Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
Beroep tot nietigverklaring - Natuurlijke of rechtspersonen - Handelingen die hen rechtstreeks en individueel raken - Verordening houdende schorsing van voorfixatie van steun in kader van gemeenschappelijke marktordening
( EEG-Verdrag, artikel 173, tweede alinea; verordening nr . 1587/88 van de Commissie )
Samenvatting
Een verordening houdende schorsing van de voorfixatie van steun in het kader van een gemeenschappelijke marktordening, betreft zowel de aanvragen die bij het ingaan van de schorsing hangende zijn, als die welke tijdens de schorsingsperiode worden ingediend . Een dergelijke verordening is van toepassing op objectief bepaalde situaties en heeft rechtsgevolgen voor abstract aangewezen categorieën personen . Zij heeft derhalve een algemene strekking en raakt de ondernemingen waarvan de aanvragen om voorfixatie van steun zijn ingediend op de dag waarop tot schorsing van de voorfixatie is besloten, niet individueel in de zin van artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag .
Partijen
In zaak C-229/88,
Cargill BV, vennootschap naar Nederlands recht, te Amsterdam ( Nederland ),
Speelman' s Oliefabrieken BV, vennootschap naar Nederlands recht, te Rotterdam ( Nederland ),
Beoco Ltd, vennootschap naar Engels recht, te Liverpool ( Engeland ),
Bocm Silcock Ltd, vennootschap naar Engels recht, te Hampshire ( Engeland ),
Cargill UK Ltd, vennootschap naar Engels recht, te Hull ( Engeland ),
Erith Oil Works Ltd, vennootschap naar Engels recht, te Erith ( Engeland ),
Louis Dreyfus & Co . Ltd, vennootschap naar Engels recht, te Londen ( Engeland ),
Compagnie Cargill SA, vennootschap naar Frans recht, te Saint-Germain-en-Laye ( Frankrijk ),
Cedol SA, vennootschap naar Frans recht, te Boulogne-Billancourt ( Frankrijk ),
Comexol SA, vennootschap naar Frans recht, te Parijs ( Frankrijk ),
NV Cargill, vennootschap naar Belgisch recht, te Antwerpen ( België ),
NV Vamomills, vennootschap naar Belgisch recht, te Kortrijk ( België ),
A/S Carl Rasmussen Korn og Foderstoffer Gamby, vennootschap naar Deens recht, te Soendersoe ( Denemarken ),
DS Industries APS, vennootschap naar Deens recht, te Kopenhagen ( Denemarken ),
Palolio & Palvino SpA, vennootschap naar Italiaans recht, te Napels ( Italië ),
Adm OElmuehlen GmbH, vennootschap naar Duits recht, te Hamburg ( Bondsrepubliek Duitsland ),
Broekelmann & Co . OElmuehle und Raffinerie KG, vennootschap naar Duits recht, te Hamburg ( Bondsrepubliek Duitsland ),
Deutsche Conti-Handelsgesellschaft mbH, vennootschap naar Duits recht, te Hamburg ( Bondsrepubliek Duitsland ),
OElmuehle Hamburg AG, vennootschap naar Duits recht, te Hamburg ( Bondsrepubliek Duitsland ),
O & L Sels, vennootschap naar Duits recht, te Neuss ( Bondsrepubliek Duitsland ),
C . Thywissen, vennootschap naar Duits recht, te Neuss ( Bondsrepubliek Duitsland ),
Union Deutsche Lebensmittelwerke GmbH, vennootschap naar Duits recht, te Hamburg ( Bondsrepubliek Duitsland ),
Huileries de l' Arceau SA, vennootschap naar Frans recht, te Lézay ( Frankrijk ),
vertegenwoordigd door H . J . Bronkhorst, advocaat bij de Hoge Raad der Nederlanden, en E . H . Pijnacker, advocaat te Amsterdam, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg ten kantore van J . Loesch, advocaat aldaar, 8, rue Zithe,
verzoeksters,
tegen
Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door D . Grant Lawrence en P . Oliver, leden van haar juridische dienst, als gemachtigden, domicilie gekozen hebbende te Luxemburg bij G . Kremlis, lid van haar juridische dienst, Centre Wagner, Kirchberg,
verweerster,
betreffende een beroep tot nietigverklaring van verordening nr . 1587/88 van de Commissie van 7 juni 1988 houdende schorsing van de voorfixatie van de steun voor koolzaad, raapzaad en zonnebloemzaad ( PB 1988, L 141, blz . 55 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vierde Kamer ),
samengesteld als volgt : C . N . Kakouris, kamerpresident, T . Koopmans en M . Díez de Velasco, rechters,
advocaat-generaal : J . Mischo
griffier : J . Pompe, adjunct-griffier
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 12 december 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 6 februari 1990,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 10 augustus 1988, hebben Cargill BV en 22 andere vennootschappen die zich vooral bezighouden met de verwerking van oliehoudende zaden ( hierna : verzoeksters ), krachtens artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag verzocht om nietigverklaring van verordening nr . 1587/88 van de Commissie van 7 juni 1988 houdende schorsing van de voorfixatie van de steun voor koolzaad, raapzaad en zonnebloemzaad ( PB 1988, L 141, blz . 55 ).
