Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
EGKS - Produktie - Stelsel van produktie - en leveringsquota voor staal - Overschrijding van quota - Boete - Moeilijkheden als gevolg van aan onderneming toegewezen quotum - Inaanmerkingneming daarvan - Verlaging van boete
( EGKS-Verdrag, artikelen 36, tweede alinea, en 58; Beschikking nr . 234/84, artikel 12 )
Partijen
In zaak C-381/87,
Hoogovens Groep BV, te IJmuiden, vertegenwoordigd door B . H . ter Kuile en L . H . van Lennep, advocaten te 's-Gravenhage, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van J . Loesch, advocaat aldaar, 8, rue Zithe,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur R . Waegenbaur en Th . van Rijn, lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van beschikking C(87)2031 def/3 van de Commissie van 10 november 1987 betreffende een op grond van artikel 58 EGKS-Verdrag opgelegde boete,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vierde kamer ),
samengesteld als volgt : C . N . Kakouris, kamerpresident, T . Koopmans en M . Díez de Velasco, rechters,
advocaat-generaal : G . Tesauro
griffier : J . A . Pompe, adjunct-griffier
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 23 mei 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 28 juni 1989,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 22 december 1987, heeft Hoogovens Groep BV ( hierna : verzoekster ) krachtens artikel 33, tweede alinea, EGKS-Verdrag beroep ingesteld, primair tot gehele althans gedeeltelijke nietigverklaring van beschikking C(87)2031 def/3 van de Commissie van 10 november 1987, waarbij haar een boete is opgelegd op grond van artikel 58 EGKS-Verdrag en artikel 12 van beschikking nr . 234/84/EGKS van de Commissie van 31 januari 1984 tot verlenging van het stelsel van toezicht en produktiequota voor bepaalde produkten van de ondernemingen van de ijzer - en staalindustrie ( PB 1984, L 29, blz . 1 ). Subsidiair verzoekt zij het Hof, de opgelegde boete tot een billijk bedrag te verlagen .
2 In de bestreden beschikking stelt de Commissie vast, dat verzoekster zich niet heeft gehouden aan de produktiequota en de gedeelten van deze quota die zij in het tweede en derde kwartaal 1985 op de gemeenschappelijke markt mocht leveren . De beschikking maakt melding van de volgende overschrijdingen :
Kwartaal Categorie Produktie ( t ) Levering ( t )
II/1985 Ib - 4 070
II - 3 890
III/1985 Ia 1 142 -
Ib - 6 255
3 De Commissie stelt in de eerste plaats vast, dat verzoekster de haar meegedeelde overschrijdingen niet heeft betwist . Om te bepalen wat een adequate boete zou zijn, heeft zij vervolgens de drie door verzoekster ter rechtvaardiging van de overschrijdingen aangevoerde argumenten onderzocht .
4 Het eerste argument, inhoudende dat verzoekster de overschrijdingen in de categorieën Ib en II niet kon vermijden aangezien zij steeds gedwongen is geweest, grote hoeveelheden quota aan te kopen, doch dat zij voor de onderhavige periode te kampen heeft gehad met moeilijkheden om voldoende hoeveelheden quota voor aankoop te vinden, heeft de Commissie verworpen met de overweging, dat de onmogelijkheid om quota aan te kopen, schending van de krachtens het quotastelsel op verzoekster rustende verplichtingen niet rechtvaardigde, en dat verzoekster haar leveringen op basis van de beschikbare quota had moeten plannen .
5 Met betrekking tot verzoeksters tweede argument, te weten dat de noodzaak om quota van categorie Ib aan te kopen, een gevolg was van de ongunstige verhouding tussen het gedeelte van de quota bestemd voor levering op de gemeenschappelijke markt en de produktiequota ( I/P-relatie ), heeft de Commissie zich beperkt tot de vaststelling, dat zij die moeilijkheden heeft erkend en er aanleiding in heeft gevonden tot het geven van beschikking nr . 1433/87/EGKS van 20 mei 1987 tot omzetting van een deel van de produktiequota in quota voor leveringen op de gemeenschappelijke markt ( PB 1987, L 136, blz . 37 ).
6 Volgens het derde argument was de overschrijding van de produktiequota in categorie Ia in het derde kwartaal 1985 te wijten aan de voortijdige sluiting van een walsgroep voor warmgewalst breedband in het vierde kwartaal 1985, hetgeen verzoekster ertoe noopte de produktie in het derde kwartaal op te voeren om aan haar contractuele verplichtingen te kunnen voldoen . De Commissie heeft hieromtrent overwogen, dat het quotastelsel een per kwartaal geldende regeling behelst, die geen compensatie van kwartaal tot kwartaal toelaat .
