Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . In deze prejudiciële zaak heeft de Franse Cour de cassation (" de verwijzende rechter ") U twee vragen gesteld aangaande de uitlegging van artikel 51 van de verordening van de Raad nr . 1408/71 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen .
2 . De bepaling in kwestie maakt deel uit van een complex stel regels die zijn vervat in hoofdstuk 3 van titel III van verordening nr . 1408/71 . In dit hoofdstuk zijn een aantal bepalingen vervat met betrekking tot prestaties in geval van ouderdom en overlijden . Van belang in het onderhavige geding zijn artikel 46 ( dat de regels bevat voor de vaststelling van het uitkeringsbedrag in het geval van werknemers die aan de wettelijke regeling van twee of meer Lid-Staten zijn onderworpen geweest ), artikel 50 ( dat onder zekere voorwaarden een recht op een minimum ouderdomsuitkering verzekert ) en artikel 51 ( dat de aanpassing en herberekening van ouderdomsuitkeringen betreft ). Voor een meer uitgebreide samenvatting van deze bepalingen moge ik verwijzen naar het rapport ter terechtzitting ( sub I.1 ).
Feitelijke achtergrond
3 . Alain Jordan ( hierna "Jordan "), een werknemer van Britse nationaliteit, oefende achtereenvolgens in het Verenigd Koninkrijk en in Frankrijk beroepswerkzaamheden uit . Met ingang van 1 januari 1979 werd hem in beide staten een ouderdomsuitkering toegekend . Jordan ging nooit akkoord met het bedrag van de uitkering die hem door het Franse bevoegde orgaan ( de "Caisse nationale d' assurance vieillesse des travailleurs", hierna "CNAVTS ") werd toegekend, en spande een rechtsgeding aan dat reeds sinds 1979 aansleept . Het is in het kader van dit geding dat de voorliggende prejudiciële vragen aan het Hof worden gesteld . Meer bepaald zijn deze vragen gerezen naar aanleiding van een wijziging van de toepasselijke Franse wettelijke regeling in 1983 . Voor een goed begrip van de gestelde vragen is het dan ook nodig dat ik U kort onderhoud over de Franse regeling betreffende de toekenning van ouderdomsuitkeringen, zowel voor als na bedoelde wijziging . Navolgende gegevens zijn in hoofdzaak gebaseerd op de opmerkingen die werden ingediend door de Franse regering .
4 . In Frankrijk werd en wordt het bedrag van de ouderdomsuitkering berekend door het gemiddelde salaris van de "tien beste" gerevaloriseerde jaren te vermenigvuldigen met twee coëfficiënten . Eén coëfficiënt heeft betrekking op het aantal "bewezen" trimesters in het Franse sociale-zekerheidsstelsel . Omdat een volledige loopbaan geacht wordt te bestaan uit 150 trimesters ( 37,5 jaar ), wordt deze coëfficiënt bekomen door het aantal bewezen trimesters te delen door 150 . De tweede coëfficiënt is het toepasselijke percentage . Op het moment dat Jordan een ouderdomsuitkering werd toegekend, was dit percentage vastgesteld op 25 % op 60 jaar, te vermeerderen met 1,25 % per trimester volgend op de zestigste verjaardag van de betrokkene ( zodat het "normale" of "maximale" percentage van 50 % verkregen werd wanneer de ouderdomsuitkering toegekend werd op 65 jaar ). Dit geeft de volgende formule :
P = S x N x T
150
waarbij
P = jaarbedrag van het pensioen;
S = gemiddeld salaris van de "tien beste" jaren;
N = aantal "bewezen trimesters";
T = toepasselijk percentage .
De wetgeving die op het moment van de pensionering van Jordan van kracht was, voorzag verder ook in een minimum ouderdomsuitkering : de uitkering, berekend zoals hiervoor aangegeven, mocht niet lager zijn dan het bedrag van de "allocation aux vieux travailleurs salariés" ( hierna "AVTS "), op voorwaarde dat de uitkeringsgerechtigde ten minste 60 trimesters kon bewijzen . Indien dit niet het geval was, werd het bedrag van de AVTS proportioneel verminderd .
