Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1 . Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Invaliditeitsverzekering - Berekening van uitkeringen - Hoogste theoretisch bedrag gelijk aan bedrag van volledige uitkering die uitsluitend ingevolge wetgeving van een Lid-Staat verschuldigd is - Toepassing van communautair anti-cumulatievoorschrift
( EEG-Verdrag, artikel 51; verordening nr . 1408/71 van de Raad, artikel 46, lid 3 )
2 . Sociale zekerheid van migrerende werknemers - Invaliditeitsverzekering - Uitkeringen - Wijziging - Herberekening - Vermindering van één van de uitkeringen - Verplichting voor orgaan dat zijn uitkeringen vermindert, om last te dragen van tijdelijk te veel betaalde uitkeringen - Uitgesloten
( Verordeningen van de Raad nrs . 1408/71, artikel 51, lid 2, en 574/72, artikel 112 )
Samenvatting
1 . Artikel 46, lid 3, van verordening nr . 1408/71 moet aldus worden uitgelegd, dat het hoogste van de volgens de bepalingen van lid 2, sub a, berekende theoretische uitkeringsbedragen de bovengrens is van de uitkeringen waarop een migrerend werknemer krachtens de gemeenschapsregeling aanspraak kan maken, ook in het geval dat dit theoretisch bedrag gelijk is aan het bedrag van de volledige uitkering die uitsluitend ingevolge de wetgeving van een Lid-Staat verschuldigd is .
In deze uitlegging is genoemde bepaling niet onverenigbaar met artikel 51 van het Verdrag, aangezien artikel 46 van verordening nr . 1408/71 slechts toepassing kan vinden wanneer het daarbij mogelijk is, de migrerend werknemer een uitkering toe te kennen die ten minste even hoog is als die welke uitsluitend ingevolge de bepalingen van een nationale wetgeving verschuldigd is .
2 . Wanneer ingevolge artikel 51, lid 2, van verordening nr . 1408/71 de uitkeringen opnieuw worden berekend en dit tot een vermindering van de door het orgaan van een Lid-Staat betaalde uitkering leidt zonder dat de door het orgaan van een andere Lid-Staat betaalde uitkering wijziging ondergaat en dit laatste orgaan dus niet kan beschikken over nog aan de uitkeringsgerechtigde te betalen achterstallige pensioentermijnen, dwingt artikel 112 van verordening nr . 574/72 het eerstbedoelde orgaan niet ertoe, zelf de last te dragen van de uitkeringen die het te veel heeft betaald gedurende de periode die met de herberekening van de uitkeringen gemoeid was .
Partijen
In zaak C-199/88,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Arbeidsrechtbank te Brussel, in het aldaar aanhanging geding tussen
G . Cabras
en
Rijksinstituut voor ziekte - en invaliditeitsverzekering,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 51 EEG-Verdrag, artikel 46, lid 3, van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen ( gecodificeerde versie van verordening ( EEG ) nr . 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, PB 1983, L 230, blz . 6 ), en artikel 112 van verordening ( EEG ) nr . 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van voormelde verordening ( gecodificeerde versie van verordening ( EEG ) nr . 2001/83 van de Raad van 2 juni 1983, PB 1983, L 230, blz . 86 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Derde Kamer ),
samengesteld als volgt : M . Zuleeg, kamerpresident, J . C . Moitinho de Almeida en F . Grévisse, rechters,
advocaat-generaal : F . G . Jacobs
griffier : D . Louterman, hoofdadministrateur
gelet op de opmerkingen ingediend door :
- G . Cabras, vertegenwoordigd door D . Rossini, vakbondsafgevaardigde,
- het RIZIV, vertegenwoordigd door J.-J . Masquelin, advocaat te Brussel,
- de Italiaanse regering, vertegenwoordigd door P.-G . Ferri, avvocato dello Stato, als gemachtigde,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J.-C . Séché als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 12 december 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 8 februari 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij vonnis van 30 juni 1988, ingekomen ten Hove op 21 juli daaraanvolgend, heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel krachtens artikel 177 EEG-Verdrag twee prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van artikel 51 EEG-Verdrag, artikel 46, lid 3, van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen ( gecodificeerde versie van verordening ( EEG ) nr . 2001/83 van de Raad van 2.6.1983, PB 1983, L 230, blz . 8 ), en artikel 112 van verordening ( EEG ) nr . 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 tot vaststelling van de wijze van toepassing van voormelde verordening ( gecodificeerde versie van verordening ( EEG ) nr . 2001/83 van de Raad van 2.6.1983, PB 1983, L 230, blz . 86 ).
