CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
W. VAN GERVEN
van 16 maart 1989 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
„1.
Het Hessische Finanzgericht heeft krachtens artikel 177 het Hof om een prejudiciële beslissing verzocht over de volgende vragen:
„1)
Moet artikel 5 van verordening nr. 802/68 van de Raad van 27 juni 1968 betreffende de gemeenschappelijke definitie van het begrip ‚oorsprong van goederen’(PB 1968, L 148, blz. 1), aldus worden uitgelegd, dat ook de enkele assemblage van kant en klaar ingevoerde onderdelen tot een nieuw produkt als laatste ingrijpende en economisch verantwoorde verwerking of bewerking bepalend is voor de oorsprong, of is de assemblage slechts bepalend voor de oorsprong wanneer daarnaast een eigen intellectuele prestatie wordt geleverd ?
2)
Wanneer de enkele assemblage van kant en klare onderdelen bepalend is voor de oorsprong in de zin van artikel 5 van verordening nr. 802/68, moet artikel 6 van deze verordening dan aldus worden uitgelegd, dat reeds de omlegging van de uitvoer met gebruikmaking van reeds bestaande produktieplaatsen het vermoeden rechtvaardigt dat die omlegging ten doel heeft bepalingen (anti-dumpingrechten) te ontduiken ?”
Voor de feitelijke en procedurele aspecten van het geding voor de verwijzende rechter kan ik volstaan met te verwijzen naar het rapport ter terechtzitting.
De vragen die door de verwijzende rechter zijn voorgelegd, vertonen een groter belang dan men op het eerste gezicht zou kunnen denken. Zoals door Brother in haar schriftelijke opmerkingen aangeduid, wordt op dit moment door de nationale douaneoverheden in het Verenigd Koninkrijk, Nederland en Frankrijk de betaling van een anti-dumpingrecht op elektronische schrijfmachines afkomstig uit Taiwan opgelegd aan ondernemingen van de groep Brother op grond van verordening (EEG) nr. 1698/85 van de Raad van 19 juni 1985 houdende instelling van een definitief anti-dumpingrecht op de invoer van elektronische schrijfmachines van oorsprong uit Japan ( 1 ). Het antwoord op de voorgelegde vragen zal dus ook voor die overheden en niet alleen voor het Hauptzollamt Gießen van belang zijn.
Om het optreden van de nationale douaneoverheden tegen invoer van schrijfmachines uit Taiwan in het juiste perspectief te zien moet men het volgende voor ogen houden. In december 1985 maakte de Commissie bekend dat zij een anti-dumpingprocedure inleidde betreffende de invoer van elektronische schrijfmachines van oorsprong uit Taiwan ( 2 ). Deze anti-dumpingprocedure werd door het besluit van de Commissie van 23 mei 1986 ( 3 ) stopgezet met de motivering dat de goederen niet van oorsprong zouden zijn uit Taiwan. De kosten van de in Taiwan uitgevoerde bewerkingen waren, volgens de Commissie, te klein gebleken om als laatste ingrijpende verwerking te kunnen worden gekwalificeerd, die vereist is volgens verordening (EEG) nr. 802/68 van de Raad ( 4 ) om de betrokken goederen het karakter „van oorsprong uit Taiwan” te verlenen. Een door Brother Industries Ltd, Taiwan Brother Ltd en Brother International Europe Ltd ingesteld verzoek tot nietigverklaring van dit besluit van 23 mei 1986 alsmede van het memorandum van het Directoraat-generaal I, Buitenlandse Betrekkingen, „betreffende invoer van elektronische schrijfmachines uit Taiwan” van 5 juni 1986 werd door het Hof in de beschikking van 30 september 1987 (in de zaak 229/86, Jurispr. 1987, blz. 3757) als ontvankelijk afgewezen.
In feite wordt nu, via een prejudiciële procedure, de vraag voorgelegd waarover de anti-dumpingprocedure inzake Taiwan liep. De vraag van de verwijzende rechter gaat er namelijk over of het Hauptzollamt Gießen de litigieuze invoer van elektronische schrijfmachines niet ten onrechte heeft gezien als van oorsprong uit Japan, en derhalve onderworpen aan het door de Raad ingestelde anti-dumpingrecht, in plaats van als van oorsprong uit Taiwan. In deze prejudiciële procedure gaat het dan ook over de toepassing van dezelfde oorsprongsregelen als deze van toepassing in de door de Commissie stopgezette anti-dumpingprocedure inzake Taiwan.
2.
De gemeenschapsrechtelijke oorsprongsregelen liggen vervat in verordening nr. 802/68.
Artikel 1 van verordening nr. 802/68 luidt als volgt:
„Deze verordening definieert het begrip ‚oorsprong van goederen’met het oog op:
a)
de uniforme toepassing van het gemeenschappelijk douanetarief, de kwantitatieve beperkingen alsmede alle andere maatregelen van de Gemeenschap of van de Lid-Staten inzake de invoer van goederen;
b)
de uniforme toepassing van alle maatregelen van de Gemeenschap of van de Lid-Staten, inzake de uitvoer van goederen;
c)
de opstelling en de afgifte van de certificaten van oorsprong.”
Antidumpingmaatregelen over de toepassing waarvan het geschil voor de verwijzende rechter handelt, vallen duidelijk onder het onderdeel a van dit artikel. In de algemene gemeenschapsregeling inzake antidumping wordt de toepasselijkheid van verordening nr. 802/68 met betrekking tot antidumpingmaatregelen overigens beaamd. Dit is namelijk het geval in artikel 13, lid 7, van verordening (EEG) nr. 2423/88 van de Raad van 11 juli 1988 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping of subsidiëring uit landen die geen lid zijn van de Europese Economische Gemeenschap (PB 1988, L 209, blz. 1), dat luidt als volgt:
„Wanneer er bij de instelling van een definitief of voorlopig anti-dumpingrecht of compenserend recht geen bijzondere bepalingen zijn vastgesteld, zijn de regels inzake de gemeenschappelijke definitie van het begrip oorsprong, alsmede de daarop betrekking hebbende gemeenschappelijke uitvoeringsbepalingen van toepassing.”