Met ingang van 1 april 1983 werden de regels betreffende de vaststelling van de eerste coëfficiënt ( bewezen trimesters ) gewijzigd ( 1 ). Voortaan werd een percentage ( tweede coëfficiënt ) van 50 % toegekend wanneer een sociaal verzekerde 150 trimesters kon bewijzen . Voor wie minder dan 150 trimesters kon bewijzen werd dit percentage verminderd in functie van hetzij de leeftijd, hetzij het aantal bewezen trimesters . Een latere wetswijziging ( 2 ) voerde daarnaast ook een nieuwe minimumuitkering in, die in de plaats kwam van de AVTS . De nieuwe minimumuitkering wordt voortaan toegekend aan personen wier gemiddeld salaris van de tien beste jaren beneden een bepaald bedrag blijft . Het bedrag van deze minimumuitkering wordt berekend in functie van het aantal bewezen trimesters . Beide wetswijzigingen bepalen uitdrukkelijk dat zij niet van toepassing zijn op ouderdomsuitkeringen toegekend vóór de datum van inwerkingtreding van de wijzigingen .
5 . Op de terechtzitting is duidelijk gebleken dat de tenuitvoerlegging van de ( oude ) Franse regels betreffende de minimumuitkering de kiem is geweest van de rechtszaak tussen Jordan en het CNAVTS . In de opmerkingen van Jordan wordt daaromtrent gesteld dat onder het oude Franse stelsel de toekenning van de AVTS steeds gepaard ging, voor werknemers van Franse nationaliteit, met de toekenning van een aanvullende uitkering ten laste van het "Fonds national de solidarité" ( hierna "FNS "). Deze laatste uitkering was geen ( contributieve ) ouderdomsuitkering, maar eerder een niet-contributief ( d.w.z .: niet op door de uitkeringsgerechtigde betaalde bijdragen gebaseerd ) "levensminimum ". Welnu, de CNAVTS heeft, nog steeds volgens de opmerkingen van Jordan ( en het was hiertegen dat hij bezwaar maakte ), hem in 1979 enkel een ouderdomsuitkering ( de AVTS ) toegekend, zonder hem het voordeel van een niet-contributieve minimumuitkering toe te kennen . De wetswijziging van 1983 had, aldus Jordan, tot gevolg dat beide voornoemde uitkeringen, voor de toekomst, gegroepeerd werden in één enkel "pensioen"; gezien evenwel zijn ouderdomsuitkering vóór 1983 werd toegekend kon hij geen aanspraak maken op de toepassing van de nieuwe regels ( 3 ).
Naar het oordeel van Jordan is een en ander onverenigbaar met artikel 50 van verordening nr . 1408/71 . Het bodemgeschil betreft dus de vraag of hij krachtens artikel 50 ook aanspraak kon maken op de supplementaire niet-contributieve minimumuitkering, hetzij vóór, hetzij nà de wijziging in de Franse wettelijke regeling .
Voor wat betreft de oude Franse wetgeving besliste de cour d' appel te Poitiers in een arrest van 14 februari 1985 dat Jordan op basis van artikel 50 geen aanspraak kon laten gelden op de supplementaire uitkering van het FNS . Terzelfder tijd oordeelde de cour d' appel evenwel dat de nieuwe Franse regeling op Jordan moest worden toegepast op grond van lid 2 van artikel 51 . Daarom had Jordan recht op een herberekening ( volgens artikel 46 ) van zijn ouderdomsuitkering onder de nieuwe regeling, en diende hem derhalve ook, in toepassing van artikel 50, een aanvulling toegekend te worden indien het bedrag van zijn herberekende uitkering lager zou liggen dan de minimumuitkering onder het nieuwe Franse recht .
Tegen het arrest van de cour d' appel werd door het CNAVTS cassatieberoep ingesteld, ondermeer op grond van het argument dat het Hof van Beroep een verkeerde interpretatie zou hebben gegeven aan artikel 51 van verordening nr . 1408/71 .
