigbaarheid van nationale bepalingen met het gemeenschapsrecht . Het Hof kan zich namelijk niet buiten het kader van een beroep wegens niet-nakoming uitspreken over de verenigbaarheid van het nationaal recht met het gemeenschapsrecht . Deze bevoegdheid komt toe aan de nationale rechter, in voorkomend geval nadat het Hof hem via een prejudiciële verwijzing de noodzakelijke verduidelijkingen over de strekking en de uitlegging van het gemeenschapsrecht heeft verstrekt .
Partijen
In zaak C-347/87,
Triveneta Zuccheri Spa, te Verona,
Consorzio Maxi, te Laives,
Unionzuccheri SRL, te Albizzate,
Rader GEC SNC, te Altavilla Vicentina,
Riseria Toscana, te Italo Meneghetti,
Avez Spa, te Milaan,
Seda Spa, te Modena,
Liguralcool SAS, te Genua,
vertegenwoordigd door G . M . Ubertazzi en F . Capelli, advocaten te Milaan, en door L . Schiltz, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende aldaar te diens kantore, 83, boulevard Grande-Duchesse Charlotte,
verzoeksters,
tegen
Commisie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur T . F . Cusack en E . Traversa, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking 87/533/EEG van de Commissie van 8 april 1987 betreffende steun van de Italiaanse regering ten behoeve van Italiaanse suikerhandelaren ( PB 1987, L 313, blz . 24 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Zesde Kamer ),
samengesteld als volgt : C . N . Kakouris, kamerpresident, F . A . Schockweiler, T . Koopmans, G . F . Mancini en T . F . O' Higgins, rechters,
advocaat-generaal : W . Van Gerven
griffier : H . A . Ruehl, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 22 november 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 11 januari 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 11 november 1987, hebben Triveneta Zuccheri Spa, te Verona, en zeven andere Italiaanse suikerhandelaren ( hierna : verzoeksters ) krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag, beroep ingesteld tot nietigverklaring van beschikking 87/533/EEG van de Commissie van 8 april 1987 betreffende steun van de Italiaanse regering ten behoeve van Italiaanse suikerhandelaren ( PB 1987, L 313, blz . 24 ).
2 In de bestreden beschikking, die tot de Italiaanse Republiek was gericht, stelde de Commissie dat de betaling aan de Italiaanse suikerhandelaren van 37,12 LIT/kg voor witte suiker die op 29 oktober 1984 in voorraad was, een met de gemeenschappelijke markt onverenigbare steunmaatregel van de staat in de zin van artikel 92, EEG-Verdrag was, die derhalve niet mocht worden toegekend .
3 Die betaling, die was voorzien in een besluit van 11 oktober 1984 van het Comitato interministeriale per la programmazione economica en in de besluiten nrs . 39/1984 van 24 oktober 1984 en 41/1984 van 16 november 1984 van het Comitato interministeriale dei prezzi, was bedoeld om de Italiaanse suikerhandelaren schadeloos te stellen voor de daling van hun winstmarge ten gevolge van de verlaging, bij besluit nr . 39/1984, in werking getreden op 30 oktober 1984, van de maximumverkoopprijs van suiker met 40,09 LIT/kg ten opzichte van de voorheen geldende prijs .
4 De Commissie heeft tegen het beroep een exceptie van niet-ontvankelijkheid in de zin van artikel 91, lid 1, eerste alinea, van het Reglement voor de procesvoering opgeworpen en heeft het Hof verzocht, hierop uitspraak te doen zonder op de zaak ten principale in te gaan .
5 Tot staving van haar exceptie van niet-ontvankelijkheid stelt de Commissie, dat verzoeksters' beroep tegen de beschikking in werkelijkheid een beroep wegens nalaten is tegen de Commissie, die in strijd met het gemeenschapsrecht zou hebben nagelaten, tegen de Italiaanse Republiek beroep wegens niet-nakoming in te stellen ten einde door het Hof te doen vaststellen, dat de Italiaanse regeling inzake de vaststelling van maximumverkoopprijzen van suiker onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht .
6 Verzoeksters verzoeken het Hof om verwerping van de exceptie . Zij betogen dat er tussen de bestreden beschikking en de Italiaanse prijsregeling voor suiker een onlosmakelijk verband bestaat, zodat de wettigheid van de bestreden beschikking niet ter discussie kan worden gesteld zonder dat de verenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van de Italiaanse regeling voor de vaststelling van maximumprijzen voor suiker eveneens aan de orde komt .
7 Op 23 november 1988 heeft het Hof besloten, de ontvankelijkheid te zamen met de grond van de zaak te behandelen .
8 Ten gronde bestrijden verzoeksters, die in aanmerking komen voor de door de Italiaanse regeling voorziene betaling, dat de litigieuze maatregel een met de gemeenschappelijke markt onverenigbare steunmaatregel is . In de eerste plaats zou deze slechts een vergoeding vormen voor de schade die de Italiaanse suikerhandelaren hebben geleden door de toepassing van een met het gemeenschapsrecht strijdige nationale regeling inzake de vaststelling van de suikerprijzen . Voorts zou de betrokken betaling noodzakelijk zijn ter voorkoming van een bij artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag verboden discriminatie tussen handelaren die op 29 oktober 1984 suiker in voorraad hadden en andere handelaren .