2 Deze vragen zijn gerezen in een geding tussen G . Cabras, verzoeker in het hoofdgeding, en het Rijksinstituut voor ziekte - en invaliditeitsverzekering ( hierna : RIZIV ), het bevoegde Belgische orgaan ter zake van invaliditeitsuitkeringen .
3 Blijkens het dossier heeft Cabras, van Italiaanse nationaliteit, in Italië en in België als werknemer gewerkt . Toen hij arbeidsongeschikt werd, kenden beide landen hem per 1 oktober 1973 een invaliditeitsuitkering toe .
4 Anders dan de Belgische wetgeving ( wetgeving van het type A ) stelt de Italiaanse wetgeving ( wetgeving van het type B ) het bedrag van de invaliditeitsuitkering afhankelijk van de duur van de verzekeringstijdvakken . Ingevolge artikel 40, lid 1, van verordening nr . 1408/71 was het bepaalde in artikel 46 van de verordening van overeenkomstige toepassing bij de vaststelling van de aan Cabras verschuldigde uitkeringen .
5 De Italiaanse invaliditeitsuitkering werd berekend overeenkomstig de samentellings - en prorataregeling van artikel 46, lid 2 .
6 De Belgische invaliditeitsuitkering werd uitsluitend op basis van de nationale wettelijke regeling bepaald . Met toepassing van de anti-cumulatieregels van deze wettelijke regeling werd de door het bevoegde Belgische orgaan aan Cabras uitgekeerde uitkering vastgesteld op het bedrag van de volledige Belgische uitkering verminderd met dat van de Italiaanse geproratiseerde uitkering . Wegens de anti-cumulatieregel van artikel 46, lid 3, van verordening nr . 1408/71 zou toepassing van de gemeenschapsregeling voor de betrokken werknemer niet gunstiger zijn geweest .
7 Nadien werden beide uitkeringen los van elkaar aangepast, overeenkomstig de in elk van de betrokken landen geldende regels voor de indexering van pensioenen . Met name de Italiaanse uitkering werd althans gedurende enkele jaren herhaaldelijk aanzienlijk verhoogd . Ingevolge artikel 51, lid 1, van verordening nr . 1408/71 leidden deze aanpassingen niet tot een herberekening van de uitkeringen overeenkomstig artikel 46 .
8 Bij Belgische koninklijke besluiten van 23 maart en 17 juni 1982 werd per 1 juli 1982 wijziging gebracht in de voorwaarden voor kwalificatie als persoon ten laste bij de vaststelling van het bedrag van de invaliditeitsuitkeringen . Ingevolge deze nieuwe regeling moest Cabras voortaan als persoon "zonder gezinslast" worden beschouwd . Op deze grond werd de hem uitsluitend krachtens de Belgische wettelijke regeling toekomende invaliditeitsuitkering verlaagd .
9 Bovendien werd krachtens artikel 51, lid 2, van verordening nr . 1408/71 overgegaan tot een herberekening van de uitkeringen overeenkomstig artikel 46 .
10 Het Belgische orgaan was daarbij van mening, dat voor de toepassing van artikel 46, lid 3, de autonome Belgische uitkering moest worden verminderd met de geproratiseerde Italiaanse uitkering, en wel met het bedrag hiervan dat gold op de dag waarop de uitkeringsrechten opnieuw werden vastgesteld, dus met inbegrip van de inmiddels opgetreden zeer aanzienlijke stijging . Toepassing van het gemeenschapsrecht, zo constateerde het Belgische orgaan, was daardoor voor Cabras niet gunstiger dan toepassing van het nationale recht, met inbegrip van de anti-cumulatieregels ervan . Evenals bij de oorspronkelijke vaststelling op 1 oktober 1973 berekende het Cabras' nieuwe uitkering dus uitsluitend op basis van de nationale wettelijke regeling en bracht het het verhoogde bedrag van de Italiaanse uitkering in mindering op het bedrag van de volledige Belgische uitkering .
