RAPPORT TER TERECHTZITTING
in zaak C-204/88 ( *1 )
I — De relevante communautaire bepalingen
1. Verbod de legdatum te vermelden
Artikel 6, lid 1, van verordening (EEG) nr. 2772/75 van de Raad van 29 oktober 1975 betreffende bepaalde handelsnormen voor eieren (PB 1975, L 282, blz. 56, hierna: de bestreden verordening) bepaalt:
„De eieren worden ingedeeld in de volgende kwaliteitsklassen:
klasse A of ‚verse eieren’ ...”
Artikel 11, lid 1 [zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1831/84 van de Raad, PB 1984, L 172, blz. 2] luidt als volgt:
„Eieren van klasse A mogen worden voorzien van een of meer van de volgende merktekens, die aanduiden:
a)
de kwaliteitsklasse,
b)
de gewichtsklasse,
c)
de verpakkingsperiode of de verpakkingsdatum als bedoeld in artikel 17, lid 2 of lid 3,
d)
het nummer van het pakstation,
e)
de naam of de handelsnaam van het pakstation,
f)
een firmamerk of een handelsmerk.”
Artikel 15 bepaalt:
„Op de eieren mogen geen andere merktekens voorkomen dan die welke in deze verordening worden genoemd.”
Artikel 29 luidt: „De Lid-Staten nemen passende maatregelen ten einde op inbreuken op de bepalingen dezer verordening sancties te stellen.”
2. Data welke op de eieren of bun verpakking mogen worden vermeld
De bestreden verordening is vastgesteld ter uitvoering van verordening (EEG) nr. 2771/75 van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector eieren (PB 1975, L 282, blz. 49; hierna: de basisverordening). Artikel 2, lid 2, van de basisverordening bepaalt, dat de Raad commercialisatienormen vaststelt, die „met name betrekking kunnen hebben op de indeling in gewichtsen kwaliteitsklassen, de verpakking, de opslag, het vervoer, de presentatie en het merken”.
In de considerans van de bestreden verordening wordt dienaangaande overwogen, dat „het met het oog op kwaliteitsverbetering noodzakelijk is dat de eieren regelmatig en veelvuldig worden opgehaald; ... dat het sorteren uitsluitend dient te geschieden in bedrijven die hiervoor voldoende zijn ingericht; ... dat kwaliteitsvoorschriften voor eieren voor de verbruiker gemakkelijk te begrijpen moeten zijn...; dat derhalve een beperkt maar toereikend aantal kwaliteits- en gewichtsklassen ingevoerd dient te worden; ... dat er gemeenschappelijke bepalingen betreffende de verpakking dienen te worden vastgesteld, waardoor het behoud van de kwaliteit van de eieren kan worden verzekerd...; ... dat, ten einde de consument keuzemogelijkheid te bieden en hem waren te garanderen die overeenkomen met de kwaliteits- en gewichtsnormen, de kleinhandelaren op of naast de aangeboden waren de overeenkomstige aanduidingen moeten plaatsen”.
Volgens artikel 4, lid 2, „haalt elk pakstation en elke verzamelaar de eieren ten minste éénmaal per week bij de producent op... (en levert) elke verzamelaar de eieren uiterlijk op de derde werkdag volgende op die waarop zij zijn opgehaald aan het pakstation af”.
Overeenkomstig artikel 5, lid 1, „... mogen alleen pakstations eieren sorteren volgens kwaliteits- en gewichtsklassen”.
Volgens artikel 11 mogen eieren van klasse A worden voorzien van een merkteken dat onder meer de verpakkingsperiode of de verpakkingsdatum vermeldt. Ingevolge de artikelen 16 tot en met 18 (zoals gewijzigd bij verordening nr. 1831/84) moeten op de grote verpakkingen (die welke meer dan dertig eieren bevatten) en op de kleine verpakkingen (die welke dertig of minder eieren bevatten) de verpakkingsdatum worden vermeld, dan wel de verpakkingsperiode die volgens de definitie in artikel 17, lid 2, loopt van donderdag om 0.00 uur tot de daaropvolgende woensdag om 24.00 uur.
De vermelding van de verpakkingsdatum of de verpakkingsperiode moet uiterlijk op de werkdag die volgt op de dag waarop de eieren in het pakstation worden ontvangen, op de verpakkingen worden aangebracht.
