Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . De heer en mevrouw Reichert, beiden van Duitse nationaliteit en woonachtig in Duitsland, zijn eigenaar van te Antibes, in Frankrijk, gelegen onroerend goed . Aan hun eveneens in Duitsland woonachtige zoon, M . Reichert, hebben zij de blote eigendom van dat goed ten geschenke overgedragen . De daartoe strekkende akte is verleden voor een notaris in Frankrijk, in het departement Moselle .
2 . In het hoofdgeding staan de vennootschap naar Duits recht Dresdner Bank, gevestigd te Frankfurt am Main, en de beide echtelieden Reichert met hun zoon tegenover elkaar . De Dresdner Bank heeft voor het tribunal de grande instance te Grasse een rechtsvordering op grond van artikel 1167 van het Franse burgerlijke wetboek ingesteld, een zogenoemde actio Pauliana, waarmee zij voor recht wil doen verklaren, dat tegenover haar als schuldeiser van partijen Reichert geen beroep op de schenking kan worden gedaan . Nadat de zaak aanhangig was gemaakt, verklaarde het tribunal de grande instance te Grasse, in het ressort waarvan het onroerend goed is gelegen, zich bevoegd op grond van artikel 16, sub 1, van het Executieverdrag, waarin het volgende is bepaald :
"( ongeacht de woonplaats zijn bij uitsluiting bevoegd )
1 . ten aanzien van zakelijke rechten op en huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen : de gerechten van de Verdragsluitende Staat waar het onroerend goed gelegen is ."
3 . Partijen Reichert betwistten voor de cour d' appel te Aix-en-Provence de bevoegheid van het tribunal te Grasse .
4 . Bij arrest van 16 november 1987 heeft de cour d' appel het Hof krachtens artikel 1 van het protocol van 3 juni 1971 betreffende de uitlegging van het Verdrag van 27 september 1968 verzocht om bij wijze van prejudiciële beslissing uitspraak te doen over de volgende vraag :
"Beoogt het Executieverdrag, waar het bepaalt dat ten aanzien van zakelijke rechten op en huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerende goederen, de gerechten van de verdragsluitende staat waar het onroerend goed is gelegen, bij uitsluiting bevoegd zijn, een bevoegdheidsregel vast te stellen die, zonder enige verwijzing naar de indeling van vorderingen in persoonlijke, zakelijke en gemengde vorderingen, uitsluitend de inhoud van het recht, dat wil zeggen de aard van de in geding zijnde rechten, in aanmerking neemt, in dier voege dat, op grond van de aldus vastgelegde bevoegdheidsregel, de schuldeiser die opkomt tegen handelingen die zijn schuldenaar met bedrieglijke benadeling van zijn rechten heeft verricht - in casu een schenking van zakelijke rechten op onroerend goed -, zijn vordering aanhangig kan maken bij het gerecht van de verdragsluitende staat waar het onroerend goed is gelegen?"
5 . Om te beginnen deel ik de mening van de Franse regering, dat het beter is de vraag zoals deze is gesteld, te splitsen en eerst te onderzoeken of het begrip "ten aanzien van zakelijke rechten op onroerende goederen" moet worden uitgelegd in overeenstemming met het recht van de verdragsluitende staten of met inachtneming van de doeleinden en van het systeem van het Executieverdrag .
6 . A - Zonder op dat punt een algemeen beginsel te hebben geformuleerd, heeft het Hof zich in zijn rechtspraak tot dusver in het algemeen voorstander betoond van een autonome interpretatie, ook al is niet één van beide alternatieven, naar het Hof zelf onderkent, te prefereren boven de andere, en moet van geval tot geval een keuze worden gemaakt, afhankelijk van de bepaling waarom het gaat . ( 1 ) Zo heeft het Hof deze lijn met name gevolgd in twee zaken waarin het eveneens in artikel 16, sub 1, van het Executieverdrag ( 2 ) voorkomende begrip "huur en verhuur, pacht en verpachting van onroerend goed" moest worden uitgelegd .
7 . De cour d' appel te Aix-en-Provence is van mening, dat artikel 16, sub 1, niet moet worden uitgelegd als een eenvoudige verwijzing naar het Franse interne recht en naar de traditionele indeling van rechtsvorderingen in persoonlijke vorderingen, zakelijke vorderingen en gemengde vorderingen .
