Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Gedurende zijn gehele beroepsleven was de heer Daalmeijer, van Nederlandse nationaliteit, verzekerd krachtens de Nederlandse Algemene Ouderdomswet, ook tijdens de jaren dat hij als ambtenaar van het Ministerie van Defensie in het buitenland werkzaam was .
2 . Ten tijde van de feiten van het geding bepaalde artikel 3, lid 4, van de Algemene Ouderdomswet ( hierna : AOW ) namelijk het volgende :
"De buiten het rijk verblijf houdende Nederlander die in dienstbetrekking staat tot een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon, alsmede zijn echtgenote en de kinderen voor wie hij ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet recht op kinderbijslag heeft, worden geacht binnen het rijk te wonen ."
3 . Dat Daalmeijer onder de AOW viel, was dus het gevolg van een bepaling in die wet, en niet van een bepaling van gemeenschapsrecht . De laatste verblijfplaats van Daalmeijer in het buitenland, als ambtenaar van het Ministerie van Defensie, lag trouwens in een niet-Lid-Staat van de Gemeenschap, namelijk Joegoslavië .
4 . Op 1 mei 1974 ging Daalmeijer met vervroegd pensioen en vestigden hij en zijn echtgenote zich in Frankrijk, waar geen van beiden meer werkzaamheden heeft verricht, noch als werknemer noch als zelfstandige . Totdat hij 65 jaar werd, ontving Daalmeijer een uitkering krachtens de Uitkeringswet gewezen militairen .
5 . Toen hij op 5 oktober 1982 65 jaar werd, moest hij vaststellen dat het bevoegd orgaan in Nederland weigerde, voor de berekening van zijn AOW-pensioen de door hem en zijn echtgenote in Frankrijk doorgebrachte jaren in aanmerking te nemen .
6 . De AOW bepaalt immers, dat afgezien van in het buitenland aangestelde ambtenaren, ingevolge deze wet enkel zijn verzekerd Nederlandse ingezetenen alsmede zij die geen ingezetene zijn, maar ter zake van binnen het rijk in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting zijn onderworpen .
7 . Het pensioen van Daalmeijer werd dan ook berekend onder aftrek van een met dat tijdvak overeenkomend bedrag, welke berekening door hem in het hoofdgeding wordt aangevochten .
8 . I . De eerste vraag door de Centrale Raad van Beroep aan het Hof gesteld, luidt als volgt :
"Is op een ( gewezen ) ambtenaar krachtens artikel 13, tweede lid, onder d, van de EEG-Verordening nr . 1408/71, de wetgeving van toepassing van de Lid-Staat waaronder de dienst ressorteert waarbij hij laatstelijk werkzaam was, zelfs indien hij en zijn echtgenote zijn gaan wonen op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan zojuist bedoeld, op welk grondgebied geen van hen - reële en daadwerkelijke - werkzaamheden heeft uitgeoefend als bedoeld in genoemd artikel 13, tweede lid, en waar zij ook niet anderszins ingevolge deze bepaling aan de wetgeving van die andere Lid-Staat zijn onderworpen?"
9 . De verwijzende rechter vraagt zich dus in wezen af, of Daalmeijer en zijn echtgenote, in afwijking van de bepalingen van de AOW, krachtens de gemeenschapsregels inzake de toepasselijke wetgeving moeten worden geacht verplicht verzekerd te zijn gebleven ingevolge de AOW gedurende het tijdvak na hun vertrek naar Frankrijk . De aan deze redenering ten grondslag liggende gedachte is, dat aan het echtpaar Daalmeijer, indien de Nederlandse wetgeving ook tijdens hun verblijf in Frankrijk als de op hen van toepassing blijvende wetgeving werd aangewezen, de vorengenoemde woonplaatsclausule niet zou kunnen worden tegengeworpen .
10 . Artikel 13 van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 van de Raad betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen ( 1 ), begint als volgt :
"1 ) Onder voorbehoud van artikel 14 quater zijn degenen op wie deze verordening van toepassing is, slechts aan de wetgeving van één enkele Lid-Staat onderworpen . De toe te passen wetgeving wordt overeenkomstig de bepalingen van deze titel vastgesteld .
