Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1 . Harmonisatie van wetgevingen - Bestrijdingsmiddelen - Richtlijn 79/117 - Invloed op toepassing van nationale wettelijke regeling op niet onder richtlijn vallende produkten - Geen
( Richtlijn 79/117 van de Raad )
2 . Vrij verkeer van goederen - Kwantitatieve beperkingen - Maatregelen van gelijke werking - Afwijkingen - Bescherming van volksgezondheid - Verbod op handel in en gebruik van niet-toegelaten bestrijdingsmiddel - Toelaatbaarheid in verband met bepalingen van Verdrag en overeenkomst tussen EEG en Zweden
( EEG-Verdrag, artikelen 30 en 36; overeenkomst EEG-Zweden, artikelen 13, lid 1, en 20 )
Samenvatting
1 . De rechter van een Lid-Staat is niet gehouden een nationale wettelijke regeling betreffende de handel in en het gebruik van bestrijdingsmiddelen uit te leggen in het licht van de bewoordingen en het doel van richtlijn 79/117, wanneer hij die regeling toepast op produkten die niet een of meer van de in de bijlage bij de richtlijn genoemde actieve stoffen bevatten en daardoor buiten de werkingssfeer van de richtlijn vallen, die niet voorziet in een volledige harmonisatie van de nationale wettelijke regelingen .
2 . Bij gebreke van een volledige harmonisatie van de betrokken materie op communautair niveau, staan de artikelen 30 en 36 er evenmin als de artikelen 13, lid 1, en 20 van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Zweden aan in de weg, dat een nationale wet onder strafbedreiging verbiedt om een niet ingevolge die wet toegelaten bestrijdingsmiddel te verkopen, voorhanden of in voorraad te hebben of te gebruiken .
Partijen
In zaak 125/88,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Gerechtshof te 's-Gravenhage, in de aldaar dienende strafzaak tegen
H . F . M . Nijman, te Leidschendam,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van richtlijn 79/117/EEG van de Raad van 21 december 1978 houdende verbod van het op de markt brengen en het gebruik van bestrijdingsmiddelen bevattende bepaalde actieve stoffen ( PB 1979, L 33, blz . 36 ), van de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag, en van de communautaire handelspolitieke regelingen,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Derde kamer ),
samengesteld als volgt : M . Zuleeg, kamerpresident, J . C . Moitinho de Almeida en F . Grévisse, rechters,
advocaat-generaal : M . Darmon
griffier : H . A . Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de opmerkingen ingediend door :
- H . F . M . Nijman, vertegenwoordigd door J . C . M . Montijn-Swinkels en O . Z . van Sandick, advocaten te 's-Gravenhage,
- de regering van het Koninkrijk der Nederlanden, vertegenwoordigd door H . J . Heinemann en M . A . Fierstra als gemachtigden,
- de regering van de Bondsrepubliek Duitsland, vertegenwoordigd door G . Rambow als gemachtigde,
- de regering van het Koninkrijk België, vertegenwoordigd door A . Reyn als gemachtigde,
- de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J . A . Gensmantel als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R . Barents, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 23 mei 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 juni 1989,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 29 januari 1988, ingekomen ten Hove op 25 april daaraanvolgend, heeft het Gerechtshof te 's-Gravenhage krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van richtlijn 79/117/EEG van de Raad van 21 december 1978 houdende verbod van het op de markt brengen en het gebruik van bestrijdingsmiddelen bevattende bepaalde actieve stoffen ( PB 1979, L 33, blz . 36 ), van de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag, en van de ter zake toepasselijke communautaire handelspolitieke regelingen .
2 Deze vragen zijn gerezen in een strafzaak waarin H . Nijman terechtstaat wegens overtreding van de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 . Volgens artikel 2 van die wet is het verboden een bestrijdingsmiddel te verkopen, voorhanden of in voorraad te hebben of te gebruiken, waarvan niet blijkt, dat het ingevolge die wet is toegelaten .