8 . Dat is ook het standpunt van de meeste regeringen die in deze zaak opmerkingen hebben ingediend . Daarin wijzen zij erop dat onder het begrip "zakelijk recht" niet in alle verdragsluitende staten hetzelfde wordt verstaan . Dan is een autonome uitlegging van dit begrip de enige oplossing die een uniforme toepassing van het Executieverdrag in de gehele Gemeenschap mogelijk kan maken, en ik stel dan ook voor om deze weg te bewandelen .
9 . B - Als tweede onderdeel wordt dan gevraagd, of het begrip "rechtsvordering ten aanzien van zakelijke rechten op onroerend goed", uitgelegd in het kader van het Executieverdrag, ook een rechtsvordering omvat als de in het Franse recht voorziene actio Pauliana, wanneer een dergelijke rechtsvordering - die ook betrekking kan hebben op roerend goed - door een schuldeiser wordt ingesteld tegen de schenking van de blote eigendom op onroerend goed door zijn debiteur .
10 . De nationale rechter, die ervan uit gaat dat artikel 16, sub 1, niet slaat op de aard van de ingestelde rechtsvordering, maar op de aard van de rechten die in geding zijn, in casu het blote eigendomsrecht op een onroerend goed, wat stellig een zakelijk recht is, ziet nu graag door het Hof bevestigd dat een actie die dit recht betreft, moet worden ingesteld bij de gerechten van de staat waar het onroerend goed is gelegen .
11 . Deze benadering heeft iets verleidelijks . Immers, wanneer eiseres in haar vordering slaagt, zal de zoon van de echtelieden Reichert zich tegenover de Dresdner Bank niet meer op zijn erga omnes geldend zakelijk recht op het onroerend goed kunnen beroepen . Gaat het hier dan niet om een rechtsvordering "ten aanzien van zakelijke rechten op onroerende goederen"?
12 . Ook heeft deze benadering tot voordeel, dat hiermee wordt tegemoet gekomen aan een zorg die het Hof in rechtsoverweging 23 van het reeds aangehaalde arrest Roesler/Rottwinkel ( zaak 24/83, Jurispr . 1985, blz . 99 ) - zij het naar aanleiding van huur en pacht van onroerend goed - uiting gaf, namelijk dat rekening moet worden gehouden met
"de onzekerheid die zou ontstaan, indien de rechter uitzonderingen toestond op de algemene regel van artikel 16, sub 1, die het voordeel biedt dat zij onder alle omstandigheden een ondubbelzinnige en vaste bevoegdheid toekent en daarmee beantwoordt aan het doel van het Executieverdrag, te voorzien in een vaste en voorzienbare bevoegdheidsverdeling ."
13 . Daar komt nog bij dat de actio Pauliana slechts mogelijk is wanneer de vordering een geldsom betreft en opeisbaar is . ( 3 ) Zij zal dus in het normale geval een beslag op het onroerend goed met zich brengen, hetgeen slechts kan worden gelegd ter plaatse waar het onroerend goed is gelegen . Blijkens artikel 54 van het Franse wetboek van burgerlijke rechtsvordering kan trouwens iedere schuldeiser de rechter machtiging vragen voor een voorlopige inschrijving van gerechtelijke hypotheek op een onroerend goed, zodra hij aantoont dat het gaat om een "vordering die in beginsel gegrond lijkt", dat de zaak spoedeisend is en de inning van de schuld gevaar loopt . ( 4 ) Dat lijkt in de onderhavige zaak te zijn gebeurd . Al deze argumenten pleiten dus ten gunste van een uitlegging waarbij het gerecht van de plaats waar het goed is gelegen, bevoegd wordt verklaard om van de actio Pauliana kennis te nemen, als de rechter die "het best in staat is" ( 5 ) om het geschil te beslechten .
14 . Anderzijds staat evenwel vast, dat de eiser bij de actio Pauliana geen beroep doet op een zakelijk recht ( 6 ), en in het geval de actie slaagt heeft zij, zoals de Franse regering heeft opgemerkt,
"niet een overgang van het zakelijk recht op een onroerend goed in omgekeerde richting tot gevolg . Het ongedaan maken van de schenking van het onroerend goed heeft slechts relatieve werking . Dat betekent dat op de schenking geen beroep kan worden gedaan tegenover de crediteur . Een wezenlijke eigenschap van zakelijke rechten is daarentegen hun absolute werking erga omnes ".
