Conclusie van de advocaat generaal
++++
Mijnheer de President,
mijne heren Rechters,
1 . Bij twee afzonderlijke verwijzingsbeschikkingen, ingeschreven ter griffie van het Hof op 12 december 1988, verzoekt het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main het Hof om uitlegging van twee bepalingen van verordening nr . 2192/82 van de Commissie van 6 augustus 1982 houdende bepalingen ter uitvoering van de bijzondere maatregelen voor erwten, tuin - en veldbonen ( 1 ), zoals gewijzigd bij verordening nr . 3322/82 van de Commissie van 10 oktober 1982 . ( 2 )
Zoals wij zullen zien, hebben de twee gestelde vragen belangrijke raakpunten en passen de uit te leggen bepalingen in één enkele normatieve context; redenen van economie brengen mij ertoe, voor de twee zaken een enkele conclusie te nemen .
2 . Het normatieve kader . Verordening nr . 1431/82 van de Raad van 18 mei 1982 houdende bijzondere maatregelen voor erwten, tuin - en veldbonen ( 3 ), voorziet in de toekenning van steun voor de produkten die in de Gemeenschap zijn geoogst en bij de vervaardiging van diervoeding worden gebruikt ( artikel 3, lid 1 ).
3 . Op grond van artikel 3, lid 5, en artikel 4 van voornoemde verordening stelde de Raad op 19 juli 1982 verordening nr . 2036/82 tot vaststelling van de algemene voorschriften inzake de bijzondere maatregelen voor erwten, tuin - en veldbonen vast . ( 4 )
Volgens artikel 5, lid 1, van deze laatste verordening wordt de steun verleend aan elke gebruiker, op voorwaarde dat hij bij de door de Lid-Staat aangewezen instantie een aanvraag indient, alsook een certificaat waarin wordt bevestigd dat aan de producent de minimumprijs is betaald en dat de in het certificaat vermelde hoeveelheid werkelijk is gebruikt, na in het bedrijf zelf onder controle te zijn gesteld .
Het onder controle stellen wordt op zijn beurt in artikel 3, lid 4, gedefinieerd als de door de bevoegde instantie van de Lid-Staat bij de gebruiker, op diens verzoek, uitgevoerde handeling die bestaat in het bepalen van de hoeveelheid en de kwaliteit van de produkten die bestemd zijn om te worden gebruikt voor de menselijke of dierlijke voeding .
Ten slotte bepaalt artikel 11, lid 2, dat de bepaling van het gewicht van de produkten en het trekken van monsters plaatsvindt op het tijdstip waarop deze produkten het bedrijf binnenkomen waar ze werkelijk zullen worden gebruikt .
4 . Krachtens artikel 3, lid 7, van verordening nr . 1431/82 heeft de Commissie verordening nr . 2192/82 vastgesteld, waarvan de uitlegging in het geding is .
Artikel 18 van deze laatste verordening bepaalde, in de versie die gold ten tijde van de aan deze prejudiciële vragen ten grondslag liggende feiten, dat uiterlijk wanneer de produkten op het bedrijf aankomen, de belanghebbende de bevoegde instantie van de Lid-Staat hiervan schriftelijk in kennis stelt . Deze kennisgeving gold als aanvraag om de produkten onder controle te plaatsen .
De belanghebbende kon het onder controle plaatsen van het op het bedrijf aangekomen produkt echter uitstellen . In dit geval beschikte de handelaar over een verdere termijn van 30 werkdagen om de bevoegde instantie in kennis te stellen van de hoeveelheid die hij werkelijk onder controle wenste te plaatsen en bijgevolg op zijn bedrijf wenste te gebruiken .
Krachtens artikel 29, lid 2, zoals gewijzigd bij artikel 1, lid 13, van verordening nr . 3322/82, moest de steun worden toegekend aan de gebruiker die hiertoe een verzoek had ingediend, op voorwaarde dat hij het certificaat waarin wordt bevestigd dat aan de producent de minimumprijs is betaald, heeft ingediend bij de door de Lid-Staat aangewezen instantie en dat de met de controle belaste instantie heeft geverifieerd dat de aangegeven hoeveelheid werkelijk is gebruikt binnen 150 dagen na de datum van indiening van de aanvraag om de produkten onder controle te plaatsen .
Ten slotte bepaalde artikel 22, lid 1, van verordening nr . 2192/82, steeds in de versie die gold ten tijde van de aan de onderhavige zaak ten grondslag liggende feiten, dat de in artikel 5, lid 1, van verordening nr . 2036/82 bedoelde steunaanvraag moest worden ingediend uiterlijk op de eerste werkdag die volgt op de dag van indiening van de aanvraag om de produkten onder controle te plaatsen .
