Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Vrij verkeer van personen - Vrijheid van vestiging - Verdragsbepalingen - Niet-toepasselijkheid in volledig binnen interne sfeer van Lid-Staat liggende situatie
( EEG-Verdrag, artikel 52 )
Samenvatting
De bepalingen van het Verdrag betreffende de vrijheid van vestiging zijn niet van toepassing op situaties die volledig in de interne sfeer van een Lid-Staat liggen, zoals die van onderdanen van een Lid-Staat die op diens grondgebied als zelfstandige een beroep uitoefenen waarvoor zij niet in een andere Lid-Staat zijn opgeleid en dat zij eerder niet in een andere Lid-Staat hebben uitgeoefend .
Partijen
In de gevoegde zaken C-54/88, C-91/88 en C-14/89,
betreffende verzoeken aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de pretura di Conegliano ( zaak C-54/88 ), de pretura di Prato ( zaak C-91/88 ) en de pretura di Pisa ( zaak C-14/89 ), in de aldaar dienende strafzaken tegen
E . Nino ( zaak C-54/88 ),
R . Prandini en B . Goti ( zaak C-91/88 )
en
P . C . Pierini ( zaak C-14/89 ),
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 5, 52 en 57 EEG-Verdrag en van het Algemeen programma voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging van 18 december 1961 ( PB 1962, blz . 36 ),
geeft
HET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste Kamer ),
samengesteld als volgt : Sir Gordon Slynn, kamerpresident, R . Joliet en G . C . Rodríguez Iglesias, rechters,
advocaat-generaal : M . Darmon
griffier : D . Louterman, hoofdadministrateur
gelet op de opmerkingen, ingediend door :
- verdachten in de hoofdgedingen, vertegenwoordigd door G . Rosapepe, advocaat te Rome,
- de Italiaanse Republiek, vertegenwoordigd door O . Fiumara, avvocato dello Stato, als gemachtigde,
- het Koninkrijk België, vertegenwoordigd door J . P . Dercq, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door G . Berardis, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de mondelinge opmerkingen van verdachten in de hoofdgedingen, de Italiaanse Republiek en de Commissie ter terechtzitting van 6 februari 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 maart 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikkingen van 8 februari 1988 ( zaak C-54/88, Nino ), 9 maart 1988 ( zaak C-91/88, Prandini en Goti ) en 6 december 1988 ( zaak C-14/89, Pierini ), ingekomen ter griffie van het Hof op respectievelijk 19 februari en 16 maart 1988 en 19 januari 1989, hebben de pretore di Conegliano, de pretore di Prato en de pretore di Pisa krachtens artikel 177 EEG-Verdrag elk drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 5, 52 en 57 EEG-Verdrag en van het Algemeen programma voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging van 18 december 1961 ( PB 1962, blz . 36 ), met het oog op de vraag of een Italiaanse wettelijke bepaling die het onbevoegd uitoefenen van het beroep van arts verbiedt, verenigbaar is met het gemeenschapsrecht .
2 Deze vragen zijn gerezen in drie strafzaken, respectievelijk tegen E . Nino, R . Prandini en B . Goti, en P . C . Pierini, allen van Italiaanse nationaliteit en lid van de Associazione italiana flussoterapeuti e pranoterapeuti, die, zonder bevoegd arts te zijn, biotherapeutische en pranotherapeutische behandelingen hadden verricht .
3 Artikel 348 van het Italiaanse strafwetboek stelt als misdrijf strafbaar het onbevoegd uitoefenen van een beroep wanneer voor dat beroep een bevoegdverklaring van staatswege vereist is . Blijkens de dossiers mogen biotherapeutische en pranotherapeutische behandelingen in Italië uitsluitend door artsen worden verricht en is daarvoor derhalve een bijzondere bevoegdverklaring vereist .
4 Op 24 juni 1986 werd tegen Nino strafvervolging ingesteld ter zake van overtreding van artikel 348 van het Italiaanse strafwetboek : onbevoegde uitoefening van het beroep van arts door het verrichten van biotherapeutische en pranotherapeutische behandelingen . Tegen Prandini, Goti en Pierini is op 3 juni 1986 strafvervolging ingesteld ter zake van hetzelfde feit .
5 Voor de pretore stelden de verdachten, dat genoemde strafbepaling onverenigbaar was met het beginsel van vrijheid van vestiging . De kennisnemende rechters hebben daarop de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de navolgende prejudiciële vragen gesteld :
" 1 ) Verplicht artikel 52 van het Verdrag, uitgelegd in samenhang met artikel 57 en gelet op het feit dat het rechtstreekse werking heeft in de rechtsordes van de Lid-Staten, de Lid-Staten en derhalve ook de Italiaanse regering tot het vaststellen van de rechtsvoorschriften die noodzakelijk worden verondersteld bij de uitvaardiging van de in het Verdrag bedoelde richtlijnen ter zake van de vrijheid van vestiging, en is de Italiaanse regering door zulks niet te doen, de krachtens artikel 5 van het Verdrag op haar rustende verplichtingen niet nagekomen?