15 . Het is opvallend dat ook de Britse regering - als vertegenwoordiger van het "common law"-stelsel - deze opvatting betreffende het wezen van een zakelijk recht deelt en eveneens voorstelt om het toepassingsgebied van artikel 16, sub 1, te beperken tot rechtsvorderingen ter verkrijging van een erga omnes geldende uitspraak omtrent het eigendomsrecht of het wettig bezit van het onroerend goed . Zoals de Britse regering terecht opmerkt, gaat het er bij de onderhavige rechtsvordering meer om, vast te stellen dat verweerder gehandeld heeft ter bedrieglijke benadeling van de rechten van zijn schuldeiser, dan om vast te stellen wie eigenaar of wettig bezitter is van het onroerend goed .
16 . Evenals de Britse regering menen ook de Duitse en de Italiaanse regering alsmede de Commissie, dat het voor de toepasselijkheid van artikel 16, sub 1, niet volstaat dat een zakelijk recht op een onroerend goed door de rechtsvordering betroffen is, of dat de rechtsvordering verband houdt of een band heeft met een onroerend goed . Het zakelijk recht moet integendeel de oorzaak van de rechtsvordering zijn . Deze moet zijn gericht op een uitspraak erga omnes omtrent het eigendomsrecht op het betrokken onroerend goed .
17 . Zelfs indien wij hier met een grensgeval te maken hebben, ben ik toch ook voorstander van de oplossing die zo eensgezind door de Duitse, de Britse, de Franse en de Italiaanse regering alsmede door de Commissie wordt voorgestaan . Evenals zij ben ik van mening dat artikel 16, sub 1, restrictief moet worden uitgelegd, omdat het om een uitzondering gaat op het in artikel 2, eerste alinea, van het Executieverdrag neergelegde algemene bevoegdheidsbeginsel :
"onverminderd de bepalingen van dit Verdrag worden zij die woonplaats hebben op het grondgebied van een Verdragsluitende Staat, ongeacht hun nationaliteit, opgeroepen voor de gerechten van die staat ".
18 . Ook het Hof heeft in zijn hiervoor aangehaalde rechtspraak over de in dezelfde bepaling genoemde huur en pacht van onroerende goederen een nogal restrictieve interpretatie gegeven, toen het oordeelde dat onder artikel 16 niet vallen geschillen omtrent overeenkomsten die niet in hoofdzaak betrekking hebben op huur en verhuur van onroerend goed ( zoals een overeenkomst tot verpachting van een winkelbedrijf dat wordt uitgeoefend in een door de verpachter van een derde gehuurd onroerend goed - in de zaak-Sanders ), of geschillen die slechts zijdelings verband houden met het gebruik van het gehuurde goed ( zoals die betreffende gederfde vakantievreugde en reiskosten - in de zaak-Roesler ).
19 . Deze uitlegging van het Executieverdrag wordt eveneens bevestigd op basis van teleologische overwegingen .
20 . Om te beginnen is het duidelijk, dat de in artikel 2 nagestreefde doelstelling, de bescherming van de verweerder, niet kan worden bereikt, wanneer andere bepalingen van het Executieverdrag te ruim zouden worden uitgelegd .
21 . Verder dient voor ogen te worden gehouden, dat het bij de in artikel 16, sub 1, voorziene bevoegdheid om een exclusieve bevoegdheid gaat, waardoor een te ruime uitlegging nog ingrijpender consequenties zou hebben .
22 . Bovendien mag artikel 16, sub 1, niet worden toegepast zonder dat wordt rekening gehouden met de bestaansgrond van deze bepaling . Zo overwoog het Hof in het reeds genoemde arrest Sanders :
"dat daarenboven de toekenning, in het belang van een goede rechtsbedeling, van een uitsluitende bevoegdheid aan de gerechten van een verdragsluitende staat in het kader van artikel 16 van het Verdrag tot gevolg heeft dat partijen worden beroofd van de forumkeuze die hun anders zou toekomen, en dat zij in bepaalde gevallen worden gedaagd voor een rechter die ten aanzien van geen hunner de eigen rechter van de woonplaats is;
dat deze overweging ertoe brengt de bepalingen van artikel 16 niet uit te leggen in een ruimere zin dan hun oogmerk verlangt ."
