Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1 . Gemeenschappelijk douanetarief - Tariefposten - Uitlegging - Toelichtingen van Internationale Douaneraad - Gezag - Grenzen - Tussenkomst van de gemeenschapswetgever - Voorwaarden
2 . Gemeenschappelijk douanetarief - Tariefposten - Aanvullende aantekening 6 a ) bij hoofdstuk 2 - Gekruid vlees - Onderscheidingscriterium - Gebruikmaking van sensorische analyse - Wettigheid
Samenvatting
1 . De uitlegging door de Internationale Douaneraad van de nomenclatuur voor de indeling van goederen in de douanetarieven, die is opgesteld bij het Verdrag van Brussel van 15 december 1950, is bindend voor de Gemeenschap, wanneer zij overeenkomt met de door de Lid-Staten algemeen gevolgde praktijk, niet onverenigbaar is met de bewoordingen van de betrokken post en de aan de Internationale Douaneraad verleende beoordelingsbevoegdheid niet kennelijk te buiten gaat .
In de gevallen waarin de uitlegging door de Internationale Douaneraad niet bindend is voor de Gemeenschap of wanneer zulk een uitlegging ontbreekt, is de gemeenschapswetgever - onder het toezicht van het Hof van Justitie - bevoegd, de nomenclatuur bij wege van verordening uit te leggen voor de toepassing ervan door de Gemeenschap . Hij dient zich daarbij te houden aan het in dat Verdrag neergelegde verbod om veranderingen aan te brengen in de hoofdstukken of afdelingen waardoor de strekking van de hoofdstukken, afdelingen of posten zou worden gewijzigd .
2 . De geldigheid van de aanvullende aantekening 6 a ) bij hoofdstuk 2 van het gemeenschappelijk douanetarief, volgens welke als "gekruid vlees" wordt aangemerkt : vlees, niet gekookt en niet gebakken, dat, waarneembaar met het blote oog of duidelijk waarneembaar aan de smaak, inwendig of over de totale oppervlakte is gekruid, kan niet in twijfel worden getrokken op grond van het argument, dat zij subjectieve criteria zou invoeren en zou afwijken van een door de Internationale Douaneraad gegeven uitlegging . Zij geeft immers enkel een precisering van de criteria voor de indeling van bepaalde goederen onder een bepaalde post van het gemeenschappelijk douanetarief, in overeenstemming met een uitlegging van de Internationale Douaneraad, en gebruikmakend van criteria, die, nu er objectieve sensorische analysemethoden bestaan welke zijn neergelegd in nationale en internationale normen, uitgaan van de objectieve kenmerken en eigenschappen van de produkten, die bij de inklaring geverifieerd kunnen worden .
Partijen
In zaak C-233/88,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van de Tariefcommissie te Amsterdam, in het aldaar aanhangig geding tussen
Gijs van de Kolk - Douane Expediteur BV
en
Inspecteur der invoerrechten en accijnzen te Amersfoort,
om een prejudiciële beslissing over de geldigheid van aanvullende aantekening 6 a ), ingevoegd in hoofdstuk 2 van afdeling I van deel II van het gemeenschappelijk douanetarief bij verordening ( EEG ) nr . 3400/84 van de Raad van 27 november 1984 tot wijziging van verordening ( EEG ) nr . 950/68 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief ( PB 1984, L 320, blz . 1 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vijfde Kamer ),
samengesteld als volgt : Sir Gordon Slynn, kamerpresident, M . Zuleeg, R . Joliet, J . C . Moitinho de Almeida en G . C . Rodríguez Iglesias, rechters,
advocaat-generaal : G . Tesauro
griffier : H . A . Ruehl, hoofdadministrateur
gelet op de opmerkingen ingediend door :
- verzoeker in het hoofdgeding, vertegenwoordigd door zijn adviseur N . P . J . Ooyevaar,
- de Raad van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door zijn juridisch adviseur Y . Crétien, bijgestaan door H . Daalder, lid van zijn juridische dienst, als gemachtigden,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door R . Barents, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 15 juni 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 12 oktober 1989,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij uitspraak van 28 juni 1988, ingekomen bij het Hof op 16 augustus 1988, heeft de Tariefcommissie te Amsterdam krachtens artikel 177 EEG-Verdrag een prejudiciële vraag gesteld over de geldigheid van aanvullende aantekening 6 a ), ingevoegd in hoofdstuk 2 van afdeling I van deel II van het gemeenschappelijk douanetarief ( GDT ) bij verordening ( EEG ) nr . 3400/84 van de Raad van 27 november 1984 tot wijziging van verordening ( EEG ) nr . 950/68 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief .
2 Aanvullende aantekening 6 a ) luidt : "' Gekruid vlees' van pluimvee, van varkens alsmede van runderen - met uitzondering van de produkten omschreven onder punt c ) - valt onderscheidenlijk onder de posten 16.02 B I, 16.02 B III a ) en 16.02 B III b ) 1 aa ). Als 'gekruid vlees' wordt aangemerkt, vlees, niet gekookt en niet gebakken, dat, waarneembaar met het blote oog of duidelijk waarneembaar aan de smaak, inwendig of over de totale oppervlakte is gekruid ."
3 Het hoofdgeding betreft de tariefindeling van vlees van pluimvee, dat was ingevoerd als "kuikenborstfilet zonder been en zonder huid, gekruid ". Bij een monsteronderzoek door het laboratorium van het Ministerie van Financiën was vastgesteld, "dat de kruiden slechts aan de bovenzijde (( waren )) aangebracht en derhalve niet elk deelstuk zichtbaar over de totale oppervlakte of duidelijk waarneembaar aan de smaak (( was )) gekruid ". De produkten voldeden dus niet aan de omschrijving van aantekening 6 a ) en konden derhalve niet worden aangemerkt als gekruid vlees van post 16.02 . De Nederlandse autoriteiten weigerden een nieuw onderzoek van de goederen, omdat het verzoek daartoe te laat was ingediend, en deelden de goederen in onder post 02.02 B I c ) van het GDT .
4 Deze indeling onder post 02.02 (" dood pluimvee, alsmede de daarvan afkomstige eetbare slachtafvallen ... vers, gekoeld of bevroren ") had tot gevolg, dat de importeur een bedrag van 50 675,70 HFL aan landbouwheffingen en monetair compenserende bedragen moest betalen, terwijl laatstbedoelde bedragen niet verschuldigd zouden zijn geweest indien het vlees was ingedeeld onder post 16.02 (" andere bereidingen en conserven, van vlees of van slachtafvallen ").
5 De Tariefcommissie, waarbij de importeur beroep had ingesteld, twijfelde aan de geldigheid van aantekening 6 a ), daar deze afwijkt van de criteria van het in casu toepasselijke Verdrag van Brussel van 15 december 1950 inzake de nomenclatuur voor de indeling van goederen in de douanetarieven ( Nations unies, Recueil des Traités, vol . 347, blz . 127; hierna : het Nomenclatuurverdrag ). Die criteria maken de afbakening mogelijk van de posten 02.02 en 16.02 en zijn door het Hof inhoudelijk omschreven in zijn arrest van 17 maart 1983 ( zaak 175/82, Dinter, Jurispr . 1983, blz . 969 ). Om die reden heeft de Tariefcommissie het Hof de volgende prejudiciële vraag voorgelegd :
"Is aanvullende aantekening nr . 6 a ) op hoofdstuk 2 van het gemeenschappelijk douanetarief, zoals deze is vastgesteld door de Raad in de bijlage bij verordening ( EEG ) nr . 3400/84, geldig?"
6 Voor een nadere uiteenzetting van de feiten en de voor het hoofdgeding relevante bepalingen, het procesverloop en de bij het Hof ingediende opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
7 Om de door de nationale rechter gestelde vraag te kunnen beantwoorden, moet eerst worden onderzocht of de Raad bij de vaststelling van bedoelde aantekening de beoordelingsbevoegdheid waarover hij bij de uitlegging van het GDT beschikt, heeft overschreden .
8 Volgens de toelichtingen van de Internationale Douaneraad ( IDR ) ( NE/MJ 35, februari 1982 ), welke raad is ingesteld bij verdrag van dezelfde datum als het Nomenclatuurverdrag en onder meer een adviserende taak heeft bij de uitlegging van de nomenclatuur, omvat post 16.02 ook "vlees en slachtafvallen, die anders zijn bereid of verduurzaamd dan omschreven is in de posten van hoofdstuk 2 en, onder meer, produkten die enkel zijn omgeven door beslag of door paneermeel, dan wel zijn getruffeerd of gekruid ( bij voorbeeld met peper en zout )".
9 Zoals blijkt uit 's Hofs arrest van 19 november 1975 ( zaak 38/75, Nederlandse Spoorwegen, Jurispr . 1975, blz . 1439, r.o . 25 ), is de uitlegging van de nomenclatuur door de Internationale Douaneraad voor de Gemeenschap bindend, wanneer zij overeenkomt met de door de verdragsluitende staten algemeen gevolgde praktijk, niet onverenigbaar is met de bewoordingen van de betrokken post en de aan de Internationale Douaneraad verleende beoordelingsbevoegdheid niet kennelijk te buiten gaat .
