Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1 . Ambtenaren - Beroep - Middelen - Misbruik van bevoegdheid - Begrip
2 . Ambtenaren - Aanwerving - Vergelijkend onderzoek - Jury - Opstelling van met redenen omkleed verslag - Doel
( Ambtenarenstatuut, bijlage III, artikel 5, zesde alinea )
Samenvatting
1 . Ter zake van een besluit kan slechts worden gesproken van misbruik van bevoegdheid wanneer er objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan dat het is genomen ter bereiking van andere doeleinden dan die welke de administratie stelt te hebben nagestreefd .
2 . De krachtens artikel 5, zesde alinea, van bijlage III bij het Ambtenarenstatuut voor de jury geldende verplichting om de aan het tot aanstelling bevoegde gezag te zenden lijst van geschikte kandidaten vergezeld te doen gaan van een met redenen omkleed verslag, heeft tot doel, dat gezag in staat te stellen een oordeelkundig gebruik te maken van zijn keuzevrijheid, hetgeen veronderstelt dat het zowel wordt ingelicht over de algemene normen die de jury heeft gehanteerd, als over de toepassing die zij eraan heeft gegeven ten aanzien van de op de lijst van geschikte kandidaten geplaatste sollicitanten .
Partijen
In de gevoegde zaken 361 en 362/87,
L . Caturla-Poch en F . de la Fuente Pascual, ambtenaren van het Europese Parlement, vertegenwoordigd door A . May, advocaat te Luxemburg, bijgestaan door V . Biel, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A . May, 31, Grand-rue,
verzoekers,
tegen
Europese Parlement, vertegenwoordigd door zijn juridisch adviseur F . Pasetti-Bombardella en M . Peter, afdelingshoofd, als gemachtigden, bijgestaan door A . Bonn, advocaat te Luxemburg, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van laatstgenoemde, 22, Côte d' Eich,
verweerder,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de jury van intern vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken LA/103 - ter voorziening in het ambt van hoofd van de Spaanse en van de Portugese vertaalafdeling - om verzoekers niet op de lijst van geschikte kandidaten te plaatsen, subsidiair nietigverklaring van alle verrichtingen van dat vergelijkend onderzoek,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Derde kamer ),
samengesteld als volgt : F . Grévisse, kamerpresident, J . C . Moitinho de Almeida en M . Zuleeg, rechters,
advocaat-generaal : J . Mischo
griffier : H . A . Ruehl, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 2 maart 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 18 april 1989,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschriften, neergelegd ter griffie van het Hof op 4 december 1987, hebben L . Caturla-Poch en F . de la Fuente Pascual, ambtenaren van het Europese Parlement, beroep ingesteld tot nietigverklaring van het hun op 27 januari 1987 meegedeelde besluit van de jury van intern vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken LA/103 - ter voorziening in het ambt van hoofd van de Spaanse respectievelijk de Portugese vertaalafdeling - om verzoekers niet op de lijst van geschikte kandidaten te plaatsen, en subsidiair tot nietigverklaring van alle verrichtingen van het vergelijkend onderzoek .
2 Tegen dat besluit dienden verzoekers op 27 respectievelijk 15 april 1987 een klacht in, die door de voorzitter van het Europese Parlement bij schrijven van 8 september 1987 werd afgewezen . Na de verschillende normen te hebben vermeld die de jury voor de beoordeling van de bewijsstukken van de kandidaten had bepaald, verklaarde de voorzitter, dat verzoekers bij dat onderzoek minder dan 24/40 punten hadden behaald, met name als gevolg van het aantal punten dat hun was toegekend op het onderdeel "organisatievermogen ".
3 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het geding, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
4 Tot staving van hun beroep voeren verzoekers vier middelen aan : schending van de vormvoorschriften van artikel 5, zesde alinea (( lees : derde alinea )), van bijlage III bij het Statuut; schending van het beginsel van gelijke behandeling van de kandidaten, misbruik van bevoegdheid en ontbreken van motivering van het bestreden besluit .
5 Ter terechtzitting hebben verzoekers nog een ander middel aangevoerd, ontleend aan incongruentie tussen de in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek genoemde beoordelingsnormen en de door de jury gehanteerde normen . Ingevolge artikel 42, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering mogen in de loop van het geding geen nieuwe middelen worden voorgedragen . Over dit ter terechtzitting aangevoerde middel behoeft dus niet te worden beslist .
Het eerste middel
6 Verzoekers stellen, dat de jury haar normen voor de beoordeling van de bewijsstukken heeft bepaald na de lijst van de tot het vergelijkend onderzoek toegelaten kandidaten te hebben vastgesteld, zulks in strijd met artikel 5, derde alinea, van bijlage III bij het Statuut .
