Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Gelijke behandeling - Nationale bepaling waarin voor aanspraak op recht op invaliditeitspensioen referentieperiode wordt vastgesteld - Toelaatbaarheid - Mogelijkheid van verlenging van referentieperiode - Uitsluiting van verlenging wanneer feiten of omstandigheden die daarop recht geven, plaatsvinden in andere Lid-Staat - Verkapte discriminatie - Ontoelaatbaarheid
(EEG-Verdrag, art. 48, lid 2, en 51)
Samenvatting
De artikelen 48, lid 2, en 51 EEG-Verdrag moeten aldus worden uitgelegd, dat zij er niet aan in de weg staan, dat de nationale wetgever de voorwaarden voor toekenning van een invaliditeitspensioen wijzigt en aanscherpt door het vaststellen van een aan het intreden van de invaliditeit voorafgaande referentieperiode, gedurende welke de verzekerde onder de verplichte verzekering vallende werkzaamheden moet hebben verricht en een minimum aantal premies moet hebben betaald om recht te hebben op toekenning van het invaliditeitspensioen, mits deze voorwaarden niet leiden tot een openlijke of verkapte discriminatie tussen werknemers van de Gemeenschap.
Zij staan echter wel eraan in de weg, dat een dergelijke wettelijke regeling, wanneer deze onder bepaalde omstandigheden de verlenging van de referentieperiode mogelijk maakt, in deze mogelijkheid niet voorziet indien feiten of omstandigheden als die welke tot verlenging kunnen leiden, zich in een andere Lid-Staat voordoen, want aldus kan zij, ook al is zij formeel van toepassing op iedere werknemer uit de Gemeenschap, aanzienlijk nadeliger uitvallen voor migrerende werknemers die, met name bij ziekte of werkloosheid, geneigd zijn naar hun land van herkomst terug te keren, en kan zij hen dus ervan weerhouden hun recht van vrij verkeer uit te oefenen.
Partijen
In zaak C-349/87,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Sozialgericht Stuttgart, in het aldaar aanhangig geding tussen
E. Paraschi
en
Landesversicherungsanstalt Wuerttemberg,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 48, lid 2, en 51 EEG-Verdrag alsmede over de uitlegging en de geldigheid van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971, L 149, blz. 2),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
samengesteld als volgt: G. F. Mancini, kamerpresident, T. F. O' Higgins, C. N. Kakouris, F. A. Schockweiler en P. J. G. Kapteyn, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: V. Di Bucci, administrateur
gelet op de schriftelijke opmerkingen ingediend door:
- E. Paraschi, vertegenwoordigd door H. Runft, Rechtsassessorin bij het Adviescentrum voor Griekse repatrianten,
- de Landesversicherungsanstalt Wuerttemberg, vertegenwoordigd door A. Oppenlaender, afdelingshoofd,
- de Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Carbery en J. Huber, adviseurs bij zijn juridische dienst, als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur D. Gouloussis en J. Grunwald, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van Paraschi, de Landesversicherungsanstalt Wuerttemberg, vertegenwoordigd door haar Geschaeftsfuehrer H. Muschel en Regierungsdirektor P. Wagner, en de Commissie ter terechtzitting van 30 april 1991,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 juni 1991,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 6 oktober 1987, ingekomen bij het Hof op 16 november daaraanvolgend, heeft het Sozialgericht Stuttgart krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van de artikelen 48, lid 2, en 51 EEG-Verdrag alsmede over de uitlegging en de geldigheid van verordening (EEG) nr. 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen (PB 1971, L 149, blz. 2), ten einde de verenigbaarheid met deze bepalingen te kunnen beoordelen van de Duitse wettelijke regeling inzake invaliditeits- of arbeidsongeschiktheidspensioenen.
2 Deze vraag is gerezen in het kader van vier gedingen tussen enerzijds Pougaridou, Paraschi, Papanikolaou en Portale en anderzijds de Landesverschicherungsanstalt Wuerttemberg (hierna: "verweerster in het hoofdgeding") naar aanleiding van de weigering van laatstgenoemde om verzoekers een invaliditeitspensioen toe te kennen.
