RAPPORT TER TERECHTZITTING
in de gevoegde zaken C-181/88, C-182/88 en C-218/88 ( *1 )
I — De feiten en het procesverloop
A — De hoofdgedingen
Deschamps en de Groupement agricole d'exploitation en commun des Champs Fleuris (GAEC), in de bij het tribunal administratif te Dijon aanhangige zaken, en de Groupement agricole d'exploitation en commun (GAEC) Lambert, in de bij het tribunal administratif te Amiens aanhangige zaak, verzoeken om nietigverklaring van de beschikkingen van de directeur van de Office national interprofessionnel des viandes, de l'élevage et de l'aviculture (Ofival) houdende afwijzing van de bezwaarschriften van verzoekers tegen het bedrag dat zij voor het verkoopseizoen 1986 als premie ter compensatie van inkomensverlies hadden ontvangen.
De premie ter compensatie van inkomensverlies was aan verzoekers toegekend met toepassing van artikel 5, lid 2, van verordening nr. 1837/80 van de Raad van 27 juni 1980 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector schape- en geitevlees (PB 1980, L 183, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening nr. 871/84 van de Raad van 31 maart 1984 (PB 1984, L 90, blz. 35), en met toepassing van verordening nr. 953/87 van de Commissie van 1 april 1987 (PB 1987, L 90, blz. 25). Verzoekers menen, dat de bestreden beschikkingen nietig zijn. Zij zouden namelijk berusten op een verordening die zelf onwettig is, omdat daarin in artikel 9 het Verenigd Koninkrijk de keuze wordt gelaten tussen een compensatiepremie en een variabele premie, doch in artikel 5 de andere Lid-Staten van de Europese Economische Gemeenschap het stelsel van compensatiepremies wordt opgelegd. Dit verschil in behandeling is huns inziens, wat het beginsel en de gevolgen ervan betreft, in strijd met de in het EEG-Verdrag neergelegde beginselen van non-discriminatie tussen Lid-Staten, van gelijke behandeling en van vrij verkeer van goederen.
Van mening dat de oplossing van het geschil afhangt van het antwoord op deze vraag, besloten de nationale rechters de behandeling van de zaak te schorsen en het Hof om een uitspraak te vragen over
„de geldigheid van de artikelen 5 en 9 van verordening nr. 1837/80 van de Raad van 27 juni 1980, zoals gewijzigd bij verordening nr. 871/84 van de Raad van 31 maart 1984, gelet op de in het EEG-Verdrag neergelegde beginselen van nondiscriminiatie, gelijke behandeling en vrij verkeer van goederen”.
B — Schriftelijke behandeling
1.
De beschikkingen van het tribunal administratif te Dijon zijn ter griffie van het Hof ingekomen op 7 juli 1988 (zaken C 181/88 en C-182/88), en die van het tribunal administratif te Amiens op 3 augustus 1988 (zaak C-218/88).
2.
Overeenkomstig artikel 20 van's Hofs Statuut-EEG zijn op 26 september en 21 oktober 1988 schriftelijke opmerkingen ingediend door de Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Brautigam, hoofdadministrateur van zijn juridische dienst, op 27 september 1988 door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Hetsch, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde, op 29 september en 3 november 1988 door verzoekers in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door L. Funck-Brentano en C. E. Roth, advocaten te Parijs, op 29 september en 13 oktober 1988 door de Franse regering, vertegenwoordigd door E. Belliard en M. Giacomini als gemachtigden, en op 5 oktober en 4 november 1988 door de Britse regering, vertegenwoordigd door J. A. Gensmantel, van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde.
II — De geldende communautaire regeling
a) De gemeenschappelijke markt
De gemeenschappelijke ordening der markten in de sector schape- en geitevlees is geregeld in verordening nr. 1837/80 van de Raad van 27 juni 1980. Deze verordening voorziet in drie methoden ter ondersteuning van de markt (de jaarlijkse premie per ooi, interventiemaatregelen en de variabele slachtpremie) in aanvankelijk vijf regio's van de Gemeenschap (regio 1, Italië, 2, Frankrijk, 3, Denemarken, Benelux, Bondsrepubliek Duitsland, 4, Ierland, 5, Verenigd Koninkrijk).
De jaarlijkse premie per ooi is bedoeld om het eventuele inkomensverlies als gevolg van de totstandkoming van de nieuwe regeling te compenseren, bestaande in het eventuele verschil tussen de referentieprijs voor een bepaalde regio en de voor het lopende verkoopseizoen te verwachten marktprijs voor die regio (artikel 5, lid 2).
Interventiemaatregelen kunnen worden genomen in de vorm van steunverlening aan particuliere opslag of aankopen door de interventiebureaus. Bedoelde maatregelen kunnen op verzoek van één of meer Lid-Staten worden genomen, wanneer in de periode van 15 juli tot en met 15 december van elk jaar wordt geconstateerd, dat de prijzen op de markt van de Gemeenschap en tegelijkertijd ook op de markt van een bepaalde regio gelijk zijn aan of lager dan een interventieprijs die overeenstemt met 85% van de naar seizoen gedifferentieerde basisprijs (artikelen 6 en 7).
