CONCLUSIE VAN ADVOCAAT-GENERAAL
G. TESAURO
van 14 november 1989 ( *1 )
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1.
Met het onderhavige beroep verzoekt de Franse Republiek om nietigverklaring van verordening (EEG) nr. 530/88 van de Commissie van 26 februari 1988 houdende verwijdering van nieuwe aardappelen (primeurs) uit de lijst van produkten waarvoor de aanvullende regeling voor het handelsverkeer (hierna: ARH) geldt. ( 1 )
2.
De relevante bepalingen. Blijkens de Akte betreffende de toetredingsvoorwaarden voor het Koninkrijk Spanje en de Portugese Republiek en de aanpassing van de Verdragen (hierna: Toetredingsakte) ( 2 ), is de ARH een tussen de Gemeenschap van de Tien en Spanje ingevoerd stelsel van toezicht ter voorkoming van een te grote invoer van bepaalde landbouwprodukten die de markten dreigt te verstoren. Deze regeling heeft ten doel een harmonische en geleidelijke opening van de markt en de volledige verwezenlijking van het vrije verkeer van de betrokken produkten binnen de Gemeenschap bij het verstrijken van het tijdvak waarin de overgangsmaatregelen van toepassing zijn (artikel 83, lid 2, Toetredingsakte).
Artikel 81, lid 3, Toetredingsakte bepaalt dat volgens de procedure van artikel 82 kan worden besloten om bepaalde produkten waaronder nieuwe aardappelen (primeurs) te verwijderen uit de lijst van produkten waarvoor de ARH geldt; hierbij moet inzonderheid rekening worden gehouden met de situatie op het punt van de produktie- en afzetstructuren van de betrokken produkten.
Voornoemde procedure voorziet met name in de raadpleging van een daartoe ingesteld ad hoc-comité, bestaande uit vertegenwoordigers van de Lid-Staten en voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie.
3.
Het door de Franse Republiek ingestelde beroep is gebaseerd op het feit dat de Commissie bij de vaststelling van de bestreden verordening de procedure van artikel 82 Toetredingsakte niet heeft in acht genomen.
Verzoekster betoogt, dat bij de vaststelling van verordening (EEG) nr. 530/88 — die is gebaseerd op artikel 81, lid 3, Toetredingsakte — artikel 155 EEG-Verdrag en de artikelen 81 en 82 Toetredingsakte zijn geschonden. Als gronden voor de nietigheid van deze verordening worden met name aangevoerd: onbevoegdheid van de Commissie, schending van wezenlijke vormvoorschriften, misbruik van procedure en een kennelijke beoordelingsfout; de Commissie zou het voorgeschreven advies immers niet hebben gevraagd aan een bijzonder ad hoc-comité met een horizontale structuur als bedoeld in de Toetredingsakte, maar aan het comité van beheer voor verse groenten en fruit, dat zij voor de gelegenheid comité ad hoc ARH had genoemd.
4.
De verdraaiing van de aard en de functie van het ad hoc-comité blijkt volgens verzoekster reeds uit de wijze waarop het intern reglement ervan is vastgesteld.
Uit het telexbericht van 10 december 1987 met de uitnodiging voor de vergadering van 15 december daaraanvolgend blijkt immers, dat de agenda van het ad hoc-comité luidde: „advies over een ontwerp van intern reglement voor het ad hoc Comité aanvullende regeling voor het handelsverkeer voor de wijnbouwsector”, woorden die later in de notulen zijn opgenomen.
Volgens de Franse regering volgt hieruit, dat het intern reglement van het comité ad hoc ARH, voor zover het in feite is vastgesteld door het comité van beheer voor wijn, voor die gelegenheid omgedoopt tot comité ad hoc ARH, kennelijk in strijd is met artikel 82 Toetredingsakte, dat voorziet in de instelling van een uniek, bijzonder en horizontaal ad hoc-comité.
De Commissie zou evenwel ook genoemd intern reglement niet hebben nageleefd, daar zij op 17 december 1987 en 8 januari 1988 ter behandeling van het ontwerp van de bestreden verordening een gezamenlijke vergadering van het ad hoc-comité en het comité van beheer heeft belegd, terwijl het intern reglement slechts voorziet in de mogelijkheid van een gezamenlijke vergadering van twee of meer ad hoc-comités.