11 Wegens de tijd die met de herberekening van de uitkering gemoeid was, bleef Cabras na 1 juli 1982 echter hetzelfde uitkeringsbedrag ontvangen als voordien . Het besluit van het RIZIV houdende vaststelling van het nieuwe, lagere uitkeringsbedrag, werd hem op 23 februari 1984 ter kennis gebracht . Daarbij werd hij verzocht, de bedragen terug te betalen die hij tussen 1 juli 1982 en 30 juni 1983 - vanaf welke datum hij opnieuw als persoon "met gezinslast" in de zin van de Belgische regeling was te beschouwen - te veel had ontvangen . Een nieuw besluit houdende vaststelling van zijn rechten op laatstgenoemde datum werd hem op 19 oktober 1984 ter kennis gebracht .
12 Cabras stelde bij de Arbeidsrechtbank te Brussel beroep in tegen de besluiten houdende herberekening en verlaging van zijn invaliditeitsuitkering . Voorts kwam hij op tegen de terugwerkende kracht ervan alsmede tegen de terugvordering van het onverschuldigd betaalde .
13 Voor de Arbeidsrechtbank stelde Cabras schending van artikel 51 EEG-Verdrag, doordat de krachtens de wettelijke regeling van een Lid-Staat toegekende uitkering wordt verminderd met het volledige bedrag van de krachtens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat verschuldigde uitkering, waardoor het in die andere Lid-Staat vervulde verzekeringstijdvak de migrerend werknemer geen enkel voordeel oplevert . Voorts zou artikel 112 van verordening nr . 574/72 zich ertegen verzetten, dat een werknemer bedragen moet terugbetalen waarvan bij een herberekening van de uitkeringen krachtens artikel 51, lid 2, van verordening nr . 1408/71 is gebleken dat zij onverschuldigd zijn betaald, wanneer die herberekening door slechts één orgaan wordt verricht, de uitkering van het andere orgaan daarop invloed heeft en dit andere orgaan niet beschikt over achterstallige uitkeringstermijnen die het ter beschikking van eerstbedoeld orgaan kan stellen .
14 Gelet op een en ander heeft de Arbeidsrechtbank te Brussel besloten, de behandeling van de zaak te schorsen totdat het Hof zich bij wege van prejudiciële beslissing heeft uitgesproken over de volgende vragen :
" 1 ) Vormt het in artikel 46, lid 3, van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 bedoelde theoretisch bedrag een absoluut maximum dat in geen geval mag worden overschreden, zelfs niet wanneer bij toepassing van een wetgeving van type A het theoretische pensioen gelijk is aan het nationale pensioen?
Zo ja, is het verenigbaar met artikel 51 EEG-Verdrag, dat de in een Lid-Staat op grond van het gemeenschapsrecht toegekende vordering geheel opgaat in een door een andere Lid-Staat uitsluitend op grond van de nationale wetgeving toegekende vordering?
Zo neen, hoe moet de correctiecoëfficiënt worden berekend, wanneer slechts een van de uitkeringen overeenkomstig de bepalingen van lid 1 is vastgesteld?
2 ) Mag het bevoegde orgaan van een Lid-Staat, wanneer het op grond van artikel 51, lid 2, van verordening nr . 1408/71 de situatie van een migrerend werknemer herziet en de herberekening tot gevolg heeft dat de rechten van de betrokkene worden verminderd doordat rekening wordt gehouden met de uitkering die hij ontvangt in een andere Lid-Staat waar de herberekening geen gevolgen sorteert, de als gevolg van de toepassing van het gemeenschapsrecht ( artikelen 46 en 51 van verordening nr . 1408/71 ) onverschuldigd gebleken betalingen met retroactieve werking terugvorderen, of moet het op grond van artikel 112 van verordening nr . 574/72 daarvan afzien, wanneer het bevoegde orgaan van de andere Lid-Staat, dat de niet-herberekende uitkering verschuldigd is, het eerste orgaan geen achterstallige uitkeringen ter beschikking kan stellen?"