De variabele slachtpremie dekt het verschil tussen het richtniveau (85% van de naar seizoen gedifferentieerde basisprijs) en de in de betrokken Lid-Staat of Lid-Staten geconstateerde marktprijs. Deze premie kan slechts worden verleend wanneer er geen interventiemaatregelen worden toegepast (artikel 9).
Wanneer de variabele slachtpremie wordt toegekend, moeten de- producenten ingeval van uitvoer een gelijk bedrag terugbetalen (claw-back). Krachtens verordening nr. 3191/80 van de Commissie van 9 december 1980 (PB 1980, L 332, blz. 14), gewijzigd bij verordening nr. 1558/82 van 17 juni 1982 (PB 1982, L 172, blz. 21), wordt de variabele premie niet geheven als de betrokken produkten uit de Gemeenschap worden uitgevoerd.
Deze regeling is gewijzigd en aangevuld bij verordening nr. 871/84 van de Raad van 31 maart 1984.
Overeenkomstig deze verordening kan de variabele slachtpremie slechts door het Verenigd Koninkrijk in regio 5 worden toegekend (nieuwe redactie van artikel 9 van de basisverordening). Bij toepassing van deze premie wordt het inkomensverlies verminderd met het gewogen gemiddelde van de werkelijk toegekende variabele premies (nieuwe redactie van artikel 5, lid 6, van de basisverordening).
De regio's zijn opnieuw ingedeeld: regio ( 1 ), Italië en Griekenland, 2, Frankrijk, 3, België, Denemarken, Bondsrepubliek Duitsland, Luxemburg, Nederland, 4, Ierland, 5, Groot-Brittannië, 6, Noord-Ierland) 1, en de referentieprijzen, waarvan het niveau per regio verschilde, zijn afgeschaft. Het inkomensverlies wordt voor de gehele Gemeenschap berekend aan de hand van het eventuele verschil tussen de uniforme basisprijs en de werkelijke marktprijs voor elke regio.
b) Handelsverkeer met derde landen
Rekening houdend met de in de GATT tot stand gekomen consolidatie van de tarieven voor de betrokken produkten, bleek de regeling van de landbouwheffingen bij invoer uit derde landen sterk onvoldoende om de bescherming van de gemeenschappelijke markt te waarborgen. Er zijn vrijwillige beperkingsovereenkomsten gesloten waarin als tegenprestatie het ad valorem recht, zoals in de GATT geconsolideerd (20%), tot 10% werd gereduceerd, en deze overeenkomsten zijn aangevuld door andere overeenkomsten die voor partijen de verplichting bevatten om de traditionele handelsstromen te respecteren.
III — Bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen
a) Schending van bet beginsel van gelijke behandeling
Verzoekers in het hoofdgeding menen, dat de afschaffing van de mogelijkheid voor de Lid-Staten, met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk, om te kiezen tussen de toepassing van de variabele slachtpremie en interventiemaatregelen het beginsel van gelijke behandeling schendt.
Wordt de variabele slachtpremie namelijk per week berekend en zeer prompt betaald, dan kunnen fokkers die buiten het seizoen produceren, zoals verzoekers, worden gecompenseerd voor het werkelijke verschil tussen de garantieprijzen en de marktprijzen op het moment dat zij hun lammeren verkopen. De compensatiepremie voor regio 2 (Frankrijk) wordt evenwel op basis van het jaarlijkse rekenkundig gemiddelde van de wekelijkse nationale prijsnoteringen berekend, zodat het uiteindelijke inkomen van de buiten het seizoen producerende Franse fokker die zijn produktie heeft verkocht in een week waarin de prijsnotering ver onder de basisprijs lag, onder het niveau zal komen te liggen dat is gegarandeerd door de naar seizoen gedifferentieerde basisprijs die door de gemeenschapsautoriteiten wordt vastgesteld. Hieruit volgt dat, wanneer verzoekers hadden kunnen profiteren van de in het Verenigd Koninkrijk geldende compensatievoorwaarden, zij hogere compensaties zouden hebben ontvangen dan die welke het Ofival hun heeft toegekend (14% meer in zaak C-181/88, 13% meer in zaak C-182/88, en 5% meer in zaak C-218/88).
Volgens het arrest van het Hof van 15 september 1982 (zaak 106/81, Kind, Jurispr. 1982, blz. 2885) is de variabele premie enkel verenigbaar met het beginsel van gelijke behandeling, wanneer elke Lid-Staat zelf mag kiezen welke interventiemaatregel voor zijn nationale markt het meest passend is. Sinds verordening nr. 871/84 bestaat deze keus evenwel niet meer.
De opschorting van de „claw-back”-rege-ling voor de Britse uitvoer naar derde landen brengt de overige producenten in de Gemeenschap in een ongunstige concurrentiepositie, aangezien het hun, door het zeer lage prijspeil op de Britse markt ten gevolge van een dergelijke met het beginsel van gelijke behandeling strijdige maatregel feitelijk onmogelijk wordt gemaakt om op de markten van derde landen door te dringen.