3 In de nationale procedure wordt door Nijman betwist, dat het middel Improsol, dat geheel of goeddeels uit Zweden wordt ingevoerd, als bestrijdingsmiddel in de zin van de Bestrijdingsmiddelenwet is aan te merken . Het Gerechtshof is van mening, dat bij het vaststellen of een bepaalde stof of mengsel van stoffen een bestrijdingsmiddel in de zin van genoemde wet is, mede gelet moet worden op richtlijn 79/117/EEG . Het heeft daarom de behandeling van de zaak geschorst en het Hof de volgende prejudiciële vragen gesteld :
" Gegeven de huidige stand van het gemeenschapsrecht, zoals deze met name blijkt uit richtlijn 79/117/EEG van de Raad houdende verbod van het op de markt brengen en het gebruik van bestrijdingsmiddelen bevattende bepaalde actieve stoffen,
1 ) Is de nationale rechter gehouden de maatgevende begrippen genoemd in een nationale wet houdende vaststelling van regelen met betrekking tot de handel in en het gebruik van bestrijdingsmiddelen ( zoals de Bestrijdingsmiddelenwet 1962 ), welke wet geacht moet worden uitvoering te hebben gegeven aan onder meer genoemde richtlijn 79/117/EEG, niettegenstaande een mogelijk afwijkende omschrijving zodanig uit te leggen en toe te passen dat deze begrippen naar inhoud en strekking volledig overeenkomen met die, welke in de richtlijn worden omschreven?
2 ) Op welke factoren en omstandigheden dient een nationale rechter acht te slaan om vast te stellen of en in hoeverre een nationale wet, als hierboven onder vraag 1 bedoeld, welke uitgaat van een strafrechtelijk gesanctioneerd verbod om een bestrijdingsmiddel te verkopen, voorhanden of in voorraad te hebben of te gebruiken, waarvan niet blijkt dat het ingevolge deze wet is toegelaten,
a ) een handelsbelemmering vormt, waardoor de totstandkoming en de werking van de gemeenschappelijke markt rechtstreeks wordt beïnvloed, als bedoeld in de richtlijn;
b ) al dan niet op de juiste en volledige wijze uitvoering, in de zin van artikel 189 van het EEG-Verdrag, heeft gegeven aan richtlijn 79/117/EEG, en
c ) in overeenstemming dan wel in strijd is met de overige, relevante bepalingen van gemeenschapsrecht, met name met artikel 30 van het EEG-Verdrag en eventuele, communautaire handelspolitieke regelingen met rechtstreekse werking, in het kader van het derde deel, titel II, hoofdstuk 3, van het EEG-Verdrag vastgesteld?"
4 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, de relevante gemeenschapsrechtelijke bepalingen, het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
De eerste vraag
5 Gelet op de feiten van het hoofdgeding moet de eerste vraag aldus worden begrepen, dat zij ertoe strekt te vernemen, in hoeverre de nationale rechter rekening moet houden met richtlijn 79/117/EEG bij de uitlegging van een nationale wet tot regeling van de handel in en het gebruik van bestrijdingsmiddelen .
6 Gelijk het Hof preciseerde in zijn arrest van 10 april 1984 ( zaak 14/83, Von Colson, Jurispr . 1984, blz . 1891, r.o . 26 ), geldt de uit een richtlijn voortvloeiende verplichting der Lid-Staten om het daarmee beoogde doel te verwezenlijken, alsook de verplichting der Lid-Staten krachtens artikel 5 EEG-Verdrag, om alle algemene of bijzondere maatregelen te treffen die geschikt zijn om de nakoming van die verplichting te verzekeren, voor alle met overheidsgezag beklede instanties in de Lid-Staten, en dus, binnen het kader van hun bevoegdheden, ook voor de rechterlijke instanties . Daaruit volgt, dat de nationale rechter bij de toepassing van nationaal recht, dit nationale recht moet uitleggen in het licht van de bewoordingen en het doel van de richtlijn, ten einde het in artikel 189, derde alinea, EEG-Verdrag bedoelde resultaat te bereiken .