Bekijken we nu het ruimtelijk geldingsbereik van verordening nr. 802/68. Krachtens artikel 2 kan van deze verordening afgeweken worden
„in overeenkomsten die afwijken van de meestbegunstigingsclausule, en met name die welke instelling van een douane-unie of een vrijhandelszone inhouden”.
Dit is namelijk gebeurd voor de handel met de landen van de Europese Vrijhandelsassociatie, voor die met de ontwikkelingslanden die bepaalde tariefpreferenties genieten, en voor een aantal andere landen. Zowel Japan als Taiwan behoren tot geen van deze categorieën, en voor de handel met die twee landen geldt dan ook het gemeen recht van verordening nr. 802/68.
Men kan het betreuren dat de oorsprongsvraag nu in dit kader opkomt en niet in het kader van een heuse anti-dumpingprocedure waarin toch wel meer procedurele waarborgen voor de betrokken ondernemingen zijn ingebouwd. Deze bedenking, hoe academisch ze ook zij, wijst nogmaals op het belang van deze zaak.
De eerste vraag
3.
Artikel 5 van verordening nr. 802/68, waarover de eerste vraag (zie supra, punt 1) werd gesteld, luidt als volgt:
„Goederen bij de vervaardiging waarvan twee of meer landen betrokken zijn geweest zijn van oorsprong uit het land waar de laatste ingrijpende en economisch verantwoorde verwerking of bewerking heeft plaatsgevonden in een daartoe ingericht bedrijf en welke verwerking of bewerking hetzij heeft geleid tot de fabricage van een nieuw produkt, hetzij een belangrijke fabricagefase uitmaakt.”
In de aan het Hof voorgelegde vraag wordt als vaststaand aangenomen dat de in Taiwan uitgevoerde bewerkingen, die erin bestaan bepaalde in Japan geproduceerde componenten (zoals weerstanden, condensatoren en transistoren) op de eveneens in Japan geproduceerde geleiderplaten aan te brengen, en vervolgens uit die geleiderplaten en andere in Japan geproduceerde onderdelen een schrijfmachine te assembleren, als een assemblage moeten worden aangemerkt waaruit een nieuw produkt ontstaat ( 5 ). Dit betekent dat de laatste zinsnede van artikel 5 [„en welke verwerking of bewerking hetzij heeft geleid tot de fabricage van een nieuw produkt, hetzij (alternatief) een belangrijke fabricagefase uitmaakt”] niet ter beoordeling staat. In feite handelt de eerste vraag derhalve uitsluitend over de eerste zinsnede van artikel 5, en in het bijzonder over de interpretatie van de woorden „de laatste ingrijpende en economisch verantwoorde verwerking of bewerking... in een daartoe ingericht bedrijf”.
De aan het Hof voorgelegde eerste vraag is eigenlijk nog meer toegespitst: zowel over het „economisch verantwoord” zijn van de assemblage als over de vraag of de Brother-fabriek in Taiwan een „daartoe ingericht bedrijf” was, hebben partijen in het geding ten gronde nauwelijks gehandeld. De tweede zinsnede komt wel even ter sprake naar aanleiding van de tweede aan het Hof voorgelegde vraag (infra, nr. 16). De voorgelegde vraag is dus hierop toegespitst of en, zo ja, onder welke voorwaarden een assemblage een ingrijpende be- of verwerking kan zijn zodat zij in staat is de oorsprong van het produkt te bepalen.
4.
In de opmerkingen van Brother, de Commissie, Nederland en Frankrijk wordt uitvoerig naar rechtsleer ter zake verwezen, en worden ook argumenten gehaald uit de uitvoeringsverordeningen die de Commissie voor bepaalde produkten, maar niet voor het produkt dat ons hier bezighoudt, heeft genomen ( 6 ). In die opmerkingen bekleden de arresten die het Hof ter zake reeds heeft gewezen een belangrijke plaats, zij het dat deze arresten op uiteenlopende manieren worden geïnterpreteerd. Daarin komen verschillende theorieën aan bod. Zonder het belang van deze theorieën te willen overschatten, wil ik ze toch kort als volgt aanduiden: 1) de theorie die een technische of technologische test gesteund op de eigenschappen van het produkt voorstaat (infra nr. 5 e. v.), 2) degene die een toegevoegde-waardetest, of ruimer geformuleerd : een economische test, voorstaat (infra nr. 6), en 3) enkele andere, minder belangrijke theorieën, waaronder één die het thuishoren in een ander onderdeel van de douane- tariefclassificatie als criterium gebruikt (infra nr. 5). In wat hierna volgt zal ik eerst de rechtspraak van het Hof in herinnering brengen, vervolgens kort ingaan op de uiteenlopende conclusies die partijen daaruit trekken, en ten slotte mijn eigen beoordeling geven.
Rechtspraak van het Hof
5.