7 Volgens de eerste alinea van artikel 5 stelt de jury "na kennisneming van (( de )) dossiers ... de lijst vast van de sollicitanten die voldoen aan de voorwaarden, omschreven in de aankondiging van het vergelijkend onderzoek"; de derde alinea van genoemd artikel preciseert, dat "bij een vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken de jury, na de normen te hebben bepaald volgens welke zij deze stukken zal beoordelen, een onderzoek instelt naar de schriftelijke bewijsstukken van de sollicitanten die op ... bedoelde lijst zijn geplaatst ".
8 Volgens deze bepalingen moet de jury eerst de lijst van de tot het vergelijkend onderzoek toegelaten kandidaten vaststellen, vervolgens de normen voor de beoordeling van de bewijsstukken bepalen en ten slotte aan de hand van die normen de bewijsstukken onderzoeken van de kandidaten die tot het vergelijkend onderzoek zijn toegelaten . Vastgesteld moet worden, dat de jury deze bepalingen heeft nageleefd .
9 Ten slotte zij erop gewezen, dat het in het door verzoekers tot staving van hun middel aangehaalde arrest van 6 februari 1986 ( zaak 143/84, Vlachou, Jurispr . 1986, blz . 459 ) gaat om een andere situatie dan in de onderhavige zaak . Verzoekers stellen immers niet, dat de jury haar beoordelingsnormen heeft afgestemd op de bewijsstukken van de kandidaten, met het oogmerk sommigen hunner te bevoordelen en anderen te benadelen, hetgeen schending van het beginsel van gelijke behandeling zou hebben opgeleverd .
10 Uit het voorgaande volgt, dat het eerste middel moet worden afgewezen .
Het tweede middel
11 Verzoekers betogen, dat de jury bij de beoordeling van de kwalificaties en het kennisniveau van de tot het vergelijkend onderzoek toegelaten kandidaten het beginsel van gelijke behandeling heeft geschonden .
12 Verzoeker Caturla-Poch zegt 12 punten te hebben gekregen voor meer dan achttien jaar beroepservaring . Hieruit maakt hij op, dat elk jaar beroepservaring met 0,67 punt is gewaardeerd, zodat de uiteindelijk gekozen kandidaat, die aanmerkelijk minder beroepservaring had dan verzoeker, nooit de hem toegekende 11 punten had mogen krijgen . Bovendien, aldus verzoeker, was zijn organisatievermogen in twee stagerapporten als "goed" beoordeeld en was hij belast geweest met het opzetten van de sectie documentatie bij de Spaanse vertaalafdeling . Gelet op een en ander, had de jury hem niet slechts één punt voor organisatievermogen mogen toekennen .
13 Verzoeker de la Fuente stelt, dat hij bij het in 1985 gehouden vergelijkend onderzoek 84/0341/01 als eerste was geplaatst . Dat hij deze keer in het geheel niet op de lijst is gekomen, zou dan ook zijn toe te schrijven aan het feit dat de jury bij de beoordeling van de bewijsstukken van de sollicitanten andere normen heeft gehanteerd . Hij zegt moeilijk te kunnen begrijpen dat een ambtenaar die acht jaar lang leiding heeft gegeven aan het religieus-maatschappelijk werk bij een instelling voor Spaanse emigranten in Duitsland en bij het Parlement belast is geweest met het opzetten en cooerdineren van de Spaanse equipe van de afdeling Notulen, slechts 5,5 punten krijgt voor zijn organisatievermogen .
14 Met betrekking tot het criterium "specifieke beroepservaring" moet worden vastgesteld, dat de jury op grond van de gegevens die zij had verzameld bij het onderzoek van de bewijsstukken en het in de aankondiging voorziene onderhoud met de kandidaten, niet enkel mocht letten op het aantal jaren gedurende welke werkzaamheden waren verricht, maar ook op de aard van die werkzaamheden . Zo kan bij voorbeeld ervaring als vertaler van gemeenschapsdocumenten als meer relevant voor het vervullen van het ambt van afdelingshoofd worden beschouwd dan een langduriger ervaring op een ander gebied dat niet hetzelfde verband heeft met het werk van het Europese Parlement .
15 De argumenten die verzoekers menen te kunnen ontlenen aan een vergelijking van de duur van hun beroepservaring met die van andere kandidaten, kunnen derhalve niet worden aanvaard .