7 Het in richtlijn 79/117/EEG neergelegde verbod om bestrijdingsmiddelen die bepaalde actieve stoffen bevatten, op de markt te brengen en te gebruiken, geldt volgens artikel 3 van die richtlijn echter uitsluitend voor de in de bijlage bij de richtlijn vermelde produkten . Richtlijn 79/117/EEG beoogt dus geen volledige harmonisatie van de nationale wettelijke regelingen inzake het op de markt brengen en het gebruik van bestrijdingsmiddelen .
8 Bijgevolg moet op de eerste prejudiciële vraag worden geantwoord dat de rechter van een Lid-Staat, voor de toepassing van een nationale wettelijke regeling betreffende de handel in en het gebruik van bestrijdingsmiddelen op produkten die niet een of meer van de in de bijlage bij richtlijn 79/117/EEG genoemde actieve stoffen bevatten, niet gehouden is, die wettelijke regeling uit te leggen in het licht van de bewoordingen en het doel van die richtlijn .
De tweede vraag
9 Met zijn tweede vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of een nationale wet die onder strafbedreiging verbiedt om een niet ingevolge die wet toegelaten bestrijdingsmiddel te verkopen, voorhanden of in voorraad te hebben of te gebruiken, verenigbaar is met richtlijn 79/117/EEG, de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag en de communautaire handelspolitieke regelingen .
10 Aangaande de verenigbaarheid van de nationale wettelijke regeling met richtlijn 79/117/EEG moet worden opgemerkt dat, zoals blijkt uit het antwoord op de eerste vraag, het toepassingsgebied van richtlijn 79/117/EEG beperkt is tot bestrijdingsmiddelen die in de bijlage bij de richtlijn vermelde actieve stoffen bevatten . In casu heeft de nationale rechter vastgesteld, dat de stoffen waaruit Improsol is opgebouwd, in bedoelde bijlage niet voorkomen . De vraag of de nationale wet verenigbaar is met de richtlijn, doet zich dus niet voor . Onder deze omstandigheden behoeft het eerste onderdeel van de tweede vraag geen beantwoording .
11 Ten aanzien van de verenigbaarheid van de nationale wettelijke regeling met de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag, moet er vooraf aan worden herinnerd, dat die bepalingen zonder onderscheid van toepassing zijn op produkten van oorsprong uit de Gemeenschap en op produkten die, ongeacht hun eerste oorsprong, in een der Lid-Staten in het vrije verkeer zijn gebracht . Onder dit voorbehoud zijn de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag dus ten aanzien van het middel Improsol van toepassing .
12 In casu moet worden vastgesteld, dat het strafrechtelijk gesanctioneerde verbod om een niet ingevolge een nationale wet toegelaten bestrijdingsmiddel te verkopen, voorhanden of in voorraad te hebben of te gebruiken, een ongunstige invloed heeft op de importen uit andere Lid-Staten, waar hetzelfde middel geheel of gedeeltelijk is toegelaten, en daarmee de intracommunautaire handel belemmert . Een dergelijke wettelijke regeling is derhalve een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking .
13 Zoals het Hof reeds eerder heeft overwogen ten aanzien van pesticiden ( zie de arresten van 19 september 1984, zaak 94/83, Heijn, Jurispr . 1984, blz . 3263, r.o . 13, en 13 maart 1986, zaak 54/85, Mirepoix, Jurispr . 1986, blz . 1067, r.o . 13 ), staat het echter vast dat bestrijdingsmiddelen aanzienlijke risico' s voor de gezondheid van mens en dier en voor het milieu kunnen opleveren . Dat wordt overigens erkend in de vierde overweging van richtlijn 79/117/EEG van de Raad, volgens welke "de toepassing van deze bestrijdingsmiddelen niet alleen gunstige gevolgen heeft voor de teelt van gewassen ... aangezien de bestrijdingsmiddelen over het algemeen uit giftige stoffen of preparaten met gevaarlijke werking bestaan ".