7 Het gedeelte van de bestreden beschikking dat betrekking heeft op het bedrag van de aan verzoekster opgelegde boete, luidt als volgt :
" Dat aan de onderneming Hoogovens voor de vastgestelde overtredingen op grond van artikel 58 van het EGKS-Verdrag een boete kan worden opgelegd tot ten hoogste een bedrag gelijk aan de waarde van de ongeoorloofde produktie;
dat artikel 12, eerste alinea, van beschikking nr . 234/84/EGKS voor overschrijdingen voorziet in een boete die in de regel 100 ECU per ton overschrijding bedraagt;
dat, gezien de elementen die tijdens het onderzoek, dat in het kader van de inbreukprocedure werd ingesteld, naar voren zijn gekomen, er aanleiding bestaat een boete op te leggen van 50 ECU per ton overschrijding;
dat, gezien de hoeveelheden die de overschrijdingen belopen, een boete van 767 850 ( zevenhonderd zevenenzestig duizend achthonderd vijftig ) ECU adequaat is ."
8 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
9 Verzoekster heeft noch in het kader van het onderhavige beroep, noch in de precontentieuze procedure de haar verweten overschrijdingen betwist . Zij maakt bezwaar tegen het gebrek aan motivering van het hoofdstuk van de bestreden beschikking, dat betrekking heeft op de vaststelling van de haar opgelegde boete, en beklaagt zich over het bedrag van die boete .
10 Verzoekster betoogt meer in het bijzonder, dat zij in de precontentieuze procedure omstandigheden heeft aangevoerd op grond waarvan de boete op een zeer laag bedrag kon worden vastgesteld . De overwegingen die aan de vaststelling van de boete ten grondslag liggen, zouden echter aantonen, dat de Commissie met die omstandigheden geen rekening heeft gehouden .
11 In de eerste plaats moet worden opgemerkt, dat in de bestreden beschikking punt voor punt wordt ingegaan op de door verzoekster in de precontentieuze procedure aangevoerde argumenten . Hoewel de Commissie twee van deze argumenten heeft verworpen, heeft zij dat inzake verzoeksters ongunstige I/P-relatie aanvaard en de verlaging van de boete op deze omstandigheid gebaseerd; gelijk in de beschikking uitdrukkelijk wordt vermeld, bedraagt de boete in de regel 100 ECU per ton overschrijding .
12 Vervolgens moet worden ingegaan op het verzoek, de boete tot een billijk bedrag te verlagen, rekening houdend met alle in het dossier vermelde omstandigheden .
13 Gelet op het dossier acht het Hof het billijk, gebruik makend van de hem in artikel 36, tweede alinea, EGKS-Verdrag toegekende volledige rechtsmacht, het bedrag van de aan verzoekster opgelegde boete te verlagen tot 30 ECU per ton overschrijding . Daarbij houdt het Hof inzonderheid rekening met verzoeksters ongunstige I/P-relatie ten tijde van de haar verweten overschrijdingen, zoals die door de Commissie is erkend, en met de gevolgen van het voortduren van deze ongunstige situatie voor verzoeksters concurrentiepositie .
14 Aangezien de overschrijdingen betrekking hebben op een totale hoeveelheid van 15 357 ton, moet het bedrag van de in artikel 2 van de bestreden beschikking aan verzoekster opgelegde boete derhalve worden verlaagd tot 460 710 ECU .
15 Het beroep moet voor het overige worden verworpen .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
16 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Volgens artikel 69, paragraaf 3, eerste alinea, van dit Reglement kan het Hof de proceskosten evenwel geheel of gedeeltelijk compenseren, indien partijen onderscheidenlijk op een of meer punten in het ongelijk zijn gesteld . Aangezien verzoekster en de Commissie gedeeltelijk in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij ieder in hun eigen kosten worden verwezen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vierde kamer ),
rechtdoende :
1 ) Stelt het bedrag van de in artikel 2 van beschikking C(87)2031 def/3 van de Commissie van 10 november 1987 aan de onderneming Hoogovens opgelegde boete vast op 460 710 ECU .
2 ) Verwerpt het beroep voor het overige .
3 ) Verstaat dat elk der partijen haar eigen kosten zal dragen .
Full & Egal Universal Law Academy