Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Het tribunal de grande instance te Bobigny heeft een uitleggingsvraag van verstrekkende betekenis aan het Hof voorgelegd . Deze prejudiciële verwijzing stelt namelijk de vraag aan de orde, of het gelet op de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag geoorloofd is, degene die produkten, van oorsprong uit de Gemeenschap, importeert, te verplichten, om te verifiëren of het door hem ingevoerde produkt aan de nationale voorschriften van het land van invoer voldoet, en hem, indien zulks niet het geval is, strafrechtelijk aansprakelijk te stellen . Volgens de Commissie schijnen in meerdere Lid-Staten strafrechtelijke regelingen te bestaan die de importeur verplichten tot het verrichten van speciale controles . De Commissie is trouwens voornemens een mededeling aangaande dergelijke wettelijke regelingen te doen uitgaan, met inachtneming van de uitspraak van het Hof in de onderhavige zaak . Ten slotte kan deze prejudiciële verwijzing ook nog gevolgen hebben voor de rechtspraak van de nationale rechterlijke instanties van de Lid-Staten inzake de straf - en civielrechtelijke aansprakelijkheid van de importeur .
Het juridisch kader in de onderhavige zaak wordt gevormd door de wet van 1 augustus 1905 inzake bedrog en vervalsingen terzake van produkten of diensten . Bij wet nr . 83-660 van 21 juli 1983 is hieraan een artikel 11-4 ( lid 4 ) toegevoegd, dat als volgt luidt :
"Op het moment dat een produkt voor het eerst op de markt wordt gebracht, moet het voldoen aan de geldende voorschriften inzake de veiligheid en de gezondheid van personen, de eerlijkheid van de handelstransacties en de bescherming van de consument .
Hij die een produkt voor het eerst op de markt brengt of doet brengen, dient te verifiëren of dit aan de geldende voorschriften voldoet .
Hij is gehouden op verlangen van de bevoegde ambtenaren aan te tonen dat de verificaties en controles hebben plaatsgevonden ."
Summiere vermelding van de feiten .
2 . De vennootschap Norlaine is een inkoopcentrale die textiel inkoopt ten behoeve van de winkels die in Frankrijk onder de naam "Bouchara" door verschillende vennootschappen worden geëxploiteerd . In 1984 voerde deze vennootschap uit de Italiaanse Republiek en de Bondsrepubliek Duitsland een aantal stoffen onder de benaming "fantaisie" in . Deze stoffen werden door de Italiaanse en Duitse fabrikanten geleverd, vergezeld van de facturen waarop de samenstelling van de stoffen was vermeld . Norlaine verkocht deze waren door zonder deze eerst zelf te bewerken of te etiketteren, en nam op haar facturen de samenstelling van de stoffen over die voorkwam op de facturen van haar eigen leveranciers in het buitenland .
3 . In het kader van een gerichte actie heeft de "service de la répression des fraudes" achttien monsters genomen van verschillende, door Norlaine geleverde stoffen die in de Boucharawinkel te Toulouse ten verkoop werden aangeboden . Van de achttien in een officieel laboratorium onderzochte monsters bleken er zeven niet overeen te komen met de opgegeven samenstelling . In verband met deze feiten werd tegen E . Wurmser, weduwe Bouchara, en J . Bloch, in hun hoedanigheid van bestuursleden van de vennootschap Norlaine, een strafvervolging ingesteld voor het tribunal de grande instance te Bobigny, wegens misleiding omtrent de samenstelling van handelswaar en het ten verkoop aanbieden of doen aanbieden van textielprodukten waarop een onjuiste samenstelling was aangegeven, feiten die strafbaar zijn gesteld bij de wet van 1 augustus 1905 .
De prejudiciële vragen en de formulering ervan .
4 . Bij vonnis van 29 oktober 1987 heeft het tribunal de volgende vragen aan het Hof voorgelegd :
" 1 ) Is artikel 11, lid 4, van de gewijzigde wet van 1 augustus 1905 inzake bedrog en vervalsingen ter zake van produkten of diensten verenigbaar met artikel 30 EEG-Verdrag, dat kwantitatieve invoerbeperkingen en maatregelen van gelijke werking verbiedt?
2 ) Zo neen, is de Franse regeling een door artikel 36 EEG-Verdrag gerechtvaardigde uitzondering op artikel 30 EEG-Verdrag?"
Deze vragen schijnen niet aldus te moeten worden verstaan, dat de nationale rechter het Hof verzoekt vast te stellen of een aantal bepalingen van Frans recht al dan niet verenigbaar is met het gemeenschapsrecht . Ik zou willen voorstellen, de vragen als volgt te herformuleren :
"Staan de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag in de weg aan de invoering of handhaving van een verplichting voor degene die voor het eerst een produkt op de markt brengt of doet brengen, om te verifiëren of dat produkt voldoet aan de nationale voorschriften inzake de gezondheid en de veiligheid van personen, de eerlijkheid van de handelstransacties en de bescherming van de consument, bij niet naleving waarvan hij strafrechtelijk aansprakelijk wordt gesteld?"