Voorts betoogt de Franse regering, dat de door de Commissie ingevoerde praktijk om telkens maar één produkt en niet alle voor verwijdering uit de ARH-lijst in aanmerking komende produkten te zamen te behandelen, ertoe heeft geleid dat de raadpleging van het ad hoc-comité zinloos werd.
5.
De Commissie, ondersteund door het Koninkrijk Spanje dat in de onderhavige zaak heeft geïntervenieerd, betwist niet dat er maar één comité ad hoc ARH bestaat, dat bijzonder en horizontaal van aard is, zoals overigens volgt uit zijn definitie, uit de grenzen van zijn bevoegdheden en uit de strekking van zijn raadpleging. Zij ontkent evenwel, dat door haar werkwijze de raadpleging van dat comité zinloos is geworden.
6.
Zoals uit de door verzoekster aangevoerde argumenten blijkt, zijn al deze middelen in feite gebaseerd op het ontbreken van raadpleging van een naar behoren samengesteld ad hoc-comité. Ik concentreer mijn aandacht daarom op dit punt.
In de eerste plaats moet omtrent de wijze van vaststelling van het intern reglement van het comité ad hoc ARH worden opgemerkt, dat uit de tekst van het telexbericht met de uitnodiging voor de vergadering van 15 december 1987 — in de loop van welke vergadering het advies over het ontwerp van intern reglement moest worden uitgebracht —, duidelijk blijkt, dat het uitbrengen van dit advies op de agenda van het comité ad hoc ARH stond en niet op die van het daarvan onderscheiden comité van beheer voor wijn.
De tekst van dit telexbericht geeft mijns inziens geen aanleiding tot misverstand, omdat hierin wordt verwezen naar de 444ste vergadering van het comité van beheer voor wijn en wordt gezegd dat deze vergadering zal worden voorafgegaan door een „vergadering van het Comité ad hoc ARH (artikel 82 Toetredingsakte)”.
Het is juist dat in de agenda sprake is van het ontwerp van een intern reglement voor het comité ad hoc ARH voor de wijnbouwsector. Volgens de Commissie, die op dit punt door verzoekster niet wordt tegengesproken, is deze vergissing, ofschoon uit onachtzaamheid in de korte notulen van de vergadering opgenomen, evenwel reeds tijdens de vergadering door haar vertegenwoordigers opgemerkt, net zoals de aard, de functie en de strekking van de raadplegingen van het comité ad hoc ARH juist zijn omschreven en dit comité correct is geplaatst in het kader van de in artikel 82 Toetredingsakte omschreven bevoegdheden.
Verder is er in feite maar één intern reglement opgesteld, dat bij alle vergaderingen van het ad hoc-comité is toegepast, ongeacht het produkt dat werd behandeld.
7.
Ook artikel 1 van het intern reglement, volgens hetwelk gezamenlijke vergaderingen van twee of meer ad hoc-comités kunnen worden gehouden, berust mijns inziens op een vergissing. Die vergissing is waarschijnlijk te wijten aan de omstandigheid dat dit reglement is opgesteld aan de hand van de tekst die model heeft gestaan voor alle interne reglementen van comités van beheer en reglementering, waarin wordt voorzien in de mogelijkheid van gezamenlijke vergaderingen van meer comités.
Zoals betoogd, zijn er echter nooit gezamenlijke vergaderingen van verschillende ad hoc-comités gehouden, omdat de Commissie er steeds vanuit is gegaan, dat er maar één enkel — horizontaal — ad hoc-comité bestaat.
8.
Ook de uitnodigingen voor en het verloop van de op 17 december 1987 en 8 januari 1988 gehouden gezamenlijke vergaderingen van het ad hoc-comité, het comité van beheer voor zaaizaad en het comité van beheer voor verse groenten en fruit, waarin de bestreden verordening werd behandeld, pleiten mijns inziens niet voor verzoeksters stelling.
