Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Vrij verkeer van goederen - Kwantitatieve beperkingen - Maatregelen van gelijke werking - Regeling die opening van winkels op zondag verbiedt - Toelaatbaarheid - Voorwaarde
( EEG-Verdrag, artikel 30 )
Samenvatting
Artikel 30 EEG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat het daarin vervatte verbod niet geldt voor een nationale regeling die detailhandelaren verbiedt, hun winkels op zondag te openen, wanneer de eventuele invloed op de intracommunautaire handel niet beperkender is dan in het kader van een dergelijke regeling is beoogd .
Nationale regelingen betreffende de openingstijden van winkels, die zonder onderscheid van toepassing zijn op nationale en ingevoerde produkten, streven een doel na dat naar gemeenschapsrecht gerechtvaardigd is . Zij vormen immers de neerslag van bepaalde politieke en economische keuzes, daar zij een verdeling van de arbeids - en rusttijden beogen te verzekeren die aansluit bij de nationale of regionale socio-culturele behoeften, en hebben niet tot doel, de handelsstromen tussen de Lid-Staten te beheersen .
Partijen
In zaak C-145/88,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Magistrates' Court te Cwmbran ( Verenigd Koninkrijk ), in het aldaar aanhangig geding tussen
Torfaen Borough Council
en
B & Q plc, voorheen B&Q ( Retail ) Limited, te Gwent,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Zesde kamer ),
samengesteld als volgt : C . N . Kakouris, kamerpresident, F . A . Schockweiler, T . Koopmans, G . F . Mancini en M . Díez de Velasco, rechters,
advocaat-generaal : W . Van Gerven
griffier : D . Louterman, administrateur
gelet op de opmerkingen van :
- de vervolgende instantie in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door D . Robinson, Solicitor van Torfaen Borough Council,
- verdachte in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door D . Vaughan, QC, G . Barling, Barrister, en A . Askham, Solicitor,
- het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door S . J . Hay van het Treasury Solicitor' s Department,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door E . L . White, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 23 mei 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 29 juni 1989,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij beschikking van 25 april 1988, ingekomen bij het Hof op 24 mei 1988, heeft de Magistrates' Court te Cwmbran ( Verenigd Koninkrijk ) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van de artikelen 30 en 36 EEG-Verdrag, om te kunnen beoordelen of met deze bepalingen verenigbaar is een nationale regeling die de handel op zondag verbiedt .
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen de Torfaen Borough Council ( hierna : de Council ) en B & Q plc (( voorheen B & Q ( Retail ) Limited )) ( hierna : B & Q ), een exploitant van doe-het-zelfwinkels en tuincentra .
3 De Council beschuldigt B & Q van overtreding van section 47 en section 59 van de Britse Shops Act 1950, door haar winkel op zondag voor klanten open te houden voor andere transacties dan vermeld in de vijfde bijlage bij de Shops Act . B & Q kan op grond hiervan worden bestraft met een boete van maximaal 1 000 UKL .
4 De vijfde bijlage bij de Shops Act somt de artikelen op die, in afwijking van de hoofdregel, op zondag in winkels mogen worden verkocht . Dit zijn onder meer alcoholhoudende dranken, bepaalde levensmiddelen, tabak, kranten en andere produkten voor dagelijkse consumptie .
5 Voor de nationale rechter stelde B & Q, dat section 47 van de Shops Act 1950 een maatregel van gelijke werking was als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag en dat die maatregel niet werd gerechtvaardigd door artikel 36 EEG-Verdrag of door enige "dringende behoefte ".
6 De Council betwistte, dat het verbod van handel op zondag een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve beperking was met het betoog, dat het gelijkelijk van toepassing was op nationale en ingevoerde produkten en ingevoerde produkten op generlei wijze benadeelde .
7 De nationale rechter stelde vast, dat het verbod van handel op zondag in het onderhavige geval leidde tot een vermindering van B & Q' s totale omzet, dat ongeveer 10% van het assortiment van B & Q afkomstig was uit andere Lid-Staten en dat dit dus moest leiden tot een navenante daling van de invoer uit andere Lid-Staten .
8 Op grond van deze constateringen kwam de nationale rechter tot de conclusie, dat hier vragen rezen over de uitlegging van gemeenschapsrecht . Daarop verzocht hij het Hof om een prejudiciële beslissing over de volgende vragen :
"1 ) Wanneer het in een Lid-Staat verboden is, dat winkels op zondag geopend zijn voor het publiek anders dan voor de verkoop van bepaalde gespecificeerde artikelen, en wanneer dit verbod tot een daling in absolute termen leidt van de verkoop van goederen in die winkels, daaronder begrepen de in andere Lid-Staten vervaardigde goederen, en het zodoende tot een vermindering leidt van het volume van de invoer van goederen uit andere Lid-Staten, moet dit verbod dan worden aangemerkt als een maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag?
2 ) Zo ja : valt een dergelijke maatregel onder de in artikel 36 vervatte afwijkingen van artikel 30 of onder enige andere door het gemeenschapsrecht erkende afwijking?