3 De Duitse regeling betreffende de toekenning van een pensioen bij invaliditeit of arbeidsongeschiktheid is per 1 januari 1984 gewijzigd door invoeging van twee nieuwe bepalingen, te weten § 1246, lid 2, en § 1247, lid 2, in de Reichsversicherungsordnung (hierna: "RVO").
4 Die wijziging, waarbij de voorwaarden voor toekenning van een invaliditeitspensioen werden aangescherpt, kan worden samengevat als volgt. Vanaf 1 januari 1984 worden uitkeringen wegens verminderde arbeidsgeschiktheid nog slechts toegekend wanneer de verzekerde een onder de verplichte verzekering vallende werkzaamheid heeft uitgeoefend en in de aan het intreden van de invaliditeit voorafgaande periode van 60 maanden (de referentieperiode) ten minste 36 maandpremies heeft betaald. Bij de bepaling van die periode blijven bepaalde, limitatief aangegeven tijdvakken als "niet-meetellende tijdvakken", buiten beschouwing, zodat zij bij de periode van 60 maanden komen en deze dus verlengen. Tot deze niet-meetellende tijdvakken behoren de tijdvakken van onderbreking, onder meer wegens ziekte of werkloosheid, wanneer deze hebben geleid tot de toekenning van uitkeringen of, onder bepaalde voorwaarden, wanneer zij daartoe niet hebben geleid, alsmede de tijdvakken van arbeidsongeschiktheid en werkloosheid, voor zover daarmee niet reeds op andere wijze rekening moet worden gehouden.
5 Verder werd een overgangsregeling ingevoerd met het doel de vroegere voorwaarden voor toekenning van een invaliditeitspensioen tot 31 december 1984 te handhaven, wanneer ten minste voor iedere kalendermaand gedurende de periode van 1 januari 1984 tot en met 31 december 1984 vrijwillige premies werden betaald.
6 De toepassing van deze regeling op migrerende werknemers gaf in Duitsland aanleiding tot bepaalde problemen met betrekking tot de vergelijkbaarheid en de gelijkstelling van krachtens het Duitse recht verleende uitkeringen (die de referentieperiode van 60 maanden kunnen verlengen) met krachtens het recht van een andere Lid-Staat verleende uitkeringen (die, volgens de Duitse verzekeringsorganen, de referentieperiode niet kunnen verlengen).
7 Nadat sommige van de in de vier hoofdgedingen gerezen problemen met terugwerkende kracht tot 1 januari 1984 waren opgelost door de invoeging, bij verordening (EEG) nr. 2332/89 van de Raad van 18 juli 1989 (PB 1989, L 224, blz. 1), van een artikel 9 bis in verordening nr. 1408/71, heeft het Sozialgericht Stuttgart bij beschikking van 27 maart 1990, ingekomen bij het Hof op 30 april daaraanvolgend, meegedeeld dat de oorspronkelijk gestelde vraag alleen ten aanzien van Paraschi gehandhaafd bleef.
8 Uit de stukken blijkt dat Paraschi, die de Griekse nationaliteit bezit en in 1943 is geboren, van 1965 tot 1979 met enige onderbrekingen een onder de verplichte verzekering vallende werkzaamheid heeft uitgeoefend. In totaal heeft zij uit hoofde van de pensioenverzekering 102 Duitse en 5 Griekse verzekeringsmaanden vervuld. In 1977 werd Paraschi ziek. In 1979 verliet zij Duitsland om terug te keren naar haar land van herkomst, waar zij wegens een verslechtering van haar gezondheid geen arbeid in loondienst meer kon verrichten, maar omdat zij niet voldoende Griekse verzekeringstijdvakken had vervuld, ontving zij in Griekenland geen invaliditeitspensioen.