In het arrest van het Hof van 26 januari 1977 (zaak 49/76, Überseehandel, Jurispr. 1977, blz. 41, r. o. 5 tot 7) werd de vraag van het Verwaltungsgericht Hamburg beantwoord of ruwe caseine, die in een derde land is geproduceerd en in een Lid-Staat der Gemeenschap wordt vermalen tot voor gebruik geschikte caseïne, van oorsprong is uit die Lid-Staat. Het Hof overwoog het volgende:
„(r. o. 5) dat men er in deze omstandigheden niet mee kan volstaan de criteria ter vaststelling van de oorsprong van goederen te zoeken in de tariefindeling der verwerkte produkten, aangezien het gemeenschappelijk douanetarief een geheel eigen functie heeft en niet is opgesteld met het oog op de vaststelling van de oorsprong der produkten;
dat integendeel om aan de doelen en eisen van verordening nr. 802/68 te beantwoorden, de vaststelling van de oorsprong van goederen moet zijn gebaseerd op een objectief en werkelijk onderscheid tussen basisprodukten en bewerkte produkten, verband houdend met beider specifieke materiële eigenschappen;
(r. o. 6) dat mitsdien in artikel 5 bedoelde laatste be- of verwerking slechts ‚ingrijpend’is in de zin der verordening, wanneer het aldus voortgebrachte produkt specifieke eigenschappen en een specifieke samenstelling vertoont, die het vóór die be- of verwerking niet bezat;
dat immers de bepaling van artikel 5, dat een bijzondere oorsprong slechts wordt verkregen indien de be- of verwerking leidt tot fabricage van een nieuw produkt dan wel een belangrijke fabricagefase uitmaakt, aantoont dat verrichtingen welke met het oog op het gebruik van het produkt de uiterlijke verschijningsvorm beïnvloeden zonder evenwel de kwalitatieve eigenschappen in belangrijke mate te wijzigen, niet oorsprongbepalend kunnen zijn;
(r. o. 7) dat het tot verschillende graden van fijnheid vermalen van een basisprodukt als caseïne niet kan worden beschouwd als een be- of verwerking in de zin van artikel 5 van verordening nr. 802/68, wanneer dit procédé uitsluitend leidt tot een andere consistentie en verschijningsvorm met het oog op verder gebruik, maar niet tot een belangrijke kwalitatieve wijziging van het basisprodukt;
dat voorts de kwaliteitscontrole en het sorteren alsmede het verpakken van het gemalen produkt enkel het in de handel brengen ervan dienen en zijn wezenlijke eigenschappen niet beïnvloeden.”
In dit arrest werd duidelijk komaf gemaakt met de tot dan toe soms verdedigde stelling dat het toebehoren aan een andere positie in de tariefindeling van het gemeenschappelijk douanetarief, als criterium onder artikel 5 zou kunnen worden gehanteerd. In het arrest wordt integendeel een technisch criterium in de zin van een naar de specifieke kenmerken van het produkt verwijzend criterium, gebruikt: om ingrijpend te zijn moet de be- of verwerking leiden tot specifieke eigenschappen en een specifieke samenstelling die tevoren niet aanwezig waren; de wijziging moet meer beïnvloeden dan alleen de uiterlijke verschijningsvorm.
6.
In het arrest van het Hof van 31 januari 1979 (zaak 114/78, Yoshida, Jurispr. 1979, blz. 115) werd de uitvoeringsverordening nr. 2067/77 van de Commissie van 20 september 1977 betreffende de bepaling van de oorsprong van ritssluitingen (PB 1977, L 242, blz. 5) ongeldig verklaard. De bewuste verordening ontzegde aan de vervaardiging van ritssluitingen binnen de Gemeenschap een oorsprongbepalende werking wanneer uit een derde land afkomstige glijders werden gebruikt. Het Hof overwoog onder andere:
„(r. o. 11) beziet men deze verschillende bewerkingen, dan blijkt dat onder de laatste ingrijpende verwerking of bewerking moet worden verstaan het verrichten van de bewerkingen c, d, e en f ( 7 ), die leiden tot de fabricage van een nieuw en oorspronkelijk produkt dat — in tegenstelling tot elk der basisprodukten — een verbindingselement is, dat telkens opnieuw kan worden losgemaakt en dient om voorwerpen, inzonderheid stofdelen, met elkaar te verbinden.
De glijder vormt in dit geheel slechts een bijzonder element, waarvan de prijs bovendien geen grote invloed kan hebben op de uiteindelijke kosten van een ritssluiting. Wel is deze glijder kenmerkend voor een ritssluiting, doch hij is enkel bruikbaar als onderdeel van een harmonieus samengesteld geheel.
(r. o. 12) Toen de Commissie meende te moeten teruggrijpen op de fabricage van de glijder, vóór de laatste verwerkingsfase, om daarvan een dwingende voorwaarde te maken voor de afgifte van het certificaat van oorsprong, is zij uitgegaan van een handeling zonder enig verband met de doelstellingen van verordening nr. 802/68, die een objectief en reëel onderscheid verlangt tussen basisprodukten en verwerkte produkten, in wezen berustend op de specifieke materiele hoedanigheden van elk dier produkten.
Het vereiste dat nagenoeg alle onderdelen van een produkt, zelfs die van geringe waarde en zonder zelfstandige gebruiksmogelijkheid als zij niet in een geheel zijn verwerkt, van communautaire oorsprong zijn, zou in tegenspraak zijn met het doel van de regeling betreffende de bepaling van oorsprong. Door dit vereiste te stellen heeft de Commissie derhalve haar bevoegdheid ex artikel 14, lid 3, van genoemde verordening overschreden.”
Uit dit arrest kunnen twee conclusies getrokken worden. Op de eerste plaats heeft het Hof, door de bewuste verordening ongeldig te verklaren, zich verzet tegen het isoleren van één bijzonder element — in casu de glijder van de ritssluiting — als meest kenmerkend onderdeel dat in elk geval in de Gemeenschap zou moeten geproduceerd worden om aan het geheel — de ritssluiting — een gemeenschapsoorsprong te verlenen. Op de tweede plaats komt in dit arrest opnieuw, zoals in het vorige, een technisch criterium naar voren, maar nu — en dit is een belangrijk element voor de beoordeling van het huidige geval — in combinatie met een kosten- en toegevoegde waardecriterium, dat als aanvullend criterium wordt gebruikt.