5 . Ik wil eerst de achtergrond van artikel 11, lid 4, van de wet van 1905 bespreken en de strekking van deze bepaling analyseren . Vervolgens stel ik dat het gemeenschapsrecht dit onderwerp niet regelt . Mijn uiteenzetting zal verder grotendeels zijn gewijd aan de vraag, of regelingen als die welke de Franse wet kent, geoorloofd zijn in het licht van de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag . Ter zake concludeer ik, dat men hier te doen heeft met een "maatregel met een potentieel gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking ". Dit vastgesteld zijnde, onderzoek ik aan de hand van 's Hofs rechtspraak, of de maatregel kan worden gerechtvaardigd op grond van de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag .
De strafrechtelijke aansprakelijkheid, zoals geregeld in het Franse recht .
6 . Volgens artikel 11, lid 4, tweede volzin, van de Franse wet van 1 augustus 1905 "dient hij die voor het eerst een produkt op de markt brengt of doet brengen, te verifiëren of dit aan de geldende voorschriften voldoet ". Deze bepaling is ingevoerd bij een wet van 1983, waarbij een rechtspraak werd bekrachtigd die het ontbreken van verificatie gelijkstelde met een grove nalatigheid . Het lijkt me nuttig in het kort de achtergrond en de strekking van deze rechtspraak te schetsen .
Artikel 1 van de wet van 1905 stelt een strafsanctie op misleiding of poging tot misleiding van de medecontractant onder meer aangaande de samenstelling van geleverde handelswaar . Een van de bestanddelen van dit delict is het bedrieglijke opzet . Bij de beoordeling van dit opzet werd, tot de invoering van de wijzigingswet in 1983, in de rechtspraak onderscheid gemaakt naar gelang het de producent dan wel de distributeur van produkten betrof .
Volgens de rechtspraak kon de kwade trouw van de producent worden afgeleid uit het enkel nalaten van de verificatie . Zodoende gold voor het delict misleiding in de praktijk, voor wat de producent betrof, de leer van het "materiële feit" dat wil zeggen dat deze overtreding kon worden aangetoond op grond van de enkele nalatigheid van de producent, zonder dat opzet of schuld van diens kant behoefde te worden aangetoond .
Ten aanzien van de strafrechtelijke aansprakelijkheid van de distributeur luidde de rechtspraak anders . Het nalaten van de verificatie werd ten aanzien van hem niet als voldoende grond aangemerkt om bedrieglijke opzet aan te nemen . Slechts in het geval dat de distributeur zelf nog enigerlei ingreep aan de handelswaar verrichtte, werd hij in de rechtspraak strafrechtelijk aansprakelijk geacht .
Alhoewel volgens de wet van 1905 een ieder strafbaar is, die zijn contractuele wederpartij misleidt of poogt te misleiden, werd in beginsel dus de producent aansprakelijk geacht voor misleiding, kennelijk omdat hij de samenstelling van zijn produkten het beste kan kennen en kan vermelden . De rechtspraak week echter van deze dualistische regeling af zodra het om de distributeur/importeur van produkten van andere dan Franse makelij ging . De distributeur/importeur werd, wat zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid wegens misleiding betreft, gelijkgesteld met de producent van Franse produkten . De praktische moeilijkheden van een strafrechtelijke vervolging van fabrikanten in het buitenland schijnen aan deze gelijkstelling van de importeur met de producent ten grondslag te hebben gelegen . Hoe dit ook zij, in de wet van 21 juli 1983 is deze rechtspraak bekrachtigd . Thans is uitdrukkelijk bepaald, dat degene die het eerst een produkt op de markt brengt of doet brengen - dus zowel de Franse producent als de importeur van buiten Frankrijk vervaardigde produkten - zich ervan dient te vergewissen dat deze produkten aan de geldende voorschriften voldoen .
7 . Deze wettelijke bepaling kent echter een aantal leemtes, waarmee rekening moet worden gehouden bij het onderzoek van de vraag of zij, wat het gemeenschapsrecht betreft, geoorloofd is . Zo zegt de bepaling niets omtrent de omvang van de verplichting, te verifiëren, of de op de markt gebrachte produkten in overeenstemming zijn met de nationale voorschriften . Deze controle veronderstelt in de praktijk bij de importeur kennis van een tweetal zaken . Ten eerste moet hij de geldende nationale voorschriften kennen, die op hun beurt weer met de eventueel ter zake bestaande gemeenschapsrechtelijke bepalingen in overeenstemming dienen te zijn . ( Zie hierna onder 9 en 16 ). Daarnaast moet de importeur voldoende van de eigenschappen en de samenstelling van de ingevoerde goederen weten om te kunnen beoordelen of deze aan de voorschriften in het land van invoer voldoen . Ten aanzien van dit laatste punt moet worden vastgesteld dat de wettelijke bepaling niet aangeeft, wat de importeur moet doen om zich tegen strafrechtelijke aansprakelijkheid te vrijwaren . Wordt van de importeur verwacht dat hij stelselmatig alle door hem ingevoerde produkten door een laboratorium laat analyseren, zoals verdachten in het hoofdgeding menen te moeten aannemen? Of kan hij zich tegen strafrechtelijke aansprakelijkheid vrijwaren door de van de buitenlandse producent verkregen certificaten over te leggen, zoals de Franse regering verklaart? Ter terechtzitting konden de twee uiteenlopende opvattingen van partijen niet onder één noemer worden gebracht .
