RAPPORT TER TERECHTZITTING
in zaak C-163/88 ( *1 )
I — Overzicht van de feiten
1.
Op 2 november 1987 vroeg verzoeker, gewezen lid van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, schriftelijk aan de Commissie om onder de ziektekostenregeling van de Gemeenschappen te worden gebracht.
Bij brief van 22 december 1987 deelde R. Hay, directeur-generaal personeelszaken en algemeen beheer, hem mee dat hij niet langer onder het stelsel van sociale zekerheid van de Gemeenschappen kon vallen, aangezien de ziektekosten van hem als gepensioneerd ambtenaar van de Griekse staat door een andere openbare regeling waren gedekt.
Verder deelde R. Hay verzoeker bij brief van 28 januari 1988 het bedrag van zijn maandelijks pensioen mee, waarop geen inhouding was toegepast wegens aansluiting bij het stelsel van ziektekostenverzekering van de Gemeenschappen.
2.
Bij brief van 29 februari 1988 diende verzoeker bij de Commissie een klacht in, waarin hij als gewezen lid van de Commissie aanspraak erop maakte, dat hij onder het gemeenschappelijk stelsel van ziektekostenverzekering viel.
Na grondig heronderzoek van verzoekers geval werd deze klacht bij brief van 25 maart 1988 afgewezen.
II — Schriftelijke procedure en conclusies van partijen
1.
Onderhavig beroep is op 7 juni 1988 ter griffie van het Hof ingeschreven.
2.
Verzoeker concludeert dat het den Hove behage, het betrokken besluit in te trekken, te wijzigen of nietig te verklaren, elke passende maatregel te nemen en de Commissie te verwijzen in de kosten van het geding, met inbegrip van de kosten van zijn advocaat.
De Commissie concludeert dat het den Hove behage, het verzoek ongegrond te verklaren en omtrent de kosten te beslissen naar recht.
3.
Het Hof (Eerste kamer) heeft, op rapport van de rechterrapporteur en de advocaat-generaal gehoord, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
III — Middelen en argumenten van partijen
1.
Verzoeker acht zijn beroep ontvankelijk, aangezien het betrokken besluit rechtstreeks en individueel tot hem is gericht en de procedure van artikel 90 Ambtenarenstatuut is gevolgd.
De Commissie refereert zich aan het oordeel van het Hof, of verzoeker bovengenoemde procedure diende te volgen dan wel of hij rechtstreeks voor het Hof tegen het betrokken besluit diende op te komen.
2.
Wat de grond van de zaak aangaat, baseert verzoeker zijn beroep met name op artikel 11 van de verordening betreffende de geldelijke regeling voor de leden en gewezen leden van de Commissie, het Hof van Justitie en de Rekenkamer, die twee beginselen bevatten die volledig identiek zijn aan die in artikel 72 Ambtenarenstatuut. Het eerste beginsel houdt in, dat de door een nationaal stelsel van sociale zekerheid gedekte risico's niet worden gedekt door het stelsel van sociale zekerheid van de Gemeenschappen. Het tweede beginsel houdt in, dat de bepalingen die voor ambtenaren van de Gemeenschappen gelden, eveneens van toepassing zijn op de leden en gewezen leden van de Commissie en het Hof.
Volgens verzoeker blijkt uit de tekst van vorengenoemd artikel 11, dat deze bepaling samenloop van een nationaal en het communautaire stelsel verbiedt, doch toestaat dat bij elk concreet risico het communautaire stelsel van vergoeding van de kosten wordt toegepast ten belope van het verschil tussen het door het nationale stelsel van sociale zekerheid voorziene bedrag en het in het stelsel van de Gemeenschappen voorziene forfaitaire bedrag. Ter zake beroept verzoeker zich op artikel 72, lid 4, Ambtenarenstatuut, volgens hetwelk degene die aanspraken ontleent aan het stelsel van ziektekostenverzekering van de Gemeenschappen, „verplicht is opgave te doen van de vergoedingen die hij heeft ontvangen of waarop hij aanspraak kan maken krachtens een andere bij wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen voorgeschreven ziektekostenverzekering... Indien het totale bedrag der vergoedingen die hij zou kunnen ontvangen, de in lid 1 bedoelde vergoedingen te boven gaat, wordt het verschil in mindering gebracht op het krachtens lid 1 te vergoeden bedrag, behalve in het geval van vergoedingen uit hoofde van een particuliere aanvullende ziektekostenverzekering ter dekking van het gedeelte der kosten dat niet wordt vergoed door het stelsel van ziektekostenverzekering der Gemeenschappen.”
