Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1 . Ambtenaren - Bijstandsverplichting van administratie - Draagwijdte
( Ambtenarenstatuut, artikel 24 )
2 . Ambtenaren - Beroep - Bevoegdheid van Hof - Grenzen
( EEG-Verdrag, artikel 179 )
Samenvatting
1 . De administratie van de Europese Gemeenschappen beschikt weliswaar, onder toezicht van het Hof, over een beoordelingsvrijheid ter zake van de keuze van de maatregelen en middelen om de haar bij artikel 24 van het Statuut opgelegde bijstandsverplichting te vervullen, doch die verplichting klemt bijzonder in het geval van het complexe probleem van de pensioenrechten, daar zij reeds lange tijd op de hoogte is van de redenen van het verzoek van haar ambtenaren om technische en financiële bijstand voor het instellen van ieder beroep tegen een Lid-Staat, dat is gericht op de regeling van het probleem van de overschrijving van onder een pensioenstelsel van die Staat verworven pensioenrechten .
Derhalve moet het besluit van de Commissie tot afwijzing van een dergelijk verzoek worden nietig verklaard .
2 . In het kader van een door een ambtenaar krachtens artikel 179 EEG-Verdrag ingesteld beroep staat het niet aan het Hof om te beoordelen of de Commissie zich naar behoren heeft gekweten van de toezichthoudende taak die haar met name door artikel 155 EEG-Verdrag is opgedragen .
Partijen
In zaak C-137/88,
M . Schneemann en 408 andere ambtenaren van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door J.-N . Louis, advocaat te Brussel, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van Y . Hamilius, advocaat aldaar, 10, boulevard Royal,
verzoekers,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door S . Van Raepenbusch, lid van haar juridische dienst, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van het besluit van de Commissie om verzoekers geen financiële en technische bijstand te verlenen in hun geschil met de Belgische Staat over de overschrijving van onder een Belgisch pensioenstelsel verworven pensioenrechten,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Tweede Kamer ),
samengesteld als volgt : O . Due, president, waarnemend voor de kamerpresident, F . A . Schockweiler, kamerpresident, en G . F . Mancini, rechter,
advocaat-generaal : G . Tesauro
griffier : J.-G . Giraud
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 26 september 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 21 november 1989,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 . Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 16 mei 1988, hebben M . Schneemann, ambtenaar van de Commissie van de Europese Gemeenschappen ( hierna : de Commissie ) en 408 andere ambtenaren van de Commissie krachtens artikel 91 van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen ( hierna : het Statuut ) verzocht om nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 13 juli 1987 tot afwijzing van hun op artikel 90, lid 1, van het Statuut gebaseerde verzoek om "technische en financiële bijstand voor het instellen bij de Belgische hoven en rechtbanken en in voorkomend geval bij het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van ieder beroep dat is gericht op de regeling van het probleem van de overschrijving van onder een Belgisch pensioenstelsel verworven pensioenrechten ".
2 Tot staving van hun beroep voeren verzoekers aan, dat de Commissie met het bestreden besluit artikel 24 van het Statuut alsmede het algemene beginsel van de gelijkheid van de ambtenaren heeft geschonden . Zij verzoeken het Hof, dat besluit nietig te verklaren en de Commissie te gelasten de gevraagde bijstand te verlenen .
3 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, de voorgeschiedenis van het geschil, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
4 Vooraf dient eraan te worden herinnerd, dat het Hof in zijn arrest van 20 oktober 1981 ( zaak 137/80, Commissie/België, Jurispr . 1981, blz . 2393 ) heeft verklaard, dat het Koninkrijk België de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet was nagekomen door te weigeren de nodige maatregelen vast te stellen met het oog op de overschrijving, naar het gemeenschappelijk pensioenstelsel, van de actuariële tegenwaarde of de afkoopsom van de onder het Belgische pensioenstelsel verworven pensioenrechten, overeenkomstig artikel 11, lid 2, van bijlage VIII bij het Statuut . Voorts heeft het Hof in zijn arrest van 3 oktober 1989 ( zaak 383/85, Commissie/België, Jurispr . 1989, blz . 3069 ) verklaard, dat het Koninkrijk België, door geen uitvoering te geven aan het arrest van het Hof van 20 oktober 1981, de krachtens artikel 171 EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet was nagekomen .