Het ander punt waarover de bepaling onduidelijk is, betreft de opsomming van de nationale bepalingen waarmee de ingevoerde produkten in overeenstemming dienen te zijn . In artikel 11, lid 4, van de wet van 1905 wordt slechts in algemene bewoordingen gesteld, dat "een produkt moet voldoen aan de geldende voorschriften inzake veiligheid en gezondheid van personen, de eerlijkheid van de handelstransacties en de bescherming van de consument ". Ingevoerde produkten moeten dus overeenstemmen met alle door een nationale instantie gestelde regels op de in deze bepaling genoemde gebieden . ( 1 )
De betrokken materie is niet door het gemeenschapsrecht geharmoniseerd .
8 . In de eerste plaats zij opgemerkt, dat de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor het verspreiden van produkten die niet beantwoorden aan de opgaven op het etiket, tot op heden nog in geen enkele gemeenschapsrichtlijn is geregeld . Wel zijn in richtlijn 84/450/EEG van de Raad van 10 september 1984 betreffende het nader tot elkaar brengen van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake misleidende reclame ( PB 1984, L 250, blz . 17 ) een reeks voorschriften genoemd die de Lid-Staten moeten vaststellen om het publiek tegen misleidende reclame te beschermen . Verder worden in richtlijn 71/307/EEG van de Raad van 26 juli 1971 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der Lid-Staten inzake textielbenamingen ( PB 1971, L 185, blz . 16 ) de benamingen van textielvezels alsmede de vermeldingen op de etiketten van textielprodukten geharmoniseerd .
Noch de algemene richtlijn van 1984, noch de specifieke richtlijn voor textielprodukten van 1971 beletten de Lid-Staten evenwel om bepalingen te handhaven die een verdergaande bescherming moeten verzekeren, bij voorbeeld door, zoals in casu, degenen die een produkt op de markt brengen of doen brengen, te verplichten de samenstelling daarvan te verifiëren, op straffe van zich bloot te stellen aan een verzwaarde strafrechtelijke aansprakelijkheid .
9 . Deze inleidende beschouwing geeft geen antwoord op de meer algemene vraag, of al de door artikel 11, lid 4, van de wet van 1905 bestreken gebieden nu wel of niet in het gemeenschapsrecht zijn geharmoniseerd . Het is natuurlijk niet mogelijk - en binnen het bestek van deze zaak ook niet nodig - om deze vraag in algemene zin te beantwoorden, gelet op de omvang van de door de bepaling bestreken materie en het ontbreken van enige nadere aanduiding omtrent de normen waarin deze materie is geregeld ( zie hierboven onder 7 ). Hier wil ik slechts onderstrepen, enerzijds, dat wanneer de betrokken regeling is geharmoniseerd, de aan de importeur en overigens ook aan de fabrikant opgelegde verificatieverplichting moet worden uitgeoefend met inachtneming van de gemeenschapsbepalingen, en anderzijds dat, indien geen harmonisatie terzake tot stand is gekomen, de verificatieverplichting desalniettemin delicate problemen kan opleveren, met name bij de beoordeling van de geldigheid van de betrokken nationale bepaling in het licht van het gemeenschapsrecht .
Voor de rest van mijn betoog ga ik uit van de situatie die zich in deze zaak voordoet : het ingevoerde produkt is in het land van invoer aan bijzondere regels onderworpen, die in het gemeenschapsrecht evenwel niet zijn geharmoniseerd .
De verificatieplicht kan de intracommunautaire handel belemmeren .
