Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Ouderdoms - en overlijdensverzekering - Uitkeringen - Wijziging in wijze van vaststelling - Herberekening - Grenzen - Wijziging niet van toepassing op vóór haar inwerkingtreding vastgestelde pensioenen
( Verordening nr . 1408/71 van de Raad, art . 51, lid 2 )
Samenvatting
Een wijziging in de wijze van vaststelling van de minimum ouderdomsuitkering, voorzien door de wetgeving van een Lid-Staat, valt onder artikel 51, lid 2, van verordening nr . 1408/71 en is aanleiding voor een herberekening overeenkomstig artikel 46 van die verordening .
Een wijziging in de wijze van vaststelling of in de regels voor de berekening van een ouderdomsuitkering, die ingevolge het nationale recht niet van toepassing is op vóór haar inwerkingtreding vastgestelde pensioenen, verplicht de betrokken Lid-Staat evenwel niet tot een herberekening .
Partijen
In zaak 141/88,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Cour de cassation ( Sociale kamer ) van de Franse Republiek, in het aldaar aanhangig geding tussen
Caisse nationale d' assurance vieillesse des travailleurs salariés, région de Paris,
verzoekster,
en
A . Jordan,
verweerder,
in aanwezigheid van Direction régionale des affaires sanitaires et sociales, Poitou-Charentes,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 51 van verordening nr . 1408/71 van de Raad betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen ( hierna : de verordening; in de gecodificeerde versie gevoegd bij verordening nr . 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, PB 1983, L 230, blz . 6 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste kamer ),
samengesteld als volgt : R . Joliet, kamerpresident, Sir Gordon SLynn en G . C . Rodríguez Iglesias, rechters,
advocaat-generaal : W . Van Gerven
griffier : D . Louterman, hoofdadministrateur
gelet op de opmerkingen ingediend door :
- de Caisse nationale d' assurance vieillesse des travailleurs salariés, vertegenwoordigd door haar gedelegeerd directeur A . Tapie, als gemachtigde,
- A . Jordan, vertegenwoordigd door L . Ducros, advocaat te Poitiers,
- de regering van de Franse Republiek, vertegenwoordigd door E . Belliard, als gemachtigde, bijgestaan door C . Chavance, plaatsvervangend gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur D . Gouloussis, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 19 april 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 1 juni 1989,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij arrest van 5 mei 1988, ingekomen ten Hove op 20 mei daaraanvolgend, heeft de Franse Cour de cassation krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 51 van verordening nr . 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale-zekerheidsregelingen op loontrekkenden en hun gezinnen, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen ( zoals gewijzigd en bijgewerkt bij verordening nr . 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, PB 1983, L 230, blz . 6 ).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen A . Jordan, Brits onderdaan, en de Caisse nationale d' assurance vieillesse des travailleurs salariés ( hierna : de Caisse ), een Frans sociale-zekerheidsorgaan .
3 Jordan verrichte arbeid in loondienst in het Verenigd Koninkrijk en daarna in Frankrijk . Per 1 januari 1979 werd hem door elk van beide Lid-Staten een ouderdomspensioen toegekend overeenkomstig artikel 46 van verordening nr . 1408/71 . Dit artikel bepaalt dat, ingeval een werknemer aan de wettelijke regeling van verschillende Lid-Staten onderworpen is geweest, het bevoegde orgaan van elk der Lid-Staten een vergelijking moet maken tussen de uitsluitend op basis van de nationale wettelijke regeling verschuldigde uitkering en de uitkering die het resultaat is van de samentellings - en pro-rataregeling van artikel 46, lid 2 . Alleen het hoogste bedrag wordt aangehouden .
4 Sinds 1979 betwist Jordan het door de Caisse aldus berekende bedrag . Hij stelde met name, recht te hebben op een aanvullende uitkering ten laste van het "fonds national de solidarité" ( hierna : het fonds ). Volgens Jordan geldt die uitkering, een niet op premiebetaling berustende miminumuitkering, in strijd met artikel 50 van verordening nr . 1408/71 slechts voor Franse onderdanen .
5 De Franse sociale zekerheidsregeling werd gewijzigd bij verordening 82-270 van 26 maart 1982 ( JORF van 28.3.1982, blz . 951 ) en wet 83-430 van 31 mei 1983 ( JORF van 1 juni 1983, blz . 1639 ). Daarbij werden de uitkeringen verhoogd, zodat de ouderdomsuitkering op een minimumbedrag kon worden gebracht voor verzekerden die ten minste 150 verzekeringskwartalen konden aantonen, terwijl voor verzekerden met een lager aantal verzekeringskwartalen een pro-rataregeling gold . Die nieuwe uitkering verving voor de ouderdomspensioenen die op 1 april 1983 of later ingingen, zowel de op premiebetaling berustende ouderdomsuitkering als de aanvullende uitkering uit het fonds . Voor de vóór 1 april 1983 ingegane pensioenen bleef de oude regeling van kracht .
6 Bij arrest van 15 februari 1985 besliste de cour d' appel te Poitiers, dat artikel 50 van verordening nr . 1408/71 weliswaar geen recht geeft op een uitkering uit het fonds, doch dat artikel 51, lid 2, van die zelfde verordening verplicht tot herberekening van de uitkering, zodat Jordan aanspraak kan maken op de minimumuitkering krachtens de nieuwe wettelijke regeling . De Caisse is van dat arrest in cassatie gekomen .