De technische test bestaat erin na te gaan of de materiële kenmerken van het produkt, na verwerking of bewerking, objectief verschillen van die van de basisprodukten of onderdelen. In verband met ritssluitingen is dat volgens het Hof het geval, omdat de glijder die alleen bruikbaar is als onderdeel van een harmonieus geheel, nu samen met de andere onderdelen nieuwe materiële hoedanigheden en met name ruime gebruiksmogelijkheden bezit. De aanvullende kosten- en toegevoegde-waardetest ligt vervat in de zinsnede ingeleid door „bovendien” in rechtsoverweging 11, tweede alinea, en in de zinsnede ingeleid door „zelfs” in rechtsoverweging 12, tweede alinea: de geringe kosten van de glijder en de geringe waarde ervan voor de gebruiker, vergeleken met de kosten en de waarde van de ritssluiting, zijn van aard om het niet-oorsprongbepalend karakter van de glijder te bevestigen.
7.
In het arrest van 23 maart 1983 (zaak 162/82, Cousin, Jurispr. 1983, blz. 1101), in een zaak waarin de geldigheid van een andere uitvoeringsverordening van de Commissie aan de orde stond, en waar ook een vraag onder artikel 30 EEGVerdrag was gesteld, overwoog het Hof het volgende :
„(r. o. 20) De Commissie heeft niet duidelijk gemaakt waarom, ih verband met de bijzondere kenmerken van de betrokken produkten en bewerkingen, een dergelijk verschil in behandeling tussen verven en andere bewerkingen van weefsels en stoffen enerzijds en van katoenen garens anderzijds gerechtvaardigd zou kunnen zijn.
(r. o. 21) Het lijkt dan ook tegenstrijdig en discriminerend, dat verordening nr. 749/78 strengere bepalingen vaststelt voor de bepaling van oorsprong van katoenen garens dan van die van weefsels en stoffen. Ofschoon de Commissie over een zekere beoordelingsvrijheid bij de toepassing van de algemene criteria van artikel 5 van verordening nr. 802/68 op specifieke bewerkingen en verwerkingen, mag ze niet zonder objectieve rechtvaardigingsgronden volstrekt verschillende oplossingen voor gelijksoortige bewerkingen of verwerking kiezen.”
Ook hier wordt (uitsluitend) een technisch criterium gehanteerd.
8.
In het arrest van 23 februari 1984 (zaak 93/83, Zentrag, Jurispr. 1984, blz. 1095) — dat een uitvoeringsverordening met betrekking tot vlees betrof —, verklaarde het Hof dat:
„artikel 5 van verordening nr. 802/68 ... aldus moet worden uitgelegd, dat het uitbenen, het verwijderen van pezen en vet, het uitsnijden in stukken en het vacuüm verpakken van vlees afkomstig van runderkwartieren, aan dat vlees niet de oorsprong verleent van het land waar die verrichtingen plaatsvinden.”
Als motivering gaf het Hof te kennen:
„(r. o. 13) dat, zoals het Hof in het arrest ... Überseehandel ... heeft beslist, de in artikel 5 van verordening nr. 802/68 bedoelde laatste bewerking of verwerking slechts ‚ingrijpend’ in de zin van deze bepaling is, wanneer het aldus voortgebrachte produkt specifieke eigenschappen en een specifieke samenstelling vertoont, die het vóór die bewerking of verwerking niet bezat. Verrichtingen die de uiterlijke verschijningsvorm van het produkt beïnvloeden met het oog op het gebruik ervan zonder evenwel de kwalitatieve eigenschappen in belangrijke mate te wijzigen, kunnen de oorsprong van het produkt niet bepalen.
(r. o. 14) Toegegeven kan worden, dat de betrokken verrichtingen de afzet van het vlees vergemakkelijken voor zover dit aan de consumenten kan worden verkocht door bedrijven die geen eigen slager hebben. Zij leiden echter niet tot een wezenlijke verandering van de eigenschappen en de samenstelling van het vlees; hun voornaamste gevolg is veeleer, dat de verschillende delen van een geslacht dier worden verdeeld naar de kwaliteit en de reeds bestaande eigenschappen en dat de uiterlijke verschijningsvorm wordt veranderd met het oog op de afzet. Een zekere verlenging van de houdbaarheid en een vertraging van het rijpingsproces van het vlees vormen een onvoldoende kenmerkende kwalitatieve verandering van het vlees, om aan genoemde vereisten te voldoen. Indien men ten slotte overeenkomstig de door Zentrag ter terechtzitting overgelegde cijfers ervan uitging, dat de handelswaarde van het heel runderkwartier als gevolg van de betrokken verrichtingen met 22% toeneemt, zou ook deze omstandigheid op zichzelf niet de opvatting rechtvaardigen, dat deze verrichtingen hebben geleid tot de fabricage van een nieuw produkt of ook maar een belangrijke fabricagefase uitmaken.”
Uit dit arrest valt te onthouden dat verrichtingen die niet tot een wezenlijke verandering van de eigenschappen en de samenstelling van het vlees leiden, omdat ze slechts tot een verdeling naar kwaliteit en een wijziging in de verschijningsvorm leiden, geen fabricage van een nieuw produkt uitmaken en evenmin een belangrijke fabricagefase (opnieuw toepassing van het technisch criterium) ( 8 ). Een aanzienlijke toename van de handelswaarde, dit is een aanzienlijke toegevoegde waarde — in casu 22% — volstond niet „op zichzelf”, zo stelt het Hof, om tegen het technische criterium in, toch een oorsprongbepalend karakter te verlenen aan de be- of verwerking, waaruit blijkt dat het toegevoegde- waardecriterium door het Hof wel degelijk in aanmerking wordt genomen maar slechts als aanvullend criterium.
Interpretatie door de partijen
9.
Welke algemene conclusies kunnen uit deze rechtspraak worden getrokken ? Eerst en vooral moet onderstreept worden dat de vier geciteerde arresten elk een specifieke vraag betreffen die verschilt van de thans voorliggende vraag over de assemblage van apparaten. Voorzichtigheid is dus geboden bij het aanhalen van geïsoleerde dicta, gezien op dit terrein de specifieke feitelijke omstandigheden een grote invloed hebben op de toepassing van de rechtsregels.