(...)
d ) is op ambtenaren en met hen gelijkgestelden, de wetgeving van toepassing van de Lid-Staat waaronder de dienst waarbij zij werkzaam zijn, ressorteert ."
11 . Op het eerste gezicht valt niet in te zien, waarom dat artikel in het hoofdgeding een rol zou kunnen spelen, aangezien het duidelijk gaat om een bepaling die tot doel heeft, wetgevingsconflicten te voorkomen, terwijl uit de formulering van de eerste vraag van de Centrale Raad van Beroep blijkt, dat in de onderhavige zaak zulk een conflict niet bestond .
12 . De aan het Hof gestelde vraag laat zich echter uitsluitend verklaren door het op 12 juni 1986 door het Hof gewezen arrest in de zaak Ten Holder ( zaak 302/84, Jurispr . 1986, blz . 1821 ), dat betrekking had op artikel 13, lid 2, sub a, van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 . In het dictum van dat arrest verklaarde het Hof,
"dat een werknemer die zijn werkzaamheden op het grondgebied van een Lid-Staat beëindigt en niet gaat werken op het grondgebied van een andere Lid-Staat, onderworpen blijft aan de wetgeving van de Lid-Staat waar hij laatstelijk werkzaam was, ongeacht de tijd die sedert de beëindiging van die werkzaamheden en van het dienstverband is verstreken ."
13 . De vraag is dus, of die passage van het arrest Ten Holder aldus moet worden uitgelegd, dat een werknemer ( in casu een ambtenaar ) die onder het stelsel van ouderdomsverzekering van een Lid-Staat valt en die het grondgebied van dat land verlaat zonder dat de wetgeving van een andere Lid-Staat op hem van toepassing wordt, onder dat stelsel blijft vallen en nieuwe verzekeringstijdvakken, en daarmee nieuwe pensioenrechten, kan verwerven, ook al voldoet hij niet meer aan de voorwaarden van dat stelsel .
14 . Indien een dergelijk beginsel uit het arrest Ten Holder voortvloeit, dan verdient het opmerking, dat het zowel van toepassing moet zijn ten aanzien van landen waar de aansluiting bij het stelsel van sociale zekerheid afhankelijk is van het verrichten van een beroepsactiviteit ( zoals overigens het geval was in het arrest Ten Holder ), als ten aanzien van landen waar die aansluiting enkel afhangt van de woonplaats .
15 . Dat zou betekenen, dat de onderdaan van een andere Lid-Staat, die bij voorbeeld in Duitsland heeft gewerkt en dat land verlaat zonder elders beroepsarbeid te hervatten, onder het sociale-zekerheidsstelsel van dat land zou blijven vallen en nieuwe verzekeringstijdvakken zou blijven opbouwen, terwijl de Duitse werknemer die in zijn land blijft na het actieve leven vaarwel te hebben gezegd, niet meer verplicht verzekerd zou zijn . Een dergelijke uitkomst zou uiteraard onaanvaardbaar zijn .
16 . Maar dat is niet de enige reden waarom de gestelde vraag ontkennend moet worden beantwoord en waarom het Hof in het arrest Ten Holder in wezen slechts een werknemer heeft kunnen bedoelen die zijn werkzaamheden tijdelijk "beëindigt", bij voorbeeld wegens ziekte, zwangerschap of werkloosheid, en niet een werknemer die definitief elke beroepsactiviteit staakt .
17 . Artikel 13 gaat immers uit van het beginsel, dat de "lex loci laboris" de overhand moet hebben op alle andere mogelijk toepasselijke wetgeving . Dat veronderstelt dat er daadwerkelijk beroepsarbeid is geweest . De bepaling gaat er beslist niet over, wat er moet gebeuren wanneer er geen wetgevingsconflict meer is omdat de betrokken werknemer definitief uit het beroepsleven is getreden .