6 . Vooraleer ik inga op de door de Cour de cassation gestelde vragen, wil ik wijzen op de beperkte mate waarin onderhavige zaak bij Uw Hof aanhangig is . Zoals vermeld is de eis van Jordan met betrekking tot de toepassing van artikel 50 van verordening nr . 1408/71 ten aanzien van het vroegere Franse stelsel door de cour d' appel te Poitiers afgewezen . Aangezien geen van de cassatiemiddelen betrekking heeft op dit punt van het arrest van de cour d' appel, heeft het arrest in dat opzicht kracht van gewijsde . Voor de verwijzende rechter ligt daarom enkel nog vraag of op basis van artikel 51 van verordening nr . 1408/71 het nieuwe Franse stelsel ( en dus ook de hiervoor geschetste nieuwe regels betreffende de toekenning van een minimum ouderdomsuitkering ) op de situatie van Jordan dient te worden toegepast . Luidt het antwoord op deze vraag bevestigend, dan zal Jordan onder de nieuwe regels krachtens artikel 50 in voorkomend geval recht hebben op de toekenning van een aanvulling . Deze laatste kwestie, die de toepassing betreft van artikel 50 op het nieuwe Franse stelsel, ligt echter niet voor U, gezien de verwijzende rechter U enkel om uitlegging van artikel 51 heeft gevraagd . Overigens kom ik hierna ( punten 11-13 ) tot het besluit dat artikel 51 niet kan worden ingeroepen om wijzigende bepalingen van nationaal recht, die niet beogen te raken aan situaties die zich onder de vroegere regeling hebben voorgedaan, toch onmiddellijk toe te passen op de toekomstige rechtsgevolgen van vroegere situaties . Daarom kan de vraag naar de toepassing van artikel 50 ten aanzien van het nieuwe Franse recht mijns inziens terzijde worden gelaten . Voor het geval U er anders zou over oordelen, ga ik bij het einde van mijn conclusie toch even in op de toepassing van artikel 50 ( hierna, punten 14-15 ).
7 . Ik kom nu tot de vragen van de verwijzende rechter . Zij luiden als volgt :
1 ) Vallen de wijzigingen die door de wetgeving van de bevoegde staat zijn aangebracht in de wijze van vaststelling van de minimum ouderdomsuitkering onder lid 1 dan wel onder lid 2 van artikel 51?
2 ) Moet de regel van artikel 51, lid 2 zonder beperking worden toegepast, ondanks de bepaling in de nationale wet van de datum van inwerkingtreding van de wijzigingen in de wijze van vaststelling of in de regels voor de berekening van de uitkering, waardoor voordien vastgestelde ouderdomsuitkeringen van het toepassingsgebied van die wijzigingen worden uitgesloten?
Zoals uit voorgaande uiteenzetting moge blijken, zal vooral het antwoord op de tweede vraag van belang zijn voor de oplossing van het bodemgeschil : neemt men immers aan ( zoals ik hierna zal doen ) dat het tweede lid van artikel 51 zich in beginsel niet verzet tegen de toepassing van voornoemde nationale regelen van overgangsrecht, dan behoudt de eerste vraag nog slechts een academisch belang . Toch zal ik ze eerst behandelen, omdat Uw Hof nog niet de gelegenheid heeft gehad om artikel 51 te interpreteren met het oog op een feitensituatie die lijkt op degene van het bodemgeschil .
De eerste vraag
8 . Blijkens de redactie van de eerste vraag wenst de verwijzende rechter dat het Hof de Franse wetswijziging zou kwalificeren als ressorterend onder het eerste dan wel onder het tweede lid van artikel 51 . Het hoeft geen betoog dat U in een procedure onder artikel 177 van het Verdrag niet zover kan gaan . Uw taak is ertoe beperkt aan de verwijzende rechter de nodige interpretatieve criteria te bieden om hem in staat te stellen de wetswijziging in kwestie op juiste wijze te kwalificeren onder het gemeenschapsrecht, in casu verordening nr . 1408/71 ( 4 ). In dit geval zijn de door de verwijzende rechter gevraagde interpretatieve criteria af te leiden uit de bewoordingen van artikel 51 zelf en uit de bestaande rechtspraak van het Hof in verband met deze bepaling .
Artikel 51 maakt een onderscheid tussen wijzigingen in de uitkeringen "met een bepaald percentage of bedrag" veroorzaakt "door stijging van de kosten van levensonderhoud, schommelingen van het loonpeil of andere oorzaken" ( eerste lid ) en wijzigingen in "de wijze van vaststelling" van de uitkeringen of in "de regels voor de berekening van de uitkeringen" ( tweede lid ). De rechtspraak van het Hof heeft dit onderscheid nader toegelicht .
9 . Ik dien hier vooreerst het arrest Sinatra ( 5 ) in herinnering te brengen . Het bodemgeschil in deze zaak betrof een Italiaans werknemer, Sinatra, die zowel in België als in Italië een invaliditeits - en/of ouderdomsuitkering ontving . Omdat Sinatra' s echtgenote een betrekking in loondienst aanvaardde, werd zijn Belgisch "gezinspensioen", op grond van de nationale anticumulatieregels, omgezet in een veel lager "alleenstaandenpensioen ". De vraag rees hoe deze verandering in Sinatra' s situatie onder artikel 51 van verordening nr . 1408/71 te kwalificeren was .