Verzoeker acht enkel deze interpretatie van vorengenoemd artikel 11 logisch en teleologisch correct, aangezien de gemeenschapsbepalingen in wezen ten doel hebben, alle ambtenaren, leden en gewezen leden een aanvaardbaar minimum aan uitkeringen uit hoofde van de ziektekostenverzekering te garanderen.
De Commissie voert aan dat de voor de gewezen leden van de Commissie voorziene regeling een aanvulling vormt op de desbetreffende nationale regeling. Hetzelfde beginsel geldt voor artikel 72 Ambtenarenstatuut en is uitdrukkelijk vermeld in lid 4 van dit artikel voor ambtenaren in actieve dienst. Bijgevolg legt zij artikel 11 van de verordening betreffende de geldelijke regeling van de leden en gewezen leden van de Commissie, het Hof van Justitie en de Rekenkamer aldus uit dat een dekking van de risico's door een nationaal stelsel van gezondheidszorg, ongeacht de hoogte daarvan of meer in het algemeen ongeacht de voorwaarden daarvan, op zich reeds een gelijktijdige dekking door het stelsel van de Gemeenschappen uitsluit. Aldus zou de bepaling van de laatste alinea van artikel 11 een dode letter blijven, aangezien de nationale stelsels nooit een precies gelijke dekking verlenen als die van het Ambtenarenstatuut.
Volgens de Commissie is het slechts bij uitzondering, bij voorbeeld in het geval van artikel 72, lid 2, eerste alinea, Ambtenarenstatuut, betreffende de ambtenaar die de zestigjarige leeftijd heeft bereikt, dat de gepensioneerde ambtenaar van de Gemeenschappen onder het communautaire stelsel valt, hoewel hij door een nationaal stelsel kan worden gedekt.
De Commissie verwijst ook naar de bepalingen van artikel 2, lid 13, juncto artikel 4, lid 8, van de Regeling inzake de ziektekostenverzekering van de ambtenaren der Europese Gemeenschappen, die met een licht afwijkende formulering eveneens als regel stellen, dat de ziektekostenverzekering van de Gemeenschappen een aanvullend karakter heeft.
3.
Verzoeker stelt verder nog, dat het bestreden besluit in strijd is met de fundamentele beginselen van het gemeenschapsrecht en in het bijzonder met het beginsel van de gelijkheid van de justitiabelen. Hij acht het evident onwettig dat een gewezen lid van de Commissie geen aanspraak heeft op het verschil tussen de communautaire uitkeringen en de lagere nationale uitkeringen of geen enkel recht heeft op sociale-zekerheidsprestaties wanneer de nationale regeling niet gelijkaardige prestaties voorziet (brillen, tandheelkundige verzorging, enzovoort).
Ook stelt verzoeker dat gedurende hun jaren in dienst van de Gemeenschappen van de salarissen van gewezen leden van de instellingen bijdragen zijn ingehouden voor het stelsel van sociale zekerheid, en dat zij op basis van het beginsel van het gewettigd vertrouwen na hun defungeren verwachten aanspraak op adequate ziekteuitkeringen te kunnen maken.
Ten slotte verklaart hij, dat het bestreden besluit ontoereikend is gemotiveerd en dat deze motieven vaag en tegenstrijdig zijn, dat er sprake is van misbruik van bevoegdheid en in elk geval van de aan de Commissie toegekende discretionaire bevoegdheid. Als voorbeeld wijst hij op het geval van een gewezen lid van de Rekenkamer, die onder het stelsel van sociale zekerheid van de Gemeenschappen valt, hoewel hij is aangesloten bij een nationaal stelsel van sociale zekerheid.
De Commissie antwoordt dat zij bij de vaststelling van het betrokken besluit, dat duidelijk en volledig is gemotiveerd, niet het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden noch haar bevoegdheid heeft misbruikt of haar discretionaire bevoegdheid heeft misbruikt, doch enkel heeft geweigerd het stelsel van ziektekostenverzekering op verzoeker toe te passen door een juiste uitlegging van artikel 11 van de verordening betreffende de geldelijke regeling voor de leden en gewezen leden van de Commissie, het Hof van Justitie en de Rekenkamer.