23 . Ten slotte zijn er zeer bepaalde redenen om in artikel 16, sub 1, een uitsluitende bevoegdheid te voorzien voor de gerechten van de staat waar het onroerend goed gelegen is . ( 7 ) Een geschil "ten aanzien van zakelijke rechten op onroerende goederen" leidt immers dikwijls tot een hele reeks procedurele handelingen die ter plaatse moeten worden verricht . Zo kunnen er onderzoekingen, getuigenverhoren of deskundigenberichten plaatsvinden, die per definitie slechts mogelijk zijn op de plaats waar het onroerend goed is gelegen, en waarop logischerwijze de lex rei sitae moet worden toegepast . Bovendien spelen vaak lokale gebruiken een rol, waarmee slechts de forumrechters vertrouwd zijn . Ten slotte heeft men eveneens rekening willen houden met het feit dat er vaak overschrijvingen in de ter plaatse van het onroerend goed bestaande kadastrale registers moeten plaatsvinden .
24 . A contrario kan met hieruit afleiden, dat er dus geen termen bestaan om deze bepaling toe te passen wanneer het geschil niet zulke formaliteiten met zich kan meebrengen of wanneer kennis van de lokale gebruiken geen rol speelt .
25 . Voor het concrete antwoord op de vraag van de cour d' appel te Aix-en-Provence, hebben wij de keuze tussen een negatief geformuleerd antwoord, inhoudende dat een rechtsvordering als de in artikel 1167 van het Franse burgerlijke wetboek geregelde actio Pauliana niet onder de betrokken bepaling valt ( wat voor de nationale rechter zeker zal volstaan om het aan hem voorgelegde geschil te kunnen beslechten ), en een positief geformuleerd antwoord, waarin wordt vastgesteld, welke soorten rechtsvorderingen moeten worden geacht onder artikel 16, sub 1, te vallen . In dat laatste geval verdient het aanbeveling, het eerste gedeelte van de door de Britse regering voorgestelde formulering over te nemen, waarmee verzekerd is dat het ook in "common law"-landen goed kan worden begrepen .
26 . Uiteindelijk geef ik de voorkeur aan de eerstgenoemde mogelijkheid, zoals ook de Franse en de Italiaanse regering en de Commissie doen . In mijn analyse van de gestelde vraag heb ik mij noodzakelijkerwijze moeten baseren op het doel en de gevolgen die de actio Pauliana in het Franse recht heeft ( waarbij ik uiteraard de kwalificatie van deze actie in het Franse recht buiten beschouwing heb gelaten ). Voorzichtigheidshalve geef ik derhalve niet een antwoord dat dit kader overschrijdt .
27 . Mitsdien geef ik het Hof in overweging voor recht te verklaren :
"1 ) Het begrip 'rechtsvordering ten aanzien van zakelijke rechten op onroerende goederen' in artikel 16, sub 1, van het Executieverdrag moet worden uitgelegd met inachtneming van de doeleinden en van het stelsel van dit Verdrag .
2 ) Een rechtsvordering als de in artikel 1167 van het Franse burgerlijke
wetboek voorziene actio Pauliana valt niet onder dit begrip ."
(*) Oorspronkelijke taal : Frans .
( 1 ) Zie het arrest van 15 november 1983, ( zaak 288/82, Duijnstee/Goderbauer, r.o . 17, Jurispr . 1983, blz . 3663 ) als voorbeeld voor de gevallen waarin het Hof deze benadering heeft gevolgd . Een meer genuanceerde oplossing is te vinden in het arrest van 6 oktober 1976 ( zaak 12/76, Tessili/Dunlop, Jurispr . 1976, blz . 1473 ).
( 2 ) Zie de arresten van 14 december 1977, ( zaak 73/77, Sanders/Van der Putte Jurispr . 1977, blz . 2383 ) en van 15 januari 1985, ( zaak 241/83, Roesler/Rottwinkel, Jurispr . 1985, blz . 99 ).
( 3 ) Zie Alex Weill en François Terré : Droit civil : les obligations, Précis Dalloz, Parijs, 1980, blz . 960 .
( 4 ) Zie Roland Tendler : Les sûretés, Dalloz, Parijs, 1983, blz . 246
( 5 ) Het reeds aangehaalde arrest van 14 december 1977, Sanders/Van der Putte, r.o . 11 .
( 6 ) Zie Weill en Terré, op . cit ., blz . 966, voetnoot 1 .
( 7 ) Zie terzake het rapport van P . Jenard over het Verdrag van 27 september 1968 betreffende de rechterlijke bevoegdheid en de tenuitvoerlegging van beslissingen in burgerlijke en handelszaken ( PB 1979, C 59, blz . 1 ).
Full & Egal Universal Law Academy