Het Hof maakte duidelijk dat artikel 51 de wijze van toepassing van artikel 46 regelt ( nl . door een herberekening van het uitkeringsbedrag voor te schrijven bij een wijziging van de uitkeringen ), en overwoog onder meer :
"Het aldus aan de migrerende werknemers toegekende recht op toepassing van de gunstigste sociale-zekerheidsregeling impliceert in beginsel dat bij elke wijziging van de onder dit stelsel toegekende uitkeringen een nieuwe vergelijking overeenkomstig artikel 46 van verordening nr . 1408/71 wordt gemaakt tussen de nationale en de samentellings - en prorataregeling, ten einde te bepalen welke na de ingetreden wijziging de voordeligste is .
Om evenwel de administratieve belasting te beperken, die een nieuw onderzoek van de situatie van de sociaal verzekerde bij elke wijziging in de ontvangen uitkeringen zou meebrengen, maakt artikel 51 van verordening nr . 1408/71 onderscheid tussen wijzigingen in de uitkeringen "met een bepaald percentage of bedrag" veroorzaakt "door stijging van de kosten van levensonderhoud, schommelingen van het loonpeil of andere oorzaken van aanpassing", en wijzigingen in de "wijze van vaststelling" of "regels voor de berekening" van de uitkeringen . Dit artikel bepaalt immers in lid 1 dat het eerste soort wijzigingen rechtstreeks in de betaalde uitkeringen moet worden verwerkt, zonder dat de in lid 2 voor het tweede soort wijzigingen uitdrukkelijk voorgeschreven herberekening nodig is .
De verordening heeft dus de herberekening willen uitsluiten wanneer de aanpassing van de uitkeringen het gevolg is van gebeurtenissen die buiten de persoonlijke sfeer van de verzekerde liggen, en voortvloeit uit de algemene economische en sociale situatie .
Deze uitsluiting kan, bij ontbreken van bijzondere bepalingen ter zake, niet worden uitgebreid tot wijzigingen, die het gevolg zijn van een verandering in de persoonlijke situatie van de sociaal verzekerde, zoals zijn overgang van de categorie "gehuwde" naar de categorie "alleenstaande", en zulks te minder, omdat in zulke gevallen geen sprake kan zijn van een overeenkomstige toepassing van artikel 51, lid 1, aangezien de veranderingen in de persoonlijke situatie van de sociaal verzekerden, in tegenstelling tot de in dat lid bedoelde "aanpassingsgronden", niet van algemene aard zijn" ( r.o . 8 tot 11 van het arrest ).
De analyse van het arrest Sinatra werd bevestigd in het arrest Cinciuolo ( 6 ), dat een gelijkaardige feitelijke achtergrond had .
10 . Terwijl het eerste lid van artikel 51 blijkens voornoemde arresten een uitzonderingsbepaling inhoudt, is het tweede lid de algemene bepaling . In de arresten Sinatra en Cinciuolo werd deze algemene bepaling geïnterpreteerd in het geval van veranderingen in de persoonlijke situatie van de sociaal verzekerde, met andere woorden in het geval van een wijziging in "de wijze van vaststelling van de uitkeringen ". De algemene bepaling lijkt me echter ook toepassing te moeten vinden in de hypothese waarin de toekenningsregels zelf ( in de bewoordingen van het tweede lid van artikel 51 : "de regels voor de berekening van de uitkeringen "), wijzigingen ondergaan . Weliswaar gaat het bij zulke wijziging ( in tegenstelling tot wat het geval was in voornoemde arresten ) niet om een aanpassing die het gevolg is van een verandering in de persoonlijke situatie van de sociaal verzekerde, maar evenmin betreft het de in lid 1 van artikel 51 bedoelde wijzigingen met een bepaald percentage of bedrag die voortvloeien uit de ontwikkeling van de algemene economische en sociale situatie . Welnu, wijzigingen in de regels die de toekenningsvoorwaarden en de berekening van ouderdomsuitkeringen beheersen lijken mij, aangezien zij nog ingrijpender zijn dan wijzigingen in de persoonlijke situatie van de sociaal verzekerde, buiten het toepassingsgebied van het eerste lid van artikel 51 te vallen . Het lijdt mijns inziens dan ook geen twijfel dat de regel van artikel 51, lid 2, volgens dewelke "bij elke wijziging van de ... uitkeringen een nieuwe vergelijking overeenkomstig artikel 46 van verordening nr . 1408/71 wordt gemaakt tussen de nationale en de samentellings - en prorataregeling, ten einde na te gaan welke na de ingetreden wijziging de voordeligste is" ( 7 ) in een dergelijk geval toepassing moet vinden .