De Franse regering deelt deze mening. Volgens haar vormt de ongelijke behandeling in de eerste plaats het enige resterende element van belang waaruit blijkt, dat de ontwikkeling van de gemeenschappelijke marktordening nog steeds niet is voltooid, hoewel de referentieprijzen uniform zijn, en in de tweede plaats een duidelijk voordeel dat enkel aan de Britse producenten ten goede komt. Door de keuzemogelijkheid te beëindigen maakt de nieuwe gemeenschapsregeling, zonder dat dit wordt gerechtvaardigd door objectieve verschillen van enig gewicht, inbreuk op het non-discriminatiebeginsel, zoals dit door het Hof in zijn rechtspraak is gedefinieerd, met name in zijn arrest van 4 februari 1982 (zaak 817/79, Buyl, Jurispr. 1982, blz. 245).
De Raad, de Commissie en de Britse regering vinden het wel gerechtvaardigd, dat er verschillende regelingen bestaan.
De Britse markt vertoont andere kenmerken dan de markten van de overige regio's. Als gevolg van de invoer uit derde landen en de traditionele handelsstromen, liggen de prijzen voor de Britse producenten namelijk op een lager niveau dan die op andere markten. Door deze speciale kenmerken van de Britse markt kan worden verklaard waarom de variabele premie sinds de invoering daarvan bij verordening nr. 1837/80, enkel door het Verenigd Koninkrijk werd toegepast.
In verordening nr. 871/84 is deze praktijk slechts bekrachtigd. Door de mogelijkheid van toepassing van de variabele premie tot regio 5 te beperken, wat door de kenmerken van deze markt noodzakelijk was, is een stap gezet in de richting van de eenwording van de betrokken gemeenschappelijke marktordening.
De interventiemethoden zijn weliswaar verschillend, maar zij worden bij hetzelfde prijspeil toegepast. In de loop van een verkoopseizoen kan de markt dus worden ondersteund door de toekenning van variabele premies in Groot-Brittannië dan wel met interventieaankopen in de overige Lid-Staten, maar de hiermee gemoeide bedragen worden vastgesteld aan de hand van een identieke waarde, te weten respectievelijk het richtniveau en de interventieprijs die elk 85% van de communautaire basisprijs bedragen. Naar aanleiding van het feit dat deze twee vormen van interventie bij dezelfde drempel worden toegepast, overwoog het Hof, dat de Raad, gelet op de beoordelingsvrijheid waarover hij beschikt bij de toepassing van een nog in ontwikkeling verkerende gemeenschappelijke marktordening, en op de hem bij de artikelen 39 en 40 EEG-Verdrag gegeven opdracht, door te differentiëren naar de regio's van de Gemeenschap, het non-discriminatiebeginsel niet heeft geschonden (arrest-Kind, reeds aangehaald).
Het mechanisme van interventieaankopen, dat door alle Lid-Staten kan worden toegepast is voor inkomenssteun aan de producent even doeltreffend als de variabele premie. Vóór 1984 heeft evenwel alleen Frankrijk van dit mechanisme gebruik gemaakt, maar in de loop van het verkoopseizoen 1986 heeft het niet om toepassing ervan verzocht.
De variabele premie die in de loop van het verkoopseizoen enkel aan Britse producenten wordt uitgekeerd, vormt in zekere zin een voorschot op de algemene premie per ooi. De fokkers in probleemgebieden kunnen ook een voorschot krijgen ten belope van 75% van het inkomensverlies, een regeling die Frankrijk voor het verkoopseizoen 1985/1986 heeft benut. Bovendien mocht dit land tot het eind van hetzelfde verkoopseizoen aan fokkers in niet-probleemgebieden bij wijze van staatssteun hetzelfde bedrag voorschieten op grond van de omstandigheden die gedurende die periode in Frankrijk de markt voor schapevlees nadelig hadden beïnvloed: twee achtereenvolgende perioden van droogte in de zomers van 1985 en 1986, waardoor de fokkers een belangrijk gedeelte van hun kudde hebben moeten slachten en grote schulden hebben moeten maken voor de aankoop van voedergewassen, alsmede de aanzienlijke daling van het Britse pond, waardoor tegen een relatief lage prijs schapevlees op de Franse markt kon worden aangeboden (beschikking van de Raad van 16.12.1986, PB 1986, L 382, blz. 3).
Gelet op het voorgaande moet worden geconcludeerd, dat de producenten van schapevlees in de Gemeenschap dezelfde inkomenssteun ontvangen en dat het gelijkheidsbeginsel dus niet is geschonden.
De Commissie voegt hier nog aan toe, dat de toepassing van de „claw-back” op de Britse uitvoer naar derde landen de traditionele handelsstromen vanuit Groot-Brittannië naar de wereldmarkt, waar de prijzen lager liggen dan de marktprijzen in de Gemeenschap, had geschaad. Deze opschortingsmaatregel had tot doel om, overeenkomstig artikel 33 van de basisverordening en totdat de Raad een communautaire politiek inzake de uitvoerrestituties zou hebben vastgesteld, de overgang te vergemakkelijken van de voor 1980 in het Verenigd Koninkrijk bestaande regeling („deficiency payments”) naar de regeling van de gemeenschappelijke marktordening. Deze maatregel moest worden verlengd om te voorkomen, dat de traditionele Britse uitvoerstromen aanzienlijk zouden teruglopen en om het feit, dat er geen restitutieregeling tot stand was gekomen, te compenseren.
