BESCHIKKING VAN DE PRESIDENT VAN HET HOF
22 januari 1988 ( *1 )
In zaak 378/87 R,
Top Hit Holzvertrieb GmbH, vennootschap naar Duits recht, in liquidatie, voorheen Inträs Holzimport GmbH, te Hilden, vertegenwoordigd door A. Hofmann, advocaat te Frankfurt/Main, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Arendt, 12, avenue de la Porte Neuve 12,
verzoekster,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J. Sack, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, bâtiment Jean Monnet, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging, zonder zekerheidstelling, van de tot de Bondsrepubliek Duitsland gerichte beschikking van de Commissie van 16 september 1985 (REC 5/85), [COM(85) 1457 def.], waarbij de Bondsrepubliek Duitsland werd opgedragen ten laste van Top Hit Holzvertrieb over te gaan tot navordering van invoerrechten tot een bedrag van 244590,29 DM en waarbij de kwijtschelding van die rechten werd geweigerd,
GEEFT DE PRESIDENT VAN HET HOF VAN JUSTITIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN
de navolgende
Beschikking
1
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 21 december 1987, heeft de vennootschap Top Hit Holzvertrieb, in liquidatie (hierna: Top Hit), krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag beroep ingesteld tot nietigverklaring van de tot de Bondsrepubliek Duitsland gerichte beschikking REC 5/85 van de Commissie van 16 september 1985, waarbij de Bondsrepubliek Duitsland werd opgedragen ten laste van Top Hit over te gaan tot navordering van invoerrechten tot een bedrag van 244590,29 DM. Voorts vraagt verzoekster om een verklaring voor recht, dat de niet-inning van deze douanerechten gerechtvaardigd is overeenkomstig artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 inzake navordering van de rechten bij invoer of bij uitvoer die niet van de belastingschuldige zijn opgeëist voor goederen welke zijn aangegeven voor een douaneregeling waaruit de verplichting tot betaling van dergelijke rechten voortvloeide (PB 1979, L 197, blz. 1).
2
Bij op dezelfde datum ter griffie van het Hof neergelegd verzoekschrift heeft verzoekster krachtens artikel 185 EEG-Verdrag en artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering verzocht om opschorting van de tenuitvoerlegging, zonder zekerheidstelling, van voornoemde tot de Bondsrepubliek Duitsland gerichte beschikking van de Commissie van 16 september 1985.
3
Verweerster heeft op 13 januari 1988 schriftelijke opmerkingen ingediend. Daar de schriftelijke opmerkingen van partijen alle gegevens bevatten die nodig zijn om op het verzoek in kort geding te kunnen beslissen, is het niet nodig gebleken partijen ter terechtzitting te horen.
4
Alvorens op de gegrondheid van het verzoek in kort geding in te gaan, lijkt het nuttig een kort overzicht te geven van de feiten en het wettelijk kader van deze zaak, alsmede van de belangrijkste etappes van de procedure vóór de vaststelling van voormelde beschikking van de Commissie van 16 september 1985.
5
Inträs Holzimport GmbH (hierna: Intras) voerde tussen oktober 1980 en eind 1981 105 partijen goederen van Roemeense oorsprong in, die in de facturen waren aangeduid als „Nico-rekken” en „Viktor-lijstenconstructies” en die zij aangaf als vallende onder post 44.28 D II van het GDT. Conform deze aangiften werden de goederen in het vrije verkeer gebracht en vrij van invoerrechten ingevoerd, omdat goederen die onder deze post vallen, in het kader van het stelsel van algemene tariefpreferenties zijn vrijgesteld.
6
Op een desbetreffend verzoek van Intras van 10 december 1981 gaf de Oberfinanzdirektion bindende tariferingsadviezen voor de goederen af, volgens welke echter zowel de „Nico-rekken” als de „Viktor-lijstenconstructies” als rekken onder tariefpost 94.03 B vielen.
7
Daar deze goederen dus niet meer voor een preferentiële tariefbehandeling in aanmerking kwamen, vorderde het Hauptzollamt Köln-Deutz van Intras bij rectificatiebeschikking van 19 oktober 1983, die op 7 maart 1985 werd gewijzigd, overeenkomstig artikel 2 van verordening nr. 1697/79 van de Raad van 24 juli 1979 nabetaling van een bedrag van 244590,29 DM ter zake van niet-geheven rechten over de tussen oktober 1980 tot eind 1981 door haar ingevoerde goederen.
8
Op 15 november 1983 diende Intras tegen deze rectificatiebeschikking een bezwaarschrift in, waarin zij verzocht van de navordering van de invoerrechten af te zien op basis van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 van de Raad dan wel haar deze rechten wegens buitengewone omstandigheden kwijt te schelden overeenkomstig artikel 13, eerste alinea, van verordening nr. 1430/79 van de Raad van 2 juli 1979 betreffende terugbetaling of kwijtschelding van in- of uitvoerrechten (PB 1979, L 175, blz. 1). Tevens vroeg Intras om opschorting van de tenuitvoerlegging van de beschikking.