5 . Met de onderhavige prejudiciële verzoeken vraagt de verwijzende rechter het Hof in wezen de aard te preciseren van de verplichtingen die zijn neergelegd in artikel 18, lid 1, en in artikel 22, lid 1, van verordening nr . 2192/88, zoals gewijzigd bij verordening nr . 3322/82 .
Meer bepaald vraagt het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main in zaak 357/88, of de inachtneming van de termijn voor kennisgeving van de aankomst van de produkten op het bedrijf overeenkomstig artikel 18, lid 1, een voorwaarde voor toekenning van de steun is, terwijl de verwijzende rechter in zaak 358/88 vraagt, of de termijn voor indiening van de steunaanvraag overeenkomstig artikel 22, lid 1, een fatale termijn is .
6 . Ik zal eerst deze laatste vraag beantwoorden, door erop te wijzen dat het fatale karakter van de in artikel 22, lid 1, gestelde termijn voldoende duidelijk uit de algemene context van de betrokken regeling blijkt .
In de eerste plaats moet worden opgemerkt, dat de gebruiker eerst bij het indienen van de steunaanvraag preciseert, of hij de in artikel 3, lid 1 ( gebruik bij de vervaardiging van diervoeding ) dan wel de in artikel 3, lid 3 ( gebruik voor menselijke consumptie ) van verordening nr . 1431/82 bedoelde steun verlangt ( zie artikel 22, lid 3, van verordening nr . 2192/82 ).
Bovendien is het bedrag van de toe te kennen steun het bedrag dat geldt op de dag waarop de belanghebbende de aanvraag indient ( zie artikel 6, lid 1, van verordening nr . 2036/82 ).
Aanvaarden dat de gestelde termijn een zuivere termijn van orde is, zou dus betekenen dat men aanneemt dat de wetgever de handelaren de mogelijkheid heeft willen bieden een afwachtende houding aan te nemen om eventueel te kunnen profiteren van een evolutie van de prijzen en zo een grotere winst te behalen, hetgeen duidelijk indruist tegen de met de betrokken regeling nagestreefde doelen, erin bestaande de produktie van erwten, tuin - en veldbonen te stimuleren en niet bepaalde handelaren te bevoordelen . ( 5 )
Het bijzondere belang dat de wetgever aan de inachtneming van die termijn heeft willen toekennen, blijkt trouwens ook uit de vaststelling dat artikel 23 van verordening nr . 2192/82 zelfs het uur bepaalt waarop de aanvraag uiterlijk moet worden ingediend .
7 . Wat vervolgens de bij artikel 18, lid 1, van verordening nr . 2192/82 opgelegde verplichting betreft om de aankomst van de produkten op het bedrijf onverwijld ter kennis te brengen, zij erop gewezen, dat de niet-nakoming van die verplichting het eveneens onzeker maakt dat artikel 11, lid 2, van verordening nr . 2036/82 van de Raad wordt nageleefd, volgens hetwelk de bepaling van het gewicht van de produkten en het trekken van monsters ter bepaling van de kwaliteit en vochtigheidsgraad van de waar moet kunnen plaatsvinden vanaf het tijdstip waarop de produkten het bedrijf binnenkomen .
Anderzijds begint juist vanaf deze eerste kennisgeving de termijn voor het onder controle plaatsen van de produkten en daarmee de andere termijn voor indiening van de steunaanvraag te lopen .
De inachtneming van de termijn van 150 dagen, waarbinnen de produkten werkelijk moeten worden gebruikt en die loopt vanaf de indiening van de aanvraag om de produkten onder controle te plaatsen, wordt zelf moeilijk controleerbaar wanneer geen absolute zekerheid bestaat omtrent het eerste referentiepunt, dat juist dat van de kennisgeving van de aankomst van de produkten op het bedrijf is .
8 . Met andere woorden, in een stelsel als dat van de betrokken regeling, dat ertoe strekt, middels een gearticuleerd stelsel van controles het juiste gebruik van de voorziene steun te verzekeren, kan niet worden aanvaard dat de vastgestelde termijnen enkel termijnen van orde zijn, aangezien de niet-inachtneming ervan de gehele procedure de nodige onbuigzaamheid ontneemt, hetgeen niet enkel uit het oogpunt van goed administratief beheer, maar ook voor de doeltreffendheid van de controles en de vaststelling van het toe te kennen steunbedrag, ernstige gevolgen heeft .
9 . Het komt mij ook niet voor, dat een dergelijke uitlegging van de betrokken bepalingen in strijd is met het evenredigheidsbeginsel zoals het Hof het herhaaldelijk heeft geponeerd, of dat aldus aan de Commissie wordt toegestaan, aanvullende voorwaarden voor het verkrijgen van de steun te stellen en aldus de haar verleende bevoegdheden te buiten te gaan .