15 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
De eerste vraag
16 Met het eerste onderdeel van deze vraag wenst de nationale rechter te vernemen, of artikel 46, lid 3, van verordening nr . 1408/71 aldus moet worden uitgelegd, dat het hoogste van de volgens lid 2, sub a, berekende theoretische uitkeringsbedragen de bovengrens vormt van de uitkeringen waarop een migrerend werknemer krachtens de gemeenschapsregeling aanspraak kan maken, ook wanneer dit theoretisch bedrag gelijk is aan dat van de volledige uitkering die uitsluitend ingevolge de wetgeving van een Lid-Staat verschuldigd is .
17 In zijn arrest van 17 december 1987 ( zaak 323/86, Collini, Jurispr . 1987, blz . 5489 ) herinnerde het Hof eraan, dat volgens artikel 40, lid 1, van verordening nr . 1408/71 artikel 46 daarvan - met inbegrip van de anti-cumulatiebepaling van lid 3 - van overeenkomstige toepassing is op invaliditeitsuitkeringen, wanneer een werknemer onderworpen is geweest aan nationale wettelijke regelingen waarvan er ten minste één het bedrag van de uitkeringen afhankelijk stelt van de duur van de verzekeringstijdvakken .
18 In hetzelfde arrest verklaarde het Hof voorts voor recht, dat de anti-cumulatiebepaling van artikel 46, lid 3, van toepassing is in alle gevallen waarin de som van de overeenkomstig de leden 1 en 2 van dat artikel berekende uitkeringen hoger is dan het hoogste van de volgens lid 2, sub a, berekende theoretische uitkeringsbedragen .
19 Wanneer krachtens een nationale wettelijke regeling van het type A het bedrag van een uitkering onafhankelijk is van de duur van de volbrachte verzekeringstijdvakken en de werknemer voldoet aan de door deze wettelijke regeling gestelde voorwaarden waaronder het recht op uitkering ontstaat, is het theoretische bedrag van deze uitkering gelijk aan het bedrag bedoeld in artikel 46, lid 1, eerste alinea, dat wil zeggen het bedrag van de volledige uitkering waarop deze werknemer volgens de nationale wettelijke regeling recht zou hebben indien hij geen uitkering krachtens de wettelijke regeling van een andere Lid-Staat genoot .
20 In een dergelijk geval, en althans voor zover het theoretisch bedrag van de door het orgaan van een andere Lid-Staat berekende uitkering niet hoger is, beperkt de anti-cumulatieregel van artikel 46, lid 3, het gecumuleerde bedrag van de overeenkomstig de leden 1 en 2 van dit artikel berekende uitkeringen dus tot het bedrag van de volledige uitkering waarop de werknemer uitsluitend ingevolge de nationale wettelijke regeling van het type A aanspraak kan maken .
21 Mitsdien moet het eerste onderdeel van de eerste prejudiciële vraag bevestigend worden beantwoord .
22 Dit betekent dat ook het tweede onderdeel van deze vraag - namelijk of artikel 46, lid 3, in deze uitlegging verenigbaar is met artikel 51 EEG-Verdrag - moet worden beantwoord .
23 Artikel 51 EEG-Verdrag beoogt de nadelen op te heffen die voor migrerende werknemers kunnen voortvloeien uit de omstandigheid dat hun sociale-zekerheidsrechten onder verschillende nationale wettelijke regelingen zijn verkregen .
24 Dit doel zou niet worden bereikt indien migrerende werknemers door de uitoefening van hun recht van vrij verkeer de sociale-zekerheidsvoordelen verliezen die de wettelijke regeling van een Lid-Staat hun in ieder geval toekent, of indien zij in een minder gunstige situatie komen te verkeren dan wanneer zij heel hun loopbaan in één Lid-Staat hadden volbracht .