9
Bij beschikking van 21 december 1983 schortte het Hauptzollamt Köln-Deutz de tenuitvoerlegging van de rectificatiebeschikking op tot één maand na de betekening van de beschikking op het bezwaarschrift.
10
Omdat het verzoek om van de navordering af te zien, een bedrag aan invoerrechten betrof dat groter was dan 2000 ecu, vroegen de Duitse autoriteiten de Commissie op 10 mei 1985 conform artikel 4 van verordening nr. 1573/80 van de Commissie van 20 juni 1980 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 van de Raad (PB 1980, L 161, blz. 1), of het niet-heffen van de invoerrechten in casu gerechtvaardigd zou zijn.
11
Overeenkomstig artikel 3 van verordening nr. 1575/80 van de Commissie van 20 juni 1980 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen van artikel 13 van verordening nr. 1430/79 van de Raad (PB 1980, L 161, blz. 13) vroeg de Bondsrepubliek Duitsland de Commissie verder, of, indien navordering zou moeten plaatsvinden, kwijtschelding van de betrokken invoerrechten gerechtvaardigd zou zijn.
12
Bij beschikking van 21 januari 1986 wees het Hauptzollamt Köln-Deutz het verzoek van Intras om kwijtschelding af, omdat niet aan de voorwaarden van artikel 13, eerste alinea, van verordening nr. 1430/79 van de Raad van 2 juli 1979 was voldaan. Bij beschikking van 21 oktober 1987, betekend op 30 oktober 1987, wees het eveneens het verzoek af om niet tot navordering over te gaan, omdat Intras evenmin had voldaan aan de voorwaarden van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1697/79 op grond waarvan de bevoegde autoriteiten navordering achterwege kunnen laten.
13
Volgens deze beschikkingen berustte de afwijzing van de twee, in het bezwaarschrift van Intras geformuleerde verzoeken op voornoemde beschikking van de Commissievan 16 september 1985.
14
Daar de bij beschikking van 21 december 1983 verleende opschorting van de tenuitvoerlegging van de rectificatiebeschikking op 30 november 1987 afliep, diende Intras een nieuw verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van deze beschikking in, dat op 25 november 1987 werd afgewezen. Verzoekster besloot daarop het onderhavige verzoek in kort geding in te dienen.
15
Volgens artikel 185 EEG-Verdrag heeft een bij het Hof van Justitie ingesteld beroep geen schorsende werking. Het Hof kan echter, indien het van oordeel is dat de omstandigheden zulks vereisen, opschorting van de uitvoering van de bestreden handeling gelasten.
16
Wil een voorlopige maatregel als die waarom is gevraagd, mogelijk zijn, dan dient volgens artikel 83, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering het verzoek in kort geding het onderwerp van het geschil te vermelden, de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de voorlopige maatregel waartoe wordt geconcludeerd, aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt, alsmede de omstandigheden waaruit blijkt van het spoedeisend karakter van het verzoek.
17
Het is vaste rechtspraak van het Hof, dat de door artikel 83, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering verlangde spoedeisendheid van het verzoek in kort geding moet worden getoetst aan de vraag of een voorlopige beslissing noodzakelijk is ter voorkoming van ernstige en onherstelbare schade voor de partij die om de voorlopige maatregel verzoekt.
18
Blijkens deze rechtspraak kan in het kader van een kort geding ter voldoening aan de vereisten van deze bepaling niet worden volstaan met slechts te stellen, zoals Intras doet, dat de tenuitvoerlegging van de handeling waarvan de opschorting wordt gevraagd, ophanden is. Ook moeten er omstandigheden worden aangevoerd, waaruit het spoedeisend karakter blijkt en zelfs, dat de partij die om opschorting verzoekt, ernstige en onherstelbare schade zou lijden indien het verzoek werd afgewezen.
19
Vastgesteld moeţ worden, dat Intras duidelijk niet aan deze laatste voorwaarde heeft voldaan. Blijkens het dossier vermeldt haar verzoek immers geen enkele omstandigheid waaruit de spoedeisendheid ervan zou blijken.
20
Bijgevolg moet dit verzoek niet-ontvankelijk worden verklaard (zie in deze zin de beschikkingen van de president van het Hof van 12 februari 1965, zaak 2/65 R, Ferriera Ernesto Preo, Jurispr. 1966, blz. 387, en van 7 december 1984, zaak 240/84 R, NTN Toyo, Jurispr. 1984, blz. 4093).
DE PRESIDENT,
rechtdoende bij voorraad,
beschikt:
1)
Het verzoek in kort geding wordt afgewezen.
2)
De beslissing omtrent de kosten wordt aangehouden.
Luxemburg, 22 januari 1988.
De griffier
P. Heim
De president
A. J. Mackenzie Stuart
( *1 ) Procestaal: Duits.
Full & Egal Universal Law Academy