10 In de gevallen waarin de uitlegging door de Internationale Douaneraad niet bindend is voor de Gemeenschap of wanneer zulk een uitlegging ontbreekt, is de gemeenschapswetgever - onder het toezicht van het Hof van Justitie - bevoegd, de nomenclatuur bij wege van verordening uit te leggen voor de toepassing ervan door de Gemeenschap .
11 De in geding zijnde aantekening geeft een nadere omschrijving van wat onder gekruid vlees of slachtafvallen in zin van de IDR-toelichtingen is te verstaan . Daartoe zijn indelingscriteria vastgesteld op basis van sensorische analysemethoden voor levensmiddelen .
12 Het gebruik van die indelingscriteria is in overeenstemming met de rechtspraak van het Hof, volgens welke de indeling van goederen om wille van de rechtszekerheid en ter vergemakkelijking van de controles dient te geschieden op basis van de objectieve kenmerken en eigenschappen van de produkten, die bij de inklaring geverifieerd kunnen worden ( zie onder meer het arrest van 16.12.1976, zaak 38/76, Luma, Jurispr . 1976, blz . 2027, r.o . 7 ).
13 Voor de toepassing van criteria als bedoeld in de litigieuze aantekening, bestaan objectieve sensorische analysemethoden, die recentelijk zijn ontwikkeld en zijn neergelegd in nationale en internationale normen, zoals de Duitse norm DIN 10954 en de ISO-norm 4120, die in 1982 door de International Organization for Standardization te Genève aan de ledencommissies is voorgelegd . Zoals de Commissie heeft uiteengezet, kunnen met behulp van die analysemethoden de vier basissmaken ( zoet, zuur, zout en bitter ) ook bij zeer geringe doses smaakstoffen door een statistisch als voldoende aan te merken aantal proefpersonen met een grote mate van nauwkeurigheid worden vastgesteld in produkten in de toestand waarin zij ter inklaring worden aangeboden .
14 Het is juist, dat het Hof in zijn voornoemd arrest van 17 maart 1983 heeft overwogen, dat een zo subjectief criterium als de smaak niet bruikbaar is om het al dan niet gekruid zijn van vlees te beoordelen, en dat post 16.02 van het GDT aldus moest worden uitgelegd, dat daaronder ook vlees van pluimvee valt waaraan zout en peper is toegevoegd, zelfs indien de peper slechts onder de microscoop waarneembaar is .
15 Hierbij moet echter worden opgemerkt, dat de omstandigheden waaronder dat arrest werd gewezen, verschilden van die van de onderhavige zaak . Er bestond toen immers nog geen uitleggingsverordening voor de betrokken bepaling van het GDT, en op het tijdstip waarop de goederen door de nationale autoriteiten waren onderzocht, was de norm ISO 4120 nog niet opgesteld .
16 Dit leidt tot de conclusie, dat de Raad bij de vaststelling van voormelde criteria het rechtszekerheidsbeginsel niet heeft geschonden noch anderszins zijn beoordelingsbevoegdheid ter zake heeft overschreden .
17 Evenmin is de litigieuze aantekening in strijd met het Nomenclatuurverdrag, volgens hetwelk de verdragsluitende staten geen veranderingen mogen aanbrengen in de aantekeningen op de hoofdstukken of afdelingen, waardoor de strekking van de hoofdstukken, afdelingen of posten zou worden gewijzigd ( artikel II, b, ii ).
18 De aantekening waar het hier om gaat, brengt immers geen wijziging in de strekking van de hoofdstukken, afdelingen en posten van de nomenclatuur . Zij geeft enkel een precisering van de criteria voor de indeling van bepaalde goederen onder een bepaalde post van het GDT, en deze precisering is in overeenstemming met de uitlegging van die post door de Internationale Douaneraad .
19 Mitsdien moet op de gestelde vraag worden geantwoord, dat bij onderzoek ervan niet is gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van aanvullende aantekening 6 a ) op hoofdstuk 2 van afdeling I van deel II van het gemeenschappelijk douanetarief in de versie van verordening ( EEG ) nr . 3400/84 van de Raad van 27 november 1984 .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
20 De kosten, door de Raad en de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening hunner opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Vijfde Kamer ),
uitspraak doende op de door de Tariefcommissie bij uitspraak van 28 juni 1988 gestelde vraag, verklaart voor recht :
Bij onderzoek van de gestelde vraag is niet gebleken van feiten of omstandigheden die de geldigheid kunnen aantasten van aanvullende aantekening 6 a ) op hoofdstuk 2 van afdeling I van deel II van het gemeenschappelijk douanetarief in de versie van verordening ( EEG ) nr . 3400/84 van de Raad van 27 november 1984 tot wijziging van verordening ( EEG ) nr . 950/68 betreffende het gemeenschappelijk douanetarief .
Full & Egal Universal Law Academy