Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Rijst - Invoerheffingen - Mengsel van rijst en breukrijst - Vaststelling van toepasselijk tarief - Vaststelling aan hand van gehalte aan breukrijst - Gebroken korrels gekenmerkt door verhouding van hun lengte tot lengte van hele korrels - Methode waarbij gemiddelde lengte van hele korrels wordt gemeten - Meting op basis van monster van ingevoerde partij - Rechtszekerheids - en gelijkheidsbeginsel - Geen schending
( Verordening nr . 2729/75 van de Raad, artikel 2, lid 2, en verordening nr . 1418/76 van de Raad, bijlage A, punt 3 )
Samenvatting
Ter bepaling van de op een mengsel van rijst en breukrijst toe te passen invoerheffing overeenkomstig verordening nr . 2729/75, moet worden vastgesteld hoe groot het aandeel van het hoofdbestanddeel in dat mengsel is . Waar in punt 3 van bijlage A bij verordening nr . 1418/76 is bepaald, dat breukrijst zich van hele korrels onderscheidt door het verschil in lengte van de gebroken korrels en de hele korrels, is ter bepaling van het gehalte aan breukrijst in het mengsel vereist, dat de gemiddelde lengte van de hele korrels wordt vastgesteld . Hiertoe moet worden uitgegaan van de gemiddelde lengte van de in een monster van de ingevoerde partij aanwezige hele korrels, met uitsluiting van de nog niet volgroeide korrels, en niet van de gemiddelde lengte van de hele korrels zoals vermeld in door de bevoegde autoriteiten van het land van oorsprong afgegeven certificaten met betrekking tot de betrokken rijstsoort .
Aldus opgevat leidt punt 3 van bijlage A niet tot ongelijkheid of onzekerheid bij de toepassing van het heffingstelsel van verordening nr . 2729/75, waardoor dit onverenigbaar zou zijn met de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht .
Partijen
In zaak C-159/88,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het College van Beroep voor het Bedrijfsleven, te 's-Gravenhage, ( Nederland ), aldaar aanhangig geding tussen
Van Sillevoldt BV en anderen
en
Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van punt 3 van bijlage A bij verordening ( EEG ) nr . 1418/76 van de Raad van 21 juni 1976 houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt ( PB 1976, L 166, blz . 1 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste Kamer ),
samengesteld als volgt : Sir Gordon Slynn, kamerpresident, R . Joliet en G . C . Rodríguez Iglesias, rechters,
advocaat-generaal : G . Tesauro
griffier : J.A . Pompe, adjunct-griffier
gelet op de opmerkingen ingediend door
- de vennootschappen Van Sillevoldt, Euryza en de Erven, vertegenwoordigd door A . J . Braakman en P . Glazener, advocaten te Rotterdam,
- het Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten, vertegenwoordigd door zijn voorzitter E . R . Kleijwegt,
- de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door F . Favara, avvocato dello stato, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R . C . Fischer als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 9 november 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 december 1989,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij uitspraak van 11 mei 1988, ingekomen bij het Hof op 2 juni daaraanvolgend, heeft het College van Beroep voor het Bedrijfsleven, te 's-Gravenhage, krachtens artikel 177 EEG-Verdrag drie prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van punt 3 van bijlage A bij verordening ( EEG ) nr . 1418/76 van de Raad van 21 juni 1976 houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt ( PB 1976, L 166, blz . 1; hierna : de basisverordening ).
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen drie Nederlandse rijstimporteurs en het Hoofdproduktschap voor Akkerbouwprodukten ( hierna : het Hoofdproduktschap ) ter zake van de heffing die die importeurs ( verzoeksters in het hoofdgeding; hierna : verzoeksters ) hebben moeten betalen over een partij breukrijst, verkregen uit volwitte, langkorrelige rijst uit Thailand . Als gevolg van de in het land van oorsprong toegepaste sorteringstechniek bevatte die partij niet enkel gebroken korrels, maar ook nog niet volgroeide hele korrels .
3 Ingevolge artikel 2, lid 2, eerste streepje, van verordening ( EEG ) nr . 2729/75 van de Raad van 29 oktober 1975 inzake de heffingen bij invoer op mengsels van granen, rijst en breukrijst ( PB 1975, L 281, blz . 18; hierna : de heffingverordening ), wordt op mengsels van rijst en breukrijst de heffing toegepast die geldt voor het bestanddeel met het grootste gewichtsaandeel, indien dit ten minste 90 % van het gewicht van het mengsel uitmaakt . Indien geen der bestanddelen dat percentage haalt, moet ingevolge artikel 2, lid 2, tweede streepje, de hoogste heffing worden toegepast .