10 . Volgens artikel 30 EEG-Verdrag zijn kwantitatieve invoerbeperkingen en alle maatregelen van gelijke werking in de handel tussen de Lid-Staten verboden . Een maatregel waarbij een importeur/distributeur op straffe van een strengere regeling ter zake van de strafrechtelijke aansprakelijkheid wordt verplicht, te verifiëren of de door hem ingevoerde produkten aan de nationale voorschriften beantwoorden, terwijl het nationale strafrecht de distributeur van binnenlandse produkten niet dezelfde verplichting oplegt, vormt op het eerste gezicht een maatregel die de intracommunautaire handel ongunstig kan beïnvloeden . Weliswaar brengt een dergelijke verplichting niet noodzakelijk omvangrijke directe of indirecte kosten met zich mee, die de ingevoerde produkten daadwerkelijk schaden . De hoogte van zulke kosten hangt in feite af van de draagwijdte die de verificatieverplichting wordt toebedeeld . Als men dus bij voorbeeld de opvatting van de Franse regering volgt, te weten dat de importeur zich van zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid kan bevrijden door de certificaten van de producent van de ingevoerde produkten over te leggen, lijken de kosten in geen enkel opzicht een probleem . Ik kom hierna nog op dit punt terug ( onder 19 ). In dit stadium van mijn betoog volstaat het op te merken, dat de onderhavige maatregel onder de definitie van het begrip "maatregel van gelijke werking" valt, die het Hof in het arrest Dassonville heeft gegeven en in talloze latere arresten heeft herhaald . Volgens het arrest Dassonville is er sprake van een maatregel van gelijke werking, wanneer deze "de intracommunautaire handel al dan niet rechtstreeks, daadwerkelijk of potentieel, kan belemmeren" ( arrest van 11 juli 1974, zaak 8/74, Dassonville, Jurispr . 1974, blz . 837 ). In casu zijn stellig alle genoemde elementen aanwezig . Het kan immers niet worden uitgesloten, dat een distributeur van invoer van bepaalde produkten afziet uit vrees strafrechtelijk aansprakelijk te worden gesteld .
Kan de verificatieverplichting niettemin zijn gerechtvaardigd uit hoofde van artikel 30 EEG-Verdrag?
11 . In het arrest "Cassis de Dijon" ( arrest van 20 januari 1979, zaak 120/78, Rewe, Jurispr . 1979, blz . 649 ), en bij verschillende gelegenheden nadien, heeft het Hof geoordeeld dat bij gebreke van een gemeenschappelijke regeling voor de verhandeling van de betrokken produkten, belemmeringen van het intracommunautaire verkeer als gevolg van dispariteiten in de nationale wettelijke regelingen op de verhandeling van die produkten moeten worden aanvaard, voorzover zulk een regeling zonder onderscheid van toepassing is op zowel binnenlandse als ingevoerde produkten, en geen grotere belemmering vormt dan nodig is om te voldoen aan dwingende vereisten, onder meer verband houdende met de bescherming van de consument en de eerlijkheid van de handelstransacties .
Aldus heeft het Hof het evenredigheidsbeginsel geformuleerd volgens hetwelk de beperkingen van het intracommunautaire handelsverkeer slechts toelaatbaar zijn indien zij niet onevenredig zijn aan de rechtmatig nagestreefde doelstellingen . Het Hof aanvaardt deze rechtvaardigingsgrond evenwel enkel ten aanzien van nationale maatregelen die niet discriminerend van aard zijn ten opzichte van ingevoerde produkten; bedoelde maatregelen dienen integendeel zonder onderscheid van toepassing te zijn op binnenlandse èn op ingevoerde produkten . Met andere woorden : terwijl een nationale maatregel van discriminerende aard ( of formeel discriminerend ) zonder meer onder het verbod van artikel 30 valt en slechts gerechtvaardigd kan zijn uit hoofde van artikel 36 EEG-Verdrag, ( zie het arrest van 17 juni 1981, zaak 113/80, Commissie/Ierland, Jurispr . 1981, blz . 1625, r.o . 11 ), wordt een nationale maatregel die zonder onderscheid van toepassing is, slechts door het verbod van artikel 30 getroffen voor zover de in het arrest "Cassis de Dijon" geformuleerde voorwaarde niet is vervuld, dat wil zeggen, voor zover de maatregel verder gaat dan nodig is om te voldoen aan dwingende vereisten .
In de eerste plaats dient dus te worden onderzocht, of de betrokken maatregel van discriminerende aard is, dan wel of zij integendeel zonder onderscheid van toepassing is .
Is de verificatieverplichting zonder onderscheid van toepassing op binnenlandse produkten en produkten uit andere Lid-Staten?
12 . Verdachten in het hoofdgeding spreken zich niet duidelijk uit over de vraag, of de bij artikel 11, lid 4 van de wet van 1905 opgelegde verplichting zonder onderscheid geldt ten aanzien van binnenlandse en uit andere Lid-Staten afkomstige produkten . Zij zeggen, dat de distributeurs strenger worden behandeld wanneer zij uit andere Lid-Staten afkomstige produkten verhandelen dan wanneer zij Franse produkten verhandelen . In het eerste geval wordt het subjectieve bestanddeel van de delictsomschrijving voor misleiding vóórondersteld, terwijl de aanwezigheid daarvan in het tweede geval bewezen moet worden . Zij gaan dus niet in op de werkingssfeer van de verplichting om de ingevoerde produkten op conformiteit aan de nationale voorschriften te verifiëren, maar slaan een schakel in de redenering over en komen direct op de voor distributeurs geldende sanctie in geval van overtreding van de verificatieverplichting .