9 Twee in 1978 respectievelijk 1980 ingediende verzoeken om toekenning van een Duits invaliditeitspensioen werden door het bevoegde orgaan afgewezen op grond dat Paraschi' s arbeidscapaciteit niet in die mate verminderd was, dat zij volgens de Duitse wettelijke regeling als invalide kon worden beschouwd. Na een verdere verslechtering van haar gezondheid diende Paraschi op 16 mei 1985 een derde verzoek om invaliditeitspensioen in. Ofschoon dit keer werd vastgesteld dat Paraschi om gezondheidsredenen althans tijdelijk arbeidsongeschikt was, wees verweerster in het hoofdgeding het verzoek af op grond dat betrokkene niet voldeed aan de inmiddels ingevoerde voorwaarden van de RVO, zoals hierboven uiteengezet.
10 Daarop heeft Paraschi bij het Sozialgericht Stuttgart beroep ingesteld tegen de beslissing tot afwijzing van haar verzoek.
11 Met het oog op de oplossing van dit geschil en de eerder genoemde drie andere geschillen heeft het Sozialgericht Stuttgart het Hof de volgende prejudiciële vraag gesteld:
"Is verordening (EEG) nr. 1408/71 in samenhang met de §§ 1246, lid 2, sub a, en 1247, lid 2, sub a, van de Reichsversicherungsordnung (RVO) verenigbaar met de artikelen 48, lid 2, en 51 EEG-Verdrag ?"
12 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
13 Allereerst moet worden opgemerkt, dat het Hof zich in het kader van artikel 177 EEG-Verdrag niet kan uitspreken over de verenigbaarheid van een nationale wettelijke regeling met het Verdrag. Het is daarentegen wel bevoegd de nationale rechter alle gegevens voor de uitlegging van het gemeenschapsrecht te verschaffen, aan de hand waarvan hij die verenigbaarheid kan beoordelen met het oog op de beslechting van de voor hem aanhangige zaak (zie bij voorbeeld het arrest van 18 juni 1991, zaak C-369/89, Piageme, Jurispr. 1991; blz. 2971, r.o. 7).
14 De vraag van de nationale rechter dient derhalve aldus te worden begrepen:
"a) Moeten de artikelen 48, lid 2, en 51 EEG-Verdrag aldus worden uitgelegd, dat zij in de weg staan aan een nationale wettelijke regeling die de voorwaarden voor toekenning van een invaliditeitspensioen in zoverre aanscherpt, dat een dergelijk pensioen voortaan nog slechts wordt toegekend wanneer de verzekerde onder de verplichte verzekering vallende werkzaamheden heeft verricht en in de aan het intreden van de invaliditeit voorafgaande periode van 60 maanden (de referentieperiode) ten minste 36 maandpremies heeft betaald, waarbij deze periode kan worden verlengd wanneer zich in de betrokken Lid-Staat bepaalde, limitatief aangegeven, feiten en omstandigheden voordoen die hebben geleid tot onderbreking van een onder de verplichte verzekering vallende werkzaamheid van de werknemer ?
b) Indien verordening nr. 1408/71 niet in de weg staat aan een dergelijke wijziging van een nationale wettelijke regeling, is zij dan om die reden, gelet op de artikelen 48, lid 2, en 51 EEG-Verdrag, ongeldig ?"
De eerste vraag
15 Volgens vaste rechtspraak bepalen artikel 51 EEG-Verdrag en verordening nr. 1408/71 enkel, dat de in de verschillende Lid-Staten vervulde tijdvakken van verzekering moeten worden samengeteld; zij regelen echter niet de voorwaarden waaronder die tijdvakken van verzekering kunnen ontstaan (arrest van 28 februari 1989, zaak 29/88, Schmitt, Jurispr. 1989, blz. 581). Het staat immers aan de wettelijke regeling van elke Lid-Staat, de voorwaarden vast te stellen waaronder het recht of de verplichting tot aansluiting bij een stelsel van sociale zekerheid ontstaat, zolang hierbij maar geen onderscheid wordt gemaakt tussen eigen onderdanen en onderdanen van andere Lid-Staten (arrest van 24 april 1980, zaak 110/79, Coonan, Jurispr. 1980, blz. 1445, r.o. 12).