In de telexberichten waarbij de Commissie de Lid-Staten voor genoemde vergaderingen heeft uitgenodigd, is immers uitdrukkelijk sprake van een „ad hoc Comité (artikel 82 Toetredingsakte)”, en ook de uitnodiging voor de gezamenlijke vergaderingen van het ad hoc-comité en de comités van beheer kon geen misverstand doen ontstaan over de bijzondere aard en taak van het ad hoc-comité.
Opgemerkt zij evenwel, dat de Commissie — die op dit punt door de Franse regering niet wordt tegengesproken — heeft gesteld, dat haar vertegenwoordiger het besluit tot verwijdering van nieuwe aardappelen (primeurs) tijdens de vergadering van 8 januari uitdrukkelijk aan het ad hoc-comité heeft voorgelegd. Bovendien zijn afzonderlijke notulen van de werkzaamheden van het ad hoc-comité gemaakt.
De Commissie heeft verder verklaard, dat het comité van beheer voor verse groenten en fruit, voor hetzelfde tijdstip was bijeengeroepen om, indien het ad hoc-comité een ongunstig advies zou uitbrengen over de verwijdering van nieuwe aardappelen (primeurs) uit de ARH, voor dat produkt het advies te krijgen dat nodig is voor de vaststelling van de indicatieve plafonds voor 1988, welk advies juist door dat comité van beheer moet worden uitgebracht.
9.
Tegen de achtergrond van het voorgaande en gelet op het feit, dat bij de Lid-Staten geen twijfel meer kon bestaan over de bijzondere bijeenroeping van het in artikel 82 Toetredingsakte bedoelde ad hoc-comité en dat het de Lid-Staten volledig vrij stond voor de vergadering van dat comité andere vertegenwoordigers aan te wijzen dan voor het comité van beheer, meen ik dat het middel van de Franse regering inzake de raadpleging van een onjuist samengesteld comité ad hoc ARH niet kan worden aanvaard.
10.
Ik heb eigenlijk de indruk, dat de Franse regering minder bezwaren heeft tegen de niet-raadpleging van een naar behoren samengesteld ad hoc-comité, dan tegen de door de Commissie ingevoerde praktijk om dit comité niet in een enkele keer te raadplegen voor alle produkten waarvan zij de verwijdering uit de ARH wil voorstellen, maar het voor elk produkt afzonderlijk te raadplegen, hetgeen de in een of ander produkt geïnteresseerde Lid-Staten zou verhinderen in gezamenlijk overleg te handelen.
Ook deze grief vindt mijns inziens geen grond in de relevante bepalingen van de Toetredingsakte, die op geen enkele wijze — uitdrukkelijk noch impliciet — bepalen, dat de eventuele verwijdering uit de lijst van produkten waarvoor de ARH geldt, voor alle produkten te zamen in één vergadering van het comité moet worden behandeld.
Dienaangaande moet worden opgemerkt, dat het intern reglement van het ad hoc-comité de Lid-Staten toestaat om een vergadering van het comité te verzoeken (artikel 1), en de voorzitter van dit comité de verplichting oplegt, elk punt waarvan een vertegenwoordiger van een Lid-Staat schriftelijk om bespreking vraagt, op de agenda te plaatsen (artikel 2). Deze bepalingen bieden de Lid-Staten een voldoende garantie dat zij alle belangrijk geachte punten onder de aandacht van het comité kunnen brengen, ten einde te kunnen komen tot een beslissing die het resultaat is van een voldoende diepgaande bespreking overeenkomstig de letter en de geest van de Toetredingsakte.
11.
Mitsdien ben ik van mening, dat de door de Commissie ingevoerde werkwijze de raadpleging van het ad hoc-comité niet zinloos maakt en het met de ARH beoogde doel, een geleidelijke en evenwichtige overgang naar het vrij verkeer van de produkten waarvoor de regeling geldt, niet schaadt.
Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof derhalve in overweging, het beroep te verwerpen en verzoekster te verwijzen in de kosten, daaronder begrepen die welke door de intervenient zijn gemaakt..
( *1 ) Oorspronkelijke inal: Italiaans.
( 1 ) PB 1988, L 53, blz. 71.
( 2 ) PB 1985, L 302, bh. 23.
Full & Egal Universal Law Academy