Volgens Brother komt uit de rechtspraak van het Hof naar voren dat een objectieve, technische, vergelijking moet gemaakt worden tussen het produkt (de produkten) vóór de bewerking en dat erna. Ter vergelijking: in de zaak 49/76 werd het produkt caseïne nog alleen tot verschillende graden van fijnheid vermalen, maar ook vóór die vermaling was het al caseïne. In de zaak 93/83, de andere zaak waarin een bewerking géén verandering van oorsprong teweegbracht, ging het om runderkwartieren die omgezet werden in verbruiksklare, individueel verpakte biefstukken en dergelijke. In onderhavige zaak zou het volgens Brother om iets duidelijk anders gaan: onderdelen worden omgezet in een produkt met gebruikskenmerken die de onderdelen niet hebben. Het aantal stappen in, en de kosten van, het produktieproces tussen de twee toestanden speelt volgens Brother een ondergeschikte rol; het woord „ingrijpend” zou dus niet zozeer een vereiste met betrekking tot de duur, de intensiteit of de moeilijkheidsgraad van de be-of verwerking bevatten, indien de toestand vóór maar „ingrijpend” verschilt van de toestand ná. Betekent dit dat meer economisch gerichte criteria, zoals inzet van kapitaalmiddelen, geen enkele aanduiding kunnen geven ? Zover wil ook Brother, zoals nog tijdens de mondelinge behandeling is gebleken, niet gaan.
De Commissie, van haar kant, legt de nadruk op het laatst geciteerde arrest, en meer bepaald op de daarin vermelde „specifieke kenmerken” van het produkt, waarbij zij suggereert dat een assemblage nooit, en zeker niet in dit geval, nieuwe specifieke eigenschappen toevoegt aan een produkt. Betekent dit dat een geheel nooit meer is dan de delen waaruit het is samengesteld ? In het licht van het arrest van 31 januari 1979 (supra, nr. 6) kan dit moeilijk worden volgehouden. Een andere weg die door datzelfde arrest werd afgesneden, is te stellen dat het meest kenmerkende onderdeel bepalend is voor de oorsprong van een produkt. Deze stelling, die met betrekking tot de glijder van de ritssluiting werd verworpen, gaat in tegen de bewoording van artikel 5, die niet „de meest ingrijpende” maar wel „de laatste ingrijpende” be- of verwerking oorsprongbepalend maakt. De Commissie ziet dan ook de volgende algemene lijn in de rechtspraak van het Hof: opdat een assemblage „ingrijpend” zou zijn, moet gekeken worden naar twee criteria, namelijk enerzijds het geleverde werk en de uitgaven aan materiaal, en anderzijds de toegevoegde waarde. In de praktijk vallen deze twee criteria grotendeels samen ( 9 ). Samen vormen zij wat men het economisch criterium kan noemen.
10.
Alvorens tot een eigen beoordeling te komen, wil ik erop wijzen dat zowel Brother als de Commissie terecht het vereiste van een zelfstandig intellectueel karakter van de assemblagehandeling verwerpen; dit vereiste werd door de verwijzende, rechter sterk beklemtoond, en dit — volgens de niet weersproken bewering van Brother — op basis van de vóór de gemeenschapsverordening geldende Duitse reglementering ter zake ( 10 ). Het invoegen van een vereiste van intellectuele diepgang of creativiteit om een assemblagehandeling oorsprongbepalend te maken vindt steun noch in de tekst van artikel 5 noch in de rechtspraak van het Hof, en zou ertoe leiden een economisch niet verantwoorde voorkeur uit te drukken voor bepaalde ambachtelijke produktiewijzen. Bovendien is het een erg moeilijk te hanteren criterium aangezien de aan- of afwezigheid van intellectuele diepgang of creativiteit niet gemakkelijk te beoordelen valt.
Eenvoudige versus ingrijpende assemblages
11.
De vraag van de verwijzende rechter komt er, zoals gezegd (supra, punt 3) op neer te weten of, en onder welke omstandigheden, een assemblage een ingrijpende be- of verwerking is, zodat zij (als tevens laatste en economisch verantwoorde be- of verwerking) oorsprongbepalend is in de zin van artikel 5 van verordening nr. 802/68.
Enige precisering kan worden gevonden in de onder de auspiciën van de Internationale Douaneraad tot stand gekomen internationale overeenkomst inzake de vereenvoudiging en harmonisatie van douaneprocedures; bij het Verdrag van Kyoto van 18 mei 1973 ( 11 ) hoort een bijlage D.1 betreffende voorschriften inzake oorsprong, die met enkele reserves — die deze zaak niet raken — door de Gemeenschap is aanvaard ( 12 ). Wanneer twee of meer landen betrokken zijn bij de produktie van goederen, dan wordt de oorsprong van die goederen bepaald volgens het criterium „ingrijpende verwerking” (norm nr. 3). In dit verband stelt norm nr. 6, die door de EEG werd aanvaard:
„Niet als ingrijpende verwerking of bewerking mogen worden beschouwd de behandelingen die in het geheel niet of slechts in geringe mate bijdragen tot de essentiële kenmerken of eigenschappen van de goederen, en met name de behandelingen die uitsluitend bestaan uit één of meer van de volgende verrichtingen:
a)
behandelingen om de bewaring van de goederen tijdens het vervoer en de opslag te verzekeren;
b)
behandelingen om de aanbiedingsvorm of handelskwaliteit van de produkten te verbeteren of om deze voor het vervoer gereed te maken, zoals het verdelen en samenvoegen van colli, het sorteren en rangschikken van goederen en het veranderen van verpakking;
c)
eenvoudige assemblagehandelingen;
d)
het mengen van goederen van verschillende oorsprong mits de kenmerken van het verkregen produkt niet esentieel afwijken van de kenmerken van de goederen die zijn vermengd.”
Hoewel de bijlage D.1 als internationale overeenkomst eerder voor een smal terrein schijnt bedoeld te zijn geweest ( 13 ), lijkt ze mij toch nuttig om het te geven antwoord te ondersteunen.