De betrokken maatregel is dus om objectieve redenen genomen en dus niet in strijd met het non-discriminatiebeginsel van artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag, dat een bijzondere uitdrukking vormt van het algemene gelijkheidsbeginsel.
De Raad en de Britse regering menen eveneens, dat de betrokken maatregel tot opschorting van de „claw-back” gerechtvaardigd is.
b) Schending van het beginsel van het vrije verkeer
Volgens verzoekers in het hoofdgeding en de Franse regering wordt door het feit dat de variabele slachtpremie uitsluitend aan Britse producenten wordt uitbetaald, het beginsel van het vrije verkeer geschonden.
Deze producenten bevinden zich in een gunstige financiële positie (neerkomend op een renteloze lening) en kunnen steeds profiteren van de aanpassing van de prijzen aan het niveau van de richtprijs, waardoor zij voordelen genieten die de landbouwers in andere regio's niet hebben. Derhalve zijn de prijzen op de Britse markt lager, wat tot een afscherming van deze markt voor de uitvoer uit andere Lid-Staten leidt en de Britse uitvoer naar derde landen begunstigt. Tot staving van hun stelling beroepen verzoekers zich op statistieken betreffende de in- en uitvoer van schapevlees in Frankrijk en in het Verenigd Koninkrijk gedurende de jaren 1985 en 1986.
De Raad is van mening, dat de betrokken regeling geen inbreuk maakt op het beginsel van het vrije verkeer. De variabele slachtpremie kan namelijk wegens de toepassing van de „claw-back” in het intracommunautaire handelsverkeer niet als een exportsubsidie worden beschouwd. Met betrekking tot de vraag of de regeling voor het handelsverkeer met derde landen consequenties heeft die niet stroken met het vrije verkeer van uit derde landen afkomstige goederen, die zich in het vrije verkeer bevinden, merkt de Raad het volgende op.
Kenmerkend voor deze regeling is enerzijds, dat de in het kader van de GATT aangegane internationale verplichtingen moeten worden nagekomen en anderzijds, dat het absoluut noodzakelijk is om hierbij de inkomens van de betrokken producenten in de Gemeenschap zoveel mogelijk te ontzien. In dit verband noemt de Raad de hiervoor vermelde regeling (punt II, sub b) een overgangsregeling die verder zou kunnen worden ontwikkeld met name door middel van overeenkomsten met derde landen die voorzien in de handhaving van een minimumprijs bij de invoer van het betrokken vlees, waardoor de Gemeenschap zou kunnen afzien van toezeggingen tot vrijwillige beperking.
De Commissie heeft deze vraag reeds behandeld met betrekking tot de eventuele schending van het gelijkheidsbeginsel door de opschorting van de „claw-back”-regeling (hierboven sub a) en de Britse regering heeft beide vragen gezamenlijk behandeld.
IV — Conclusies
Aan het eind van hun hiervoor samengevatte opmerkingen geven de partijen die opmerkingen hebben ingediend, in overweging om de vraag te beantwoorden als volgt.
Verzoekers in het hoofdgeding
„Artikel 9, lid 1, van verordening nr. 1837/80 van de Raad van 27 juni 1980, laatstelijk gewijzigd bij verordening nr. 871/84 van de Raad van 31 maart 1984, is ongeldig omdat de alleen aan het Verenigd Koninkrijk gegeven machtiging om in regio 5 een variabele slachtpremie voor schapen toe te kennen, voor zover daarbij de bepalingen van artikel 6, lid 1, sub b, niet worden toegepast, onverenigbaar is met de goede werking van de gemeenschappelijke ordening der markten voor schape- en geitevlees, aangezien zij in strijd is met zowel het gelijkheidsbeginsel van artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag als met het beginsel van het vrije verkeer van goederen.”
De Franse regering
„De artikelen 5 en 9 van verordening nr. 1837/80 van de Raad van 27 juni 1980, zoals gewijzigd bij verordening nr. 871/84 van de Raad van 31 maart 1984, zijn niet in overeenstemming met de in het EEG-Verdrag neergelegde beginselen van non-discriminatie, gelijke behandeling en vrij verkeer van goederen, omdat deze artikelen voorzien in twee methodes ter compensatie van inkomensverlies naar gelang de regio's van de schapevleesproduktie terwijl slechts aan één staat een keuzemogelijkheid is voorbehouden, welk verschil niet objectief gerechtvaardigd is en een concurrentievervalsing tot gevolg heeft.”
De Raad
„Bij onderzoek van de gestelde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van verordening nr. 1837/80 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening nr. 871/84 van de Raad.”
De Commissie
„Bij onderzoek van de vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van
—
de artikelen 5 en 9 van verordening nr. 1837/80 van de Raad van 27 juni 1980;
—
verordening nr. 3191/80 van de Commissie van 9 december 1980, zoals verlengd voor het verkoopseizoen 1986 bij verordening nr. 1361/85.”
De Britse regering
„Er is geen enkele aanleiding om te menen, dat de artikelen 5 en 9 van verordening nr. 1837/80 van de Raad, zoals gewijzigd bij verordening nr. 871/84 van de Raad, de communautaire rechtsbeginselen van non-discriminatie, gelijke behandeling of vrij verkeer van goederen schenden, ten nadele van verzoekers of andere landbouwers in Frankrijk.”