Het betoog van de Franse regering vertoont op dit punt meer samenhang : zij herinnert eraan dat degene die een produkt voor het eerst op de markt brengt of doet brengen, verplicht is te verifiëren of dat produkt aan de nationale voorschriften beantwoordt . Bedoelde verplichting geldt dus voor alle produkten die voor het eerst op de Franse markt worden gebracht . Volgens de Franse regering - en ik geef in overweging, haar standpunt terzake te volgen - geldt de verplichting dus zonder onderscheid voor alle produkten die voor het eerst op de Franse markt komen, en dientengevolge voor een ieder die deze op de markt brengt of doet brengen, dat wil zeggen voor binnenlandse produkten de fabrikanten en voor produkten uit andere Lid-Staten de importeurs .
Het feit dat deze verplichting, al naar gelang de omvang die men eraan toekent, voor de importeur moeilijker te vervullen kan zijn dan voor de fabrikant ( omdat deze laatste de samenstelling van het produkt zelf in de hand heeft ) en derhalve in min of meer belangrijke mate een drempelwerking kan hebben voor de intracommunautaire handel, doet niet af aan het feit dat de bepaling niet ( formeel ) discriminerend van aard is . Dit onderzoek van de werkingssfeer van de verificatieverplichting is evenwel van belang om te kunnen vaststellen of deze gerechtvaardigd is uit hoofde van het evenredigheidsbeginsel, dat wil zeggen om vast te stellen of de belemmering voor de intracommunautaire handel die de verificatieverplichting met zich brengt, gerechtvaardigd kan worden geacht in verband met de met die maatregel nagestreefde dwingende doelstelling .
Gaat de verificatieverplichting verder dan nodig is om de met de bepaling nagestreefde doeleinden te realiseren?
13 . De met artikel 11, lid 4, van de wet van 1905 nagestreefde doeleinden blijken uit de tekst van die bepaling zelf . Krachtens deze bepaling moeten de produkten op het moment dat zij voor het eerst op de markt worden gebracht, beantwoorden aan de geldende voorschriften "inzake de veiligheid en gezondheid van personen, de eerlijkheid van de handelstransacties en de bescherming van de consument ". Doeleinden die verband houden met de veiligheid en gezondheid zijn als zodanig uitdrukkelijk genoemd in artikel 36 EEG-Verdrag . Maatregelen die voor de intracommunautaire handel een belemmering vormen, maar aan die doeleinden beantwoorden, kunnen eventueel zijn gerechtvaardigd uit hoofde van dit artikel 36 . Hierna, onder 20 en 21, kom ik daarop nog terug .
De twee andere in casu nagestreefde doeleinden ( de eerlijkheid van de handelstransacties en de bescherming van de consument ), behoren tot de gebieden waar handelsbelemmerende maatregelen volgens de rechtspraak van het Hof gerechtvaardigd kunnen zijn, voor zover hiermee geen verdergaande beperkingen worden gesteld dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken .
Overigens is het zeer wel mogelijk dat met een nationale maatregel tegelijkertijd meerdere doelstellingen worden nagestreefd, zonder dat precies te zeggen valt welke doelstelling daarbij de overhand heeft . Zo zijn er bij voorbeeld bepalingen die de consument niet alleen op het vlak van zijn gezondheid beogen te beschermen, maar ook op dat van de eerlijkheid van de handelstransacties . In dat geval zou de bepaling onder de hierboven genoemde voorwaarden gerechtvaardigd kunnen zijn uit hoofde van zowel artikel 36 als van artikel 30 ( zie het arrest van 6 juni 1984, zaak 97/83, Melkunie, Jurispr . 1984, blz . 2367, en de conclusie van advocaat-generaal VerLoren van Themaat ).
14 . Hoever strekt de in artikel 11, lid 4, van de wet van 1905 bedoelde verificatieverplichting zich uit? Zoals ik onder 7 reeds heb gesignaleerd, lopen de antwoorden van partijen op deze vraag sterk uiteen . Het staat evenwel niet aan het Hof om de omvang van de in artikel 11, lid 4, van de wet 1905 genoemde verificatieverplichting te bepalen . Op dat punt moet de nationale rechter duidelijkheid verschaffen . Het Hof van zijn kant moet zeggen onder welke voorwaarden een maatregel, op grond waarvan moet worden gecontroleerd of ingevoerde produkten in overeenstemming zijn met de in het land van invoer geldende voorschriften, in overeenstemming is met het EEG-Verdrag .
15 . Wat dit aangaat moet eerst een standpunt worden bepaald met betrekking tot het principe zelf van een dergelijke maatregel . Bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht zijn de voorschriften inzake de eerlijkheid van de handelstransacties en de bescherming van de consument nog verre van geharmoniseerd . De Lid-Staten mogen dus verlangen dat uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten aan de nationale voorschriften op deze terreinen beantwoorden . In het verlengde hiervan mogen zij eveneens een importeur de verplichting opleggen om te verifiëren of de ingevoerde produkten aan de geldende voorschriften voldoen, met dien verstande dat deze verplichting geldt voor alle produkten, inclusief binnenlandse produkten, die voor het eerst op de markt worden gebracht .