7 Van oordeel, dat het geschil een probleem met betrekking tot de uitlegging van verordening ( EEG ) nr . 1408/71, met name artikel 51 daarvan, opwerpt, heeft de Cour de cassation besloten de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof de hiernavolgende prejudiciële vragen voor te leggen :
"1 ) Vallen de wijzigingen die door de wetgever van de bevoegde Staat zijn aangebracht in de wijze van vaststelling van de minimumouderdomsuitkering, onder lid 1 dan wel onder lid 2 van deze bepaling?
2 ) Moet de regel van lid 2 zonder beperking worden toegepast, ondanks de bepaling in de nationale wettelijke regeling van de datum van inwerkingtreding van de wijzigingen in de wijze van vaststelling of in de regels voor de berekening van de uitkeringen, waardoor voordien vastgestelde pensioenen van het toepassingsgebied van die wijzigingen worden uitgesloten?"
8 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
9 Wat de eerste vraag betreft, zij er allereerst aan herinnerd, dat de migrerende werknemer volgens artikel 46, lid 2, van verordening nr . 1408/71 recht heeft op de gunstigste uitkering, hetzij die welke uitsluitend op grond van de nationale wettelijke regeling verschuldigd is, hetzij die welke het resultaat is van de optellings - en pro-rataregeling . Dat recht impliceert in beginsel, dat bij elke wijziging van één van de betrokken uitkeringen, conform artikel 46, lid 1, een nieuwe vergelijking wordt gemaakt tussen de twee regelingen om te bepalen welke uitkering na die wijziging de gunstigste is .
10 Ten einde evenwel de administratieve last te beperken, die een nieuw onderzoek van de situatie van belanghebbende bij elke wijziging in de ontvangen uitkeringen zou meebrengen, sluit artikel 51, lid 1, een herberekening van de uitkeringen uit, wanneer die aanpassingen slechts voortvloeien uit de algemene evolutie van de economische en sociale situatie ( zie het arrest van 2 februari 1982, zaak 7/81, Sinatra, Jurispr . 1982, blz . 137 ). Die uitsluiting betreft echter niet de wijzigingen in de uitkering die het gevolg zijn van een wijziging in de persoonlijke situatie van de belanghebbende of in de voorwaarden voor toekenning van een uitkering . Artikel 51, lid 2, bepaalt, dat bij laatstbedoelde wijzigingen een herberekening overeenkomstig artikel 46 plaatsvindt .
11 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat artikel 51 van verordening nr . 1408/71 aldus moet worden uitgelegd, dat een wijziging in de wijze van vaststelling van de minimumouderdomsuitkering onder lid 2 van deze bepaling valt .
12 De tweede vraag strekt ertoe te vernemen, of een wijziging in de wijze van vaststelling of in de regels voor de berekening van een ouderdomsuitkering, die niet van toepassing is op vóór de datum van haar inwerkingtreding ingegane pensioenen, de betrokken Lid-Staat verplicht tot een herberekening krachtens artikel 51, lid 2, van verordening nr . 1408/71 .
13 Er zij aan herinnerd, dat volgens vaste rechtspraak van het Hof, artikel 51 EEG-Verdrag slechts voorziet in een cooerdinatie van de wettelijke regelingen van de Lid-Staten en de formele verschillen tussen de sociale-zekerheidsregelingen van de Lid-Staten alsmede de verschillen in de rechten van de personen die er werkzaam zijn, onverlet laat ( zie met name het arrest van 18 januari 1986, zaak 41/84, Pinna, Jurispr . 1986, blz . 1 ).
14 Het bepalen van de werking in de tijd van een wijziging in de voorwaarden voor toekenning van een uitkering valt derhalve onder de bevoegdheid van de Lid-Staten . Wanneer de wijziging in de nationale regeling slechts geldt voor de na de datum van haar inwerkingtreding vastgestelde pensioenen, is artikel 51 van verordening nr . 1408/71 niet van toepassing en dient er derhalve geen herberekening overeenkomstig artikel 46 van de verordening plaats te vinden .
15 Zoals de Franse regering opmerkt, creëert die uitlegging van artikel 51 geen door de artikelen 7 en 48 EEG-Verdrag en verordening nr . 1408/71 verboden discriminatie van de werknemers die van hun recht van vrij verkeer gebruik hebben gemaakt . Die werknemers blijven onderworpen aan de oude regeling, net als de werknemers-onderdanen van dezelfde Lid-Staat wier pensioen is ingegaan vóór de inwerkingtreding van de gewijzigde regeling .
16 Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat artikel 51, lid 2, van verordening nr . 1408/71 aldus moet worden uitgelegd, dat een wijziging in de wijze van vaststelling of in de regels voor de berekening van een ouderdomsuitkering, die niet van toepassing is op vóór haar inwerkingtreding ingegane pensioenen, de betrokken Lid-Staat niet tot een herberekening verplicht .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
17 De kosten door de Franse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste kamer ),
uitspraak doende op de door de Franse Cour de cassation bij arrest van 5 mei 1988 gestelde vragen, verklaart voor recht :
1 ) Artikel 51 van verordening nr . 1408/71 moet aldus worden uitgelegd, dat een wijziging in de wijze van vaststelling van de minimum ouderdomsuitkering onder lid 2 van deze bepaling valt .
2 ) Artikel 51, lid 2, van verordening nr . 1408/71 moet aldus worden uitgelegd, dat een wijziging in de wijze van vaststelling of in de regels voor de berekening van een ouderdomsuitkering, die niet van toepassing is op vóór haar inwerkingtreding ingegane pensioenen, de betrokken Lid-Staat niet tot een herberekening verplicht .
Full & Egal Universal Law Academy