Deze regering meent bovendien, dat zo de intrekking van de mogelijkheid voor Frankrijk en voor andere Lid-Staten om een stelsel van variabele slachtpremies toe te passen, onwettig was, het Hof artikel 174 EEG-Verdrag analoog moet toepassen en moet verklaren, dat deze mogelijkheid aan alle Lid-Staten wordt gegeven, totdat de communautaire regeling in overeenstemming met het arrest van het Hof is gebracht.
J. C. Moitinho de Almeida
rechter-rapporteur
( *1 ) Procestaai: Frans.
( 1 ) Als gevolg van de toetreding van Spanje en Portugal is nog een regio toegevoegd, regio 7, waartoe deze twee landen behoren.
ARREST VAN HET HOF (Vijfde kamer)
13 december 1989 ( *1 )
In de gevoegde zaken C-181/88, C-182/88 en C-218/88,
betreffende verzoeken aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het tribunal administratif te Dijon (Frankrijk) (zaken C-181/88 en C-182/88) en van het tribunal administratif te Amiens (Frankrijk) (zaak C-218/88), in de aldaar aanhangige gedingen tussen
J.F. Deschamps
en
Office national interprofessionnel des viandes, de l'élevage et de l'aviculture (Ofival),
tussen
Groupement agricole d'exploitation en commun des Champs Fleuris
en
Office national interprofessionnel des viandes, de l'élevage et de l'aviculture (Ofival),
en tussen
Groupement agricole d'exploitation en commun (GAEC) Lambert
en
Office national interprofessionnel des viandes, de l'élevage et de l'aviculture (Ofival),
om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van de artikelen 5 en 9 van verordening (EEG) nr. 1837/80 van de Raad van 27 juni 1980 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector schape- en geitevlees (PB 1980, L 183, biz. 1), zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 871/84 van de Raad van 31 maart 1984 (PB 1984, L 90, biz. 35),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
samengesteld als volgt: Sir Gordon Slynn, kamerpresident, M. Zuleeg, R. Joliét, J. C. Moitinho de Almeida en G. C. Rodríguez Iglesias, rechters,
advocaat-generaal: C. O. Lenz
griffier: B. Pastor, administrateur
gelet op de opmerkingen, ingediend door:
—
verzoekers in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door L. Funck-Brentano en Ch. E. Roth, advocaten te Parijs,
—
de Franse regering, vertegenwoordigd door E. Belliard en M. Giacomini als gemachtigden,
—
de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. A. Gensmantel, van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde, tijdens de mondelinge behandeling bijgestaan door D. Wyatt,
—
de Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door A. Brautigam, lid van zijn juridische dienst, als gemachtigde,
—
de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Hetsch, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 19 april 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 13 juni 1989,
het navolgende
Arrest
1
Bij beschikkingen van 28 juni en 19 juli 1988, ingekomen ten Hove op respectievelijk 4 juli en 3 augustus daaraanvolgend, hebben het tribunal administratif te Dijon en het tribunal administratif te Amiens krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de geldigheid van de artikelen 5 en 9 van verordening nr. 1837/80 van de Raad van 27 juni 1980 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector schape- en geitevlees (PB 1980, L 183, blz. 1), zoals gewijzigd bij verordening nr. 871/84 van de Raad van 31 maart 1984 (PB 1984, L 90, blz. 35).
2
Deze vraag is gerezen in het kader van door drie Franse producenten van schapevlees ingestelde beroepen tegen de beschikkingen van de directeur van de Office national interprofessionnel des viandes, de l'élevage et de l'aviculture (hierna: „Ofival”), waarbij met toepassing van artikel 5 van verordening nr. 1837/80 het bedrag werd vastgesteld van de premie ter compensatie van het inkomensverlies dat door elk van deze producenten over het verkoopseizoen 1986 was geleden.
3
Verzoekers in het hoofdgeding kwamen tegen deze beschikkingen op met het betoog, dat zij op een onwettige verordening berustten, te weten verordening nr.1837/80 van de Raad, omdat artikel 9 van deze verordening, zoals gewijzigd bij verordening nr. 871/84 van de Raad, voorziet dat het Verenigd Koninkrijk ter compensatie van het inkomensverlies tussen twee methoden kan kiezen, te weten de jaarlijkse premie per ooi en de variabele slachtpremie, terwijl de andere Lid-Staten krachtens artikel 5 van dezelfde verordening slechts één enkele methode mogen toepassen, te weten de jaarlijkse premie per ooi.
4
Ten einde de gegrondheid van de door verzoekers in het hoofdgeding aangevoerde middelen te kunnen beoordelen, besloot het tribunal administratif te Dijon (zaken C-181/88 en C-182/88) de behandeling van de zaak te schorsen, totdat het Hof een uitspraak heeft gedaan over de vraag:
„Zijn de artikelen 5 en 9 van verordening nr. 1837/80 van de Raad van 27 juni 1980, zoals gewijzigd bij verordening nr. 871/84 van de Raad van 31 maart 1984, geldig, gelet op de in het EEG-Verdrag neergelegde beginselen van non-discriminatie, gelijke behandeling en vrij verkeer van goederen ?”