De tweede vraag
11 . De tweede vraag heeft betrekking op de bevoegdheidsverdeling tussen de communautaire en de nationale wetgever onder artikel 51 van verordening nr . 1408/71 . Zij dient daarom in een ruimer kader te worden beoordeeld : zij stelt namelijk het probleem aan de orde van de draagwijdte van de communautaire regeling die vervat is in verordening nr . 1408/71 . Het Hof is reeds meermaals op dit probleem ingegaan, zodat ook het antwoord op de tweede vraag kan worden afgeleid uit de bestaande jurisprudentie .
Eerst wil ik het voorwerp van de tweede vraag nog even preciseren . In de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt niet helemaal duidelijk gemaakt om welke "uitwerking" van de Franse wetgeving het in casu gaat . Anders dan in de opmerkingen van de Franse regering, de CNAVTS en de Commissie wordt gesuggereerd, verzoekt Jordan niet om een "retroactieve toepassing" van de nieuwe regeling, met andere woorden het toepassen van de nieuwe regels op onder de oude regeling voorgevallen situaties, in casu een ingetreden uitkeringsgerechtigdheid, maar wel om een "onmiddellijke werking" van de nieuwe Franse regeling, in die zin dat zij onmiddellijk van toepassing wordt verklaard op rechtsgevolgen ( toekomstige uitkeringen ) van voordien, vóór de uitvaardiging van de wet opengevallen en vereffende uitkeringsaanspraken . De Franse wetgever heeft aan de beschreven wetswijzigingen evenwel noch een retroactieve, noch een dergelijke onmiddellijke werking toegekend . Hij heeft integendeel uitdrukkelijk bepaald dat de vroegere regeling, ook met betrekking tot de toekomstige rechtsgevolgen van de vóór de wet opengevallen uitkeringsaanspraken, van kracht blijft en derhalve door de nieuwe regeling volledig "geëerbiedigd" wordt . De vraag die U dient te beantwoorden is dus of het toepasselijke gemeenschapsrecht ( in dit geval artikel 51 van verordening nr . 1408/71 ) zich ertegen verzet dat de nationale wetgever wetswijzigingen met een dergelijke ( eerbiedigende ) werking invoert .
12 . In het arrest Pinna I ( 8 ) hebt U met betrekking tot de rechtsgrondslag van verordening nr . 1408/71, artikel 51 van het EEG-Verdrag, in het algemeen overwogen :
"( Er ) moet worden opgemerkt dat artikel 51 EEG-Verdrag voorziet in een cooerdinatie en niet in een harmonisatie van de wettelijke regelingen der Lid-Staten . Artikel 51 laat derhalve verschillen bestaan tussen de sociale-zekerheidsregelingen van de Lid-Staten en bijgevolg ook in de rechten van de personen die er werkzaam zijn . Dit artikel raakt niet aan de materiële en formele verschillen tussen de sociale-zekerheidsregelingen van de onderscheiden Lid-Staten en dus ook niet aan de verschillen in de rechten van de aldaar werkzame personen" ( r.o . 20 van het arrest ). ( 9 )
In Uw rechtspraak is dit principe meermaals aan bod gekomen in verband met specifieke bepalingen van verordening nr . 1408/71 . Nemen we allereerst het arrest Brunori uit 1979 ( 10 ). Het bodemgeschil in deze zaak betrof de vordering van een Italiaans staatsburger die zich had gevestigd in Duitsland als zelfstandig handwerksman . De Duitse wetgeving voorzag in een vrijstelling van verzekeringsplicht voor handwerkslieden die 216 of meer maandelijkse bijdragen hadden gestort voor een bedrijvigheid waarvoor een pensioenverzekering verplicht is . Brunori meende dat voor de toepassing van deze regel eveneens rekening diende te worden gehouden met de verzekeringstijdvakken die hij reeds in Italië had vervuld . Daarom had de verwijzende Duitse rechter het Hof de vraag voorgelegd of artikel 45 van verordening nr . 1408/71, dat het in aanmerking nemen van buitenlandse tijdvakken van verzekering met het oog op het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen regelt, ook met het oog op het bestaan van de verzekeringsplicht op overeenkomstige wijze moest worden toegepast . Het Hof, daarmee de mening van de Commissie bijtredend, meende van niet . Verordening nr . 1408/71 beoogt slechts de cooerdinatie van de nationale wettelijke regelingen in sociale zekerheid . In overeenstemming daarmee schrijft artikel 45 van de verordening de samentelling van verzekeringstijdvakken voor met het oog op het verkrijgen, het behoud of het herstel van het recht op uitkeringen . Deze samentelling heeft als zodanig echter geen betrekking op vragen betreffende de aansluiting of de beëindiging van zulke aansluiting bij verschillende sociale-zekerheidsstelsels; deze laatste aangelegenheden kunnen uitsluitend worden opgelost op grond van de relevante nationale wettellijke bepalingen ( zie de r.o . 5 tot 6 van het arrest ).