2 ) Kan een Lid-Staat die paramedische beroepen zoals biotherapie op generlei wijze heeft geregeld, een gemeenschapsonderdaan die het beroep van biotherapeut in andere Lid-Staten zou mogen uitoefenen, een strafsanctie opleggen voor handelingen ( behandeling volgens biotherapeutische methoden ) die door de wet onder strafbedreiging worden gesteld, wanneer die activiteit niet is toegelaten om de enkele reden dat de Lid-Staat ze niet heeft geregeld of voorzien?
3 ) Kan de Raad, bij gebreke van de door hem krachtens artikel 57 van het Verdrag vast te stellen richtlijnen, op basis van titel 5 van het Algemeen programma voor de opheffing van de beperkingen van de vrijheid van vestiging, het ontbreken van de richtlijnen verhelpen door bepalingen vast te stellen die erop gericht zijn, de uitoefening van de in dit verzoek om uitlegging aan de orde zijnde paramedische beroepen te cooerdineren?"
6 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van de hoofdgedingen, de relevante communautaire en nationale bepalingen, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
7 Vooraf zij opgemerkt, dat richtlijn 75/362/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de onderlinge erkenning van de diploma' s, certificaten en andere titels van de arts, tevens houdende maatregelen tot vergemakkelijking van de daadwerkelijke uitoefening van het recht van vestiging en vrij verrichten van diensten ( PB 1975, L 167, blz . 1 ), alsook richtlijn 75/363/EEG van de Raad van 16 juni 1975 inzake de cooerdinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende de werkzaamheden van de arts ( PB 1975, L 167, blz . 14 ), enkel bepalingen betreffende het beroep van arts bevat . Er bestaat geen gemeenschapsregeling met betrekking tot de uitoefening van paramedische beroepen als waarom het in de hoofdgedingen gaat .
8 Verdachten betogen dat de nationale strafbepaling die zij zouden hebben overtreden, onverenigbaar is met het beginsel van de vrijheid van vestiging . De daadwerkelijke uitoefening van die vrijheid, zoals voorzien in artikel 52 van het Verdrag, zou aan een gemeenschapsonderdaan niet mogen worden geweigerd om de enkele reden dat de in artikel 57 bedoelde richtlijnen voor een bepaald beroep nog niet zijn vastgesteld . Mede gelet op het feit dat zij in bepaalde Lid-Staten hun beroep wel mogen uitoefenen zonder bevoegd arts te zijn, zou de tegen hen ingestelde strafvervolging derhalve in strijd zijn met het beginsel van de vrijheid van vestiging .
9 De Italiaanse regering, daarin ondersteund door de Commissie, betoogt daarentegen, dat de zaken geen enkele aanknoping met het gemeenschapsrecht laten zien en dat bijgevolg geen enkele vraag van gemeenschapsrecht kan rijzen . Subsidiair meent de Italiaanse regering - op dit punt ondersteund door de Belgische regering -, dat artikel 52 juncto artikel 57 van het Verdrag de Lid-Staten geenszins verplicht, de uitoefening van iedere beroepsactiviteit te reglementeren .
10 Blijkens de dossiers zijn alle verdachten personen van Italiaanse nationaliteit, die in Italië wonen en hun kwalificatie als biotherapeut en pranotherapeut in Italië hebben verworven, en worden zij vervolgd op de grondslag van artikel 348 van het Italiaanse strafwetboek ter zake van behandelingen die zij uitsluitend in Italië hebben verricht . Uit al deze gegevens blijkt, dat het in die zaken gaat om situaties die volledig binnen de interne sfeer van een Lid-Staat liggen .
11 Gelijk het Hof heeft gepreciseerd in zijn arrest van 20 april 1988 ( zaak 204/87, Bekaert, Jurispr . 1988, blz . 2029 ), heeft de omstandigheid dat in een bepaald geval de zaak in geen enkel opzicht buiten het nationale kader treedt, met betrekking tot de vrijheid van vestiging tot gevolg, dat het gemeenschapsrecht niet van toepassing is .
12 Mitsdien moet op de door de pretori di Conegliano, Prato en Pisa gestelde vragen worden geantwoord, dat de bepalingen van het EEG-Verdrag betreffende de vrijheid van vestiging niet van toepassing zijn op situaties die volledig binnen de interne sfeer van een Lid-Staat liggen, zoals die van onderdanen van een Lid-Staat, die op diens grondgebied als zelfstandige een beroep uitoefenen waarvoor zij niet in een andere Lid-Staat zijn opgeleid en dat zij eerder niet in een andere Lid-Staat hebben uitgeoefend .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
13 De kosten door de Italiaanse en de Belgische regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechters over de kosten hebben te beslissen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste Kamer ),
uitspraak doende op de vragen door de pretori di Conegliano, Prato en Pisa bij beschikking van respectievelijk 8 februari, 9 maart en 6 december 1988 gesteld, verklaart voor recht :
De bepalingen van het EEG-Verdrag betreffende de vrijheid van vestiging zijn niet van toepassing op situaties die volledig in de interne sfeer van een Lid-Staat liggen, zoals die van onderdanen van een Lid-Staat, die op diens grondgebied als zelfstandige een beroep uitoefenen waarvoor zij niet in een andere Lid-Staat zijn opgeleid en dat zij eerder niet in een andere Lid-Staat hebben uitgeoefend .
Full & Egal Universal Law Academy