4 Ingevolge de bij de basisverordening ingevoerde prijsregeling geldt voor langkorrelige volwitte rijst een hogere heffing dan voor breukrijst . Blijkens artikel 11 van die verordening compenseren die heffingen, zowel voor langkorrelige volwitte rijst als voor breukrijst, het verschil tussen de prijs op de wereldmarkt en de communautaire drempelprijs . Volgens artikel 15 van de basisverordening wordt de drempelprijs voor breukrijst, die met name wordt gebruikt voor industriële doeleinden zoals de vervaardiging van diervoeders, berekend naar de drempelprijs van het concurrerende produkt mais . Die prijs nu is aanzienlijk lager dan de drempelprijs voor langkorrelige volwitte rijst, die overeenkomstig artikel 14 van dezelfde verordening gerelateerd is aan de drempelprijs voor langkorrelige gedopte rijst .
5 Blijkens punt 3 van bijlage A bij de basisverordening zijn enkel als breukrijst te beschouwen de brokstukken van korrels, waarvan de lengte niet meer bedraagt dan driekwart van de gemiddelde lengte van de hele korrel . In punt 2 worden sub a en b definities gegeven van rondkorrelige respectievelijk langkorrelige rijst, en wordt sub c bepaald, volgens welke methode die korrels moeten worden gemeten . Die meting moet worden verricht op de in een representatief monster van de betrokken partij aanwezige korrels .
6 Ter bepaling van het gehalte aan breukrijst in de betrokken partij rijst paste de douane de zogenoemde interne meetmethode toe : als gemiddelde lengte van de hele korrel in de zin van punt 3 van bijlage A nam zij de lengte van de in een monster van die partij aanwezige hele korrels . Daartegenover staat de zogenoemde externe methode, waarbij men uitgaat van de gemiddelde lengte van de hele korrels van de betrokken rijstsoort, zoals aangegeven in officiële certificaten van de bevoegde instantie van het land van oorsprong .
7 De douane stelde toen vast, dat de gemiddelde lengte van de in de betrokken partij aanwezige hele korrels 5,7 mm bedroeg en dat 83 % van de in de partij aanwezige brokstukken driekwart van die lengte niet overschreed en derhalve als breukrijst moest worden beschouwd . Aangezien de breukrijst volgens dat onderzoek dus geen 90 % van het gewicht van het mengsel uitmaakte, legde het Hoofdproduktschap overeenkomstig artikel 2, lid 2, tweede streepje, van de heffingverordening de hoge heffing voor rijst op .
8 Verzoeksters hebben vernietiging van die beschikking gevorderd . Volgens hen moet onder de gemiddelde lengte van de hele korrel in de zin van punt 3 van bijlage A worden verstaan de gemiddelde lengte van de hele korrels van de rijstsoort waartoe de in de partij aanwezige brokstukken behoren . Volgens een door de Thaise autoriteiten afgegeven certificaat bedraagt de gemiddelde lengte van de korrels van de hierbedoelde rijstsoort, te weten langkorrelige volwitte rijst, 7,0 mm . Was de Nederlandse douane van die lengte uitgegaan, dan zou zij zijn uitgekomen op een gehalte aan breukrijst van meer dan 90 gewichtsprocenten . Verzoeksters beroepen zich hiervoor op een analyse die zijzelf door een particulier onderzoeksinstituut hebben laten verrichten en volgens welke 97,7 % van de brokstukken niet langer was dan driekwart van de gecertificeerde gemiddelde lengte van 7,0 mm . Zij concluderen daaruit, dat in casu de heffing voor breukrijst had moeten worden opgelegd .
9 De nationale rechter beklemtoont in zijn verwijzingsuitspraak, dat hij deskundigen heeft gehoord . Deze hadden erop gewezen, dat de wijze waarop de douane de interne meetmethode had toegepast, er in casu toe leidde, dat de gemiddelde lengte van de in de partij aanwezige hele korrels niet meer overeenkwam met de standaardlengte van de betrokken rijstsoort . Met betrekking tot de externe methode verklaarden zij, dat de door de autoriteiten van het land van oorsprong afgegeven certificaten betreffende de gemiddelde lengte van de hele korrels van de betrokken rijstsoort, in de internationale handel algemeen worden erkend .