In dezelfde zin hebt U in Uw arrest Coonan ( 11 ) geoordeeld . In deze zaak diende U de vraag te beantwoorden of verordening nr . 1408/71 een werknemer recht geeft op aansluiting bij het stelsel van sociale zekerheid van de Lid-Staat waar hij voor het eerst gaat werken, wanneer dit recht hem op grond van de nationale bepalingen alléén wordt ontzegd . In Uw arrest werd ondermeer gesteld :
"Een antwoord op deze vraag kan aan de hand van artikel 18 noch aan de hand van artikel 46 van verordening nr . 1408/71 worden gegeven . Deze bepalingen regelen immers de optelling van kwalificatietijdvakken en de gevolgen hiervan ... in het geval dat iemand reeds als werknemer in een Lid-Staat bij het nationale stelsel van sociale zekerheid is aangesloten of aangesloten is geweest, terwijl hij anderzijds ook in een andere Lid-Staat kwalificatietijdvakken heeft vervuld . De prealable vraag, onder welke voorwaarden een onderdaan van een Lid-Staat moet of kan zijn aangesloten bij het stelsel van sociale zekerheid van een andere Lid-Staat waar hij arbeid in loondienst verricht, wordt hierin niet geregeld" ( r.o . 8 van het arrest ) en
"... (( Het )) is ... aan de wettelijke regeling van elke Lid-Staat, de voorwaarden vast te stellen waaronder het recht of de verplichting ontstaat tot aansluiting bij een stelsel van sociale zekerheid of een bepaalde tak van een dergelijke stelsel, zolang hierbij maar geen onderscheid wordt gemaakt tussen eigen onderdanen en onderdanen van de andere Lid-Staten" ( r.o . 12 van het arrest ).
De arresten Brunori en Coonan zijn nog onlangs bevestigd in Uw arrest Schmitt ( 12 ), waarin werd gesteld ( eigen vertaling ):
"... zowel artikel 51 van het EEG-Verdrag als verordening nr . 1408/71, die werd uitgevaardigd in toepassing van deze bepaling, voorzien uitsluitend in de optelling van verzekeringstijdvakken die zijn vervuld in verschillende Lid-Staten . Daarentegen regelen deze bepalingen niet de voorwaarden voor de totstandkoming van deze verzekeringstijdvakken" ( r.o . 15 van het arrest ).
13 . Uit de rechtspraak van het Hof blijkt een duidelijke bevoegdheidsverdeling : enerzijds legt verordening nr . 1408/71 de nationale verzekeringsorganen de verplichting op rekening te houden met buitenlandse verzekerings - of woontijdvakken bij het bepalen van ( o.m .) het recht op ouderdomsuitkeringen van migrerende werknemers, maar anderzijds is het verkrijgen, het behoud of het herstel van dergelijk recht in de eerste plaats afhankelijk van de toepasselijke nationale wettelijke regeling . In het licht van deze bevoegdheidsverdeling lijkt mij moeilijk betwist te kunnen worden dat, in de huidige stand van het gemeenschapsrecht, het vaststellen van de werking in de tijd van een nationale regel onder de bevoegdheid valt van de nationale wetgever . Aanvaardt men immers dat de nationale wetgever bevoegd is voor het reguleren van de aansluiting of beëindiging van de aansluiting bij een stelsel van sociale zekerheid ( Brunori en Coonan ) en voor het bepalen van de voorwaarden voor de totstandkoming van verzekeringstijdvakken ( Schmitt ), dan moet men eveneens aanvaarden dat hij de bevoegdheid bezit om de intertemporele werking van zulke regels vast te stellen, zolang hij daarbij geen inbreuk maakt op de in verordening nr . 1408/71 vervatte samentellingsregels en ook geen door het Verdrag of verordening nr . 1408/71 verboden discriminatie invoert .