16 Derhalve staat het gemeenschapsrecht er niet aan in de weg, dat de nationale wetgever de voorwaarden voor toekenning van een invaliditeitspensioen wijzigt, ook niet in dier voege dat die voorwaarden worden aangescherpt, mits de nieuwe voorwaarden niet leiden tot openlijke of verkapte discriminatie van werknemers uit de Gemeenschap.
17 Een aan het intreden van de invaliditeit voorafgaande referentieperiode, gedurende welke de verzekerde een minimumaantal premies moet hebben betaald om recht te hebben op toekenning van een invaliditeitspensioen, is op zich een objectief criterium dat op dezelfde wijze voor alle werknemers uit de Gemeenschap geldt.
18 Dit is ook het geval wanneer de nationale wetgever heeft voorzien in de mogelijkheid de referentieperiode te verlengen, mits de voorwaarden waarvan deze mogelijkheid afhangt, niet discriminerend zijn.
19 Paraschi betoogt, dat voorwaarden als in de RVO zijn voorzien, kunnen leiden tot discriminatie van migrerende werknemers die, na werkzaam te zijn geweest in de Lid-Staat van het bevoegde orgaan, deze staat verlaten om naar hun land van herkomst terug te keren. Deze discriminatie zou voortvloeien uit de verschillende structuur van de sociale-zekerheidsregelingen van de Lid-Staten, die tot gevolg heeft dat bepaalde feiten of omstandigheden de referentieperiode verlengen wanneer zij plaatsvinden in de Lid-Staat van het bevoegde orgaan, terwijl zij, wanneer zij plaatsvinden in de staat van herkomst van de werknemer, niet in aanmerking kunnen worden genomen voor de in de wettelijke regeling van de eerste Lid-Staat voorziene verlenging van de referentieperiode.
20 Paraschi verwijst met name naar de tijdvakken van ziekte of werkloosheid, die wanneer zij onder de in de Duitse wettelijke regeling bedoelde voorwaarden zijn vervuld, de referentieperiode verlengen, zelfs indien de werknemer geen ziektegeld of werkloosheidsuitkering heeft ontvangen, terwijl deze mogelijkheid niet bestaat wanneer de werknemer in zijn Lid-Staat van herkomst, bij voorbeeld Griekenland, door ziekte of werkloosheid wordt getroffen.
21 Om te beginnen moet worden opgemerkt, dat verordening nr. 1408/71 geen bepalingen bevat voor gevallen als waarop het hoofdgeding betrekking heeft.
22 Vervolgens moet eraan worden herinnerd, dat ook al laat artikel 51 EEG-Verdrag volgens vaste rechtspraak verschillen bestaan tussen de sociale-zekerheidsstelsels van de Lid-Staten en, bijgevolg, ook in de rechten van de personen die er werkzaam zijn (arrest van 7 februari 1991, zaak C-227/89, Roenfeldt, Jurispr. 1991, blz. I-323), het doel van de artikelen 48 tot en met 51 EEG-Verdrag echter zeker niet zou worden bereikt, indien de migrerende werknemers ten gevolge van de uitoefening van hun recht van vrij verkeer voordelen op het gebied van de sociale zekerheid zouden verliezen die hun reeds door de wettelijke regeling van een Lid-Staat zijn gewaarborgd; een dergelijk gevolg zou een werknemer in de Gemeenschap er immers van kunnen weerhouden zijn recht van vrij verkeer uit te oefenen, en daarmee een belemmering voor dit vrije verkeer kunnen opleveren (zie laatstelijk het arrest van 7 maart 1991, zaak C-10/90, Masgio, Jurispr. 1991, blz. I-1119, r.o. 18).