25 De regeling van artikel 46 van verordening nr . 1408/71 kan volgens de rechtspraak dan ook enkel op een migrerend werknemer worden toegepast wanneer zij niet tot gevolg heeft, dat de betrokkene gedeeltelijk de voordelen verliest die de wettelijke regeling van een Lid-Staat hem toekent, en zij niet belet dat hij ten minste het volledige bedrag ontvangt van de gunstigste uitkering die hem uitsluitend ingevolge deze wettelijke regeling toekomt .
26 De gemeenschapsregeling kan dus alleen toepassing vinden wanneer dit voor de migrerend werknemer ten minste even gunstig blijkt te zijn als de integrale toepassing van uitsluitend de nationale wettelijke regeling, met inbegrip van haar anti-cumulatieregels .
27 In dat geval moet de gemeenschapsregeling echter volledig worden toegepast . De beperkingen die zij voor de migrerend werknemer kan meebrengen, moeten dan op de koop toe worden genomen, want deze staan tegenover de sociale-zekerheidsvoordelen die die werknemer aan deze regeling ontleent en zonder haar niet kan verkrijgen .
28 Gelet op het voorgaande, kan de anti-cumulatieregel van artikel 46, lid 3, van verordening nr . 1408/71 niet als onverenigbaar met artikel 51 EEG-Verdrag worden beschouwd om de enkele reden dat hij in een situatie als die welke zich in het hoofdgeding voordoet, meebrengt dat het gecumuleerde bedrag van de aan de migrerend werknemer toegekende uitkeringen wordt beperkt tot een bedrag gelijk aan dat van de volledige uitkering die hem verschuldigd is door het orgaan van de Lid-Staat met een wetgeving van het type A, en dat dit maximum dus niet kan verschillen naargelang van de onder een wettelijke regeling van het type B vervulde verzekeringstijdvakken .
29 Immers, in de eerste plaats kan deze regel slechts toepassing vinden indien hij niet tot een vermindering leidt van de rechten die de migrerend werknemer heeft bij uitsluitende toepassing van de bepalingen van de wettelijke regeling van het type A; in de tweede plaats brengt hij deze werknemer niet in een minder gunstige situatie dan die waarin hij zou verkeren indien hij al zijn verzekeringstijdvakken in de Lid-Staat met een wetgeving van dit type had vervuld .
30 Aan deze conclusie doet niet af dat, zoals verzoeker in het hoofdgeding in zijn opmerkingen voor het Hof uiteenzet, de migrerend werknemer niettemin minder gunstig wordt behandeld dan de nationale werknemer, doordat hij de nadelen van de versnippering van uitkeringen en van de met een eventuele herziening daarvan gepaard gaande rechtsonzekerheid moet dragen .
31 Die nadelen, die overigens door een aantal bepalingen van de verordeningen nrs . 1408/71 en 574/72 zoveel mogelijk worden beperkt, zijn immers een onvermijdelijk gevolg van het feit dat artikel 51 EEG-Verdrag niet de totstandbrenging van een gemeenschappelijk stelsel van sociale zekerheid beoogt, doch enkel de vaststelling van regels voor de cooerdinatie van de sociale-zekerheidsstelsels van de Lid-Staten .
32 Mitsdien moet op de eerste prejudiciële vraag worden geantwoord, dat artikel 46, lid 3, van verordening nr . 1408/71 aldus moet worden uitgelegd, dat het hoogste van de volgens de bepalingen van lid 2, sub a, berekende theoretische uitkeringsbedragen de bovengrens is van de uitkeringen waarop een migrerend werknemer krachtens de gemeenschapsregeling aanspraak kan maken, ook in het geval dat dit theoretisch bedrag gelijk is aan dat van de volledige uitkering die uitsluitend ingevolge de wetgeving van een Lid-Staat verschuldigd is; en dat in deze uitlegging genoemde bepaling niet onverenigbaar is met artikel 51 EEG-Verdrag, aangezien artikel 46 slechts toepassing kan vinden wanneer het daarbij mogelijk is, de migrerend werknemer een uitkering toe te kennen die ten minste even hoog is als die welke uitsluitend ingevolge de bepalingen van een nationale wetgeving verschuldigd is .