9 Volgens de Commissie is het beroep in ieder geval ongegrond . Aangaande verzoeksters' eerste middel stelt zij in hoofdzaak, dat de wettigheid van de bestreden beschikking, die voortvloeit uit de motivering ervan, en de beweerde onverenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van de Italiaanse regeling inzake de vastelling van maximumprijzen voor suiker, twee problemen zijn die volkomen los staan van elkaar . Met betrekking tot verzoeksters' tweede middel, ontleend aan schending van artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag, stelt de Commissie dat deze bepaling in casu niet van toepassing is, daar de gestelde discriminatie niet speelt tussen communautaire producenten van de Gemeenschap .
10 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
11 Zonder nader in te gaan op de middelen en argumenten van partijen, moet al aanstonds worden opgemerkt dat de twee middelen die verzoeksters in hun verzoekschrift aanvoeren en ter terechtzitting hebben toegelicht, van de premisse uitgaan dat de Italiaanse regeling inzake de vaststelling van de suikerprijzen onverenigbaar is met het gemeenschapsrecht .
12 Met hun eerste middel betogen verzoeksters immers, dat een nationale prijsregeling die van toepassing is in alle stadia van de produktie en de verhandeling van een produkt dat onder een gemeenschappelijke marktordening valt, volgens de rechtspraak van het Hof ( zie bij voorbeeld het arrest van 23.1.1975, zaak 31/74, Galli, Jurispr . 1975, blz . 47 ) onverenigbaar is met die gemeenschappelijke marktordening, omdat deze de Raad en de Commissie in de betrokken sectoren een uitsluitende bevoegdheid heeft toegekend . Dit zou te meer gelden wanneer de gemeenschappelijke marktordening - zoals die in casu bij verordening nr . 1785/81 van de Raad van 30 juni 1981 ( PB 1981, L 177, blz . 4 ) is ingevoerd voor de suikersector - is gebaseerd op een gemeenschappelijk prijzenstelsel dat de Lid-Staten belet om door eenzijdig vastgestelde nationale bepalingen in te grijpen in het prijsvormingsmechanisme zoals dit uit de gemeenschappelijke marktordening voortvloeit . In het kader van dit middel merken verzoeksters voorts op, dat de Italiaanse regeling inzake de vaststelling van de suikerprijzen het vrije goederenverkeer kan belemmeren en dus in strijd is met artikel 30 EEG-Verdrag .
13 Verzoeksters' tweede middel, betreffende artikel 40, lid 3, tweede volzin, EEG-Verdrag, houdt in dat de betaling waartoe de Italiaanse autoriteiten hadden besloten, onmisbaar was ter opheffing van de discriminatie waarvan de Italiaanse suikerhandelaren het slachtoffer waren geworden als gevolg van een met het gemeenschapsrecht strijdig optreden van de nationale overheid .
14 Ter terechtzitting hebben verzoeksters nog gesteld, dat de betrokken Italiaanse maatregel moet worden beschouwd als de teruggave van een bedrag dat de Italiaanse suikerhandelaren hebben moeten ontberen ten gevolge van een met het gemeenschapsrecht strijdige nationale regeling; zij verwijzen naar het arrest van 10 juli 1980 ( zaak 811/79, Ariete, Jurispr . 1980, blz . 2545, r.o . 15 ), ten betoge dat het hier derhalve niet gaat om een met de gemeenschappelijke markt onverenigbare steunmaatregel . Meer in het bijzonder hebben zij hun redenering gebaseerd op het "nemini licet venire contra factum proprium"-beginsel voor hun stelling dat de Commissie, die heeft nagelaten het Hof te verzoeken, de Italiaanse regeling inzake de maximumprijzen voor suiker onverenigbaar met het gemeenschapsrecht te verklaren, niet het recht heeft zich te verzetten tegen de betaling waartoe de Italiaanse overheid thans besloten heeft .
15 Om uitspraak te doen over de gegrondheid van verzoeksters' middelen, zou het Hof dus genoopt zijn zich uit te spreken over de vraag, of de Italiaanse regeling inzake de vaststelling van de maximumprijzen voor suiker verenigbaar is met het gemeenschapsrecht .
16 Het is evenwel vaste rechtspraak, dat het Hof zich buiten het kader van een beroep wegens niet-nakoming niet kan uitspreken over de verenigbaarheid van een nationale regeling met het gemeenschapsrecht . Deze bevoegdheid komt toe aan de nationale rechter, in voorkomend geval nadat deze het Hof via een prejudiciële verwijzing de noodzakelijke verduidelijkingen heeft gevraagd over de strekking en de uitlegging van het gemeenschapsrecht .
17 Bijgevolg kan het Hof geen uitspraak doen over de middelen die verzoeksters aanvoeren ten betoge dat de litigieuze Italiaanse regeling niet als een steunmaatregel kan worden aangemerkt, daar die middelen zijn gebaseerd op de beweerde onverenigbaarheid met het gemeenschapsrecht van de Italiaanse regeling inzake de maximumprijzen voor suiker . Anders zou het Hof immers in het kader van een beroep tot nietigverklaring van een beschikking van de Commissie een oordeel uitspreken over de vraag, of de Italiaanse regeling inzake de vaststelling van de suikerprijzen verenigbaar is met het gemeenschapsrecht .
18 Nu verzoeksters geen andere middelen hebben aangevoerd ten bewijze dat de bestreden beschikking onwettig is, moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
19 Ingevolge 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Aangezien verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld, dienen zij in de kosten te worden verwezen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Zesde Kamer ),
rechtdoende
1 ) Verklaart het beroep niet-ontvankelijk .
2 ) Verwijst verzoeksters hoofdelijk in de kosten .
Full & Egal Universal Law Academy