5
In eenzelfde context besloot het tribunal administratif te Amiens (zaak C-218/88) het Hof om een prejudiciële beslissing te verzoeken over de vraag:
„Zijn de artikelen 5 en 9 van verordening nr. 1837/80, zoals gewijzigd bij verordening nr. 871/84, in strijd met de beginselen van non-discriminatie tussen producenten en van vrij verkeer van goederen, zoals neergelegd in de artikelen 40, lid 3, tweede en derde alinea, en 30 EEG-Verdrag, voor zover zij twee regelingen ter compensatie van inkomensverlies voorzien, waarbij echter slechts één Lid-Staat een mogelijkheid van keuze heeft.”
6
Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, de betrokken gemeenschapsregeling, het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen, wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
De geldigheid van de regeling, in het licht van het gelijkheids- en het non-discrimi-natiebeginsel
7
Verordening nr. 1837/80 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector schape- en geitevlees, zoals gewijzigd, voorziet in drie mogelijkheden tot ondersteuning van deze markt: de jaarlijkse premie per ooi, interventiemaatregelen en de variabele slachtpremie.
8
De jaarlijkse premie per ooi, die bestemd is ter compensatie van het inkomensverlies dat producenten in de loop van het verkoopseizoen hebben geleden, wordt aan het eind van het seizoen uitbetaald. Deze premie komt overeen met het eventuele verschil tussen de jaarlijks door de Raad vastgestelde basisprijs en het rekenkundig gemiddelde van de tijdens het verkoopseizoen voor elke regio geconstateerde marktprijzen (artikel 5, lid 2).
9
De Commissie kan evenwel tijdens het verkoopseizoen de Lid-Staten toestaan een voorschot op de jaarlijkse premie per ooi uit te betalen aan producenten van schapevlees die zich bevinden in de probleemgebieden die zijn afgebakend overeenkomstig artikel 3, leden 3, 4 en 5, van richtlijn 75/268/EEG betreffende de landbouw in bergstreken en in sommige probleemgebieden (PB 1975, L 128, blz. 1; artikel 5, lid 4, van verordening nr. 1837/80, zoals gewijzigd bij verordening nr. 871/84).
10
De interventiemaatregelen kunnen worden genomen in de vorm van steunverlening aan particuliere opslag en van aankopen door de interventiebureaus. De aankopen worden op verzoek van één of meer Lid-Staten verricht, wanneer wordt vastgesteld, dat in de periode van 15 juli tot en met 15 december van elk jaar de marktprijs gelijk is aan of lager dan een naar seizoen gedifferentieerde interventieprijs die overeenkomt met 85% van de naar seizoen gedifferentieerde basisprijs, en tegelijkertijd de op de representatieve markten van een bepaalde regio geconstateerde prijs gelijk is aan of lager is dan de naar seizoen gedifferentieerde interventieprijs (artikelen 6 en 7).
11
De variabele slachtpremie wordt tijdens het verkoopseizoen uitbetaald. Zij omvat het verschil tussen het naar seizoen gedifferentieerde richtniveau, dat wil zeggen 85% van de naar seizoen gedifferentieerde basisprijs, en de in regio 5, te weten het Verenigd Koninkrijk, geconstateerde marktprijs. Deze premie kan enkel door het Verenigd Koninkrijk worden toegekend en op voorwaarde dat door de interventiebureaus niet tot aankopen overeenkomstig artikel 6, lid 1, sub b, van verordening nr. 1837/80 is overgegaan. De jaarlijkse premie per ooi, die kan worden toegekend aan het eind van het verkoopseizoen, wordt volgens een bepaalde, in artikel 5, lid 6, van dezelfde verordening vastgestelde methode verminderd met het bedrag van de variabele slachtpremies die tijdens het verkoopseizoen zijn uitbetaald.
12
Wanneer de slachtpremie is toegekend, wordt van de producenten bij uitvoer een aan deze premie gelijkwaardig bedrag geheven (claw-back, artikel 9, leden 3 en 4, van verordening nr. 1837/80). Volgens verordening (EEG) nr. 3191/80 van de Commissie van 9 december 1980 inzake overgangsmaatregelen voor het niet terugvorderen van de variabele slachtpremie voor de produkten van de sector schape- en geitevlees die worden uitgevoerd uit de Gemeenschap (PB 1980, L 332, blz. 14), zoals gewijzigd bij verordening nr. 1558/82 van de Commissie van 17 juni 1982 (PB 1982, L 172, blz. 21), wordt de variabele premie evenwel niet teruggevorderd bij uitvoer van de betrokken produkten uit de Gemeenschap.