De tweede vraag
33 Met zijn tweede vraag wenst de verwijzende rechter te vernemen of, wanneer een herberekening van de uitkeringen krachtens artikel 51, lid 2, van verordening nr . 1408/71 leidt tot een vermindering van de door het orgaan van een Lid-Staat betaalde uitkering zonder wijziging van de door het orgaan van een andere Lid-Staat betaalde uitkering, en laatstbedoeld orgaan dus niet beschikt over nog aan de uitkeringsgerechtigde te betalen achterstallige pensioentermijnen, artikel 112 van verordening nr . 574/72 eerstbedoeld orgaan dan verplicht, zelf de last te dragen van de uitkeringen die het te veel heeft betaald in de tijd die met de herberekening van de uitkeringen gemoeid was .
34 Artikel 112 van verordening nr . 574/72 bepaalt : "Wanneer een orgaan rechtstreeks of door tussenkomst van een ander orgaan onverschuldigd heeft betaald en de terugvordering van het betaalde onmogelijk is geworden, blijven de betrokken bedragen definitief ten laste van het eerste orgaan, behoudens in geval van onverschuldigde betaling ten gevolge van bedrog ."
35 Vooraf zij herinnerd aan artikel 51, lid 2, van verordening nr . 1408/71, bepalende : "Indien ... de wijze van vaststelling of de regels voor de berekening van de uitkeringen wijzigingen ondergaan, vindt een herberekening plaats overeenkomstig artikel 46 ."
36 Daarbij dient met name rekening te worden gehouden met de wijzigingen die de uitkeringen ten gevolge van de algemene ontwikkeling van de economische en sociale situatie hebben ondergaan sedert de aanvankelijke berekening ervan, en die ingevolge artikel 51, lid 1, niet tot een herberekening overeenkomstig artikel 46 van de uitkeringsrechten van de betrokkene tegenover de respectieve Lid-Staten hebben geleid .
37 De herberekening brengt een nieuwe vaststelling mee van de uitkeringen die verschuldigd zijn door de organen van de respectieve Lid-Staten aan wier wettelijke regeling de migrerend werknemer onderworpen is geweest .
38 Dit kan betekenen, dat de door het ene orgaan te betalen uitkering moet worden verminderd, terwijl de door het andere orgaan verschuldigde uitkering ongewijzigd blijft . Blijft de betrokken werknemer dan gedurende de periode die voor de herberekening en nieuwe vaststelling nodig is, van het eerste orgaan een uitkeringsbedrag overeenkomstig de eerdere vaststelling ontvangen, dan zal dit orgaan bedragen te veel hebben betaald, zonder dat het andere orgaan beschikt over nog aan de werknemer te betalen achterstallige uitkeringstermijnen .
39 In hun opmerkingen voor het Hof zetten verzoeker in het hoofdgeding en de Italiaanse regering uiteen, dat in een dergelijke situatie artikel 111 van verordening nr . 574/72, bepalende dat de door een orgaan te veel betaalde bedragen worden ingehouden op de door het andere orgaan verschuldigde achterstallige pensioentermijnen, in een dergelijk geval geen toepassing kan vinden . Men zou er dus van moeten uitgaan, dat terugvordering van deze bedragen onmogelijk is geworden en dat zij ingevolge artikel 112 van deze verordening ten laste van het eerste orgaan moeten blijven .
40 Deze uitlegging van de desbetreffende bepalingen van de gemeenschapsregeling kan niet worden aanvaard .
41 In de eerste plaats blijkt juist uit artikel 111, lid 1, dat wanneer er geen of onvoldoende achterstallige pensioentermijnen beschikbaar zijn, deze omstandigheid geenszins volstaat om volledige of gedeeltelijke terugvordering van het te veel betaalde als onmogelijk te beschouwen . De laatste zin van lid 1 bepaalt namelijk, dat in een dergelijk geval lid 2 van toepassing is, dat de mogelijkheid biedt deze bedragen te doen inhouden op andere uitkeringen die door een orgaan van een andere Lid-Staat verschuldigd zijn .