18 . Om in een leemte in de verordening te voorzien, kon het Hof in het arrest Ten Holder terecht het toepassingsveld van artikel 13 uitbreiden tot werknemers die hun werkzaamheden tijdelijk hebben gestaakt, want het ging erom te voorkomen, zoals de Sociale Verzekeringsbank betoogt, dat de migrerend werknemer die zich bij tijdelijke onderbreking van zijn activiteiten in een andere Lid-Staat vestigt, niet wordt onderworpen aan de wetgeving van die andere Lid-Staat, of dat de verzekering van een grensarbeider in de Lid-Staat waar hij werkt, in beginsel niet ophoudt bij elke onderbreking van zijn werkzaamheden wegens ziekte of zwangerschap .
19 . Maar het Hof heeft zeker niet een soort "beginsel van onbegrensde aansluiting" willen creëren . Het is immers vaste rechtspraak,
"dat het aan de nationale wetgever staat om de voorwaarden vast te stellen waaronder het recht of de verplichting tot aansluiting bij een stelsel van sociale zekerheid of bij een bepaalde tak van een dergelijk stelsel ontstaat, waarbij de voorwaarden voor aansluiting tevens de voorwaarden voor het verval van de verzekeringsplicht omvatten, zolang hierbij maar geen onderscheid wordt gemaakt tussen eigen onderdanen en onderdanen van de andere Lid-Staten ." ( 2 )
20 . Voorts heeft het Hof in de arresten Perenboom ( 3 ) en Luijten ( 4 ), en zelfs in het arrest Ten Holder, beklemtoond, dat artikel 13 beoogt te voorkomen dat een werknemer "voor een zelfde tijdvak onder de wetgeving van meer Lid-Staten valt ". Het probleem echter dat aan de thans voorliggende zaak ten grondslag ligt, is een heel ander : het betreft immers de toepassing van de wetgeving van één enkele Lid-Staat in twee opeenvolgende tijdvakken in het leven van een werknemer .
21 . Ten slotte heeft het Hof in een recent arrest van 3 mei 1990 ( zaak C-2/89, Kits van Heijningen, Jurispr . 1990, blz . I-1755 ) het als volgt geformuleerd :
"(...) vermeld zij, dat artikel 13, lid 2, sub a, van verordening nr . 1408/71 uitsluitend ten doel heeft ( 5 ), te bepalen welke nationale wetgeving van toepassing is op personen die arbeid in loondienst ( 5 ) verrichten op het grondgebied van een Lid-Staat . Dat artikel heeft niet als zodanig ten doel, de voorwaarden te bepalen voor het bestaan van het recht of de verplichting zich aan te sluiten bij een stelsel van sociale zekerheid of bij een onderdeel van zulk een stelsel . Zoals het Hof al menigmaal heeft verklaard, staat het aan de wetgeving van iedere Lid-Staat die voorwaarden vast te stellen ( zie met name het arrest van 23 september 1982, Koks, zaak 275/81, Jurispr . 1982, blz . 3013 )."
22 . Om geheel volledig te zijn, zou ik nog willen wijzen op twee andere bepalingen van verordening ( EEG ) nr . 1408/71, die mijn stelling ten minste bevestigen voor het bijzondere geval van op ingezetenschap gebaseerde sociale-zekerheidsstelsels .
23 . Het gaat in de eerste plaats om artikel 9, lid 1, waarin wordt bepaald :
"De bepalingen van de wetgeving van een Lid-Staat welke de toelating tot de vrijwillige of de vrijwillige voortgezette verzekering afhankelijk stellen van het wonen op het grondgebied van deze staat, gelden niet voor personen die wonen op het grondgebied van een andere Lid-Staat (...)."
24 . Mijns inziens vloeit a contrario uit die bepaling voort, dat de verplaatsing van de woonplaats naar een andere Lid-Staat daadwerkelijk gevolgen kan hebben voor iemands aansluiting bij een enkel op ingezetenschap gebaseerd stelsel van verplichte verzekering en dat die verplaatsing het einde van die aansluiting kan betekenen .