Om het voorgaande samen te vatten : het is juist dat - zoals in het arrest Sinatra ( zie i.h.b . de hiervoor aangehaalde r.o . 8 ) werd gesteld - artikel 46 ( samengelezen met artikel 51 ) aan de sociaal verzekerde in principe een recht op herberekening geeft telkens wanneer de toegekende uitkeringen van het toepasselijke stelsel worden gewijzigd . De arresten Brunori, Coonan en Schmitt impliceren evenwel dat dit communautaire recht op toepassing van de gunstigste sociale-zekerheidsregeling veronderstelt dat de nieuwe regeling door de nationale wetgever zowel materieel als temporeel op de verzekerde van toepassing is verklaard .
Slotbeschouwing : artikel 50 van verordening nr . 1408/71
14 . Ik meen dat voorgaande elementen kunnen volstaan om de vragen van de verwijzende rechter te beantwoorden in de hierna in het dispositief van mijn conclusie aangegeven zin . Mocht U met betrekking tot de tweede vraag evenwel een ander oordeel zijn toegedaan en besluiten dat het gemeenschapsrecht vereist dat aan de Franse wetswijzigingen een onmiddellijke werking wordt toegekend, dan kan het nuttig zijn om, in het licht van de rechtspraak van het Hof, aan te duiden welke criteria door de verwijzende rechter zullen moeten worden gebruikt om na te gaan welke componenten van de minimumuitkering onder de nieuwe Franse wetgeving moeten worden beschouwd als een "minimumuitkering" in de zin van artikel 50 .
De daaromtrent bestaande rechtspraak van het Hof illustreert opnieuw de hierboven geschetste bevoegdheidsverdeling tussen de gemeenschaps - en de nationale wetgever .
15 . In het arrest van 30 november 1977 ( zaak 64/77, Torri, Jurispr . 1977, blz . 2299 ) werd gesteld dat
"artikel 50 ziet op de gevallen waarin de arbeidstijdvakken van de werknemer onder de wettelijke regelingen der staten waaraan hij onderworpen is geweest, betrekkelijk kort zijn, zodat het totale bedrag van de door deze staten verschuldigde uitkeringen geen redelijk levenspeil bereikt" ( r.o . 5 ), en
"dat artikel 50 ... slechts toepassing kan vinden in de gevallen waarin de wettelijke regeling van de Lid-Staat op het grondgebied waarvan de werknemer woont, een minimumpensioen kent" ( r.o . 13 ).
Dit arrest werd bevestigd en verder geëxpliciteerd in het arrest van 17 december 1981 ( zaak 22/81, Browning, Jurispr . 1981, blz . 3357 ), waarin het Hof voor recht verklaarde dat artikel 50 in die zin te verstaan is dat er van een "minimumuitkering" slechts sprake is, wanneer er in de wettelijke regeling van de staat van inwoning een bijzondere waarborg wordt geboden, ten einde degenen die uitkeringen van sociale zekerheid genieten, een minimuminkomen te verzekeren boven het niveau der uitkeringen waarop zij alleen op grond van de tijdvakken tijdens dewelke zij bij een zekerheidsstelsel aangesloten waren en van hun bijdragen ( met andere woorden, in toepassing van de berekeningsregels van artikel 46 ) aanspraak zouden kunnen maken .
In twee vroegere prejudiciële arresten hebt U zich ook reeds gebogen over de niet-contributieve component van de in de nieuwe Franse wetgeving voorziene minimum ouderdomsuitkering . Het bodemgeschil in beide zaken had specifiek betrekking op de aanvullende uitkering die door het FNS wordt uitgekeerd, en de vraag was of deze uitkering krachtens lid 4 van artikel 4 van verordening nr . 1408/71 niet als "maatregel van sociale bijstand" buiten de werkingssfeer van de verordening viel . In beide gevallen hebt U geoordeeld dat een door een nationaal solidariteitsfonds betaalde aanvullende uitkering, die wordt gefinancierd door de belastingopbrengsten en wordt toegekend aan personen die een ouderdoms -, weduwen - of invaliditeitspensioen ontvangen, teneinde hun een minimuminkomen te verzekeren, onder de materiële werkingssfeer van verordening nr . 1408/71 valt, voor zover de betrokkenen een wettelijk beschermd recht op toekenning van dergelijke uitkering hebben ( 13 ).