Bij de huidige stand van de verdragen inzake de tenuitvoerlegging in het buitenland van strafrechtelijke vonnissen is het immers begrijpelijk dat aan de buitenlandse fabrikant niet onder strafbedreiging een verplichting wordt opgelegd om ingevoerde produkten te controleren . Overigens zij opgemerkt, dat in richtlijn 85/374/EEG van de Raad van 25 juli 1985 betreffende de onderlinge aanpassing van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen der Lid-Staten inzake aansprakelijkheid voor produkten met gebreken ( PB 1985, blz . 29 ) voor een soortgelijke oplossing is gekozen ten aanzien van in de Gemeenschap ingevoerde produkten : ingevolge deze richtlijn is de importeur op dezelfde voet aansprakelijk als de producent . Ook al gaat het daar om de civielrechtelijke aansprakelijkheid, de vergelijking is niet zonder belang .
Mits het evenredigheidsbeginsel in acht wordt genomen, zijn de Lid-Staten vrij een sanctie te stellen op een schending van de verificatieverplichting . Een regeling voor strafrechtelijke aansprakelijkheid waarbij terzake van het delict misleiding het opzet niet meer behoeft te worden bewezen, lijkt mij niet onevenredig aan de te bereiken doeleinden, voor zover de omvang van de verificatieverplichting op zich zelf redelijk is .
16 . Hiermee komen wij - en daar gaat het om - op de omvang van de verplichting om ingevoerde produkten te verifiëren op hun conformiteit met de nationale voorschriften . Deze verificatie veronderstelt, zoals ik reeds heb opgemerkt, kennis van een tweetal zaken . Ten eerste wordt verondersteld, dat de importeur op de hoogte is van de terzake geldende voorschriften . Op dit punt doen zich in casu geen onmiddellijke problemen voor . Niettemin kan het delicate problemen op het punt van de verenigbaarheid van nationale voorschriften met het gemeenschapsrecht doen rijzen . Maar de moeilijkheden die hieruit kunnen voortvloeien, gelden de importeur van produkten uit andere Lid-Staten op gelijke wijze als de fabrikant/producent van binnenlandse produkten . Ten tweede veronderstelt deze verificatie voldoende kennis bij de importeur van de eigenschappen van de ingevoerde produkten, om te kunnen beoordelen of deze in overeenstemming zijn met de in het land van invoer geldende voorschriften . Wat mag met inachtneming van artikel 30 EEG-Verdrag en het daarin vervatte evenredigheidsbeginsel aan stappen worden verlangd, zodat deze kennis omtrent de ingevoerde produkten wordt verkregen? Welke maatregelen, die de intracommunautaire handel ongunstig beïnvloeden, kunnen niettemin gerechtvaardigd zijn uit hoofde van het rechtmatig nagestreefde doel, zodat zij niet onder het verbod van maatregelen van gelijke werking in artikel 30 EEG-Verdrag vallen? Dat zijn de vragen waar het in de onderhavige zaak om gaat .
De laatste jaren heeft het Hof verschillende arresten gewezen over de verenigbaarheid van controlebepalingen met de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag . Over het algemeen kan worden gesteld, dat omslachtige en dure controlemaatregelen die niet zijn gerechtvaardigd door de met die maatregelen beoogde doeleinden, door het Hof niet zijn aanvaard op grond van het evenredigheidsbeginsel . In het verlengde van dit beginsel heeft het Hof evenmin aanvaard, dat de Lid-Staten informatie verlangen die niet zonder hogere kosten voor het ingevoerde produkt kan worden verschaft, indien er in de Lid-Staat van oorsprong reeds gelijkwaardige informatie voorhanden is .
17 . Verdachten in het hoofdgeding halen in het bijzonder de twee volgende arresten aan . In het arrest van 17 december 1981 ( zaak 272/780, Frans-Nederlandse Maatschappij voor Biologische Produkten BV, Jurispr . 1981, blz . 3277 ) oordeelde het Hof, dat de autoriteiten van de Lid-Staat van invoer
"niet nodeloos technische of chemische analyses of laboratoriumproeven mogen eisen, wanneer dezelfde analyses en proeven reeds in een andere Lid-Staat zijn verricht en de resultaten ervan ter beschikking van die autoriteiten staan of hun desgevraagd ter beschikking kunnen worden gesteld ".
Deze opvatting van het Hof doortrekkend naar de onderhavige zaak, kan reeds een eerste conclusie worden getrokken . Wanneer een importeur zich slechts tegen strafrechtelijke aansprakelijkheid kan vrijwaren door stelselmatig voor ieder produkt dat hij invoert, een omslachtig en duur laboratoriumonderzoek te laten verrichten, terwijl in een andere Lid-Staat door of op verzoek van de fabrikant voor een zelfde produkt reeds hetzelfde onderzoek is verricht, heeft men uiteraard te doen met een onder het verbod van artikel 30 EEG-Verdrag vallende regeling .