25 . In de tweede plaats kunnen krachtens artikel 10, lid 1, van de verordening
"tenzij in deze verordening anders is bepaald, (...) de uitkeringen bij invaliditeit, ouderdom of de uitkeringen aan nagelaten betrekkingen, de renten bij arbeidsongevallen of beroepsziekten en de uitkeringen bij overlijden, verkregen op grond van een wettelijke regeling van een of meer Lid-Staten, op generlei wijze worden verminderd, gewijzigd, geschorst, ingetrokken of verbeurd verklaard op grond van het feit dat de rechthebbende op het grondgebied van een andere Lid-Staat woont dan die, op het grondgebied waarvan zich het orgaan bevindt dat deze uitkering verschuldigd is ."
26 . Afgezien van de zeer bijzondere situaties bedoeld in de arresten van 7 november 1973 ( zaak 51/73, Smieja, Jurispr . 1973, blz . 1213 ), 10 juni 1982 ( zaak 92/81, Camera, Jurispr . 1982, blz . 2213 ) en 2 mei 1990 ( zaak C-243/88, Winter-Lutzins, Jurispr . 1990, blz . I-1623 ), moet volgens mij de in die bepaling bedoelde buitenwerkingstelling van de woonplaatsclausule worden uitgelegd zoals in het arrest van 20 oktober 1977 ( zaak 32/77, Giuliani, Jurispr . 1977, blz . 1857 ), namelijk dat zij "niet van invloed ( is ) op de verkrijging van het recht op een uitkering ".
27 . De uitlegging dat iemand die niet meer in Nederland woonachtig is, desondanks ingevolge artikel 13 aldaar nieuwe verzekeringstijdvakken kan opbouwen, zou er immers niet alleen op neer komen, die Lid-Staat te verbieden zijn volksverzekeringsstelsel op een woonplaatsvereiste te grondvesten, maar ook via een ruime uitlegging van artikel 13 een beginsel in te voeren, dat de auteurs van verordening nr . 1408/71 juist niet in artikel 10 hebben willen opnemen .
28 . Ten slotte vestig ik de aandacht op de negatieve gevolgen die voor de Lid-Staten met een volksverzekeringsstelsel zouden optreden indien de gedachte van de "onbegrensde aansluiting" zou worden aanvaard . Die gevolgen zijn samengevat in het rapport ter terechtzitting aan het eind van het gedeelte waarin de opmerkingen van de Sociale Verzekeringsbank over de eerste vraag zijn weergegeven .
29 . Om al die redenen meen ik te mogen concluderen, dat de vraag of het echtpaar Daalmeijer krachtens de AOW verzekerd is gebleven na het tijdstip waarop het zijn woonplaats in Frankrijk vestigde, uitsluitend aan de hand van de Nederlandse wetgeving moet worden beantwoord .
30 . Ik geef dan ook in overweging, de eerste vraag van de Raad van Beroep te beantwoorden als volgt :
"Wanneer een voormalig ambtenaar en zijn echtgenote zijn gaan wonen op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan die waaronder de dienst ressorteert waarbij hij laatstelijk werkzaam was, en wanneer de ambtenaar of zijn echtgenote in die andere Lid-Staat geen - reële en daadwerkelijke - werkzaamheden hebben uitgeoefend als bedoeld in artikel 13, lid 2, van verordening nr . 1408/71, en zij ook niet anderszins ingevolge deze bepaling aan de wetgeving van die andere Lid-Staat zijn onderworpen, moet de vraag of de wetgeving van de Lid-Staat van herkomst nog op het echtpaar van toepassing is, worden beantwoord in het licht van die wetgeving en niet in het licht van artikel 13, lid 2, sub d, van verordening nr . 1408/71 ."
31 . II . De tweede vraag, waarvan de tekst in het rapport ter terechtzitting te vinden is, is enkel gesteld voor het geval de eerste vraag bevestigend zou worden beantwoord .
32 . Aangezien ik een in wezen ontkennend antwoord op de eerste vraag heb voorgesteld, behoeft de tweede vraag geen beantwoording .
33 . III . De derde vraag luidt als volgt :
"Mocht de eerste vraag ontkennend worden beantwoord en/of de tweede vraag bevestigend, hoe luidt dan het antwoord ingeval de in vraag 1 bedoelde betrokkene, gedurende de periode dat hij op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan Nederland woonde, van Nederlandse zijde een uitkering genoot in verband met de beëindiging van zijn laatste dienstbetrekking hier te lande ( welke uitkering overigens nationaalrechtelijk bezien niet leidde tot verzekering ingevolge de AOW )?"