3 ) Is het voor het antwoord op de eerste of de tweede vraag van belang, of de betrokken maatregel ingevolge bepaalde factoren een middel tot willekeurige discriminatie is of een verkapte beperking van de handel tussen de Lid-Staten, onevenredig is dan wel ongerechtvaardigd om andere redenen?"
9 Voor een nadere uiteenzetting van het rechtskader, de feiten, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hieronder slechts weergegeven voorzover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
Eerste vraag
10 Met de eerste vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of onder het begrip maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperkingen in de zin van artikel 30 EEG-Verdrag ook bepalingen vallen die winkels verbieden om op zondag open te zijn, indien dat verbod leidt tot een daling in absolute termen van de omvang van de goederenverkoop in die zaken, daaronder begrepen de verkoop van uit andere Lid-Staten ingevoerde goederen .
11 Allereerst moet worden opgemerkt, dat een nationale regeling die winkels verbiedt om op zondag open te zijn, zonder onderscheid van toepassing is op ingevoerde en nationale produkten . In beginsel wordt de handel in uit andere Lid-Staten ingevoerde produkten dus niet moeilijker gemaakt dan die in nationale produkten .
12 Voorts zij eraan herinnerd dat het Hof in het arrest van 11 juli 1985 ( gevoegde zaken 60 en 61/84, Cinéthèque, Jurispr . 1985, blz . 2605, 2618 ), naar aanleiding van een verbod tot verhuur van videocassettes dat zonder onderscheid gold voor binnenlandse en ingevoerde produkten, overwoog, dat een dergelijk verbod slechts verenigbaar is met het in het EEG-Verdrag neergelegde beginsel van het vrije verkeer van goederen, indien de daardoor veroorzaakte belemmeringen van het intracommunautaire handelsverkeer niet verder gaan dan ter bereiking van het beoogde doel noodzakelijk is en dit doel naar gemeenschapsrecht gerechtvaardigd is .
13 Dienovereenkomstig moet in een geval als het onderhavige derhalve in de eerste plaats worden nagegaan, of de litigieuze regeling een doel nastreeft dat naar gemeenschapsrecht gerechtvaardigd is . Dienaangaande overwoog het Hof reeds in het arrest van 14 juli 1981 ( zaak 155/80, Oebel, Jurispr . 1981, blz . 1993 ), dat een nationale regeling van de arbeids -, verkoop - en bezorgingstijden in de brood - en banketbakkerijsector de neerslag is van een rechtmatige sociaaleconomische beleidskeuze die in de lijn ligt van de in het Verdrag nagestreefde doelstellingen van algemeen belang .
14 Deze overweging dient ook te gelden voor nationale regelingen betreffende de openingstijden van winkels . Dergelijke regelingen vormen immers de neerslag van bepaalde politieke en economische keuzes, daar zij een verdeling van de arbeids - en rusttijden beogen te verzekeren die aansluit bij de nationale of regionale socio-culturele behoeften; de beoordeling daarvan berust bij de huidige stand van het gemeenschapsrecht bij de Lid-Staten . Bovendien hebben dergelijke regelingen niet tot doel, de handelsstromen tussen de Lid-Staten te beheersen .
15 In de tweede plaats moet worden nagegaan, of de gevolgen van een dergelijke nationale regeling niet verder gaan dan ter bereiking van het beoogde doel noodzakelijk is . Nationale maatregelen die de verhandeling van produkten regelen, vallen immers blijkens artikel 3 van richtlijn 70/50 van de Commissie van 22 december 1969 ( PB 1970, L 13, blz . 29 ) onder het verbod van artikel 30, wanneer hun invloed op het vrije verkeer van goederen beperkender is dan in het kader van een handelsregeling is beoogd .
16 De vraag of de werking van een bepaalde nationale regeling daadwerkelijk binnen dat kader blijft, is een feitelijke vraag die ter beoordeling staat van de nationale rechter .
17 Op de eerste vraag moet derhalve worden geantwoord, dat artikel 30 EEG-Verdrag aldus moet worden uitgelegd, dat het daarin vervatte verbod niet geldt voor een nationale regeling die detailhandelaren verbiedt, hun winkels op zondag te openen, wanneer de eventuele invloed op de intracommunautaire handel niet beperkender is dan in het kader van een dergelijke regeling is beoogd .
Tweede en derde vraag
18 Gelet op het antwoord op de eerste vraag behoeven de tweede en de derde vraag niet te worden beantwoord .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
19 De kosten door het Verenigd Koninkrijk en door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening van hun opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Zesde kamer ),
Uitspraak doende op de door de Magistrates' Court te Cwmbran ( Verenigd Koninkrijk ) bij beschikking van 25 april 1988 gestelde vragen, verklaart voor recht :
Artikel 30 EEG-Verdrag moet aldus worden uitgelegd, dat het daarin vervatte verbod niet geldt voor een nationale regeling die detailhandelaren verbiedt, hun winkels op zondag te openen, wanneer de eventuele invloed op de intracommunautaire handel niet beperkender is dan in het kader van een dergelijke regeling is beoogd .
Full & Egal Universal Law Academy