Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
Het Arbeidshof te Gent verzoekt het Hof om een prejudiciële beslissing over een vraag die, los van de formulering welke erop is gericht een antwoord te verkrijgen dat het geschil rechtstreeks oplost, in wezen betrekking heeft op de uitlegging van artikel 46 van de welbekende verordening ( EEG ) nr . 1408/71 ( 1 ) betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op werknemers die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen .
E . Spits, van Nederlandse nationaliteit, werkte enkele jaren in België en vele jaren in Nederland . Het voor de Belgische pensioenregeling bewezen en derhalve relevante tijdvak van arbeid liep van 1932 tot 1938, waarbij de eerste twee jaren werden vervuld vóór betrokkene twintig jaar was; het voor de Nederlandse wettelijke regeling bewezen en relevante tijdvak van arbeid liep van 1929 tot 1979 . Het feit dat men aan de regelingen van deze twee Lid-Staten onderworpen is, brengt mee dat verordening nr . 1408/71, en voor de berekening van de twee uitkeringen, artikel 46 daarvan van toepassing zijn .
Dit artikel behoort niet tot de meest duidelijk geformuleerde; in ieder geval en voor zover hier belang, bepaalt het, respectievelijk in de leden 1 en 2, de methoden voor de berekening van de uitkering in elke Lid-Staat, naargelang de voor de andere Lid-Staten relevante jaren van premiebetaling volgens de nationale regeling al dan niet in aanmerking moeten worden genomen voor het verlenen van het recht op pensioen .
In het ene geval ( artikel 46, lid 2 ) moet elk nationaal orgaan eerst een "theoretisch" uitkeringsbedrag ( artikel 46, lid 2, sub a ) bepalen; daarvoor worden de in de verschillende Lid-Staten vervulde relevante tijdvakken van premiebetaling samengeteld alsof zij alle in de betrokken Lid-Staat waren vervuld . Vervolgens wordt overgegaan tot de berekening van het "werkelijke" uitkeringsbedrag, dat bestaat in een fractie van het theoretische bedrag naar verhouding van de duur van de in de betrokken Lid-Staat vervulde tijdvakken van premiebetaling ( artikel 46, lid 2, sub b ).
In het andere geval daarentegen, dat wil zeggen wanneer de nationale regeling voor het ontstaan van het recht op pensioen geen minimumaantal relevante jaren vereist en het derhalve niet nodig is de "in andere Lid-Staten" vervulde tijdvakken van premiebetaling mee te tellen, moet elk orgaan, naast het "theoretische" en het "werkelijke" of "proportionele" bedrag, ook nog een "autonoom" nationaal bedrag berekenen, dat uitsluitend is gebaseerd op de "in eigen land" vervulde tijdvakken van premiebetaling ( artikel 46, lid 1 ). Uiteindelijk zal dan, overeenkomstig artikel 46, lid 1, tweede alinea, een uitkering worden betaald die overeenkomt met het autonome of het proportionele bedrag, al naargelang het ene of het andere het hoogste is .
In het onderhavige geval wordt niet betwist, dat het Belgische orgaan zowel het autonome als het proportionele bedrag moest berekenen en dat het proportionele bedrag overeenkomt met dat voor 5 jaar op 45 ( het maximumaantal relevante jaren ). Het geschil voor de verwijzende rechter draait om het autonome bedrag, dat volgens het Belgische orgaan moest overeenkomen met het bedrag voor 5 jaar op 45, terwijl het volgens Spits ( en de rechter in eerste aanleg tegen wiens vonnis hoger beroep is ingesteld bij het Arbeidshof te Gent ) moest overeenkomen met het bedrag voor 7 jaar op 45 ( van 1932 tot 1938 ), zodat dit laatste bedrag, als meest gunstige uitkering, moest worden betaald . In haar schriftelijke opmerkingen treedt de Commissie het standpunt van Spits bij .
Het geschil vond zijn oorsprong in de omstandigheid, dat het Belgische orgaan bij de berekening van het autonome bedrag geen rekening had gehouden met de twee jaren voorafgaande aan het ogenblik waarop Spits twintig jaar werd, welke jaren volgens de nationale regeling slechts in aanmerking worden genomen ter aanvulling van een "onvolledig" tijdvak van premiebetaling . Dit laatste was in casu niet het geval, daar Spits het vereiste tijdvak volledig had vervuld; bij samentelling van de in België en in Nederland vervulde tijdvakken, kwam hij immers aan meer dan vijftig jaar .
De Commissie stelt evenwel, dat het nationale orgaan bij de berekening van het autonome bedrag slechts rekening mocht houden met de in de eigen staat vervulde tijdvakken, met uitsluiting van die welke in de andere Lid-Staten waren vervuld, zodat ook de twee jaren voorafgaande aan het ogenblik waarop Spits twintig jaar werd, in aanmerking moesten worden genomen . Ingevolge artikel 12, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 mogen immers bij de berekening van het autonome bedrag bedoeld in artikel 46, lid 1, van diezelfde verordening, geen nationale anti-cumulatiebepalingen worden toegepast, terwijl het Belgische orgaan juist op grond van dergelijke bepalingen de jaren 1932 en 1933 buiten beschouwing had gelaten bij de berekening van het autonome bedrag .
Het behoeft mijns inziens geen verder betoog, dat de uitlegging van de Commissie zonder voorbehoud moet worden onderschreven . Bovendien heeft het Belgische orgaan, na de in de schriftelijke opmerkingen van de Commissie vervatte preciseringen, ter terechtzitting uitdrukkelijk erkend dat het een fout had gemaakt, en verklaard dat het de door de Commissie gegeven uitlegging van artikel 46 aanvaardde, inzonderheid ook wat het in aanmerking nemen van de twee in geding zijnde jaren betreft .
Gelet op het voorgaande, geef ik het Hof in overweging de vraag van het Arbeidshof te beantwoorden als volgt :
"Artikel 46, lid 1, van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 moet aldus worden uitgelegd, dat het nationale orgaan belast met de betaling van de pensioenen, de uitkering moet berekenen naar verhouding van de volgens het nationale recht relevante tijdvakken van premiebetaling, met uitsluiting van de in andere Lid-Staten vervulde tijdvakken van premiebetaling ."
(*) Oorspronkelijke taal : Italiaans .
( 1 ) Verordening ( EEG ) nr . 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 ( PB 1971, L 149, blz . 2 ).
Full & Egal Universal Law Academy