34 . Tussen het tijdstip waarop Daalmeijer zijn beroepsactiviteiten beëindigde, en het moment waarop hij 65 jaar werd, genoot hij een uitkering krachtens de Nederlandse Uitkeringswet gewezen militairen . Was dat een arbeidsongeschiktheidsuitkering geweest, dan zou hij van rechtswege verzekerd zijn gebleven krachtens de AOW ( 6 ), maar, zoals de nationale rechter zegt, een dergelijk gevolg is niet verbonden aan de door verzoeker in het hoofdgeding genoten uitkering .
35 . Dit moge merkwaardig lijken, maar niet valt in te zien, ingevolge welke bepaling van gemeenschapsrecht de Sociale Verzekeringsbank verplicht was het echtpaar Daalmeijer nog als verplicht verzekerd voor de AOW te beschouwen na het verplaatsen van de woonplaats naar Frankrijk .
36 . Zoals ik bij het antwoord op de eerste vraag al zei, staat het aan de wetgever van elke Lid-Staat, de voorwaarden te bepalen waaronder men ophoudt bij een bepaald stelsel van sociale zekerheid aangesloten te zijn .
37 . Ik geef daarom in overweging, de derde vraag te beantwoorden als volgt :
"De vraag of een verzekerde, nadat hij zich in een andere Lid-Staat heeft gevestigd, bij het stelsel van ouderdomsverzekering van zijn land van herkomst aangesloten blijft wegens het feit dat hij gedurende het tijdvak dat hij op het grondgebied van een andere Lid-Staat woonachtig was, een uitkering ten laste van zijn land van herkomst genoot, dient op basis van de wetgeving van dat land van herkomst te worden beantwoord ."
Conclusie
38 . De door mij voorgestelde antwoorden op de drie vragen van de Centrale Raad van Beroep te Utrecht kunnen worden gerecapituleerd als volgt :
"1 ) Wanneer een voormalig ambtenaar en zijn echtgenote zijn gaan wonen op het grondgebied van een andere Lid-Staat dan die waaronder de dienst ressorteert waarbij hij laatstelijk werkzaam was, en wanneer de ambtenaar of zijn echtgenote in die andere Lid-Staat geen - reële en daadwerkelijke - werkzaamheden hebben uitgeoefend als bedoeld in artikel 13, lid 2, van verordening nr . 1408/71, en zij ook niet anderszins ingevolge deze bepaling aan de wetgeving van die andere Lid-Staat zijn onderworpen, moet de vraag of de wetgeving van de Lid-Staat van herkomst nog op het echtpaar van toepassing is, worden beantwoord in het licht van die wetgeving en niet in het licht van artikel 13, lid 2, sub d, van verordening nr . 1408/71 .
(*) Oorspronkelijke taal : Frans .
( 1 ) Voor de nieuwe versie van deze verordening zie verordening nr . 2001/83 ( PB 1983, L 230, blz . 6 ), laatstelijk gewijzigd bij verordening nr . 2332/89 van 18 juli 1989 ( PB 1989, L 224, blz . 11 ).
( 2 ) Arresten van 12 juli 1979, zaak 266/78, Brunori, Jurispr . 1979, blz . 2705, 2711 en volgende; 24 augustus 1980, zaak 110/79, Coonan, Jurispr . 1980, blz . 1445, en 24 september 1987, zaak 43/86, De Rijke, Jurispr . 1987, blz . 3611 en 3629 .
( 3 ) Arrest van 5 mei 1977, zaak 102/76, Jurispr . 1977, blz . 815, r.o . 11 .
( 4 ) Arrest van 10 juli 1986, zaak 60/85, Jurispr . 1986, blz . 2365, r.o . 15 .
( 5 ) Cursivering van mij .
( 6 ) Zie het rapport ter terechtzitting voor het arrest van 24 september 1987 ( zaak 43/86, De Rijke, Jurispr . 1987, blz . 3614 ).
Full & Egal Universal Law Academy