18 . Verdachten in het hoofdgeding halen daarnaast eveneens het arrest van 15 december 1976 aan ( zaak 41/76, Donckerwolcke, Jurispr . 1976, blz . 1921 ). In dit arrest oordeelde het Hof in de eerste plaats, dat artikel 30 eraan in de weg staat dat in de intracommunautaire betrekkingen een nationale wetgeving wordt toegepast, waarbij, zij het zuiver formeel, het vereiste van in - of uitvoervergunningen of enig soortgelijk middel zou worden gehandhaafd ( hetgeen een formele discriminerende maatregel zou zijn, en derhalve reeds op zichzelf een maatregel van gelijke werking ). Bij die gelegenheid overwoog het Hof eveneens dat een eis dat het land van oorsprong op het invoerdocument wordt vermeld, op zichzelf weliswaar geen maatregel van gelijke werking vormt, doch dat een zodanige eis wèl
"onder het verbod van artikel 30 EEG-Verdrag valt indien van de importeur wordt verlangd met betrekking tot de oorsprong iets anders te vermelden dan hem bekend is of redelijkerwijze bekend kan zijn ".
Hierbij moet echter worden vermeld, dat het arrest Donckerwolcke handelde over de vraag, of een administratieve maatregel op grond waarvan op een invoerdocument het land van oorsprong moet worden vermeld, en wel uitsluitend voor statistische doeleinden, verenigbaar is met het gemeenschapsrecht . Het Hof heeft daarbij rekening gehouden met de wanverhouding tussen de belasting die deze verplichting om informatie te verschaffen voor de importeur betekende, omdat die hem redelijkerwijze niet bekend kon zijn, en het relatief geringe belang van het met de maatregel beoogde doel . Het lijkt me echter te gewaagd om uit het arrest van 15 december 1976 af te leiden dat het Hof het algemene standpunt huldigt, dat de Lid-Staten van een importeur geen andere informatie mogen verlangen dan hem omtrent de ingevoerde goederen bekend is of redelijkerwijs bekend kan zijn .
19 . In dit licht bezien, lijkt mij dat geen bepaling van het EEG-Verdrag eraan in de weg staat dat importeurs, evenals fabrikanten in het land zelf, verplicht worden over de documenten te beschikken waarin de eigenschappen van de op de markt gebrachte goederen zijn vermeld en die hen in staat stellen te verifiëren of deze produkten aan de nationale voorschriften in het land van invoer voldoen ( zie het arrest van 17 december 1981 in zaak 272/80, reeds aangehaald, r.o . 15, Jurispr . 1981, blz . 3291, en de conclusie van advocaat-generaal VerLoren van Themaat in zaak 124/81, Commissie/Verenigd Koninkrijk, Jurispr . 1983, blz . 248-249 ). Deze verplichting kan echter niet zover gaan dat de importeur zelf deze documenten moet opmaken wanneer zij reeds bestaan . In de regel moet de importeur in staat zijn de verificatie van de conformiteit van zijn produkten te verrichten aan de hand van de door of vanwege de fabrikant in een andere Lid-Staat opgemaakte documenten, zolang, ik herhaal, deze documenten hem daartoe ook in staat stellen . In het normale geval moet hij dus kunnen afgaan op de opgaven die de fabrikant in een andere Lid-Staat, uit zichzelf of op verzoek van de importeur, verstrekt .
Onder bepaalde omstandigheden moeten de Lid-Staten extra zorgvuldigheid van de importeur mogen verlangen . In het geval dat uit de door de fabrikant opgestelde bescheiden niet kan worden opgemaakt of de ingevoerde produkten aan de in het land van invoer geldende voorschriften voldoen, of nog sterker, wanneer de fabrikant de samenstelling van zijn produkt niet objectief kan of wil laten vaststellen met het oog op de vereiste verificatie, kan de importeur worden verplicht om, tenminste steekproefsgewijs, de nodige analyses te laten uitvoeren om te kunnen beoordelen of de produkten aan de nationale voorschriften beantwoorden . Evenzo kunnen de Lid-Staten, in het geval dat de importeur reden heeft te twijfelen aan het waarheidsgehalte van de door de fabrikant overgelegde documenten, met een beroep op de zorgvuldigheidsplicht van de wederverkoper verlangen dat deze zich in ieder geval steekproefsgewijze van de juistheid van de verstrekte gegevens overtuigt .
Kan de verificatieverplichting zijn gerechtvaardigd uit hoofde van artikel 36 EEG-Verdrag?