2 Op 7 juni 1988 dienden verzoeksters bij hun respectieve bevoegde autoriteiten een aanvraag in voor voorfixatie van de verwerkingssteun voor om en bij 370 000 ton koolzaad, raapzaad en zonnebloemzaad .
3 De op dat ogenblik geldende steunbedragen lagen vervat in verordening ( EEG ) nr . 1507/88 van de Commissie van 31 mei 1988 tot vaststelling van het bedrag van de steun in de sector oliehoudende zaden ( PB 1988, L 135, blz . 31 ).
4 Van oordeel, dat de voorwaarden van artikel 8 van verordening ( EEG ) nr . 1594/83 van de Raad van 14 juni 1983 ( PB 1983, L 163, blz . 44 ), zoals gewijzigd bij verordening ( EEG ) nr . 935/86 van de Raad van 25 maart 1986 ( PB 1986, L 87, blz . 5 ), waren vervuld, stelde de Commissie evenwel op 7 juni 1988 verordening ( EEG ) nr . 1587/88 vast . Bij deze verordening werd de voorfixatie van de steun voor koolzaad, raapzaad en zonnebloemzaad geschorst voor de certificaten waarvoor de aanvraag van 7 tot en met 11 juni 1988 was ingediend .
5 Dezelfde dag stelde de Commissie verordening nr . 1584/88 ( PB 1988, L 141, blz . 48 ) vast . Bij deze verordening werd de steun in de sector oliehoudende zaden bepaald op een bedrag dat met name voor koolzaad, raapzaad en zonnebloemzaad lager was dan het op 7 juni 1988 geldende bedrag .
6 Na de vaststelling van verordening nr . 1587/88 werden verzoeksters door hun nationale autoriteiten op de hoogte gebracht van de inhoud van die verordening en van de afwijzing van hun op 7 juni 1988 ingediende aanvragen .
7 Daarop stelden verzoeksters het onderhavige beroep in . Zij verzochten het Hof, verordening nr . 1587/88 nietig te verklaren, voor zover zij van toepassing is op de op 7 juni 1988 ingediende voorfixatie-aanvragen .
8 Bij verzoekschrift, neergelegd ter griffie van het Hof op 31 augustus 1988, verzochten verzoeksters krachtens de artikelen 185 en 186 EEG-Verdrag en artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering in kort geding om opschorting van de tenuitvoerlegging van verordening nr . 1587/88 en om andere voorlopige maatregelen . Dit verzoek in kort geding werd afgewezen bij beschikking van de president van het Hof van 26 september 1988 .
9 Bij een afzonderlijke akte, neergelegd ter griffie van het Hof op 28 oktober 1988, wierp de Commissie een exceptie van niet-ontvankelijkheid op en verzocht zij het Hof krachtens artikel 91 van het Reglement voor de procesvoering op die exceptie uitspraak te doen zonder daarbij op de zaak ten principale in te gaan .
10 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten van de zaak, de toepasselijke bepalingen en de middelen en argumenten van partijen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
11 De Commissie betoogt, dat het beroep niet ontvankelijk is, daar de bestreden verordening verzoeksters niet individueel raakt in de zin van artikel 173, tweede alinea, van het Verdrag . Zij verklaart, dat zij die verordening niet heeft vastgesteld op basis van verzoeksters' aanvragen of op basis van een aantal bepaal - en individualiseerbare aanvragen, waaronder die van verzoeksters . De bestreden verordening gold zowel voor de handelaars die van plan waren in de schorsingsperiode een aanvraag in te dienen als voor de handelaars die reeds een aanvraag hadden ingediend, maar aan wie nog geen certificaat was afgegeven . Het is derhalve een maatregel van algemene strekking .