10 Een en ander was voor de nationale rechter aanleiding om de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof drie prejudiciële vragen te stellen over de uitlegging van punt 3 van bijlage A van de basisverordening . Die vragen luiden als volgt :
"1 ) Dient punt 3 van bijlage A bij verordening ( EEG ) nr . 1418/76 aldus te worden uitgelegd dat, voor de toepassing van de daar bedoelde 3/4-formule, onder 'gemiddelde lengte van de gehele korrel' wordt verstaan de gemiddelde lengte van de gehele korrel voorkomend in het betrokken monster dan wel de betrokken partij, met inbegrip van de daarin voorkomende onvolgroeide, gehele korrels?
2 ) Indien vraag 1 ontkennend wordt beantwoord, moet de daar bedoelde bepaling dan aldus worden opgevat dat het de bevoegde autoriteiten van de Lid-Staten vrijstaat, voor de toepassing van de 3/4-formule, als 'gemiddelde lengte van de gehele korrel' enig consistent, extern referentiepunt in aanmerking te nemen en zo ja, in hoeverre dienen zij bij hun keuze rekening te houden met in het internationale handelsverkeer erkende standaardmaten?
3 ) Indien vraag 1 geheel of ten dele bevestigend wordt beantwoord, is de daar bedoelde bepaling dan verenigbaar met het in verordening ( EEG ) nr . 1418/76 neergelegde heffingenstelsel en met het rechtszekerheids - en/of het gelijkheidsbeginsel?"
11 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, de toepasselijke regelgeving en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
De eerste en de tweede vraag
12 Met de eerste twee vragen wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of voor de vaststelling van de gemiddelde lengte van de hele korrel in de zin van punt 3 van bijlage A van de basisverordening moet worden uitgegaan van de gemiddelde lengte van de in een monster van de ingevoerde partij rijst aanwezige hele korrels, dan wel van de gemiddelde lengte van hele korrels van de betrokken rijstsoort zoals vermeld in officiële, in de internationale handel erkende certificaten van de autoriteiten van het land van oorsprong, en vervolgens, aangenomen dat de eerste methode moet worden toegepast, of onvolgroeide korrels buiten beschouwing moeten blijven .
13 Wat het eerste onderdeel van de vraag betreft, moet worden opgemerkt, dat in punt 2 van bijlage A de meetmethode wordt omschreven waarmee moet worden bepaald, of de in een partij aanwezige hele korrels zijn aan te merken als rondkorrelige of langkorrelige rijst in de zin van punt 2, sub a respectievelijk sub b . Punt 2, sub c, bepaalt dienaangaande, dat de gemiddelde lengte van de in een representatief monster van de betrokken partij aanwezige hele korrels moet worden gemeten . Dit sluit dus uit, dat men afgaat op door de autoriteiten van het land van oorsprong van de betrokken partij rijst afgegeven certificaten betreffende de gemiddelde lengte van hele korrels van de betrokken rijstsoort .
14 Daaruit moet worden geconcludeerd, dat in punt 3 van bijlage A, waarin breukrijst wordt gedefinieerd als brokstukken van korrels waarvan de lengte driekwart van de gemiddelde lengte van de hele korrel niet overschrijdt, enkel kan zijn gedoeld op de gemiddelde lengte van de in de ingevoerde partij aanwezige hele korrels, zodat toepassing van externe normen is uitgesloten .
15 Ten aanzien van het tweede onderdeel van de vraag zij beklemtoond, dat de gemeten hele korrels representatief moeten zijn voor de rijstsoort waartoe de brokstukken behoren . Dit betekent, dat nog niet volgroeide hele korrels, die van relatief geringe lengte zijn en min of meer bij toeval in de partij zijn terechtgekomen, buiten beschouwing moeten blijven .
16 De uitkomsten van de meting van de gemiddelde lengte van de hele korrel zouden trouwens onvoorspelbaar worden wanneer ook onvolgroeide hele korrels in aanmerking werden genomen . Zoals de nationale rechter in zijn verwijzingsuitspraak opmerkt, kan de gemiddelde lengte van de hele korrels dan namelijk niet alleen per partij rijst variëren, maar ook in elk monster van dezelfde partij verschillend blijken te zijn . Het op basis van die lengte vastgestelde gehalte aan breukrijst zou dan eveneens variëren, waardoor de importeur tot op het moment van invoer van de betrokken partij in onzekerheid zou blijven over de toe te passen heffing .