16 Aangaande het onderdeel "organisatievermogen" moet worden opgemerkt, dat volgens de aankondiging van het vergelijkend onderzoek de taak van hoofd van de Spaanse vertaalafdeling het leiding geven aan de vertaalafdeling en het secretariaat omvat, alsmede het plannen en verdelen van de werkzaamheden en de materiële organisatie van de dienst . Voor een dergelijke taak zijn andere organisatorische kwaliteiten vereist dan voor de functie van vertaler of reviseur of voor het geheel van de door verzoekers verrichte werkzaamheden, zoals het opzetten van een documentatiedienst bij de Spaanse vertaalafdeling en het cooerdineren van een equipe van de afdeling Notulen .
17 Aan verzoeker Caturla-Poch is inderdaad slechts één van de 15 mogelijke punten toegekend ter zake van zijn organisatievermogen . Om bovengenoemde redenen en op grond van de tijdens het onderhoud verkregen gegevens kon de jury evenwel, zonder een kennelijke fout te maken, tot het oordeel komen, dat hij, ondanks de door hem overgelegde bewijsstukken, niet beschikte over alle voor het betrokken ambt vereiste kwaliteiten .
18 Ook in het geval van verzoeker de la Fuente moet worden gezegd dat, alle hierboven genoemde gronden in aanmerking genomen, een iets lager dan gemiddeld cijfer op zich niet betekent, dat de jury een beoordelingsfout heeft gemaakt .
19 Bij onderzoek van het dossier heeft het Hof niet kunnen vaststellen, dat de jury een kennelijke fout heeft gemaakt die tot ongelijke behandeling van de sollicitanten heeft geleid . Ook het desbetreffende middel faalt derhalve .
Het derde middel
20 In het kader van dit middel voert verzoeker Caturla-Poch als aanwijzing voor misbruik van bevoegdheid het feit aan, dat hij 23 punten heeft behaald, dat wil zeggen één punt minder dan het minimum dat vereist was voor plaatsing op de lijst van geschikte kandidaten . Verzoeker de la Fuente wijst op de omstandigheid, dat de uiteindelijk gekozen kandidaat indertijd zelfs niet had deelgenomen aan het vergelijkend onderzoek op de grondslag van schriftelijke bewijsstukken en een examen, waarbij hijzelf als eerste op de lijst was geëindigd . Diezelfde kandidaat zou bovendien het misbruik van bevoegdheid met zoveel woorden hebben toegegeven .
21 Volgens vaste rechtspraak van het Hof ( zie onder meer het arrest van 21 juni 1984, zaak 69/83, Lux, Jurispr . 1984, blz . 2447 ) kan ter zake van een besluit slechts worden gesproken van misbruik van bevoegdheid wanneer er objectieve, ter zake dienende en onderling overeenstemmende aanwijzingen bestaan dat het is genomen ter bereiking van andere doeleinden dan die welke de administratie stelt te hebben nagestreefd .
22 Uit de door verzoekers genoemde omstandigheden blijkt echter niet, dat de jury anders dan met wettig oogmerk heeft gehandeld . Bijgevolg moet ook het middel ontleend aan misbruik van bevoegdheid, worden afgewezen .
Het vierde middel
23 Om te beginnen zij opgemerkt, dat het in dit middel niet gaat om motiveringsgebreken in het besluit van de jury ten aanzien van verzoekers, maar enkel ten aanzien van het tot aanstelling bevoegd gezag .
24 Gelijk het Hof overwoog in zijn arrest van 14 december 1965 ( zaak 21/65, Morina, Jurispr . 1965, blz . 1334 ), dient het vereiste van een "met redenen omkleed" verslag om het tot aanstelling bevoegd gezag in staat te stellen, een oordeelkundig gebruik te maken van zijn keuzevrijheid, hetgeen veronderstelt dat het zowel wordt ingelicht over de algemene normen die de jury heeft gehanteerd, als over de toepassing die zij eraan heeft gegeven ten aanzien van de op de lijst van geschikte kandidaten geplaatste sollicitanten .
25 Dienaangaande moet worden vastgesteld, dat in casu het juryverslag de punten vermeldde die de kandidaten met toepassing van de beoordelingsnormen hadden behaald .
26 Waar ook het middel ontleend aan ontbreken van motivering faalt, dient het beroep in zijn geheel te worden verworpen .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
27 Ingevolge artikel 69, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Volgens artikel 70 van het Reglement voor de procesvoering blijven echter de kosten door de instellingen ter zake van beroepen van personeelsleden der Gemeenschappen gemaakt, te hunnen laste .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Derde kamer ),
rechtdoende :
1 ) Verwerpt het beroep .
2 ) Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen .
Full & Egal Universal Law Academy