23 Uit het arrest van 28 juni 1978 (zaak 1/78, Kenny, Jurispr. 1978, blz. 1489) blijkt, dat dit gevolg zich kan voordoen indien de nationale wetgever de voorwaarden voor verkrijging of handhaving van het recht op uitkeringen aldus omschrijft, dat in feite slechts eigen onderdanen eraan kunnen voldoen, of indien de voorwaarden voor verval of schorsing van het recht op uitkering aldus zijn omschreven, dat zij zich in feite bij onderdanen van andere Lid-Staten eerder realiseren dan bij onderdanen van de staat van het bevoegde orgaan.
24 Dit is het geval bij een wettelijke regeling als thans in het hoofdgeding ter discussie staat. Weliswaar is deze regeling formeel van toepassing op iedere werknemer uit de Gemeenschap en kan zij dus leiden tot verlenging van zijn referentieperiode, doch voor zover die verlenging niet mogelijk is wanneer feiten of omstandigheden als die welke tot verlenging kunnen leiden, zich in een andere Lid-Staat voordoen, kan zij aanzienlijk nadeliger uitvallen voor migrerende werknemers, aangezien het vooral deze laatste zijn die, met name bij ziekte of werkloosheid, geneigd zijn naar hun land van herkomst terug te keren.
25 Een dergelijke wettelijke regeling heeft dus tot gevolg, dat migrerende werknemers ervan worden weerhouden hun recht van vrij verkeer uit te oefenen.
26 De invoering van een overgangsperiode door de nationale wetgever, waarin onder bepaalde, nauwkeurig aangegeven omstandigheden de vóór de betrokken wetswijziging van kracht zijnde regeling kan blijven gelden, kan aan deze vaststelling niet afdoen.
27 Gelet op het voorgaande moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat de artikelen 48, lid 2, en 51 EEG-Verdrag aldus moeten worden uitgelegd, dat zij er niet aan in de weg staan, dat een nationale wettelijke regeling de voorwaarden voor toekenning van een invaliditeitspensioen in die zin aanscherpt, dat een dergelijk pensioen voortaan slechts wordt toegekend wanneer de verzekerde onder de verplichte verzekering vallende werkzaamheden heeft verricht en in de aan het intreden van de invaliditeit voorafgaande periode van 60 maanden (de referentieperiode) ten minste 36 maandpremies heeft betaald, maar dat zij er wel aan in de weg staan, dat een dergelijke wettelijke regeling, wanneer deze een verlenging van de referentieperiode op grond van bepaalde feiten of omstandigheden toestaat, die verlenging niet toestaat indien die feiten of omstandigheden zich in een andere Lid-Staat voordoen.
De tweede vraag
28 Aangezien verordening nr. 1408/71 niet het soort gevallen regelt waarop het hoofdgeding betrekking heeft (r.o. 21 hierboven), behoeft geen uitspraak te worden gedaan over de tweede vraag.
Beslissing inzake de kosten
Kosten
29 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen en de Raad van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE (Zesde kamer),
uitspraak doende op de door het Sozialgericht Stuttgart bij beschikkingen van 6 oktober 1987 en 27 maart 1990 gestelde vraag, verklaart voor recht:
De artikelen 48, lid 2, en 51 EEG-Verdrag moeten aldus worden uitgelegd, dat zij er niet aan in de weg staan, dat een nationale wettelijke regeling de voorwaarden voor toekenning van een invaliditeitspensioen in die zin aanscherpt, dat een dergelijk pensioen voortaan slechts wordt toegekend wanneer de verzekerde onder de verplichte verzekering vallende werkzaamheden heeft verricht en in de aan het intreden van de invaliditeit voorafgaande periode van 60 maanden (de referentieperiode) ten minste 36 maandpremies heeft betaald. Zij staan er echter wel aan in de weg, dat een dergelijke wettelijke regeling, wanneer deze een verlenging van de referentieperiode op grond van bepaalde feiten of omstandigheden toestaat, die verlenging niet toestaat indien die feiten of omstandigheden zich in een andere Lid-Staat voordoen.
Full & Egal Universal Law Academy