17 Mitsdien moet op de eerste twee vragen worden geantwoord, dat voor de vaststelling van de gemiddelde lengte van de hele korrel in de zin van punt 3 van bijlage A van de basisverordening, moet worden uitgegaan van de gemiddelde lengte van de in een monster van de ingevoerde partij rijst aanwezige hele korrels, met uitsluiting van de nog niet volgroeide korrels .
De derde vraag
18 Met zijn derde vraag wenst de nationale rechter in wezen te vernemen, of indien punt 3 van bijlage A wordt opgevat als voorschrijvende dat moet worden uitgegaan van de gemiddelde lengte van de in een monster van de ingevoerde partij rijst aanwezige hele korrels, met uitsluiting van de nog niet volgroeide korrels, deze bepaling niet onverenigbaar is met het rechtszekerheids - of het gelijkheidsbeginsel .
19 Dienaangaande zij opgemerkt, dat de gemiddelde lengte van de in ingevoerde partijen rijst aanwezige hele korrels per partij kan verschillen en dat de importeur daardoor in het onzekere verkeert over de gemiddelde lengte van die korrels en daarmee ook over het gehalte aan breukrijst in de betrokken partijen . Deze omstandigheid doet echter geen afbreuk aan de rechtszekerheid, aangezien de importeur vóór de invoer van de betrokken partij op de hoogte is van de meetmethode . Die onzekerheid wordt trouwens al geringer wanneer de onvolgroeide korrels bij de meting buiten beschouwing blijven .
20 Door de Commissie is gesuggereerd, dat het gelijkheidsbeginsel wellicht wordt geschonden indien de nog niet volgroeide korrels bij de meting buiten beschouwing worden gelaten . De betrokken partij rijst zou dan eerder voor 90 gewichtsprocenten uit breukrijst bestaan, met het gevolg dat de heffing voor breukrijst wordt opgelegd . De Nederlandse importeurs die, zoals in casu, hun breukrijst niet voor industrieel gebruik, maar voor menselijke consumptie verkopen, zouden dan een concurrentievoordeel genieten ten opzichte van de importeurs van volle rijst .
21 Dienaangaande kan worden volstaan met de vaststelling, dat ingevolge artikel 2, lid 2, tweede streepje, van de heffingverordening de heffing voor breukrijst wordt toegepast op een ingevoerde partij rijst, wanneer die partij voor 90 gewichtsprocenten bestaat uit breukrijst in de zin van punt 3 van bijlage A van de basisverordening . De vraag of die breukrijst vervolgens voor een ander dan het traditionele gebruiksdoel wordt verkocht, is dan ook irrelevant .
22 Op de derde vraag moet mitsdien worden geantwoord, dat punt 3 van bedoelde bijlage A, opgevat als voorschrijvende dat moet worden uitgegaan van de in een monster van de ingevoerde partij rijst aanwezige hele korrels, met uitsluiting van de nog niet volgroeide hele korrels, niet leidt tot ongelijkheid of onzekerheid bij de toepassing van het heffingstelsel, waardoor dit onverenigbaar zou zijn met de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
23 De kosten door de Italiaanse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste Kamer ),
uitspraak doende op de door het College van Beroep voor het Bedrijfsleven te 's-Gravenhage bij uitspraak van 11 mei 1988 gestelde vragen, verklaart voor recht :
1 ) Voor de vaststelling van de gemiddelde lengte van de hele korrel in de zin van punt 3 van bijlage A van verordening ( EEG ) nr . 1418/76 van de Raad van 21 juni 1976 houdende een gemeenschappelijke ordening van de rijstmarkt, moet worden uitgegaan van de gemiddelde lengte van de in een monster van de ingevoerde partij rijst aanwezige hele korrels, met uitsluiting van de nog niet volgroeide korrels .
2 ) Punt 3 van bedoelde bijlage A, opgevat als voorschrijvende dat moet worden uitgegaan van de in een monster van de ingevoerde partij rijst aanwezige hele korrels, met uitsluiting van de nog niet volgroeide hele korrels, leidt niet tot ongelijkheid of onzekerheid bij de toepassing van het heffingstelsel, waardoor dit onverenigbaar zou zijn met de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht .
Full & Egal Universal Law Academy