Ten slotte merkt de Commissie op, dat zij niet officieel door de Rekenkamer op de hoogte is gebracht van het feit dat een gewezen lid van de Rekenkamer onder het stelsel van sociale zekerheid van de Gemeenschappen viel, hoewel hij was aangesloten bij een nationaal stelsel. Het besluit dat ter zake is genomen door het tot aanstelling bevoegde gezag van een andere instelling, dat geheel zelfstandig is ten opzichte van het overeenkomstige gezag van de Commissie, levert een andere en onjuiste uitlegging van de toepasselijke bepalingen op en kan op generlei wijze een precedent opleveren waaraan de Commissie in casu gebonden zou zijn.
G. C. Rodríguez Iglesias
rechter-rapporteur
( *1 ) Procestaai : Grieks.
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
12 december 1989 ( *1 )
In zaak C-163/88,
Georgios Kontogeorgis, vertegenwoordigd door P. Bernitsas, advocaat te Athene, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van A. May, 31, Grandrue,
verzoeker,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, aanvankelijk vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur D. Gouloussis, vervolgens door A. Condou-Durande, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G. Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot intrekking, wijziging of nietigverklaring van besluit nr. 02248 van de Commissie van 25 maart 1988, ondertekend door R. Hay, directeur-generaal personeelszaken en algemeen beheer, houdende weigering van verzoekers aansluiting bij het stelsel van ziektekostenverzekering van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen, en van elk daarmee samenhangend vroeger of later besluit,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt: Sir Gordon Slynn, kamerpresident, R. Joliét en G. C. Rodríguez Iglesias, rechters,
advocaat-generaal: F. G. Jacobs
griffier: B. Pastor, administrateur
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 26 september 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 7 november 1989,
het navolgende
Arrest
1
Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 7 juni 1988, heeft G. Kontogeorgis, gewezen lid van de Commissie van de Europese Gemeenschappen, beroep ingesteld tot nietigverklaring van het besluit van 25 maart 1988, waarbij de Commissie verzoekers aansluiting bij het stelsel van ziektekostenverzekering van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen heeft geweigerd, en van elk daarmee samenhangend vroeger of later besluit.
2
Het betrokken besluit is gebaseerd op de bepalingen van artikel 11 van verordening nr. 422/67/EEG van de Raad van 25 juli 1967 betreffende de geldende regeling voor de leden en voormalige leden van de Commissie, het Hof van Justitie en de Rekenkamer (PB 1967, L 187, blz. 1; hierna: Verordening geldelijke regeling), zoals gewijzigd bij verordening (EGKS, EEG, Euratom) nr. 2163/70 van de Raad van 27 oktober 1970 (PB 1970, L 238, blz. 1). In dit artikel wordt bepaald:
„Het lid van de Commissie of van het Hof valt onder de regeling voor sociale zekerheid waarin het Statuut van de ambtenaren der Europese Gemeenschappen voorziet met betrekking tot de dekking van het risico van ziekten, beroepsziekten en ongevallen, alsmede ten aanzien van de uitkeringen bij geboorte en overlijden.
Dit artikel is eveneens van toepassing op voormalige leden van de Commissie of van het Hof die in aanmerking komen hetzij voor de in artikel 8 bedoelde pensioenregeling, hetzij voor de in artikel 7 bedoelde overbruggingstoelage. Deze alinea geldt evenwel niet ter dekking van de risico's die reeds gedekt zijn door een ander stelsel van sociale zekerheid waarvoor het voormalige lid van de Commissie of van het Hof in aanmerking komt.”
3
Verzoeker, die als gepensioneerd ambtenaar is verzekerd onder het Griekse stelsel van ziektekostenverzekering, is van mening dat hij op grond van deze bepaling, die weliswaar samenloop van een nationaal stelsel van ziektekostenverzekering met het stelsel van de Gemeenschappen verbiedt, mag aangesloten zijn bij het stelsel van de Gemeenschappen, zodat hij verzekerd kan zijn tegen de bijzondere risico's die niet door zijn nationale stelsel worden gedekt, en hij voor elk concreet risico dat door beide stelsels wordt gedekt, aanspraak heeft op vergoeding van de kosten door het stelsel van de Gemeenschappen ten belope van het verschil tussen de door het nationale stelsel van sociale zekerheid voorziene dekking en het in het stelsel van de Gemeenschappen voorziene forfaitaire bedrag.