5 Met betrekking tot het middel ontleend aan de schending van artikel 24 van het Statuut voeren verzoekers aan, dat de toepassingsvoorwaarden van dit artikel zijn vervuld, en dat, gelet op het verder in gebreke blijven van de Belgische Staat, zij de overschrijving van hun pensioenrechten slechts kunnen verkrijgen door het instellen van een rechtsvordering bij de nationale rechterlijke instanties, die gehouden zijn toepassing te geven aan het Statuut, dat zoals elke verordening rechtstreekse werking heeft in de nationale rechtsorde .
6 De Commissie is van mening, dat de bijstandsverplichting waarin artikel 24 van het Statuut voorziet, een inspanningsverplichting is, en dat zij vrij is in de keuze van de middelen om die bijstandsverplichting na te komen .
7 Voorts stelt de Commissie, dat artikel 24 van het Statuut niet is geschonden . Dienaangaande herinnert zij eraan, dat zij krachtens de artikelen 169 en 171 EEG-Verdrag beroepen heeft ingesteld tegen het Koninkrijk België en zich aldus heeft gekweten van de toezichthoudende taak die haar bij artikel 155 EEG-Verdrag is opgedragen . Verder wijst zij erop, dat zij financiële en technische bijstand heeft verleend aan een gewezen ambtenaar van de Gemeenschappen die bij de Belgische rechterlijke instanties beroepen heeft ingesteld om de overschrijving van zijn pensioenrechten te verkrijgen . Ten slotte betwist zij, dat een uitvoerbare titel van de Belgische rechterlijke instanties het enige middel is om de beoogde overschrijving van pensioenrechten te bewerkstelligen .
8 Allereerst zij opgemerkt, dat in het onderhavige geval aan de toepassingsvoorwaarden van artikel 24 van het Statuut is voldaan, hetgeen door de Commissie overigens niet is weersproken . Het is immers uit hoofde van hun hoedanigheid van ambtenaar, dat verzoekers de door de Belgische autoriteiten steeds weer geweigerde overschrijving van pensioenrechten vragen .
9 Voorts zij erop gewezen dat, al beschikt de administratie van de Europese Gemeenschappen, onder toezicht van het Hof, over een beoordelingsvrijheid ter zake van de keuze van de maatregelen en middelen om haar bijstandsverplichting te vervullen, die verplichting in het onderhavige geval bijzonder klemt, daar de Commissie reeds lange tijd op de hoogte is van de redenen van het verzoek om bijstand en het probleem van de pensioenrechten zeer ingewikkeld is . Hierbij komen namelijk onvermijdelijk actuariële berekeningen kijken, die onmogelijk tot een goed einde kunnen worden gebracht door de individuele ambtenaar, die niet beschikt over de gegevens en de middelen die noodzakelijk zijn om de uitkomst te vinden en, derhalve, om het in aanmerking te nemen resultaat te beoordelen .
10 Met betrekking tot het argument van de Commissie, dat zij de haar bij artikel 155 EEG-Verdrag opgedragen taak heeft vervuld door krachtens de artikelen 169 en 171 EEG-Verdrag beroepen tegen het Koninkrijk België in te stellen, zij erop gewezen, dat het in het kader van een door een ambtenaar krachtens artikel 179 EEG-Verdrag ingesteld beroep niet aan het Hof staat om te beoordelen of de Commissie zich naar behoren heeft gekweten van de toezichthoudende taak die haar met name door artikel 155 EEG-Verdrag is opgedragen ( arrest van 15.3.1984, zaak 28/83, Forcheri, Jurispr . 1984, blz . 1425, r.o . 12 ).