Uit deze internationale overeenkomst blijkt duidelijk dat, onder de gemeenschapsverordening nr. 802/68, eenvoudige assemblagehandelingen niet als ingrijpend en dus als oorsprongbepalend kunnen worden beschouwd omdat zij „niet of slechts in geringe mate bijdragen tot de essentiële kenmerken of eigenschappen van de goederen”. Het komt mij voor dat de verwijzing naar de essentiële kenmerken van de goederen een verwijzing is naar een technisch criterium, terwijl de geringe mate van de bijdrage naar een economisch criterium verwijst (zie hierna).
12.
Blijft de noodzaak om te definiëren welke assemblages geen eenvoudige assemblages maar ingrijpende bewerkingen zijn. Om die vraag te beantwoorden is het aangewezen terug te grijpen naar de bewoording van artikel 5 van verordening nr. 802/68, in zijn onderscheiden versies. Een „ingrijpende” be- of verwerking wordt in het Frans „substantiel”, in het Duits „wesentlich”, in het Italiaans „sostanziale” en in het Engels „substantial” genoemd.
Het komt mij voor dat het woord „ingrijpend” twee elkaar aanvullende betekenissen heeft, en dat in artikel 5 bijgevolg twee elkaar aanvullende criteria kunnen worden teruggevonden.
Ten eerste heeft „ingrijpend” een technische betekenis, die tot nu toe door het Hof meestal is aangewend. Een be- of verwerking is in die zin ingrijpend wanneer zij een wijziging meebrengt van de substantie, dit zijn de specifieke eigenschappen of de samenstelling, van het produkt dat be- of verwerkt wordt. Het produkt dat na een laatste be- of verwerking, in zijn afgewerkte staat, als een gebruiksklaar voorwerp te voorschijn komt, verschilt wezenlijk van het produkt of de onderdelen ervan die vóór de be- of verwerking niet gebruiksklaar waren. Die laatste bewerking is dan, gelet op de nu afgewerkte en gebruiksklare staat van het produkt, ingrijpend geweest: zij heeft het produkt wezenlijk veranderd. In de onderhavige hypothese van een verbruiksgoed betekent „gebruiksklaar”: klaar voor gebruik zonder „professionele” tussenkomst, dit is zonder een andere tussenkomst dan het soort waartoe een normale gebruiker met eenvoudig gereedschap in staat is. In het onderhavige geval zou de verwijzende rechter mijns inziens gemakkelijk kunnen concluderen dat de onderzochte assemblage de essentiële gebruikseigenschappen van de schrijfmachine heeft tot stand gebracht, en dat zij derhalve op basis van het technische criterium ingrijpend is geweest.
Uit het voorgaande blijkt dat het „technisch” criterium niet noodzakelijk moet begrepen worden als een natuurkundig of scheikundig criterium dat een intrinsieke verandering van de be- of verwerkte produkten betreft: het gaat eerder om de gebrwïfekenmerken en -eigenschappen die de afnemer, in het geval van een verbruiksgoed een consument, bij het kopen van het gebruiksklaar produkt op het oog heeft en die, vanuit het standpunt van een normale gebruiker, nog niet aanwezig waren in het onbewerkte produkt of in de onderdelen, of er althans niet eenvoudig waren uit te halen. Zo zal men bij voorbeeld de assemblage van een eenvoudig in elkaar te steken boekenkast — van het soort dat ook vaak als te assembleren onderdelen verkocht wordt aan consumenten die zelf beschikken over de weinige daartoe benodigde stukken gereedschap — niet technisch ingrijpend kunnen noemen, omdat de gebruikskenmerken van het eindprodukt in de ogen van de consument reeds in het „doehet-zelf”-pakket aanwezig zijn in een voor hem eenvoudig toegankelijke vorm.
Kan met dit technisch criterium worden volstaan ? Ik meen van niet. In aanvulling op het technische criterium, heeft het Hof steeds, waar dit nodig was, een economisch criterium als subsidair criterium aangewend ( 14 ). Het woord „ingrijpend” en vooral het equivalente woord „substantieel”, heeft immers ook de niet-technische en meer algemeen economische betekenis van „aanzienlijk” of „financieel belangrijk”. Het economisch criterium moet mijns inziens dan ook in acht worden genomen, niet als het voornaamste, het enige of zelfs maar het eerste criterium, maar als een aanvulling, en zo nodig een correctie, op het hiervoor genoemde technische criterium. Onder het economische criterium dient dan, zoals ik hiervoor al heb aangeduid (supra, nr. 9 en voetnoot), zowel een kostengerichte benadering als een marktgerichte „toegevoegde waarde”-benadering worden verstaan. Samen verwijzen zij naar de belangrijkheid van de „inzet van produktiefactoren”.
13.
Concreet leidt de gecombineerde toepassing van een technisch hoofdcriterium en een subsidiair economisch criterium tot de volgende aanpak: wanneer een technisch ingrijpende be- of verwerking zoals hiervoor gepreciseerd, slechts een gering percentage waarde toevoegt en/of slechts relatief onbelangrijke kosten meebrengt, is zij toch geen wezenlijke of ingrijpende be- of verwerking in de zin van artikel 5. Mocht voor de verwijzende rechter aannemelijk worden gemaakt hetgeen de Commissie in casu aanvoert, namelijk dat de assemblagehandelingen in Taiwan een bijdrage tot de toegevoegde waarde van het produkt leveren van ver onder de 10 procent ( 15 ), dan lijkt de conclusie mijns inziens onontkoombaar dat dergelijke assemblagehandelingen niet „ingrijpend” zijn, ook al komt uit de assemblageverrichting een, technisch gezien, nieuw gebruiksklaar produkt te voorschijn.