10 . Wat het eerste punt betreft, blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat, ten einde vast te stellen of een bepaling van gemeenschapsrecht in overeenstemming is met het evenredigheidsbeginsel, moet worden onderzocht of de daarin gebruikte middelen geschikt zijn om het gestelde doel te bereiken en niet verder gaan dan daartoe noodzakelijk is . ( 6 )
Uit wat is gezegd blijkt echter voldoende duidelijk, dat het verlies van het recht op steun als sanctie voor de niet-nakoming van de bij de betrokken bepalingen opgelegde verplichtingen, voor de geadministreerden geen onevenredig offer vormt, aangezien, zoals hierboven toegelicht, de strikte nakoming van die verplichtingen noodzakelijk is om de goede werking van de door de gemeenschapsinstellingen ingevoerde steunregeling te verzekeren .
Voorts dient, met name onder verwijzing naar het bepaalde in artikel 22, lid 1, van verordening nr . 2192/82, te worden overwogen, dat wel beschouwd verval van recht door te late indiening van een aanvraag veelal het normale gevolg is van het overschrijden van een dwingende termijn, en niet een sanctie . ( 7 )
11 . Aangaande het andere argument van verzoekster in het hoofdgeding, volgens hetwelk men, door te aanvaarden dat de aangegeven termijnen zijn vastgesteld op straffe van verval van recht, de Commissie de mogelijkheid zou bieden om - middels een verordening houdende uitvoeringsmodaliteiten - aanvullende voorwaarden voor toekenning van de steun te stellen naast die voorzien in 's Raads verordening nr . 2036/82, kan echter worden volstaan met op te merken dat, zoals blijkt uit 's Hofs rechtspraak, wanneer de Commissie haar uitvoeringsbevoegdheden in het kader van een landbouwmarkt uitoefent, zij het recht heeft om alle maatregelen te treffen die nodig of doelmatig zijn voor de uitvoering van de basisverordening, voor zover zij niet in strijd zijn met de basisverordening of de toepassingsvoorschriften van de Raad . ( 8 )
In casu lijkt het echter duidelijk, dat de vaststelling van een termijn voor de indiening van de steunaanvraag, zowel als de verplichting om de bevoegde instantie tijdig van de aankomst van de produkten op het bedrijf in kennis te stellen, voor zover zij zijn ingegeven door het vereiste, de goede werking van de steunregeling te verzekeren, niet in strijd zijn met de door de Raad vastgestelde basisvoorschriften .
12 . Gelet op het voorgaande geef ik concluderend het Hof in overweging, de twee vragen van het Verwaltungsgericht Frankfurt am Main aldus te beantwoorden, dat de inachtneming van de bij artikel 18, lid 1, van verordening nr . 2192/82 bepaalde termijn om de bevoegde instantie in kennis te stellen van de aankomst van het produkt op het bedrijf een voorwaarde voor toekenning van de steun is en dat de bij artikel 22, lid 1, van diezelfde verordening bepaalde termijn om de steunaanvraag in te dienen een fatale termijn is .
(*) Oorspronkelijke taal : Italiaans .
( 1 ) PB 1982, L 233, blz . 5 .
( 2 ) PB 1982, L 351, blz . 27 .
( 3 ) PB 1982, L 162, blz . 28 .
( 4 ) PB 1982, L 219, blz . 1 .
( 5 ) Zie de eerste overweging van de considerans van verordening ( EEG ) nr . 1431/82 .
( 6 ) Zie laatstelijk onder meer arresten van 30 juni 1987 ( zaak 47/86, Roquette Frères, Jurispr . 1987, blz . 2889, r.o . 19 ) en 14 januari 1987 ( zaak 291/84, Zuckerfabrik Bedburg, Jurispr . 1987, blz . 49, r.o . 36 ).
( 7 ) Zie arrest van 22 januari 1986 ( zaak 266/84, Denkavit France, Jurispr . 1986, blz . 149, r.o . 21 ).
( 8 ) Zie met name arresten van 18 januari 1990 ( zaak 345/88, Butter-Absatz, Jurispr . 1990, blz . I-159 ); 14 februari 1989 ( zaak 13/88, Knoeckel, Jurispr . 1989, blz . 337 ); 18 oktober 1988 ( zaak 121/87, Bayernwald Fruechteverwertung, Jurispr . 1988, blz . 6273 ) en 15 mei 1984 ( zaak 121/83, Zuckerfabrik Franken, Jurispr . 1984, blz . 2039 ).
Full & Egal Universal Law Academy