13
Verzoekers in het hoofdgeding en de Franse regering menen, dat de opheffing van de mogelijkheid voor de Lid-Staten, met uitzondering van het Verenigd Koninkrijk (regio 5), om te kiezen voor de toepassing van de variabele slachtpremie, de Britse producenten in een gunstiger positie plaatst dan de andere producenten in de Gemeenschap. Door de variabele slachtpremie, die per week wordt berekend en prompt wordt uitbetaald, zouden de buiten het seizoen producerende fokkers, zoals verzoekers in het hoofdgeding, een compensatie kunnen verkrijgen voor het werkelijke verschil tussen de garantieprijzen en de marktprijzen op het tijdstip waarop zij hun lammeren verkopen. Waar de compensatiepremie overeenkomt met het jaarlijks rekenkundig gemiddelde van de wekelijkse nationale prijsnoteringen zouden de uiteindelijke inkomsten van de buiten het seizoen producerende Franse fokker die zijn produktie heeft verkocht in een week waarin de prijsnotering veel lager was dan de basisprijs, onder het niveau komen te liggen, dat wordt gegarandeerd door de naar seizoen gedifferentieerde basisprijs, zoals vastgesteld door de communautaire autoriteiten. Hieruit volgt dat, indien verzoekers hadden kunnen profiteren van de in het Verenigd Koninkrijk toegepaste compensatievoorwaarden, zij aanzienlijk hogere vergoedingen hadden verkregen dan die welke het Ofival hun heeft toegekend.
14
Bovendien zou de toepassing van de variabele slachtpremie alsmede de opschorting van de „claw-back” regeling voor de Britse export naar derde landen ertoe leiden dat de producenten uit regio 5 tegen zeer lage prijzen kunnen verkopen en dat de in de overige regio's van de Gemeenschap gevestigde producenten niet op de markten van derde landen kunnen doordringen.
15
Volgens verzoekers in het hoofdgeding en de Franse regering zijn de artikelen 5 en 9 van verordening nr. 1837/80 in strijd met het in de artikelen 7 en 40, derde alinea, EEG-Verdrag neergelegde discriminatieverbod, omdat het in deze bepalingen gemaakte onderscheid tussen de Lid-Staten niet door objectieve omstandigheden wordt gerechtvaardigd.
16
Zoals het Hof overwoog in zijn arrest van 15 september 1982 (zaak 106/81, Kind, Jurispr. 1982, blz. 2885, r. o. 18), levert de omstandigheid dat de Lid-Staten tussen twee interventiemethoden kunnen kiezen, de variabele slachtpremie en interventieaankopen, die beide bij hetzelfde prijsniveau van toepassing worden, geen discriminatie op, wanneer de tussen de diverse marktsituaties in de Gemeenschap bestaande verschillen dit vereisen.
17
Hieruit volgt, dat alleen moet worden onderzocht of de betrokken verordening door de mogelijkheid om een variabele slachtpremie toe te kennen in een bepaalde regio aan één Lid-Staat voor te behouden, inbreuk maakt op het beginsel van gelijke behandeling waarvan artikel 40, derde alinea, EEG-Verdrag slechts een bijzondere uitdrukking vormt.
18
Dit beginsel verlangt, dat vergelijkbare situaties niet verschillend worden behandeld, tenzij dit verschil objectief gerechtvaardigd is.
19
De regeling van het handelsverkeer met derde landen, welke mede overeenkomsten inzake vrijwillige beperking omvat, op grond waarvan de traditionele handelsstromen moeten worden geëerbiedigd, doch als tegenprestatie het in het kader van de GATT geconsolideerde ad valorem recht tot 10% wordt verlaagd, heeft tot gevolg, dat de prijzen op de markt van regio 5, de regio waarin het meeste schapevlees uit derde landen wordt geïmporteerd, aanmerkelijk lager liggen dan in de andere regio's. In een dergelijke markt zijn steunmaatregelen noodzakelijk, zoals de variabele slachtpremie, die niet tot doel heeft het prijspeil te steunen, — dit doel wordt bereikt door aankopen door de interventiebureaus en door steunverlening aan particuliere opslag —, maar om de producenten financiële steun te verlenen zonder de marktprijzen te beïnvloeden.
20
De marktprijzen van regio 5 bevinden zich als gevolg van de traditionele handelsstromen voortdurend op een lager peil dan het richtniveau, waardoor de variabele premie moet worden betaald. De Lid-Statën hebben deze premies nooit in de andere regio's toegekend, terwijl zij daartoe wel de mogelijkheid hadden.
21
Toen de gemeenschapswetgever deze bijzondere kenmerken van de Britse markt vaststelde, heeft hij ter aanvulling op de maatregelen van verordening nr. 871/84, die de eenheid van de betrokken gemeenschappelijke marktordening moeten verzekeren, de mogelijkheid om de variabele slachtpremie toe te kennen in alle regio's afgeschaft behalve in regio 5, omdat alleen de markt in die regio dergelijke steunmaatregelen noodzakelijk maakt.
22
Zoals eerder gezegd, kan in bepaalde gebieden van andere regio's, waar de omstandigheden voor de producenten eveneens ongunstig zijn, een voorschot op de jaarlijkse premie per ooi worden toegekend (75% in 1986). Hetzelfde voorschot kan ook in andere gebieden als staatssteun worden betaald, indien de omstandigheden zulks rechtvaardigen. Dit was tot het einde van het verkoopseizoen 1985/1986 het geval in Frankrijk. De toenmalige marktomstandigheden werden enerzijds gekenmerkt door twee achtereenvolgende perioden van droogte in 1985 en 1986, waardoor de fokkers een belangrijk gedeelte van de kudde hebben moeten slachten en zij bijgevolg grote schulden hebben moeten maken voor de aankoop van voedergewassen, en anderzijds door de aanzienlijke daling van het Britse pond, waardoor schapevlees tegen betrekkelijk lage prijzen op de Franse markt kon worden aangeboden (beschikking van de Raad van 16 december 1986, PB 1986, L 382, blz. 3).
