Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Beroep wegens nalaten - Opheffing van nalaten na instelling van beroep - Beroep zonder voorwerp geraakt - Afdoening zonder beslissing
( EEG-Verdrag, artikelen 175 en 176 )
Samenvatting
De grondgedachte van de in artikel 175 voorziene beroepsmogelijkheid is, dat bij onwettig nalaten van de Raad of de Commissie de andere instellingen, de Lid-Staten en in sommige gevallen particulieren het Hof kunnen verzoeken, vast te stellen dat dit nalaten, voor zover de betrokken instelling hieraan nog geen einde heeft gemaakt, in strijd is met het Verdrag . Blijkens artikel 176 heeft deze vaststelling tot gevolg, dat de verwerende instelling gehouden is de maatregelen te nemen, welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof, onverminderd de vorderingen wegens niet-contractuele aansprakelijkheid, die uit deze vaststelling kunnen voortvloeien .
Ingeval de handeling waarop het beroep wegens nalaten betrekking heeft, is vastgesteld nadat het beroep is ingesteld, doch voordat het arrest is gewezen, kan een verklaring van het Hof tot vaststelling van de onwettigheid van het aanvankelijke nalaten niet meer tot de in artikel 176 voorziene gevolgen leiden . Bijgevolg is het beroep in een dergelijk geval, evenals wanneer de verwerende instelling binnen twee maanden heeft gereageerd op de uitnodiging tot handelen, zonder voorwerp geraakt .
Partijen
In zaak 383/87,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door B . Paulin, juridisch hoofdadviseur en J . Forman, juridisch adviseur, beiden lid van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van de juridische dienst van de Commissie, bâtiment Jean Monnet, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A . A . Dashwood, directeur, en F . van Craeyenest, hoofdadministrateur van zijn juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij J . Kaeser, directeur juridische zaken van de Europese Investeringsbank, 100, boulevard Konrad-Adenauer,
verweerder,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat de Raad de krachtens het Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen, door niet overeenkomstig de artikelen 199, eerste alinea, EEG-Verdrag en 171, eerste alinea, EGA-Verdrag een ontwerp-begroting op te stellen, die de geraamde financiële behoeften van de Gemeenschap voor het begrotingsjaar 1988 dekt, en deze niet, als voorzien in de artikelen 203, lid 3, derde alinea, en lid 4, eerste alinea, EEG-Verdrag en 177, lid 3, derde alinea, en lid 4, eerste alinea, EGA-Verdrag, uiterlijk op 5 oktober 1987 aan het Europees Parlement voor te leggen, waardoor de twee instellingen die de begrotingsautoriteit uitmaken en de Commissie de hun door de Verdragen in het kader van de begrotingsprocedure toegekende bevoegdheden niet hebben kunnen uitoefenen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt : Mackenzie Stuart, president, G . Bosco, O . Due, J . C . Moitinho de Almeida en G . C . Rodríguez Iglesias, kamerpresidenten, T . Koopmans, U . Everling, K . Bahlmann, Y . Galmot, C . Kakouris, R . Joliet, T . F . O' Higgins en F . Schockweiler, rechters,
advocaat-generaal : J . Mischo
griffier : H . A . Ruehl, hoofdadminstrateur
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 28 april 1988,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 mei 1988,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 23 december 1987, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen krachtens artikel 175, eerste alinea, EEG-Verdrag beroep ingesteld, strekkende tot de vaststelling dat de Raad de artikelen 199, eerste alinea, en 203, lid 3, derde alinea, en lid 4, eerste alinea, EEG-Verdrag, alsmede de artikelen 171, lid 1, eerste alinea en 177, lid 3, derde alinea, en lid 4, eerste alinea, EGA-Verdrag heeft geschonden, door na te laten een ontwerp-begroting op te stellen, die de geraamde financiële behoeften van de Gemeenschappen voor het begrotingsjaar 1988 dekt, en door deze ontwerp-begroting niet uiterlijk op 5 oktober 1987 aan het Europees Parlement voor te leggen .
2 Tijdens de procedure voor het Hof heeft de Commissie uiteengezet, dat het aan de Raad verweten nalaten niet het niet inachtnemen van artikel 199 EEG-Verdrag, maar de schending van artikel 203 betreft . Dit nalaten bestaat hierin, dat de Raad de ontwerp-begroting voor 1988 niet heeft opgesteld en niet uiterlijk op 5 oktober 1987 aan het Europees Parlement heeft voorgelegd .
3 Voor een nadere uiteenzetting van het juridische kader, de voorgeschiedenis van het geding alsmede van de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen uit het dossier worden hierna slechts weergegeven, voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
4 De Raad betwist de ontvankelijkheid van het beroep, omdat de ontwerp-begroting geen definitieve handeling is, die wanneer zij ontbreekt, een beroep wegens nalaten zou kunnen rechtvaardigen . In het kader van de begrotingsprocedure zouden namelijk alle aan de definitieve vaststelling van de begroting voorafgaande handelingen voorbereidende handelingen zijn .
5 Alvorens dit middel van niet-ontvankelijkheid wordt behandeld, dient ambtshalve te worden onderzocht of, gelet op de bijzondere omstandigheden van deze zaak, nog wel op het beroep behoeft te worden te beslist .
6 De volgende feiten staan vast :
- op 6 oktober 1987 was de ontwerp-begroting voor 1988 nog niet aan het Europees Parlement voorgelegd;
- op diezelfde dag stelde de Voorzitter van de Raad de Voorzitter van het Europees Parlement in kennis van het feit, dat de Raad 5 oktober 1987, de uiterste datum om de ontwerp-begroting voor 1988 aan het Parlement voor te leggen, niet had kunnen eerbiedigen;
- bij brief van 7 oktober 1987 nodigde de Voorzitter van het Europees Parlement de Raad overeenkomstig artikel 175 EEG-Verdrag uit, "onmiddellijk een ontwerp-begroting voor het begrotingsjaar 1988 vast te stellen";
- bij brief van diezelfde dag nodigde de Voorzitter van de Commissie overeenkomstig artikel 175 EEG-Verdrag de Raad uit, "zo spoedig mogelijk een ontwerp-begroting vast te stellen, die de financiële behoeften van de Gemeenschap voor 1988 dekt";
- ten aanzien van deze twee uitnodigingen tot handelen heeft de Raad geen standpunt in de zin van artikel 175 bepaald;
- pas op 7 maart 1988 werd de door de Raad vastgestelde ontwerp-begroting voor 1988 aan het Europees Parlement voorgelegd .
7 Op het moment waarop de Voorzitters van het Europees Parlement en van de Commissie de Raad hebben uitgenodigd tot handelen, kon deze de door artikel 203, lid 4, EEG-Verdrag voorgeschreven datum niet meer eerbiedigen, omdat die inmiddels voorbij was . Beide Voorzitters waren zich daarvan bewust : zij hebben de Raad niet uitgenodigd de uiterste datum te respecteren, wat niet meer mogelijk was, maar wel om "onmiddellijk", respectievelijk "zo spoedig mogelijk" de ontwerp-begroting vast te stellen . Dit ontwerp is inderdaad vastgesteld en aan het Parlement voorgelegd, maar pas op een datum nadat de termijn van twee maanden, te rekenen vanaf de in artikel 175, tweede alinea, EEG-Verdrag bedoelde uitnodiging tot handelen, was verstreken . Toen waren de twee beroepen reeds ingesteld .
8 Volgens artikel 175 EEG-Verdrag is een beroep wegens nalaten slechts ontvankelijk, wanneer de betrokken instelling vooraf tot handelen is uitgenodigd en binnen de genoemde termijn van twee maanden haar standpunt niet heeft bepaald . Hieruit volgt dat het beroep wegens nalaten niet kan worden ingesteld, wanneer de nagelaten handeling waarop de uitnodiging betrekking had, binnen twee maanden wordt verricht en daardoor aan het gestelde nalaten een einde is gemaakt .
9 De grondgedachte van de in artikel 175 voorziene beroepsmogelijkheid is dus, dat bij onwettig nalaten van de Raad of de Commissie de andere instellingen, de Lid-Staten en in sommige gevallen particulieren het Hof kunnen verzoeken, vast te stellen dat dit nalaten, voor zover de betrokken instelling hieraan nog geen einde heeft gemaakt, in strijd is met het Verdrag . Blijkens artikel 176 heeft deze vaststelling tot gevolg, dat de verwerende instelling gehouden is de maatregelen te nemen, welke nodig zijn ter uitvoering van het arrest van het Hof, onverminderd de vorderingen wegens niet-contractuele aansprakelijkheid, die uit deze vaststelling kunnen voortvloeien .
10 In een geval als het onderhavige, waarin de handeling waarop het beroep wegens nalaten betrekking heeft, is vastgesteld nadat het beroep is ingesteld, doch voordat het arrest is gewezen, kan een verklaring van het Hof tot vaststelling van de onwettigheid van het aanvankelijke nalaten niet meer tot de in artikel 176 voorziene gevolgen leiden . Bijgevolg is het beroep in een dergelijk geval, evenals wanneer de verwerende instelling binnen twee maanden heeft gereageerd op de uitnodiging tot handelen, zonder voorwerp geraakt .
11 Op het beroep behoeft dus niet meer te worden beslist .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
12 Wanneer het geding zonder voorwerp is geraakt, beslist het Hof ingevolge artikel 69, paragraaf 5, van het Reglement voor de procesvoering, vrijelijk ten aanzien van de proceskosten . In casu zijn er termen aanwezig om de Raad in de kosten te verwijzen, aangezien deze instelling de ontwerp-begroting 1988 niet vóór de in het Verdrag voorziene uiterste datum aan het Europees Parlement heeft voorgelegd, en evenmin bij het naderen van die datum contact heeft opgenomen met het Parlement om het toezeggingen te doen omtrent het voorziene tijdschema dan wel om de in een dergelijk geval te volgen procedure te bespreken .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verstaat :
1 ) Op het beroep behoeft niet te worden beslist .
2 ) De Raad wordt verwezen in de kosten .
Full & Egal Universal Law Academy