Daarnaast mogen er, en dan enkel op kleine verpakkingen, geen andere data worden vermeld dan de aanbevolen datum van verkoop (artikel 18, lid 1, sub e, zoals gewijzigd).
II — Het hoofdgeding en de verwijzingsbeschikking
J.-J. Paris (hierna: verdachte) wordt strafrechtelijk vervolgd, omdat hij in een supermarkt verse eieren ten verkoop heeft aangeboden, op de schaal waarvan, in strijd met de artikelen 11 tot en met 15 van de bestreden verordening en met de Franse wet van 1 augustus 1905, de legdatum was vermeld.
Voor het tribunal de police betoogde hij, dat artikel 15 in strijd is met het fundamentele recht van de consument op voorlichting en met het EEG-Verdrag. Subsidiair vroeg hij, dat het Hof om een prejudiciële beslissing zou worden verzocht over de geldigheid en de uitlegging van dit artikel.
In de verwijzingsbeschikking geeft het tribunal de police als zijn oordeel, dat artikel 15 is geschreven voor een situatie die sedert de vaststelling van die bepaling een sterke ontwikkeling heeft doorgemaakt, aangezien betrouwbare methoden voor het vermelden van de legdatum zijn ontwikkeld.
Uit het oogpunt van het gemeenschapsrecht lijkt artikel 15 de verwijzende rechter voorts in strijd met de bepalingen van het EEG-Verdrag, met name artikel 86. Derhalve heeft het tribunal bij vonnis van 10 mei 1988 het Hof van Justitie om een prejudiciële beslissing verzocht „over de uitlegging die aan artikel 15 van de verordening van 29 oktober 1975 moet worden gegeven, gelet op het EEG-Verdrag”.
III — Procedure voor het Hof
Het verwijzingsvonnis is op 27 juli 1988 ter griffie van het Hof ingeschreven.
Krachtens artikel 20 van 's Hofs Statuut-EEG zijn schriftelijke opmerkingen ingediend: op 4 oktober 1988 door J.-J. Paris, vertegenwoordigd door L. Bihl, advocaat te Parijs, op 3 november 1988 door de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. A. Gensmantel van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde, en op 21 oktober 1988 door de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Hetsch, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde.
Het Hof heeft, op rapport van de rechterrapporteur en gehoord de advocaat-generaal, besloten zonder instructie tot de mondelinge behandeling over te gaan.
IV — Samenvatting van de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen
Verdachte erkent, dat het merken van de eieren met de legdatum bij de bestreden verordening verboden is.
Sedert 1985 bestaan er echter betrouwbare en controleerbare tijdregistreertoestellen waarmee de eieren onmiddellijk na het leggen kunnen worden gemerkt met legdatum, -maand en -jaar.
In casu worden de juistheid en de betrouwbaarheid van die merken niet betwist.
De inlichtingen die de gebruikers overeenkomstig de geldende regeling mogen worden gegeven, zijn ontoereikend en dubbelzinning, daar de periode tussen leg en verpakking kan verschillen. De legdatum is een veel doeltreffender gegeven, dat blijkens een door hem aangehaald opinieonderzoek, ook beantwoordt aan de wens van de overgrote meerderheid van de consumenten.
Volgens de considerans is de voorlichting van de consumenten een van de uitdrukkelijk genoemde doelstellingen van de bestreden verordening en het is daarom ongerijmd, het enige gegeven te verbieden dat door de consumenten wordt gevraagd.
Hij herinnert aan het actieve beleid van de EEG op het gebied van de consumentenbescherming en de totstandbrenging van een consumentenrecht, inzonderheid aan de twee „consumenten”-programma's van 14 april 1975 en 19 mei 1981, waarin het recht op voorlichting als een van de vijf fundamentele rechten van de consument wordt genoemd.
Artikel 15 is in strijd met dat fundamentele recht en met de geest van het EEG-Verdrag. Het vormt eveneens een bij artikel 86 van het Verdrag verboden misbruik, daar het de technische ontwikkeling beperkt ten nadele van de verbruikers.