20 . Hierboven heb ik de grenzen aangegeven waarbinnen een verplichting om te verifiëren, of de in te voeren produkten voldoen aan nationale voorschriften inzake de eerlijkheid van de handelstransacties en de bescherming van de consument, mij nog lijkt te zijn gerechtvaardigd uit hoofde van artikel 30 EEG-Verdrag . Thans moet nog worden onderzocht of dit antwoord moet worden herzien, wanneer het gaat om een verplichting te controleren of de ingevoerde produkten beantwoorden aan nationale, niet in het gemeenschapsrecht geharmoniseerde, voorschriften inzake de veiligheid en de gezondheid van personen . Deze laatste twee gebieden worden immers in artikel 36 uitdrukkelijk genoemd .
21 . Naar mijn mening maakt het voor het probleem geen wezenlijk verschil, of met de voorschriften, waaraan de te controleren produkten moeten voldoen, het ene dan wel het andere doel wordt nagestreefd . Wel kan in het gemeenschapsrecht de rechtvaardigingsgrond verschillen, afhankelijk van het nagestreefde doel . Wanneer de nationale voorschriften de eerlijkheid van de handelstransacties of de bescherming van de consument betreffen, moet de rechtvaardiging op artikel 30 worden gebaseerd . Wanneer die nationale voorschriften daarentegen de gezondheid of de veiligheid van personen betreffen, biedt artikel 36 de juiste juridische grondslag . In beide gevallen kan de betrokken maatregel slechts zijn gerechtvaardigd wanneer deze niet meer beperkingen met zich brengt dan nodig is om de nagestreefde doeleinden te realiseren ( zie het arrest van 20 mei 1976, zaak 104/75, de Peijper, met name rechtsoverwegingen 16-18, Jurispr . 1976, blz . 613 ). Hooguit zou men kunnen stellen dat de Lid-Staten gerechtigd zijn een grotere zorgvuldigheid van de betrokkenen te verlangen wanneer zij dienen te controleren of een produkt voldoet aan nationale voorschriften waarmee wordt beoogd in artikel 36 genoemde doeleinden te verwezenlijken . Met andere woorden : gezien het belang dat de opstellers van het Verdrag hebben gehecht aan de in artikel 36 genoemde onderwerpen, kunnen de Lid-Staten op deze gebieden relatief stringentere beperkingen stellen - uiteraard met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel - dan uit hoofde van artikel 30 van het Verdrag toelaatbaar is .
Deze redenering behoeft echter enige nuancering wanneer het gaat om een bepaling ter realisering van "gemengde doeleinden" ( dat wil zeggen doeleinden op grond waarvan een maatregel kan zijn gerechtvaardigd uit hoofde van zowel artikel 30 als artikel 36 EEG-Verdrag ). Alleen wanneer de nationale wetgever zelf een rangorde aanbrengt tussen de in de bepaling beoogde doeleinden, waaruit duidelijk blijkt dat aan de doeleinden op het gebied van veiligheid en gezondheid prioriteit wordt toegekend boven de andere nagestreefde doeleinden, zouden de beperkingen die uit een verplichte toetsing aan de veiligheids - en gezondheidsvoorschriften voortvloeien, kunnen worden verzwaard, zonder dat zulke stringentere beperkingen als ongerechtvaardigde belemmeringen kunnen worden aangemerkt . In casu gaat het echter om een in zeer algemene bewoordingen gestelde verplichting zonder dat in de desbetreffende bepaling onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende nagestreefde doeleinden . Daar komt nog bij, dat de bepaling niet geldt voor farmaceutische produkten, die weer onder een andere regeling vallen ( zie voetnoot onder 7 ). Voor de betrokken bepaling is het dus niet nodig een onderscheid te maken, al naar gelang het de werkingssfeer van artikel 30 of die van artikel 36 EEG-Verdrag betreft .
Voorgestelde antwoord
22 . Concluderend geef ik het Hof in overweging de prejudiciële vragen als volgt te beantwoorden :
"De artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag staan niet eraan in de weg dat voor de importeur van produkten uit andere Lid-Staten de verplichting wordt ingevoerd of gehandhaafd om, voordat de produkten in het land van invoer op de markt worden gebracht, te verifiëren, evenals de fabrikant van binnenlandse produkten verplicht is te doen, of deze produkten voldoen aan nationale, niet in het gemeenschapsrecht geharmoniseerde, voorschriften inzake de gezondheid en de veiligheid van personen, de eerlijkheid van de handelstransacties en de bescherming van de consument, en dat, wanneer deze verplichting niet wordt nageleefd, zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid zwaarder is dan die van de verkoper van nationale produkten, voorzover de importeur aan deze verplichting kan voldoen aan de hand van de door of vanwege de fabrikant in het buitenland opgemaakte certificaten, die bedoelde verificatie mogelijk maken, en de importeur geen reden heeft om aan het waarheidsgehalte van deze gegevens te twijfelen ."
(*) Oorspronkelijke taal : Frans .
( 1 ) De deskundige van de Franse regering heeft ter terechtzitting verklaard, dat de bepaling voor alle produkten geldt, behalve voor farmaceutische produkten, die onder een andere regeling vallen .
Full & Egal Universal Law Academy