Wanneer de arresten Torri en Browning worden samengelezen met de arresten Giletti en Zaoui, dan bekomt men het volgende resultaat . Artikel 50 is ook van toepassing op ( geheel of gedeeltelijk niet-contributieve ) minimumuitkeringen, waarmee een nationale wettelijke regeling een "redelijk levenspeil" beoogt te verzekeren aan eenieder ( dus ook aan diegenen die daar in toepassing van de gewone bijdrageregels geen aanspraak op zouden kunnen maken ), maar enkel voor zover de betrokkenen onder het toepasselijke wettelijke stelsel een aanspraak op zulke minimumuitkeringen kunnen doen gelden .
Conclusie
16 . Op grond van voorgaande argumenten geef ik U in overweging de vragen van de Cour de cassation als volgt te beantwoorden :
"1 ) Artikel 51, lid 2, van verordening nr . 1408/71 dient in die zin te worden uitgelegd dat het van toepassing is op wijzigingen in een nationale wettelijke regeling betreffende de toekenningsvoorwaarden en de berekening van ouderdomsuitkeringen .
2 ) Noch artikel 51 van het Verdrag noch artikel 51 van verordening nr . 1408/71 verzetten er zich in de huidige stand van het gemeenschapsrecht tegen dat een nationale wetgever de intertemporele werking van een regeling van sociale zekerheid beperkt tot uitkeringen die na de invoering van de nieuwe regeling worden verleend, zolang deze intertemporele werkingsregel geen inbreuk maakt op de in verordening nr . 1408/71 vervatte samentellingsregels en geen door het gemeenschapsrecht verboden verschil in behandeling invoert ."
(*) Oorspronkelijke taal : Nederlands .
( 1 ) Zie verordening nr . 82-270 van 26 maart 1982, JORF van 28.3.1982, blz . 951 .
( 2 ) Wet nr . 83-430 van 31 mei 1983, JORF van 1.6.1983, blz . 1639 .
( 3 ) De Franse regering laat opmerken dat Jordan ( onder het oude stelsel, dat nog steeds op hem van toepassing zou zijn ), indien zijn inkomen het rechtvaardigt en hij erom verzoekt, wel aanspraak kan maken op een supplementaire uitkering ten laste van het FNS, maar dat zijn gerevaloriseerd gemiddeld jaarsalaris per 1 april 1983 boven het bedrag uitkomt dat tot die supplementaire uitkering aanleiding zou geven .
( 4 ) Zie onlangs nog het arrest van 21 juni 1988, zaak 197/86, Brown, Jurispr . 1988, blz . 3205, r.o . 9 .
( 5 ) Arrest van 2 februari 1982, zaak 7/81, Jurispr . 1982, blz . 137 .
( 6 ) Arrest van het Hof van 1 maart 1984, zaak 104/83, Cinciuolo, Jurispr . 1984, blz . 1285, in het bijzonder r.o . 11-12 . Zie ook het recente arrest van 4 mei 1988, zaak 83/87, Viva, Jurispr . 1988, blz . 2521, r.o . 11 .
( 7 ) R.o . 8 van het Sinatra-arrest, hiervoor reeds in extenso aangehaald, punt 9 van de tekst .
( 8 ) Arrest van 15 januari 1986, zaak 41/84, Pinna, Jurispr . 1986, blz . 1 .
( 9 ) In r.o . 21 van het arrest werd weliswaar overwogen dat het vrije verkeer van werknemers wordt vergemakkelijkt wanneer de arbeidsvoorwaarden in de onderscheidene Lid-Staten zo nauw mogelijk bij elkaar aansluiten . Daarom mag een gemeenschapsregeling inzake sociale zekerheid geen bijkomende dispariteiten in het leven roepen naast die welke reeds voortvloeien uit het ontbreken van harmonisatie van de nationale wettelijke regelingen . ( Deze overwegingen leidden tot het nietigverklaren van artikel 73, lid 2, van verordening nr . 1408/71 .)
( 10 ) Arrest van het Hof van 12 juli 1979, zaak 266/78, Brunori, Jurispr . 1979, blz . 2705 .
( 11 ) Arrest van 24 april 1980, zaak 110/79, Coonan, Jurispr . 1980, blz . 1445 .
( 12 ) Arrest van 28 februari 1989, zaak 29/88, Schmitt, Jurispr . 1989, blz . 581 .
( 13 ) Zie het arrest van 24 februari 1987, gevoegde zaken 379 tot 381/85 en 93/86, Giletti, Jurispr . 1987, blz . 955, in het bijzonder r.o . 12, en het arrest van 17 december 1987, zaak 147/87, Zaoui, Jurispr . 1987, blz . 5511, in het bijzonder r.o . 9 .
Full & Egal Universal Law Academy