Ten slotte wordt in de wettelijke regelingen inzake consumentenrecht gewoonlijk de verplichting voor de producent opgenomen om de consument nauwkeurig in te lichten. Ook bij de rechtbanken bestaat er een tendens om wetten die positieve vermeldingen verbieden welke supplementaire informatie voor de consumenten bevatten, buiten toepassing te laten. In dat verband verwijst hij naar een vonnis van 29 juni 1983 van het tribunal de police te le Havre (GP 1983 2. Som.423) en een vonnis van 20 juni 1988 van het tribunal de police te Bordeaux, waarin een eierproducent werd vrijgesproken, die in strijd met artikel 15 van de bestreden verordening de legdatum op de eieren had vermeld.
Volgens het Verenigd Koninkrijk gaat het in de prejudiciële vraag hoofdzakelijk om de geldigheid van artikel 15, voor zover dat artikel de vermelding van de legdatum op de eierschaal verbiedt.
Artikel 86 van het Verdrag heeft enkel betrekking op de ondernemingen en is niet van toepassing op de regelgevende handelingen van de gemeenschapsinstellingen of de Lid-Staten.
De bescherming van de consument is weliswaar een dwingend vereiste, dat in weerwil van artikel 30 van het Verdrag een invoerverbod kan rechtvaardigen, doch een fundamenteel recht op voorlichting lijkt in het gemeenschapsrecht niet te bestaan. Het is in casu de vraag, over welke gegevens de consumenten met betrekking tot eieren moeten kunnen beschikken.
Het Verenigd Koninkrijk stelt het Hof voor, bij het onderzoek van deze vraag te werk te gaan als in zaak 234/85 (arrest van 8 oktober 1986, strafzaak tegen Keiler, Jurispr. 1986, blz. 2897), die betrekking had op de door de gemeenschapsregeling toegestane aanduidingen bij de etikettering van tafelwijn.
Het Hof dient zich bijgevolg eerst af te vragen, of de beperking van de toegestane vermeldingen haar rechtvaardiging vindt in de doelstellingen van de betrokken gemeenschappelijke marktordening, en daarna of de uitsluiting van de litigieuze informatie (de legdatum) verder gaat dan ter bereiking van deze doelstellingen noodzakelijk is.
Met betrekking tot het eerste aspect herinnert het Verenigd Koninkrijk aan de doelstellingen van de basisverordening en van de considerans van de bestreden verordening en betoogt het, dat deze doelstellingen nog twee andere impliceren: waarborgen dat de verstrekte informatie juist is en verzekeren dat de autoriteiten van de Lid-Staten op de eerbiediging van de vastgestelde regels kunnen toezien.
Soms kunnen deze doelstellingen enkel worden bereikt door een beperking van het aantal toegestane vermeldingen, ten einde misleiding van de consumenten te voorkomen. Dit oogmerk kan het verbod meebrengen van bepaalde, zelfs correcte en door de consument verlangde vermeldingen, indien die informatie ongegrond of oncontroleerbaar is. Een voorbeeld daarvan is de voorkeur van een groot aantal consumenten voor eieren van kippen die niet in legbatterijen worden gehouden. Verordening (EEG) nr. 1943/85 van de Commissie (PB 1985, L 181, blz. 34) tot wijziging van verordening (EEG) nr. 95/69 van de Commissie met betrekking tot bepaalde handelsnormen voor eieren (PB 1969, L 13, biz. 13) heeft met het oog daarop — slechts vier — aanvullende vermeldingen toegestaan, en de legvoorwaarden vastgesteld waarmee elk van die vermeldingen overeenstemt.
Een dergelijke beperking van de bij het merken van de eieren toegestane vermeldingen is dus gerechtvaardigd uit het oogpunt van de nagestreefde doelstellingen.
Wat het tweede aspect van de analyse aangaat, het Verenigd Koninkrijk meent dat artikel 2, lid 2, van de basisverordening de Raad een ruime discretionaire bevoegdheid verleent. Hij heeft daarvan terecht gebruik gemaakt om het aantal toegestane vermeldingen te beperken en heeft geen enkel bindend beginsel van gemeenschapsrecht geschonden.
De laatste jaren hebben technische ontwikkelingen plaatsgevonden bij de eierproduktie, inzonderheid zijn de produktiecentra en de pakstations geïntegreerd, doch het zou tegen het rechtszekerheidsbeginsel indruisen, indien gemeenschapshandelingen alleen reeds omdat dergelijke ontwikkelingen plaatsvinden, ongeldig zouden kunnen worden verklaard. Hoe dan ook lijkt de verklaring van de verwijzende rechter, dat als gevolg van zulke ontwikkelingen de legdatum in de praktijk precies kan worden vastgesteld, voor twijfel vatbaar.
Om prohibitieve onkosten te vermijden, werken de pakstations niet doorlopend; nochtans kunnen de eieren ieder uur van de dag en de nacht worden gelegd. Gesteld al dat de producenten de nodige maatregelen zouden treffen (en ook zouden verzekeren dat de eieren die na middernacht worden gelegd met de datum van de nieuwe dag worden gemerkt), dan nog zouden de nationale autoriteiten het systeem nooit kunnen controleren.
De door de verwijzende rechter genoemde technische ontwikkeling biedt de verbruiker bijgevolg nog niet de zekerheid dat de eieren nog op de dag waarop zij zijn gelegd, worden gesorteerd, verpakt en gemerkt. De vermelding van de legdatum kan derhalve de consumenten misleiden. Het enige betrouwbare gegeven (omdat het door de Lid-Staten kan worden gecontroleerd) is de bij de artikelen 11, 17 en 18 van de bestreden verordening geregelde vermelding van de verpakkingsdatum of de verpakkingsperiode.
Om deze redenen meent het Verenigd Koninkrijk, dat de belangen van de producenten, handelaars en consumenten de uitsluiting van de legdatum van de toegestane vermeldingen rechtvaardigen en dat op de prejudiciële vraag moet worden geantwoord als volgt:
„Bij onderzoek van de prejudiciële vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid van artikel 15 van verordening nr. 2772/75 kunnen aantasten.”
Subsidiair geeft het Verenigd Koninkrijk het Hof in overweging, artikel 15 slechts ongeldig te verklaren voor zover het de legdatum van de toegestane vermeldingen uitsluit.
Dat de verordening de vermelding van de legdatum op eieren en verpakking verbiedt, doet volgens de Commissie niet af aan het feit dat zij toch de versheid van de eieren waarborgt en de verbruikers hierover betrouwbare informatie verschaft.
Artikel 86 beschermt de consumenten weliswaar indirect, doch richt zich enkel tot de ondernemingen. Door de vaststelling van handelsnormen, die inzonderheid betrekking hebben op de datering van eieren, kunnen daarentegen gelijke mededingingsvoorwaarden in het leven worden geroepen en kan het vrije handelsverkeer binnen de Gemeenschap worden verzekerd (zie het arrest van 30 november 1978, zaak 31/78, Bussone, Jurispr. 1978, blz. 2429).
Op het gebied van de consumentenbescherming- heeft de Raad twee richtlijnen vastgesteld. De ene betreft de etikettering en presentatie van levensmiddelen (richtlijn 79/112/EEG, PB 1979, L 33, blz. 1, laatstelijk gewijzigd bij richtlijn 86/197/EEG, PB 1986, L 144, blz. 38); de andere handelt over misleidende reclame (richtlijn 84/450/EEG, PB 1984, L 250, blz. 17). Volgens de zesde overweging van richtlijn 79/112 „dient bij iedere vorm van reglementering op het gebied van de etikettering van levensmiddelen in de eerste plaats te worden uitgegaan van de noodzaak de consumenten voor te lichten en te beschermen”.
De algemene regels die in die richtlijnen zijn neergelegd, zijn alleen van toepassing op de verkoop van eieren, in geval van directe verkoop door de producent aan de verbruiker. In casu lijkt dat niet het geval te zijn, doch gaat het om de verkoop in een supermarkt. In die omstandigheden dient de bestreden verordening te worden toegepast; het algemeen beginsel van richtlijn 79/112 is niettemin geëerbiedigd.
Uit de bestreden verordening en uit verordening nr. 95/69 blijkt ondubbelzinnig, dat op de eieren of hun verpakking geen andere data of periodes mogen of moeten worden vermeld dan de verpakkingsperiode of verpakkingsdatum en de aanbevolen datum van verkoop, en dat vermelding van de legdatum verboden is; het staat dan ook buiten kijf, dat de nationale autoriteiten ingevolge artikel 29 de inbreuken dienen te bestraffen (zie het arrest van 5 mei 1988, zaak 91/87, Gutshof-Ei, Jurispr. 1988, blz. 2541).
Het verbod doet daarom nog geen afbreuk aan het recht op voorlichting van de consumenten, maar is gerechtvaardigd door het in verschillende overwegingen van de bestreden verordening tot uiting gebrachte oogmerk, de consumenten betrouwbare en toereikende voorlichting te verschaffen. In dat verband noemt de Commissie met name de artikelen 4, lid 2, 17 en 18 van de bestreden verordening en de mogelijkheid om ook de aanbevolen verkoopdatum te vermelden. De gemeenschapsregeling verzekert dus, dat de eieren binnen een dwingend voorgeschreven termijn worden verzameld en verpakt, zodat hun versheid wordt gewaarborgd, en verstrekt de consumenten betrouwbare informatie ter zake.
Het verbod om de legdatum te vermelden is mede gerechtvaardigd door de problemen die het toezicht op de juistheid daarvan stelt. Terwijl de huidige controles hoofdzakelijk in de pakstations worden verricht, moet de controle op de legdatum worden verricht bij de producenten (waarvan de bedrijven, vooral wanneer het om kleine producenten gaat, zeer verspreid liggen). Dit is in de praktijk niet haalbaar en de Raad en de Commissie achtten de vermelding van de legdatum daarom niet mogelijk. In een voorstel aan de Raad tot wijziging van de bestreden verordening (COM(88) 347 def, van 16 juni 1988) heeft de Commissie de mogelijkheid voorzien, dat zij volgens de procedure van het beheerscomité andere data kan vaststellen ten einde de consument aanvullende inlichtingen te verschaffen. Neemt de Raad deze wijziging aan, dan zal de Commissie te gelegener tijd moeten beoordelen of de problemen ter zake van de controle op de vermelding van de legdatum zijn opgelost.
De Commissie geeft het Hof derhalve in overweging, de prejudiciële vraag te beantwoorden als volgt:
„Bij onderzoek van de prejudiciële vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van de artikelen 15 en 21 van verordening nr. 2772/75 van de Raad, voor zover deze verbieden op eieren en hun verpakking andere data te vermelden dan die welke door de verordening zijn voorzien, zoals de legdatum.”
V — Antwoord op de vraag van het Hof
Het Hof heeft de Commissie gevraagd, of het in de opmerkingen van verdachte genoemde vonnis van 20 juni 1988 van het tribunal de police te Bordeaux een losstaande uitspraak is. Blijkens de inlichtingen die de Commissie door de Lid-Staten werden verstrekt, is dat het geval en heeft de vermelding van de legdatum op eieren geen aanleiding gegeven tot andere gedingen in de Gemeenschap.
Sir Gordon Slynn
rechter-rapporteur
( *1 ) Procestaal: Frans.
ARREST VAN HET HOF (Eerste kamer)
13 december 1989 ( *1 )
In zaak C-204/88,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het tribunal de police te Rethel (Frankrijk) in de aldaar dienende strafzaak tegen
Jean-Jacques Paris,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van artikel 15 van verordening (EEG) nr. 2772/75 van de Raad van 29 oktober 1975 betreffende bepaalde handelsnormen voor eieren (PB 1975, L 282, blz. 56),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
samengesteld als volgt:
Sir Gordon Slynn, kamerpresident, R. Joliet en G. C. Rodríguez Iglesias, rechters,
advocaat-generaal: G. Tesauro
griffier: B. Pastor, administrateur
gelet op de opmerkingen, ingediend door:
—
J.-J. Paris, vertegenwoordigd door L. Bihl, advocaat te Parijs,
—
de regering van het Verenigd Koninkrijk, vertegenwoordigd door J. A. Gensmantel van het Treasury Solicitor's Department, als gemachtigde,
—
de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P. Hetsch, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 14 juni 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 26 september 1989,
het navolgende
Arrest
1
Bij vonnis van 10 mei 1988, ingekomen ten Hove op 17 juli daaraanvolgend, heeft het tribunal de police te Rethel (Frankrijk) krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de uitlegging van artikel 15 van verordening (EEG) nr. 2772/75 van de Raad van 29 oktober 1975 betreffende bepaalde handelsnormen voor eieren (PB 1975, L 282, blz. 56; hierna: de bestreden verordening).
2
Deze vraag is gerezen in een strafzaak tegen J.-J. Paris, die wordt vervolgd omdat hij verse eieren ten verkoop heeft aangeboden, waarop in strijd met de artikelen 11 en 15 van de bestreden verordening de legdatum was vermeld.
3
De bestreden verordening, die is vastgesteld op basis van verordening nr. 2771/75 van de Raad van 29 oktober 1975 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector eieren (PB 1975, L 282, blz. 49), voorziet in handelsnormen voor eieren die nodig worden geacht om hun kwaliteit te verbeteren en de afzet te vergemakkelijken, in het belang van de producenten, de handelaars en de consumenten. Deze normen omvatten onder meer criteria voor de indeling van de eieren (artikelen 1 tot en met 13), gemeenschappelijke bepalingen betreffende de verpakking (artikelen 16 tot en met 22), alsmede bepalingen betreffende de te verrichten controles (artikelen 26 tot en met 28) en de toe te passen sancties (artikel 29).
4
Artikel 2, lid 1, van de verordening bepaalt, dat de eieren die binnen de Gemeenschap in de uitoefening van een beroep of een bedrijf worden verhandeld, aan de bepalingen van de verordening moeten voldoen. Volgens artikel 15 „mogen op de eieren geen andere merktekens voorkomen dan die welke in deze verordening worden genoemd”. Artikel 11, zoals gewijzigd bij verordening (EEG) nr. 1831/84 van de Raad van 19 juni 1984 (PB 1984, L 172, blz. 2) somt de merktekens op waarvan de eieren mogen worden voorzien: de legdatum valt daar niet onder, doch de verpakkingsperiode of de verpakkingsdatum mogen daarentegen wel worden vermeld.
5
Verdachte in het hoofdgeding ontkent de hem ten laste gelegde feiten niet, doch betwist de geldigheid van artikel 15 van de bestreden verordening. Volgens hem is het in strijd met het fundamentele recht op voorlichting van de consument en met het EEG-Verdrag.
6
Van oordeel dat sedert de vaststelling van de bestreden verordening in 1975 betrouwbare methoden voor het vaststellen van de legdatum zijn ontwikkeld, en dat artikel 15 van die verordening in strijd lijkt met het EEG-Verdrag, met name met artikel 86, heeft het tribunal de police te Rethel het Hof een prejudiciële vraag gesteld „over de uitlegging die aan artikel 15 van de verordening van 29 oktober 1975 moet worden gegeven, gelet op het EEG-Verdrag.”
7
Voor een nadere uiteenzetting van het juridische kader en van de feiten van het hoofdgeding, alsmede van het procesverloop en van de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting. Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven, voor zover dit noodzakelijk is voor de redenering van het Hof.
8
Uit het dossier blijkt dat ofschoon de prejudiciële vraag formeel gesproken enkel de uitlegging van artikel 15 van de bestreden verordening betreft, de twijfels van de verwijzende rechter vooral de geldigheid van die bepaling in het licht van inzonderheid artikel 86 EEG-Verdrag betreffen. De bewoordingen van artikel 15 laten er trouwens geen twijfel over bestaan, dat het de marktdeelnemers verboden is op de door hen verhandelde eieren de legdatum te vermelden. Die uitlegging is trouwens noch in de schriftelijke opmerkingen noch ter terechtzitting betwist. Derhalve moet worden aangenomen, dat de aan het Hof voorgelegde vraag in wezen betrekking heeft op de geldigheid van artikel 15.
9
Volgens verdachte in het hoofdgeding doet artikel 15, voor zover het de vermelding van de legdatum verbiedt, afbreuk aan het recht van de verbruikers om nauwkeurig en zonder misleiding te worden geïnformeerd over de versheid en de kwaliteit van de eieren.
10
In dit verband moet worden opgemerkt, dat de voorlichting van de consument een van de door de bestreden verordening nagestreefde doelstellingen is. Volgens de twaalfde overweging van de considerans namelijk „moet het voor de consument mogelijk zijn de eieren van de verschillende kwaliteits- en gewichtsklassen onderling te onderscheiden; ... aan deze eis kan worden voldaan door op de eieren ... merktekens aan te brengen”.
11
De Raad en de Commissie stellen terecht, dat het van belang is dat de aan de consument verstrekte informatie betrouwbaar is en dus gemakkelijk te controleren door de nationale instanties. Controles bij de producenten, die onontbeerlijk zijn ter verzekering van de juistheid van de legdatum, zijn wegens de verspreiding van de bedrijven volgens de Commissie in de praktijk niet haalbaar. Het is om die reden dat zowel de Commissie als de groep van deskundigen in de Raad menen, dat alleen het huidige systeem dat is gebaseerd op controles die hoofdzakelijk worden verricht in de pakstations, die minder talrijk en verspreid zijn dan de bedrijven van de producenten, met zekerheid de juistheid van de aan de consument verstrekte informatie, zoals de verpakkingsdatum, kan waarborgen.
12
De Commissie betwist niet dat er een betrouwbare techniek voor het aanbrengen van de legdatum bestaat, zoals door de verwijzende rechter is verklaard, doch zij wijst erop dat in feite enkel de grotere producenten, die zich de daartoe benodigde investeringen kunnen veroorloven, die techniek kunnen gebruiken. Daarentegen bevat artikel 15 van de verordening een betrouwbare regeling voor het aanbrengen van merktekens waarover iedere producent kan beschikken. Bijgevolg is dit het enige middel om alle producenten in de Gemeenschap gelijkwaardige afzetvoorwaarden voor hun produkten te verzekeren en kan aldus een wijziging van de handelsvoorwaarden in de Gemeenschap, als bedoeld in de vijfde overweging van verordening nr. 2772/75, worden voorkomen.
13
Zoals het Hof reeds dikwijls heeft uitgemaakt, beschikken de instellingen bij de beoordeling van een ingewikkelde economische situatie over een ruime beoordelingsbevoegdheid. Bij de wettigheidstoetsing van de uitoefening van een dergelijke bevoegdheid dient het Hof zich te beperken tot de vraag of de handeling niet ongeldig is wegens een kennelijke fout of misbruik van bevoegdheid, dan wel of het betrokken gezagsorgaan de grenzen van zijn beoordelingsbevoegdheid niet klaarblijkelijk heeft overschreden.
14
Gezien de noodzaak om zowel de belangen van producenten en verbruikers te verzoenen als de soms uiteenlopende belangen van de verschillende categorieën producenten onderling, lijken de instellingen bij hun algemene beoordeling van de situatie en de aard van de vereiste maatregelen niet kennelijk te hebben gedwaald of op enigerlei wijze de algemene grenzen van hun beoordelingsbevoegdheid te hebben, overschreden.
15
Verweerder betoogt verder, dat artikel 15 een bij artikel 86 EEG-Verdrag verboden misbruik oplevert, doordat het de technische ontwikkeling beperkt ten nadele van de verbruikers. In dit verband zij opgemerkt, dat artikel 86 betrekking heeft op de gedragingen van ondernemingen die een machtspositie innemen op de gemeenschappelijke markt, en dus niet kan worden toegepast op een regelgevende bepaling van de Raad. Daarentegen heeft artikel 40, lid 3, tweede alinea, EEG-Verdrag, dat elke discriminatie tussen producenten of verbruikers van de Gemeenschap verbiedt, ten doel, alle betrokken marktdeelnemers gelijke mededingingsvoorwaarden te verzekeren. Dat beginsel is door de bestreden verordening geëerbiedigd bij de vaststelling van gemeenschappelijke handelsnormen voor eieren binnen de Gemeenschap.
16
Mitsdien moet aan de nationale rechter worden geantwoord, dat bij onderzoek van de prejudiciële vraag niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van artikel 15 van verordening nr. 2772/75 van de Raad van 29 oktober 1975 betreffende bepaalde handelsnormen voor eieren, voor zover het verbiedt op eieren andere data te vermelden dan die welke door de verordening zijn voorzien, zoals de legdatum.
Kosten
17
De kosten door de Britse regering en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen. Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen.
HET HOF VAN JUSTITIE (Eerste kamer),
uitspraak doende op de door het tribunal de police te Rethel gestelde vraag, verklaart voor recht:
Bij onderzoek van de prejudiciële vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van artikel 15 van verordening nr. 2772/75 van de Raad van 29 oktober 1975 betreffende bepaalde handelsnormen voor eieren, voor zover het verbiedt op eieren andere data te vermelden dan die welke door de verordening zijn voorzien, zoals de legdatum.
Slynn
Joliét
Rodríguez Iglesias
Uitgesproken ter openbare terechtzitting te Luxemburg op 13 december 1989.
De griffier
J.-G. Giraud
De president van de Eerste kamer
Sir Gordon Slynn
( *1 ) Procestaal: Frans.
Full & Egal Universal Law Academy