4
Daarentegen is de Commissie van mening, dat bovengenoemde bepaling aldus moet worden uitgelegd, dat een dekking tegen het risico van ziekte door een nationaal stelsel, ongeacht de hoogte of de voorwaarden van dekking, op zich reeds de mogelijkheid van aansluiting bij het stelsel van de Gemeenschappen uitsluit.
5
Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het geding, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
6
Tot staving van zijn uitlegging van voorgenoemd artikel 11 van de Verordening geldelijke regeling beroept verzoeker zich op artikel 72, lid 2, Ambtenarenstatuut, dat hetzelfde beginsel zou bevatten voor de ambtenaar die tot zijn zestigste levensjaar in dienst van de Europese Gemeenschappen is gebleven. Hij stelt dat enkel wanneer het stelsel van ziektekostenverzekering van de Gemeenschappen wordt toegepast ten einde de in het kader van andere toepasselijke stelsels van sociale zekerheid gewaarborgde uitkeringen te compenseren, het fundamentele doel van de gemeenschapsbepalingen wordt bereikt: alle ambtenaren, leden en gewezen leden een aanvaardbaar minimum aan uitkeringen uit hoofde van de ziektekostenverzekering garanderen, doch samenloop van het stelsel van de Gemeenschappen met een ander stelsel van sociale zekerheid voor dezelfde bijzondere risico's vermijden.
7
Opgemerkt zij evenwel, dat de tekst van artikel 11, tweede alinea, van de Verordening geldelijke regeling aansluiting van gewezen leden bij het stelsel van ziektekostenverzekering van de Gemeenschappen uitsluit, wanneer zij door een ander stelsel van sociale zekerheid verzekerd zijn tegen het risico van ziekte, ongeacht de hoogte en de voorwaarden van dekking van dit laatste stelsel. Het begrip „risico's” in artikel 11, tweede alinea, moet namelijk worden geacht terug te slaan op de drie in de eerste alinea van deze bepaling bedoelde risico's (van ziekten, beroepsziekten en ongevallen).
8
Artikel 11, tweede alinea, heeft dus dezelfde strekking als artikel 72, lid 2 bis, Ambtenarenstatuut, volgens hetwelk het stelsel van ziektekostenverzekering van de Gemeenschappen van toepassing is op de gewezen ambtenaar die de dienst van de Gemeenschappen vóór het bereiken van de leeftijd van zestig jaar heeft verlaten, „mits de ziektekosten niet door een andere openbare regeling kunnen worden gedekt”. Waar de regeling voor fungerende leden dezelfde is als die voor ambtenaren in dienst, komt de regeling voor gewezen leden die in aanmerking komen hetzij voor de in artikel 8 van de Verordening geldelijke regeling bedoelde pensioenregeling, hetzij voor de in artikel 7 van die verordening bedoelde overbruggingstoelage, dus overeen met die voor de ambtenaren die de dienst van de Gemeenschappen vóór het bereiken van de leeftijd van zestig jaar hebben verlaten.
9
Artikel 11, tweede alinea, van de Verordening geldelijke regeling zou slechts in de door verzoeker voorgestane zin kunnen worden uitgelegd, indien het ter zake van de hoogte en de voorwaarden van dekking een criterium van gelijkwaardigheid van het stelsel van de Gemeenschappen en het toepasselijke nationale stelsel van sociale zekerheid bevatte, zoals het criterium dat de gemeenschapswetgever heeft ingevoegd in artikel 72, lid 1, Ambtenarenstatuut, waarin wordt bepaald dat de echtgenoot van een ambtenaar in actieve dienst onder het stelsel van de Gemeenschappen valt, wanneer deze echtgenoot „niet onder toepassing van enig andere wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling prestaties van dezelfde aard of dezelfde hoogte kan verkrijgen”.
10
Aan deze uitlegging wordt niet afgedaan door het feit dat ingevolge artikel 72, lid 4, de door het stelsel van de Gemeenschappen gegarandeerde uitkeringen moeten worden berekend met inachtneming van de prestaties die in het kader van een andere wettelijke of bestuursrechtelijke ziektekostenverzekering kunnen worden ontvangen. Deze bepaling bevat een anti-cumulatievoorschrift, dat van toepassing is op degenen die hun aanspraken ontlenen aan het stelsel van ziektekostenverzekering van de Gemeenschappen. Daarop kan dus geen beroep worden gedaan om de personele werkingssfeer van dit stelsel van ziektekostenverzekering te bepalen.