11 Met name aangaande het argument van de Commissie, dat voor de beoordeling van de gegrondheid van het middel ontleend aan schending door de Commissie van artikel 24 van het Statuut rekening moet worden gehouden met de niet-nakomingsprocedures die deze laatste tegen het Koninkrijk België heeft ingesteld, mag niet uit het oog worden verloren, dat volgens het Verdrag het in artikel 169 bedoelde beroep enkel door de Commissie, met uitsluiting van de andere gemeenschapsinstellingen, kan worden ingesteld . Volgt men de redenering van de Commissie, dan krijgt artikel 24 van het Statuut bij identieke verzoeken om bijstand een verschillende inhoud naargelang het verzoek uitgaat van een ambtenaar van de Commissie of van een ambtenaar van een instelling die niet bevoegd is om een beroep krachtens artikel 169 EEG-Verdrag in te stellen . Dit ware onverenigbaar met het beginsel van gelijke behandeling van de ambtenaren en bijgevolg moet dit argument van de Commissie worden verworpen .
12 De Commissie heeft ook gesteld, dat zij aan de haar bij artikel 24 van het Statuut opgelegde bijstandsverplichting heeft voldaan, daar zij reeds financiële en technische bijstand heeft verleend aan een gewezen ambtenaar . Dienaangaande moet erop worden gewezen, dat de uitspraak van de nationale rechterlijke instanties op de vordering van die gewezen ambtenaar waaraan de Commissie bijstand heeft verleend, slechts gevolgen zal hebben voor de partijen in het geding en de andere ambtenaren niet ten goede zal komen . Bovendien kan de actuariële berekening van de pensioenrechten, die in voorkomend geval in het kader van de aan die gewezen ambtenaar verleende bijstand is verricht, niet algemeen en zonder onderscheid worden toegepast op alle personen die aanspraak kunnen maken op overschrijving van hun pensioenrechten . Deze uiterst ingewikkelde berekening, dankzij welke de ambtenaren de opportuniteit van een rechtsvordering kunnen beoordelen, vergt overigens de actieve medewerking van de gespecialiseerde diensten van de gemeenschapsadministratie .
13 Met betrekking tot het argument van de Commissie betreffende de onzekere uitkomst van de rechtsgedingen die verzoekers bij de nationale rechterlijke instanties wensen in te stellen en betreffende de moeilijkheden die verzoekers kunnen ondervinden om voor hen gunstige rechterlijke beslissingen ten uitvoer te leggen, kan worden volstaan met de vaststelling, dat de uit artikel 24 van het Statuut voortvloeiende bijstandsverplichting niet afhankelijk kan worden gesteld van gissingen over het resultaat van eventuele rechtsgedingen . Dienaangaande moet trouwens worden opgemerkt, dat de Commissie een gewezen ambtenaar technische en financiële bijstand heeft verleend zonder dat zij zekerheid had over het resultaat van de actie .
14 Uit het voorgaande volgt, dat geen enkel van de argumenten die de Commissie heeft aangevoerd voor haar weigering om verzoekers technische en financiële bijstand te verlenen, gegrond is en dat het besluit van de Commissie tot afwijzing van het verzoek om bijstand van de Commissie overeenkomstig artikel 24 van het Statuut derhalve moet worden nietig verklaard .
15 Gelet op wat voorafgaat, is het tweede middel van verzoekers zonder voorwerp geraakt .
16 Ten slotte zij erop gewezen, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof ( zie laatstelijk het arrest van 13.12.1989, zaak 100/88, Oyowe en Traore, Jurispr . 1989, blz . 4285 ) het Hof niet bevoegd is om in het kader van de legaliteitscontrole op grond van artikel 91 van het Statuut instructies te geven aan de administratie, en dat volgens artikel 176 EEG-Verdrag voor de administratie slechts verplichtingen kunnen voortvloeien uit de nietigverklaring van een van haar besluiten . Het verzoek aan het Hof om de Commissie te gelasten de gevraagde bijstand te verlenen, is derhalve niet-ontvankelijk .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
17 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen, indien zulks is gevorderd . Aangezien de Commissie in het ongelijk is gesteld, dient zij in de kosten te worden verwezen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Tweede Kamer ),
rechtdoende :
1 ) Verklaart nietig het besluit van de Commissie van 13 juli 1987 tot afwijzing van het verzoek van verzoekers om bijstand van de Commissie overeenkomstig artikel 24 van het Statuut .
2 ) Verwijst de Commissie in de kosten van het geding .
Full & Egal Universal Law Academy