12 Verzoeksters stellen daarentegen, dat hun beroep ontvankelijk is, daar op de dag van de inwerkingtreding van verordening nr . 1587/88 reeds vaststond hoeveel en welke importeurs voorfixatie hadden aangevraagd en die gegevens konden worden gecontroleerd . De bestreden verordening was derhalve erop gericht gevolgen te sorteren voor de rechtspositie van een besloten kring van handelaars die zich jegens de Gemeenschap hadden verbonden door op 7 juni 1988 een voorfixatie-aanvraag in te dienen .
13 Ingevolge artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag kan een natuurlijke of rechtspersoon slechts een beroep tot nietigverklaring van een verordening instellen, indien die verordening in feite neerkomt op een beschikking die hem rechtstreeks en individueel raakt .
14 Allereerst moet worden opgemerkt, dat de bestreden verordening is vastgesteld in de loop van de dag van 7 juni 1988 en de dag daarna in het Publikatieblad is bekendgemaakt . Verzoeksters hebben hun voorfixatieaanvragen op 7 juni 1988 ingediend . Vaststaat derhalve, dat de bestreden verordening is vastgesteld op dezelfde dag als die van de indiening van de aanvragen .
15 Verder blijkt uit de considerans van die verordening, dat zij is vastgesteld op basis van artikel 8 van verordening nr . 1594/83 van 14 juni 1983, zoals gewijzigd bij verordening nr . 935/86 van 25 maart 1986 . Lid 2 van dat artikel bepaalt, dat de schorsing van de voorfixatie in bepaalde gevallen ook kan gelden voor reeds ingediende aanvragen, namelijk in het geval dat er een fout voorkomt in het steunbedrag dat is gepubliceerd of dat bepaalde factoren een monetaire distorsie tussen de Lid-Staten kunnen scheppen, en wanneer deze gevallen tot discriminatie tussen de belanghebbende partijen kunnen leiden .
16 Deze voorwaarden zijn objectief vastgesteld en laten niet toe de aanvragen te identificeren, daar de Commissie geen enkel middel heeft om de identiteit of zelfs maar het aantal van de door de schorsing getroffen handelaars vast te stellen .
17 Men mag niet vergeten dat, gelijk het Hof in zijn arrest van 21 november 1989 ( zaak 244/88, Usines coopératives de déshydratation du Vexin e.a ., Jurispr . 1989, blz . 3811, r.o . 12 ) overwoog, een verordening houdende schorsing van de voorfixatie zowel betrekking heeft op de aanvragen die bij het ingaan van de schorsing hangende zijn als op die welke tijdens de schorsingsperiode worden ingediend . In het onderhavige geval treft de bestreden verordening dan ook alle in de loop van de schorsingsperiode ingediende voorfixatieaanvragen .
18 Bijgevolg moet worden vastgesteld, dat de bestreden verordening van toepassing is op objectief bepaalde situaties en rechtsgevolgen heeft voor abstract aangewezen categorieën personen . Zij heeft derhalve een algemene strekking in de zin van artikel 189, tweede alinea, EEG-Verdrag, en kan verzoeksters niet individueel raken in de zin van artikel 173, tweede alinea, EEG-Verdrag .
19 Mitsdien moet het beroep niet-ontvankelijk worden verklaard .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
20 Ingevolge artikel 69, paragraaf 2, van het Reglement voor de procesvoering moet de in het ongelijk gestelde partij in de kosten worden verwezen . Aangezien verzoeksters in het ongelijk zijn gesteld, moeten zij hoofdelijk in de kosten worden verwezen, daaronder begrepen die welke op het kort geding zijn gevallen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vierde Kamer ),
rechtdoende :
1 ) Verklaart het beroep niet-ontvankelijk .
2 ) Verwijst verzoeksters hoofdelijk in de kosten, daaronder begrepen die welke op het kort geding zijn gevallen .
Full & Egal Universal Law Academy