23
Voorts was de opschorting van de „claw-back” voor de Britse uitvoer naar derde landen volgens de Commissie noodzakelijk om de traditionele uitvoerstromen uit Groot-Brittannië in stand te houden. Zonder de regeling van de uitvoerrestituties, zoals voorzien in artikel 17 van verordening nr. 1837/80, zou de toepassing van de „claw-back” deze stromen hebben aangetast, daar de prijzen op de wereldmarkt lager zijn dan in de Gemeenschap.
24
Ten slotte kan na een vergelijking van de variabele slachtpremie met de jaarlijkse ooipremie niet worden geconcludeerd, dat eerstgenoemde premie aan buiten het seizoen producerende fokkers voordelen biedt, en dat de mogelijkheid om deze premie slechts aan producenten in één regio uit te keren dus in strijd is met het gelijkheidsbeginsel. De buiten het seizoen producerende fokkers in andere regio's kunnen namelijk in beginsel in aanmerking komen voor de toepassing van interventieaankopen, die bij dezelfde drempelprijs van toepassing worden als de variabele slachtpremie. Deze interventiemaatregelen zijn evenwel niet genomen, omdat de marktprijzen in de overige regio's in het algemeen boven deze interventietoepassingsprijs liggen, dat wil zeggen boven 85% van de naar seizoen gedifferentieerde basisprijs.
25
Gelet op de beoordelingsvrijheid waarover de instellingen bij de toepassing van een gemeenschappelijke marktordening beschikken, alsmede op artikel 39, lid 2, EEG-Verdrag, volgens hetwelk „bij het totstandbrengen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en van de daarvoor te treffen bijzondere voorzieningen” rekening zal worden gehouden met „de structurele en natuurlijke ongelijkheid tussen de verschillende landbouwgebieden” en met „de noodzaak de dienstige aanpassingen geleidelijk te doen verlopen”, is de aan één Lid-Staat geboden mogelijkheid om de variabele premie in een bepaalde regio toe te passen dus niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
De geldigheid van de regeling in het licht van het beginsel van het vrije verkeer
26
Volgens verzoekers in het hoofdgeding en de Franse regering vormt het feit dat de variabele slachtpremie uitsluitend aan Britse producenten wordt uitbetaald, een schending van het beginsel van het vrije verkeer. Deze producenten komt een maatregel ten goede, die is aan te merken als een renteloze lening en zij kunnen altijd nog profiteren van de aanpassing van de prijzen aan het niveau van de richtprijs, wat hun voordelen oplevert waarop de boeren uit andere regio's geen aanspraak hebben. Op de Britse markt gelden derhalve lagere prijzen, hetgeen de uitvoer vanuit andere Lid-Staten naar de Britse markt belemmert en de Britse uitvoer naar derde landen begunstigt.
27
Wat het intracommunautaire handelsverkeer betreft, de „claw-back”, die moet worden betaald bij het verlaten van regio 5 en een gedeelte van de variabele slachtpremie bedraagt, dient de invloed van deze premie volledig te compenseren en aldus de uitvoer van produkten uit de regio waar deze premie wordt toegekend, naar de andere Lid-Staten mogelijk te maken zonder hun markt te verstoren.
28
Voorts is het prijsniveau op de Britse markt, waardoor deze markt zou worden afgeschermd tegen de invoer uit andere Lid-Staten, een gevolg van de voor het handelsverkeer met derde landen geldende regeling, waarin nog geen wijziging is kunnen worden aangebracht.
29
Hieruit volgt, dat de artikelen 5 en 9 van verordening nr. 1837/80 geen inbreuk maken op het beginsel van het vrije verkeer van goederen.
30
Ten aanzien van het handelsverkeer met derde landen, waarvoor het beginsel van het vrije verkeer van goederen niet geldt, wordt verwezen naar hetgeen hiervoor is _ opgemerkt over de beweerde schending van het gelijkheidsbeginsel.
31
Uit voorgaande overwegingen volgt, dat op de vragen van het tribunal administratif te Dijon en het tribunal administratif te Amiens moet worden geantwoord, dat bij onderzoek van de gestelde vragen niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de artikelen 5 en 9 van verordening nr. 1837/80 van de Raad van 17 juni 1980, zoals gewijzigd bij verordening nr. 871/84 van de Raad van 31 maart 1984, kunnen aantasten.
Kosten
32
De kosten door de Franse en de Britse regering, de Raad en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechtelijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Vijfde kamer),
uitspraak doende op de door het tribunal administratif te Dijon en het tribunal administratif te Amiens bij beschikkingen van 28 juni en 19 juli 1988 gestelde vragen, verklaart voor recht:
„Bij onderzoek van de gestelde vragen is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van de artikelen 5 en 9 van verordening nr. 1837/80 van de Raad van 27 juni 1980, zoals gewijzigd bij verordening nr. 871/84 van de Raad van 31 maart 1984, kunnen aantasten.”
Slynn
Zuleeg
Joliét
Moitinho de Almeida
Rodríguez Iglesias
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 13 december 1989.
De griffier
J.-G. Giraud
De president van de Vijfde kamer
Sir Gordon Slynn
( *1 ) Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy