BESCHIKKING VAN DE PRESIDENT VAN HET HOF
27 januari 1988 ( *1 )
In zaak 376/87 R,
Distrivet SA, vennootschap naar Frans recht, gevestigd te Parijs, vertegenwoordigd door E. Mąrissens, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van L. Dupong, advocaat aldaar, 14, rue des Bains,
verzoekster,
tegen
Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door zijn gemachtigden J. Delmoly en C. Mavrakos, respectievelijk hoofdadministrateur en administrateur bij zijn juridische dienst, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij J. Käser, directeur van de juridische dienst van de Europese Investeringsbank, 100, boulevard Konrad-Adenauer,
verweerder,
ondersteund door
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar gemachtigden C. Durand en G. Campogrande, beiden lid van haar juridische dienst, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, bâtiment Jean Monnet, Kirchberg,
interveniente,
betreffende een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van beschikking 87/561 van de Raad van 18 november 1987 betreffende de overgangsmaatregelen inzake het verbod op de toediening van hormonale stoffen aan landbouwhuisdieren (PB 1982, L 339, blz. 70), met bevel aan de Raad om met betrekking tot de overgangsmaatregelen van richtlijn 85/649 van de Raad van 31 december 1985. tot instelling van een verbod op het gebruik van bepaalde stoffen met hormonale werking in de veehouderij (PB 1985, L 382, blz. 228) een nieuwe beschikking vast te stellen, waarbij de omzetting in nationaal recht van de artikelen 2 en 6, lid 1, van die richtlijn wordt opgeschort,
geeft
DE PRESIDENT VAN HET HOF VAN JUSTITIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN
de navolgende
Beschikking
1
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 18 december 1987, heeft de vennootschap Distrivet SA krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag beroep ingesteld tot nietigverklaring van beschikking 87/561 van de Raad van 18 november 1987 betreffende de overgangsmaatregelen inzake het verbod op de toediening van hormonale stoffen aan landbouwhuisdieren (PB 1987, L 339, blz. 70).
2
Bij op dezelfde datum ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster krachtens de artikelen 185 en 186 EEG-Verdrag en artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering een verzoek in kort geding ingediend strekkende tot verkrijging van :
—
in de eerste plaats de opschorting van de tenuitvoerlegging van voornoemde beschikking 87/561 van de Raad van 18 november 1987, en
—
in de tweede plaats een bevel aan de Raad om met betrekking tot de overgangsmaatregelen bij richtlijn 85/649 van de Raad van 31 december 1985 een nieuwe beschikking vast te stellen, waarbij de omzetting in het nationale recht van de artikelen 2 en 6, lid 1, van deze richtlijn wordt opgeschort, totdat de Raad een richtlijn heeft vastgesteld en gepubliceerd houdende wijziging of vervanging van genoemde richtlijn 85/649, die in overeenstemming is met de internationale verplichtingen die voor de Gemeenschap uit de GATT voortvloeien.
3
Bij beschikking van 14 januari 1988 is de Commissie krachtens artikel 37, eerste alinea, van's Hofs Statuut-EEG als interveniente toegelaten ter ondersteuning van de conclusies van verweerder; zij heeft ter terechtzitting mondelinge opmerkingen gemaakt.
4
Verweerder heeft schriftelijke opmerkingen ingediend op 11 januari 1988. Partijen hebben mondelinge opmerkingen gemaakt ter terechtzitting van 20 januari 1988.
5
Alvorens de gegrondheid van het verzoek in kort geding te onderzoeken, lijkt het nuttig een kort overzicht te geven van de context en het wettelijk kader van deze zaak.
6
Distrivet is een vennootschap die zich bezighoudt met de vervaardiging en distributie op het grondgebied van de gemeenschappelijke markt van geneesmiddelen voor dieren, met name van stoffen met hormonale werking, die al dan niet voor therapeutische doeleinden bij het fokken van voor de consumptie bestemde dieren worden gebruikt.
7
De totstandbrenging van een gemeenschappelijk beleid inzake stoffen met hormonale en thyreostatische werking heeft voor het eerst gestalte gekregen met de vaststelling van richtlijn 81/602 van de Raad van 31 juli 1981 betreffende het verbod van bepaalde stoffen met hormonale werking en van stoffen met thyreostatische werking (PB 1981, L 222, blz. 32). Artikel 2 van deze richtlijn bevat een principieel verbod op de toediening van stoffen met thyreostatische werking en met hormonale werking aan landbouwdieren evenals op het in de handel brengen van met deze stoffen behandelde dieren en van hun vlees. Ingevolge artikel 4, lid 1, mogen de Lid-Staten in afwijking van deze regel niettemin toestaan, dat aan landbouwdieren stoffen met hormonale werking worden toegediend voor therapeutische of zootechnische doeleinden.
8
Voor de toediening van vijf stoffen, te weten oestradiol 17/B, progesteron, testosteron, trenbolon en zeranol, is een bijzondere regeling ingevoerd bij artikel 5 van deze richtlijn. Volgens de eerste en de tweede alinea van deze bepaling neemt de Raad zo spoedig mogelijk een besluit over de toediening van deze stoffen voor mestdoeleinden aan landbouwdieren en, hangende de vaststelling van dit besluit, blijven de nationale voorschriften gelden. Volgens de derde alinea mogen de Lid-Staten tijdens deze overgangsperiode het gebruik van nieuwe stoffen toestaan.
9
Deze communautaire regeling is aangevuld bij richtlijn 85/649 van de Raad van 31 december 1985, waarbij een absoluut verbod is ingesteld op het toedienen van stoffen met hormonale werking, hieronder begrepen de vijf in rechtsoverweging 8 van de onderhavige beschikking genoemde stoffen, voor het mesten van landbouwhuisdieren in de Gemeenschap, behoudens voor therapeutische doeleinden. Bovendien verbiedt deze richtlijn het in de handel brengen, de toelating tot het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen van met deze stoffen behandelde dieren alsmede het vlees ervan. Artikel 10 van de richtlijn bepaalt, dat het algemene verbod van de richtlijn op stoffen met hormonale werking door de Lid-Staten uiterlijk op 1 januari 1988 in hun interne rechtsstelsel moet zijn omgezet.
10
Ten einde een plotselinge onderbreking te voorkomen van de interne afzetmogelijkheden voor de op 1 januari 1988 nog niet geslachte dieren, waaraan rechtmatig hormonen waren toegediend, alsmede voor het op die datum nog niet geheel afgezette vlees van deze dieren heeft de Raad, op voorstel van de Commissie, het nodig geacht bij beschikking 87/561 van 18 november 1987 overgangsmaatregelen vast te stellen voor de bij richtlijn 85/649 ingevoerde regeling.
11
Artikel 1, lid 3, van deze beschikking bevestigt, dat voor de nieuwe produktie het bij richtlijn 85/649 van de Raad ingestelde absolute verbod vanaf 1 januari 1988 van toepassing is. Lid 1 van dit artikel bepaalt, dat de Lid-Staten wat de verhandeling van de bestaande produktie betreft de op grond van de nationale voorschriften bestaande regeling handhaven tot 31 december 1988, zowel voor het op de markt brengen ervan als voor de toegang tot het intracommunautaire handelsverkeer; deze overgangsmaatregel geldt eveneens voor de invoer van dergelijk vlees uit derde landen.
12
Volgens artikel 185 EEG-Verdrag heeft een bij het Hof van Justitie ingesteld beroep geen schorsende werking. Het Hof kan echter, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de uitvoering van de bestreden handeling gelasten.
13
Volgens artikel 186 EEG-Verdrag kan het Hof van Justitie in zaken welke bij dit college aanhangig zijn gemaakt, de noodzakelijke voorlopige maatregelen gelasten.
14
Willen voorlopige maatregelen als die waarom is gevraagd, mogelijk zijn, dan dient volgens artikel 83, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering het verzoek in kort geding dé omstandigheden te vermelden waaruit blijkt van het spoedeisend karakter van het verzoek, alsmede de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt.
15
Alvorens te bepalen of moet worden ingegaan op de argumenten die verzoekster aanvoert ten bewijze dat haar verzoek in kort geding voldoet aan de voorwaarden voor opschorting en voor verlening van de gevraagde voorlopige maatregel, lijkt het nuttig eerst stil te staan bij een door verweerder opgeworpen probleem met betrekking tot de ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak.
16
Verweerder stelt namelijk, dat het beroep in de hoofdzaak kennelijk niet-ontvankelijk is, zodat het daaraan gekoppelde verzoek in kort geding eveneens kennelijk niet-ontvankelijk zou zijn. Tot staving van zijn stelling voert hij aan, dat een door een rechtspersoon als Distrivet krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag ingesteld beroep tot nietigverklaring van een tot een Lid-Staat gerichte beschikking slechts ontvankelijk is, indien die beschikking hem rechtstreeks en individueel raakt.
17
Hij wijst er in dit verband op, dat het vaste rechtspraak is dat „zij, die niet zijn de adressaten ener beschikking slechts zouden kunnen stellen dat zij individueel worden geraakt, indien deze beschikking hen betreft uit hoofde van zekere bijzondere hoedanigheden of van een feitelijke situatie, welke hen ten opzichte van ieder ander karakteriseert en hen derhalve individualiseert op soortgelijke wijze als de adressaat”. Aan deze voorwaarde zou in casu niet zijn voldaan om twee redenen. In de eerste plaats is beschikking 87/561 volgens verweerder naar haar aard een handeling van algemene strekking, die de Lid-Staten wat de verhandeling betreft toestaat hun nationale bepalingen, die zelf algemeen en in abstracto toepasselijk zijn, te handhaven; een dergelijke handeling zou een bepaalde handelaar dan ook niet individueel kunnen raken. In de tweede plaats wijst hij erop, dat deze beschikking ten doel heeft de afzet van dieren en van het vlees van dieren die reeds voor 1 januari 1988 rechtmatig met hormonen zijn behandeld, veilig te stellen door de verhandeling ervan tot 31 december 1988 te vergemakkelijken. De beschikking zou dus geenszins de toediening van hormonale stoffen betreffen en zou een fabrikant en wederverkoper van dergelijke stoffen als Distrivet dan ook niet kunnen raken.
18
De Raad betoogt verder, dat beschikking 87/561 verzoekster evenmin rechtstreeks zou raken. Hij beroept er zich dienaangaande op dat deze beschikking, naar blijkt uit haar artikel 1, lid 3, het bij richtlijn 85/649 van de Raad uitgevaardigde verbod op het toedienen van stoffen met hormonale werking alleen maar bevestigt en dat een dergelijke handeling van zuiver declaratoire strekking een onderneming als Distrivet niet rechtstreeks kan raken.
19
Distrivet heeft aangevoerd, dat zij als door beschikking 87/561 individueel geraakt is te beschouwen, omdat de enige produkten waarop de beschikking betrekking heeft de in rechtsoverweging 8 van de onderhavige beschikking genoemde vijf hormonale stoffen zijn, en omdat deze vijf produkten enkel door vier ondernemingen, waaronder zij zelf, worden gefabriceerd. De beschikking zou haar ook rechtstreeks raken, omdat de beschikking het aan fokkers opgelegde verbod om na 1 januari 1988 stoffen met hormonale werking, waaronder de vijf genoemde stoffen, voor mestdoeleinden toe te dienen, handhaaft en zij de Lid-Staten ten aanzien van het te bereiken resultaat geen enkele vrijheid laat.
20
Ter terechtzitting heeft Distrivet in antwoord op haar gestelde vragen uiteengezet, waarom zij meent dat haar beroep ten principale ontvankelijk is. Beschikking 87/561 van de Raad zou zijn te beschouwen als een handeling met een tweeslachtig karakter, namelijk van algemene strekking ten aanzien van de veefokkers en van individuele strekking ten aanzien van de fabrikanten en de verdelers van de genoemde vijf stoffen. Het individuele karakter ervan zou blijken uit het feit dat de Raad ten tijde van de vaststelling van de richtlijnen 81/602 en 85/649 en van beschikking 87/561 heel goed wist, dat deze handelingen een besloten groep van ondernemers raakten, te weten de fabrikanten van de in de eerste alinea van artikel 5 van richtlijn 81/602 genoemde vijf hormonale stoffen; deze groep zou geen wijzigingen kunnen ondergaan, daar de derde alinea van dit artikel de Lid-Staten verbiedt om nieuwe stoffen toe te staan, zodat er bij deze groep geen nieuwe fabrikanten meer kunnen bij komen.