42 In de tweede plaats blijkt uit de formulering van artikel 111, dat het orgaan dat te veel heeft betaald, niet verplicht is zich tot andere organen te wenden om dat bedrag terug te vorderen . Het kán dat doen, maar niets belet haar van die mogelijkheid af te zien en de betrokken bedragen rechtstreeks van de uitkeringsgerechtigde terug te vorderen .
43 Dit betekent, dat het zinsdeel "wanneer ... de terugvordering van het (( te veel )) betaalde onmogelijk is geworden" in artikel 112 van verordening nr . 574/72 niet aldus mag worden uitgelegd, dat het alleen betrekking heeft op gevallen waarin deze bedragen niet kunnen worden ingehouden op achterstallige pensioentermijnen dan wel op enige andere uitkering die door een orgaan van een andere Lid-Staat verschuldigd is .
44 Mitsdien moet op de tweede prejudiciële vraag worden geantwoord dat, wanneer ingevolge artikel 51, lid 2, van verordening nr . 1408/71 de uitkeringen opnieuw worden berekend en dit tot een vermindering van de door het orgaan van een Lid-Staat betaalde uitkering leidt zonder dat de door het orgaan van een andere Lid-Staat betaalde uitkering wijziging ondergaat en dit laatste orgaan dus niet kan beschikken over nog aan de uitkeringsgerechtigde te betalen achterstallige pensioentermijnen, artikel 112 van verordening nr . 574/72 het eerstbedoelde orgaan niet ertoe dwingt, zelf de last te dragen van de uitkeringen die het te veel heeft betaald gedurende de periode die met de herberekening van de uitkeringen gemoeid was .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
45 De kosten door de regering van de Italiaanse Republiek en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Derde Kamer ),
uitspraak doende op de door de Arbeidsrechtbank te Brussel bij vonnis van 30 juni 1988 gestelde vragen, verklaart voor recht :
1 ) Artikel 46, lid 3, van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 van de Raad van 14 juni 1971 betreffende de toepassing van de sociale zekerheidsregelingen op werknemers en zelfstandigen, alsmede op hun gezinsleden, die zich binnen de Gemeenschap verplaatsen, moet aldus worden uitgelegd, dat het hoogste van de volgens de bepalingen van lid 2, sub a, berekende theoretische uitkeringsbedragen de bovengrens is van de uitkeringen waarop een migrerend werknemer krachtens de gemeenschapsregeling aanspraak kan maken, ook in het geval dat dit theoretisch bedrag gelijk is aan het bedrag van de volledige uitkering die uitsluitend ingevolge de wetgeving van een Lid-Staat verschuldigd is . In deze uitlegging is genoemde bepaling niet onverenigbaar met artikel 51 van het Verdrag, aangezien artikel 46 slechts toepassing kan vinden wanneer het daarbij mogelijk is, de migrerend werknemer een uitkering toe te kennen die ten minste even hoog is als die welke uitsluitend ingevolge de bepalingen van een nationale wetgeving verschuldigd is .
2 ) Wanneer ingevolge artikel 51, lid 2, van verordening ( EEG ) nr . 1408/71 van de Raad de uitkeringen opnieuw worden berekend en dit tot een vermindering van de door het orgaan van een Lid-Staat betaalde uitkering leidt zonder dat de door het orgaan van een andere Lid-Staat betaalde uitkering wijziging ondergaat en dit laatste orgaan dus niet kan beschikken over nog aan de uitkeringsgerechtigde te betalen achterstallige pensioentermijnen, dwingt artikel 112 van verordening ( EEG ) nr . 574/72 van de Raad van 21 maart 1972 houdende uitvoeringsbepalingen van verordening nr . 1408/71, het eerstbedoelde orgaan niet ertoe, zelf de last te dragen van de uitkeringen die het te veel heeft betaald gedurende de periode die met de herberekening van de uitkeringen gemoeid was .
Full & Egal Universal Law Academy