Ik wil daarbij benadrukken, dat een dergelijke conclusie van de verwijzende rechter mijns inziens niet kan gesteund worden op het zogezegd weinig intellectueel karakter van de in Taiwan uitgevoerde taken, waarbij trouwens niet eens is nagegaan of de produktie in Japan van de naar Taiwan overgebrachte geleiderplaten niet evenzeer neerkomt op een weinig intellectuele, robotachtige massaproduktie. Wel van belang om tot een dergelijke conclusie te komen is daarentegen het feit dat het produktieproces in Taiwan, als onderdeel van de globale produktie van elektronische schrijfmachines, een onbelangrijk deel van de globale kosten en/of toegevoegde waarde vertegenwoordigt. Het feit dat de personeels- en kapitaalinzet in Japan bij het ontwerpen en het produceren van geleiderplaten en van de daarop aan te brengen componenten, veelvoudig groter is dan de personeels- en kapitaalinzet in Taiwan bij het monteren op deze platen van enkele componenten én van de gehele schrijfmachines, mag mijns inziens dus wel degelijk doorwegen in de eindbeslissing.
14.
Het hiervoor uitgewerkte criterium lijkt mij het enig realistische te zijn, gelet op de grote variatie in produkten waarvoor artikel 5 van verordening nr. 802/68 in aanmerking moet worden genomen.
Het is ook in overeenstemming met de tekst van genoemd artikel in de mate dat die spreekt over de „laatste” ingrijpende be- of verwerking, en niet over de „meest” ingrijpende be- of verwerking; in heel wat feitensituaties, verschillend van die van het onder-, hävige geval, is het mogelijk dat drie of vier opeenvolgende bewerkingen, in drie of vier verschillende landen, elk op hun beurt een niet-verwaarloosbare economische bijdrage leveren. Toch is het alleen de laatste — die economisch gezien niet de belangrijkste hoeft te zijn van de drie of vier — welke oorsprong verleent. Dit punt is niet alleen in overeenstemming met de tekst van artikel 5 ; het Hof heeft het ook reeds herhaaldelijk zijdelings bevestigd ( 16 ).
Wil men in dergelijke situaties uitmaken of de laatste be- of verwerking ingrijpend is, dan zal men mijns inziens noodzakelijkerwijs een aanvullend beroep moeten doen op een economisch criterium, omdat het toelaat de opeenvolgende produktiefases met eenzelfde maatstaf te meten.
Antwoord op de eerste vraag
15.
Op basis van het voorgaande stel ik voor de verwijzende rechter het volgende antwoord te geven:
„De enkele assemblage van kant en klaar ingevoerde onderdelen tot een nieuw produkt kan niet als ingrijpende verwerking of bewerking bepalend zijn voor de oorsprong in de zin van artikel 5 van verordening (EEG) nr. 802/68 van de Raad van 27 juni 1968 betreffende de gemeenschappelijke definitie van het begrip ‚oorsprong van goederen’(PB 1968, L 148, biz. 1), wanneer deze assemblage slechts een relatief onbelangrijk aandeel vertegenwoordigt in de produktiekosten of in de toegevoegde waarde van het nieuwe produkt.”
De tweede vraag
16.
Artikel 6 van verordening nr. 802/68, waarover de tweede vraag (zie supra, punt 1) gesteld werd, luidt als volgt:
„Wanneer ten aanzien van verwerkingen of bewerkingen vaststaat of op grond van vastgestelde feiten het vermoeden is gewettigd dat zij slechts ontduiking beogen van bepalingen welke in de Gemeenschap of in de Lid-Staten op goederen van bepaalde landen van toepassing zijn, kunnen de daardoor verkregen goederen in geen geval worden geacht, op grond van artikel 5 van oorsprong te zijn uit het land waar deze verwerkingen of bewerkingen plaatsvinden.”
Alleen Brother, Frankrijk en de verwijzende rechter hebben enkele beschouwingen gewijd aan het artikel 6. Frankrijk heeft statistieken overgelegd die aantonen dat de assemblage van elektronische schrijfmachines in Taiwan toe- en afnam in een patroon dat steun geeft aan de hypothese volgens dewelke daarmee gereageerd werd op beslissingen van de gemeenschapsorganen. Dergelijke statistieken vermogen echter niet te bewijzen dat voldaan is aan het vereiste van artikel 6, namelijk „(dat de ver- of bewerkingen) slechts ontduiking beogen”, zeker gezien de terechte klemtoon in de verwijzingsbeslissing en in de opmerkingen van Brother op het rechtsstaatsbeginsel. In een vrije en ontwikkelde markteconomie, gekenmerkt door een vergaande arbeidsverdeling, moet het respect voor bedrijfseconomisch gemotiveerde ondernemersbeslissingen de regel zijn. Zulk respect zou wegvallen als de overheid elke beslissing die gedeeltelijk kan uitgelegd worden als een reactie op overheidsmaatregelen, door een misbruikbeginsel zou kunnen vatten. Gezien tegen deze achtergrond, kan het bewijs van wetsontduiking niet worden geacht te zijn geleverd door middel van statistieken die wijzen op een verlegging van het handelsverkeer als reactie op de overheidsbeslissing, of door erop te wijzen dat de fabriek in Taiwan voorheen voor de vervaardiging van naaimachines werd gebruikt. Er moet daarenboven worden aangetoond dat de overplaatsing van een gedeelte van de produktie naar Taiwan aan geen enkele andere economische rationaliteit beantwoordde dan het ontwijken van overheidsmaauegelen.
17.
Ik stel dan ook voor aan de verwijzende rechter het volgende antwoord voor te leggen:
„In gevallen waarin de enkele assemblage van kant en klaar ingevoerde onderdelen bepalend is voor de oorsprong in de zin van artikel 5 van verordening nr. 802/68, mag artikel 6 van deze verordening niet aldus worden uitgelegd dat alleen al de omlegging van de uitvoer met gebruikmaking van reeds bestaande produktieplaatsen het vermoeden rechtvaardigt dat deze omlegging ten doel heeft reglementaire bepalingen (in casu inzake anti-dumpingrechten) te ontduiken.”
( *1 ) Oorspronkelijke taal: Nederlands.
( 1 ) PB 1985, L 163, blz. 1.
( 2 ) PD 1985, C 338, blz. 7.
( 3 ) PD 1986, L 140, blz 52.
( 4 ) PD 1968, L 148, blz. 1.
( 5 ) Het staat vast dat de eerste bewerking, het aanbrengen van weerstanden en dergelijke op de geleiderplaten, slechts voor drie modellen van de bewuste elektronische schrijfmachine in Taiwan plaatsvond. Voor de andere modellen gebeurde ook dat in Japan.
( 6 ) Aangezien, zoals hierna zal blijken, de oplossing van de voorliggende rechtsvraag uit de rechtspraak van het Hof inzake artikel 5 voortvloeit, hoeven deze uitvoeringsverordeningen niet verder aan bod te komen.
( 7 ) Zie r. o. 10: c) het aanbrengen van de metalen haakjes casu quo van de nylon spiralen op de linten, en het vervolgens samenvoegen van de linten; d) het aanbrengen van ondereindstukjes en van boveneindstukjes op de linten; e) het invoegen en eventueel kleuren van de glijders; f) het drogen en schoonmaken van de eindeloze ritssluitingen alsmede het op maat afsnijden tot afzonderlijke ritssluitingen.
( 8 ) Dit criterium wordt hier dus gebruikt om uit te maken of de onderzochte verrichtingen hebben geleid tot de fabricage van een nieuw produkt of een belangrijke fabricagefase uitmaken, en daarom een ingrijpende bewerking zijn. Waaruit moge blijken dat de interpretatie van de verschillende zinsneden van artikel 5 in elkaar vloeit en grotendeels aan de hand van dezelfde criteria gebeurt. Het is hier maar anders (supra, nr. 3) omdat de verwijzende rechter er — terecht — van uitgaat dat de assemblage van onderdelen in dit geval een nieuw produkt heeft tot stand gebracht en hij zijn vraagstelling derhalve heeft toegespitst op het ingrijpend karaktervan deze assemblage.
( 9 ) Het criterium van „geleverd werk en materiaaluitgaven” is een boekhoudkundige, kostengerichte benadering. De „toegevoegde waarde”, dat wil zeggen de door de produktiefactoren van de onderneming toegevoegde waarde, verwijst naar het verschil tussen de verkoopprijs van het afgewerkt produkt en de aankoopprijs van grondstoffen, energie, eventueel huur enzovoort. Theoretisch verschilt dit laatste criterium van het eerste op twee punten: het omvat naast de vergoeding van de arbeid ook de vergoeding van het kapitaal en van het land in eigendom, twee produktiefactoren die in een optelling van „geleverd werk en materiaaluitgaven” ontbreken, en het gaat uit van een door confrontatie tussen vraag en aanbod tot stand gekomen marktprijzen. In de praktijk zijn deze verschillen onbelangrijk: het eerste verschil is klein en voorspelbaar (en kan door een forfait vervangen worden), zeker gelet op het relatief belang van deze produktiefactoren als aandeel in de totale kosten of de toegevoegde waarde van het eindprodukt; het tweede verschil is in vele gevallen, en zeker in dit geval, puur theoretisch, omdat er niet een voldoende ruime en transparante markt bestaat voor de verschillende (Brother-)onderdelen voor elektronische schrijfmachines. Bij gebrek aan een zulke markt wordt noodgedwongen teruggegrepen naar de kostenbenadering.
( 10 ) Zie bij voorbeeld Bail/Schädel/Hutter, Kommentar Zollrecht, F IV opmerking 8 bij artikel 5 van verordening nr. 802/68.
( 11 ) Besluit van de Raad van 18 maart 1975, 75/199/EEG, houdende sluiting van de Internationale Overeenkomst inzake de vereenvoudiging en de harmonisatie van douaneprocedures en aanvaarding van de bijlage ervan betreffende de douane-enirepols, PB 1975, L 100, blz. 1, met in bijlage de tekst van het Verdrag.
( 12 ) Besluit van de Raad van 3 juni 1977, 77/415/EEG, houdende aanvaarding in naam van de Gemeenschap van verscheidene bijlagen bij de Internationale Overeenkomst inzake de vereenvoudiging en harmonisatie van douaneprocedures, PB 1977, L 166, blz. 1.
( 13 ) Zie de laatste alinea van de inleiding: „Deze bijlage heeft uitsluitend betrekking op de douaneaspecten van de regels inzake oorsprong. Žij geldt bij voorbeeld niet voor de maatregelen die werden genomen om de industriële of commerciële eigendom te beschermen of om zeker te stellen dat de aanduidingen inzake de oorsprong en andere van kracht zijnde handelsomschrijvingen in acht worden genomen.”
( 14 ) Zie reeds de conclusie van advocaat-generaal Warner voor het arrest van 26 januari 1977, supra geciteerd in nr. 5, op blz. 61, tweede kolom; zie vervolgens de supra in nr. 6 geciteerde rechtsoverwegingen 11 en 12 van het arrest van 31 januari 1979, en — voor de verwerping van de stelling dat het economisch criterium het hoofderiterium zou zijn — de laatste zin van de supra in nr. 8 geciteerde rechtsoverweging 14 van het arrest van 23 februari 1984.
( 15 ) Dit is ver onder de 22% waarvan sprake is in het arrest van 23 februari 1984, supra geciteerd in nr. 8, r. o. 14.
( 16 ) Zie het arrest van 31 januari 1979, supra geciteerd in nr. 6, de laatste twee zinnen van r. o. 12, en de conclusie van advocaat-generaal Sir Gordon Slynn voor het arrest van 23 maart 1983, supra geciteerd in nr. 7, op de blz. 1128 en 1129.
Full & Egal Universal Law Academy