21
Het Hof heeft er reeds herhaaldelijk op gewezen, dat het probleem van de ontvankelijkheid van het beroep in de hoofdzaak in beginsel niet moet worden onderzocht in het kader van een kort geding, ten einde de grond van de zaak niet te prejudiciëren (zie in deze zin met name de beschikking van de president van het Hof van 8 april 1987, zaak 65/87 R, Pfizer, Jurispr. 1987, blz. 1691). Wanneer echter, zoals in casu, wordt gesteld dat het beroep in de hoofdzaak, waaraan het verzoek in kort geding is gekoppeld, kennelijk niet-ontvankelijk is, lijkt het niettemin noodzakelijk het bestaan van bepaalde elementen vast te stellen op grond waarvan voorshands tot de ontvankelijkheid van het beroep kan worden geconcludeerd (zie in deze zin met name de beschikkingen van de president van het Hof van 16 oktober 1986, zaak 221/86 R, Europese rechtse fractie, Jurispr. 1986, blz. 2969, en van 8 mei 1987, zaak 82/87 R, Autexpo, Jurispr. 1987, blz. 2131).
22
Een dergelijke aanpak is te meer aangewezen, indien een particulier zoals verzoekster om nietigverklaring van een handeling van algemene strekking verzoekt; immers, vermeden moet worden dat hij via een kort geding de opschorting van de tenuitvoerlegging van een handeling kan verkrijgen, terwijl het Hof de nietigverklaring van die handeling nadien zou weigeren omdat het bij de behandeling van de hoofdzaak het beroep niet-ontvankelijk oordeelt.
23
Dienaangaande dient te worden vastgesteld, dat elementen op grond waarvan voorshands tot de ontvankelijkheid van het beroep kan worden geconcludeerd, lijken te ontbreken.
24
Gelijk verweerder terecht heeft opgemerkt, blijkt bij bestudering van de communautaire voorschriften voor stoffen met hormonale werking, dat het verbod op het gebruik van genoemde vijf stoffen voor mestdoeleinden niet is neergelegd in beschikking 87/561, maar in richtlijn 85/649, waartegen verzoekster niet binnen de in artikel 173, derde alinea, EEG-Verdrag gestelde termijnen een beroep tot nietigverklaring heeft ingesteld en evenmin een verzoek in kort geding heeft ingediend. Beschikking 87/561 betreft niet de toediening van dergelijke stoffen, maar uitsluitend de afzet — tot 31 december 1988 — van dieren en het vlees van dieren die met hormonen zijn behandeld vóór de inwerkingtreding van het bij richtlijn 85/649 voorziene verbod, welke omstandigheid een onderneming als Distrivet, die zich uitsluitend met de vervaardiging en distributie van hormonale stoffen bezighoudt, op het eerste gezicht niet individueel lijkt te kunnen raken.
25
Voorts dient te worden opgemerkt, dat er, anders dan Distrivet beweert, ten tijde van de vaststelling van de richtlijnen door de Raad niet een besloten en onveranderlijke groep was van fabrikanten en verdelers die werden geraakt, omdat krachtens artikel 5 van richtlijn 81/602 iedere fabrikant nog vrij was nieuwe specialiteiten die een van de genoemde vijf stoffen bevatten, op de markt te brengen. Deze bepaling beoogde enkel het in de handel brengen van andere dan de vijf genoemde hormonale stoffen te verbieden. Hieruit volgt, dat zowel in 1981 als in 1985 en 1987 de identiteit en het aantal van de door de handelingen van de Raad geraakte ondernemers niet definitief waren geïndividualiseerd, zodat Distrivet in haar hoedanigheid van fabrikant en verdeler van hormonale stoffen op dezelfde wijze werd geraakt als iedere andere handelaar die zich feitelijk of potentieel in een zelfde situatie bevindt.
26
Zonder dat behoeft te worden stilgestaan bij de vraag of beschikking 87/561 Distrivet rechtstreeks raakt, volstaan deze vaststellingen om voorshands te concluderen tot niet-ontvankelijkheid van het beroep tot nietigverklaring en bijgevolg tot niet-ontvankelijkheid van het verzoek in kort geding.
DE PRESIDENT VAN HET HOF,
rechtdoende bij voorraad,
beschikt:
1)
Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.
2)
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 27 januari 1988.
De griffier
P. Heim
De president
A. J. Mackenzie Stuart
( *1 ) Procestaai: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy