Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Fiscale bepalingen - Harmonisatie van wetgevingen - Vrijstellingen van omzetbelastingen en accijnzen - Goederen in persoonlijke bagage van reizigers - Restbevoegdheid van Lid-Staten - Draagwijdte - Vaststelling van kwantitatief maximum voor bier - Ontoelaatbaarheid
( Richtlijn 69/169/EEG van de Raad, artikel 4, lid 1 )
Samenvatting
Op het gebied van de vrijstellingen van omzetbelastingen en accijnzen voor goederen die zich in de persoonlijke bagage van reizigers bevinden, hebben de Lid-Staten nog slechts de beperkte bevoegdheid die hun specifiek is toegekend door richtlijn 69/169/EEG, zoals naderhand aangevuld en gewijzigd . Deze voorziet niet in de mogelijkheid om kwantitatieve beperkingen vast te stellen voor produkten die, zoals bier, niet uitdrukkelijk op de lijst van artikel 4, lid 1, voorkomen . Bijgevolg mag een Lid-Staat die lijst niet uitbreiden door voor bier een maximum van tien liter vast te stellen en iedere invoer van een grotere hoeveelheid op grond van een onweerlegbaar vermoeden als invoer met een handelskarakter aan te merken .
Partijen
In zaak C-208/88,
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door haar juridisch adviseur J . F . Buhl als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Berardis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verzoekster,
tegen
Koninkrijk Denemarken, vertegenwoordigd door J . Molde, juridisch adviseur bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken, als gemachtigde, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij de tijdelijk zaakgelastigde van Denemarken, ministerieel adviseur S . Rubow, ambassade van het Koninkrijk Denemarken, 11 B, boulevard Joseph-II,
verweerder,
betreffende een verzoek aan het Hof om vast te stellen dat het Koninkrijk Denemarken de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen door, in strijd met richtlijn 69/169/EEG van de Raad van 28 mei 1969 inzake de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen met betrekking tot de vrijstellingen van omzetbelastingen en accijnzen die bij invoer worden geheven in het internationale reizigersverkeer ( PB 1969, L 133, blz . 6 ), zoals gewijzigd, voor bier dat als persoonlijke bagage van reizigers wordt ingevoerd, een tot 10 liter beperkte vrijstelling in te stellen en te handhaven,
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE,
samengesteld als volgt : O . Due, president, G . F . Mancini, T . F . O' Higgins, J . C . Moitinho de Almeida en G . C . Rodríguez Iglesias, kamerpresidenten, F . A . Schockweiler en F . Grévisse, rechters,
advocaat-generaal : M . Darmon
griffier : H . A . Ruehl, hoofdadministrateur
gezien het rapport ter terechtzitting,
gehoord de pleidooien van partijen ter terechtzitting van 23 mei 1990,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 3 juli 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift neergelegd ter griffie van het Hof op 28 juli 1988, heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen op grond van artikel 169 EEG-Verdrag beroep ingesteld strekkende tot vaststelling dat het Koninkrijk Denemarken de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen door, in strijd met richtlijn 69/169/EEG van de Raad van 28 mei 1969 inzake de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen met betrekking tot de vrijstellingen van omzetbelastingen en accijnzen die bij invoer worden geheven in het internationale reizigersverkeer ( PB 1969, L 133, blz . 6 ), zoals gewijzigd bij richtlijn 87/198/EEG van de Raad van 16 maart 1987 ( PB 1987, L 78, blz . 53 ), voor bier dat als persoonlijke bagage van reizigers wordt ingevoerd, een tot 10 liter beperkte vrijstelling in te stellen en te handhaven .
2 Volgens de Commissie is de gewraakte vrijstelling, die is ingevoerd bij beschikking van het Ministerie van Belastingen nr . 365 van 9 juni 1986 ( Lovtidende A 1986, blz . 1126 ), in strijd met de artikelen 2, lid 1, en 3, lid 2, van bovengenoemde richtlijn, aangezien de invoer van meer dan 10 liter bier niet kan worden geacht stelselmatig een handelskarakter te hebben .
3 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten, het procesverloop en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat voor de redenering van het Hof noodzakelijk is .
4 Volgens richtlijn 69/169, zoals gewijzigd, kunnen goederen zoals bier, die niet in artikel 4, lid 1, worden genoemd en waarvoor bijgevolg geen kwantitatieve maxima gelden, in het reizigersverkeer tussen Lid-Staten worden ingevoerd met vrijstelling van de omzetbelastingen en accijnzen die bij invoer worden geheven, "mits het invoer betreft waaraan elk handelskarakter vreemd is en de totale waarde van die goederen per persoon niet meer dan 390 ECU bedraagt" ( artikel 2, lid 1 ). Als invoer waaraan elk handelskarakter vreemd is, wordt beschouwd de invoer die uitsluitend betrekking heeft op goederen bestemd voor persoonlijk gebruik van de reizigers dan wel voor gebruik door leden van hun gezin of bestemd om ten geschenke te worden aangeboden, mits blijkens de aard en de hoeveelheid der goederen aan die invoer geen commerciële overwegingen ten grondslag liggen ( artikel 3, lid 2, sub b ).
5 De Deense regering betoogt in hoofdzaak, dat overschrijding van het bij de gewraakte maatregel vastgestelde maximum, het vermoeden schept dat de betrokken invoer een handelskarakter draagt, hetgeen ingevolge artikel 3, lid 2, van de richtlijn het recht op vrijstelling uitsluit . De instelling van dit vermoeden was noodzakelijk, aldus de Deense regering, wegens de vele gevallen van misbruik door reizigers die grote hoeveelheden bier vrij invoerden ( tot 500 liter per voertuig ) om dit vervolgens in het klein door te verkopen, en de daaruit voortvloeiende moeilijkheid om van geval tot geval in alle objectiviteit en met inachtneming van de eisen van rechtszekerheid na te gaan of de betrokken invoer een handelskarakter droeg .
6 De Deense regering voegt hieraan toe, dat het alcoholgehalte van tien liter bier overeenkomt met dat van vier liter wijn, de maximumhoeveelheid die in aanmerking komt voor de vrijstelling van artikel 4, lid 1, van de richtlijn, zoals gewijzigd bij de reeds genoemde richtlijn 87/198, en dat de gewraakte maatregel dus in overeenstemming met de richtlijn is vastgesteld .
7 Volgens de rechtspraak van het Hof ( laatstelijk het arrest van 12 juni 1990, zaak C-158/88, Commissie/Ierland, Jurispr . 1990, blz . I-2367, r.o.7 ) hebben de Lid-Staten op het onderhavige terrein nog slechts de beperkte bevoegdheid die hun door de bepalingen van de betrokken richtlijnen is toegekend . Deze richtlijnen nu voorzien niet in de mogelijkheid om kwantitatieve maxima vast te stellen voor produkten die niet uitdrukkelijk onder artikel 4, lid 1, van richtlijn 69/169 vallen .
8 Een dergelijk kwantitatief maximum kan namelijk enkel worden ingevoerd op grond van een richtlijn tot wijziging van richtlijn 69/169 - zoals dat onder meer is gebeurd bij richtlijn 85/348/EEG van de Raad van 8 juli 1985 ( PB 1985, L 183, blz . 24 ), waarbij tafia, sake en andere soortgelijke dranken zijn toegevoegd aan de lijst van produkten waarvoor kwantitatieve maxima gelden - of op grond van een bij het Verdrag voorziene vrijwaringsmaatregel .
9 De gewraakte maatregel schept het onweerlegbare vermoeden, dat de invoer een handelskarakter draagt zodra hij betrekking heeft op meer dan 10 liter bier, wat erop neerkomt, dat aan artikel 4 van de richtlijn een produkt wordt toegevoegd dat daarin niet wordt vermeld .
10 Bijgevolg moet worden vastgesteld, dat het Koninkrijk Denemarken de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen door, in strijd met richtlijn 69/169/EEG van de Raad van 28 mei 1969 inzake de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen met betrekking tot de vrijstellingen van omzetbelastingen en accijnzen die bij invoer worden geheven in het internationale reizigersverkeer, zoals gewijzigd bij richtlijn 87/198/EEG van de Raad van 16 maart 1987, voor bier dat als persoonlijke bagage van reizigers wordt ingevoerd een tot 10 liter beperkte vrijstelling in te stellen en te handhaven .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
11 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Aangezien het Koninkrijk Denemarken in het ongelijk is gesteld, dient het in de kosten te worden verwezen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE,
rechtdoende, verklaart :
1 ) Door in strijd met richtlijn 69/169/EEG van de Raad van 28 mei 1969 inzake de harmonisatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen met betrekking tot de vrijstellingen van omzetbelastingen en accijnzen die bij invoer worden geheven in het internationale reizigersverkeer, zoals gewijzigd bij richtlijn 87/198/EEG van de Raad van 16 maart 1987, voor bier dat als persoonlijke bagage van reizigers wordt ingevoerd een tot 10 liter beperkte vrijstelling in te stellen en te handhaven, is het Koninkrijk Denemarken de krachtens het EEG-Verdrag op hem rustende verplichtingen niet nagekomen .
2 ) Het Koninkrijk Denemarken wordt in de kosten verwezen .
Full & Egal Universal Law Academy