11
Wat de noodzaak betreft, alle ambtenaren, leden en gewezen leden een aanvaardbaar minimum aan uitkeringen uit hoofde van de ziektekostenverzekering te garanderen, dient te worden opgemerkt, dat de vaststelling van de hoogte van de door het stelsel van de Gemeenschappen verzekerde uitkeringen en van de werkingssfeer van dit stelsel tot de bevoegheid van de gemeenschapswetgever behoort. Toen hij bij verordening (EGKS, EEG, Euratom) nr. 2163/70 van 27 oktober 1970 de Verordening geldelijke regeling wijzigde, heeft hij het stelsel van ziektekostenverzekering van de Gemeenschappen uitgebreid tot de voormalige leden van de Commissie, het Hof van Justitie en de Rekenkamer die hetzij in aanmerking komen voor de in artikel 8 bedoelde pensioenregeling, hetzij voor de in artikel 7 bedoelde overbruggingstoelage. Deze uitbreiding van het stelsel van de Gemeenschappen is echter uitdrukkelijk beperkt tot voormalige leden die niet in aanmerking komen voor een ander stelsel van sociale zekerheid; daarentegen vallen de fungerende leden zelfs onder het stelsel van de Gemeenschappen indien zij door een ander stelsel worden gedekt, behoudens het enige voorbehoud van het bepaalde in artikel 72, lid 4, Ambtenarenstatuut.
12
Verzoeker betoogt verder nog, dat het bestreden besluit in strijd is met de fundamentele beginselen van het gemeenschapsrecht alsmede dat ter zake sprake is van misbruik van bevoegdheid, in elk geval van de aan de Commissie toegekende discretionaire bevoegdheid. Gedurende hun jaren in dienst van de Gemeenschappen zijn van de salarissen van de gewezen leden van de instellingen bijdragen ingehouden voor het stelsel van sociale zekerheid, zodat zij op basis van het beginsel van het gewettigd vertrouwen na hun defungeren mogen verwachten een aanspraak op de desbetreffende uitkeringen uit hoofde van de ziekteverzekering te kunnen maken.
13
Deze redenering moet eveneens worden verworpen. Zoals blijkt uit voorgaande overwegingen is bij het betrokken besluit enkel geweigerd, verzoeker in aanmerking te laten komen voor het stelsel van ziektekostenverzekering van de Gemeenschappen op basis van een juiste uitlegging van artikel 11 van de Verordening geldelijke regeling. De ingehouden bijdragen die aan het stelsel van sociale zekerheid van de Gemeenschappen zijn betaald, werden gerechtvaardigd door de dekking die verzoeker gedurende zijn diensttijd genoot.
14
Verzoeker maakt ten slotte melding van het geval van een gewezen lid van een andere instelling die in een volledig identieke situatie verzekerd was uit hoofde van het stelsel van sociale zekerheid van de Gemeenschappen, terwijl hij bij een nationaal stelsel van sociale zekerheid was aangesloten.
15
Zonder dat behoeft te worden nagegaan of deze bewering juist is, dient wat dit aangaat te worden opgemerkt dat verzoeker in elk geval geen enkel recht kan ontlenen aan een door een andere gemeenschapsinstelling gevolgde praktijk, die niet in overeenstemming zou zijn met de bepalingen van de Verordening geldelijke regeling.
16
Uit het voorgaande volgt dat het beroep dient te worden verworpen.
De kosten
17
Ingeval artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen. Volgens artikel 70 van dit Reglement blijven echter de kosten door de instellingen ter zake van beroepen van personeelsleden der Gemeenschappen gemaakt, te haren laste.
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
rechtdoende:
1)
Verwerpt het beroep.
2)
Verstaat dat elk der partijen de eigen kosten zal dragen.
Slynn
Joliét
Rodrguez Iglesias
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 12 december 1989.
De griffier
J.-G. Giraud
De president van de Eerste kamer
Sir Gordon Slynn
( *1 ) Procestaai: Grieks.
Full & Egal Universal Law Academy