14 Waar een volledige harmonisatie op dit gebied ontbreekt, zijn de Lid-Staten derhalve op grond van artikel 36 EEG-Verdrag bevoegd om te beslissen, in welke mate zij de gezondheid en het leven van de mens willen beschermen, met dien verstande evenwel dat daarbij rekening moet worden gehouden met de door het Verdrag, met name door artikel 36, laatste volzin, gestelde eisen inzake het vrije verkeer van goederen .
15 Op het tweede onderdeel van de tweede vraag moet derhalve worden geantwoord dat, bij gebreke van een volledige harmonisatie van de betrokken materie op communautair niveau, de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag er niet aan in de weg staan, dat een nationale wet onder strafbedreiging verbiedt om een niet ingevolge die wet toegelaten bestrijdingsmiddel te verkopen, voorhanden of in voorraad te hebben of te gebruiken .
16 Aangaande de verenigbaarheid van een wet als de Bestrijdingsmiddelenwet met de communautaire handelspolitieke regelingen moet ten slotte worden opgemerkt dat, volgens de vaststellingen van de nationale rechter, Improsol geheel of goeddeels uit Zweden wordt ingevoerd . Gelijk de Commissie opmerkt, moet de vraag dus worden geacht betrekking te hebben op de uitlegging van de relevante bepalingen van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Zweden ( PB 1972, L 300, blz . 97 ).
17 Artikel 13, lid 1, van die Overeenkomst bepaalt, dat in het handelsverkeer tussen de Gemeenschap en Zweden geen nieuwe kwantitatieve invoerbeperkingen noch maatregelen van gelijke werking mogen worden ingesteld . Ingevolge artikel 13, lid 2, moesten de kwantitatieve invoerbeperkingen per 1 januari 1973, en de maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve invoerbeperkingen uiterlijk op 1 januari 1975 worden afgeschaft .
18 Volgens artikel 20 vormt de Overeenkomst geen beletsel voor verboden of beperkingen van invoer, uitvoer of doorvoer, die gerechtvaardigd zijn uit hoofde van onder meer de bescherming van de gezondheid en het leven van personen en dieren of het behoud van planten . Deze verboden of beperkingen mogen echter geen middel tot willekeurige discriminatie noch een verkapte beperking van de handel tussen de partijen bij de Overeenkomst vormen .
19 Op het derde onderdeel van de tweede vraag moet derhalve worden geantwoord, dat de artikelen 13, lid 1, en 20 van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Zweden er niet aan in de weg staan, dat een nationale wet onder strafbedreiging verbiedt om een niet ingevolge die wet toegelaten bestrijdingsmiddel te verkopen, voorhanden of in voorraad te hebben of te gebruiken .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
20 De kosten door de regeringen van het Koninkrijk der Nederlanden, de Bondsrepubliek Duitsland, het Koninkrijk België en het Verenigd Koninkrijk alsmede de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Derde kamer ),
uitspraak doende op de door het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij arrest van 29 januari 1988 gestelde vragen, verklaart voor recht :
1 ) Voor de toepassing van een nationale wettelijke regeling betreffende de handel in en het gebruik van bestrijdingsmiddelen op produkten die niet een of meer van de in de bijlage bij richtlijn 79/117/EEG genoemde actieve stoffen bevatten, is de rechter van een Lid-Staat niet gehouden, die wettelijke regeling uit te leggen in het licht van de bewoordingen en het doel van die richtlijn .
2 ) Bij gebreke van een volledige harmonisatie van de betrokken materie op communautair niveau, staan de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag er niet aan in de weg, dat een nationale wet onder strafbedreiging verbiedt om een niet ingevolge die wet toegelaten bestrijdingsmiddel te verkopen, voorhanden of in voorraad te hebben of te gebruiken .
3 ) De artikelen 13, lid 1, en 20 van de vrijhandelsovereenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Zweden staan er niet aan in de weg, dat een nationale wet onder strafbedreiging verbiedt om een niet ingevolge die wet toegelaten bestrijdingsmiddel te verkopen, voorhanden of in voorraad te hebben of te gebruiken .
Full & Egal Universal Law Academy