Samenvatting
Partijen
Overwegingen van het arrest
Beslissing inzake de kosten
Dictum
Trefwoorden
++++
1 . Landbouw - Niet onder bijlage II bij Verdrag vallende produkten - Bepaling volgens gemeenschappelijk douanetarief - Gelijkstelling met in bijlage II begrepen basisprodukt voor toepassing van uitvoerrestituties en monetair compenserende bedragen op produkt dat door verwerking daaruit is verkregen - Ontoelaatbaarheid
( EEG-Verdrag, bijlage II )
2 . Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Restituties bij uitvoer - Uitsluiting van niet onder bijlage II bij Verdrag vallende goederen die zijn ingevoerd en in vrije verkeer zijn gebracht en vervolgens als zodanig of na verwerking zijn uitgevoerd - Grenzen - Basisprodukten verkregen door verwerking van eerder ingevoerd en niet onder bijlage II vallend goed
( Verordening nr . 2682/72 van de Raad, artikel 9 )
3 . Landbouw - Gemeenschappelijke ordening der markten - Melk en zuivelprodukten - Restituties bij uitvoer - Uitsluiting van produkten van extracommunautaire oorsprong - Uitzonderingen - Produkten waarvoor invoerheffing is betaald en die als zodanig worden wederuitgevoerd
( Verordening nr . 876/68 van de Raad, artikel 7 )
4 . Landbouw - Monetair compenserende bedragen - Toekenning - Uitvoer uit Gemeenschap van produkt van extracommunautaire oorsprong, dat is verkregen uit niet onder bijlage II bij Verdrag vallend goed - Voorwaarden - Berekening
( Verordening nr . 974/71 van de Raad; verordening nr . 1380/75 van de Commissie, artikel 12, lid 1 )
Samenvatting
1 . De kwalificatie van een goed met betrekking tot bijlage II bij het Verdrag hangt uitsluitend af van de tariefpost waaronder het ressorteert volgens de IDR-Nomenclatuur . Bijgevolg kan noch de onjuiste tariefindeling van een goed bij zijn invoer in de Gemeenschap, noch de vergissing door de verkrijger te goeder trouw begaan met betrekking tot de oorsprong van dat goed, noch de aard van het produkt dat er door verwerking uit is verkregen, noch het feit dat dat produkt wegens het niet-ingrijpende karakter van de ondergane verwerking niet kan worden geacht van communautaire oorsprong te zijn, tot gevolg hebben, dat een niet onder bijlage II bij het Verdrag vallend goed als een in de bijlage begrepen basisprodukt wordt beschouwd voor de latere toepassing van de regels betreffende de toekenning van uitvoerrestituties en extracommunautaire compenserende bedragen bij de uitvoer uit de Gemeenschap van de door verwerking van dat goed verkregen produkten .
2 . Artikel 9 van verordening nr . 2682/72 moet aldus worden uitgelegd, dat het de toekenning van restituties bij uitvoer slechts uitsluit voor niet onder bijlage II vallende, onverwerkte of na verwerking uitgevoerde goederen die eerst als zodanig uit derde landen zijn ingevoerd en in de Gemeenschap in het vrije verkeer zijn gebracht . Het ziet daarentegen niet op de uitvoer van een basisprodukt, verkregen door verwerking van een eerder ingevoerd en niet onder bijlage II vallend goed .
3 . Overeenkomstig het ter zake geldende grondbeginsel, dat alleen voor produkten van oorsprong uit de Gemeenschap aanspraak op restitutie bestaat, sluit verordening nr . 876/68 tot vaststelling van de algemene voorschriften betreffende de toekenning van de restituties bij de uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het bedrag van de restitutie in de sector melk en zuivelprodukten, het recht op restitutie uit voor exporten uit de Gemeenschap van een basisprodukt dat verkregen is door verwerking van een niet onder bijlage II bij het Verdrag vallend goed en dat niet kan worden geacht van communautaire oorsprong te zijn . Van deze uitsluiting wordt in artikel 7 van de verordening slechts afgeweken voor produkten van extracommunautaire oorsprong waarvoor de invoerheffing is betaald en die als zodanig worden wederuitgevoerd .
4 . De uitvoer uit de Gemeenschap van een basisprodukt dat verkregen is door verwerking van een niet onder bijlage II vallend goed en dat niet kan worden geacht van communautaire oorsprong te zijn, kan, onder de voorwaarden bepaald bij verordening nr . 974/71 en artikel 12, lid 1, laatste alinea, van verordening nr . 1380/75, aanleiding geven tot toekenning van monetair compenserende bedragen . De eventueel verschuldigde monetair compenserende bedragen mogen niet worden beperkt naar maatstaf van de bij de invoer van het betrokken goed in de Gemeenschap daadwerkelijk geheven rechten noch naar maatstaf van de rechten die bij toepassing van de juiste tariefpost bij die gelegenheid hadden moeten zijn geheven .
Partijen
In zaak C-295/88,
betreffende een verzoek aan het Hof krachtens artikel 177 EEG-Verdrag van het Hof van Beroep te Brussel, Zevende Kamer, in het aldaar aanhangig geding tussen
SA Nicolas Corman et fils
en
Belgische Staat en Groothertogdom Luxemburg,
om een prejudiciële beslissing over de uitlegging van de voorschriften betreffende de toekenning van restituties bij uitvoer en extracommunautaire monetair compenserende bedragen, en met name van artikel 9 van verordening nr . 2682/72 van de Raad van 12 december 1972 tot vaststelling van de algemene regels aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het restitutiebedrag betreffende bepaalde landbouwprodukten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage II van het Verdrag vallen ( PB 1972, L 289, blz . 13 ), artikel 12 van verordening nr . 1380/75 van de Commissie van 29 mei 1975 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de monetaire compenserende bedragen ( PB 1975, L 139, blz . 37 ), en verordening nr . 1059/69 van de Raad van 28 mei 1969 tot vaststelling van de handelsregeling die van toepassing is op bepaalde goederen, verkregen door verwerking van landbouwprodukten ( PB 1969, L 141, blz . 1 ), zoals gewijzigd bij verordening nr . 2670/76 van de Raad van 25 oktober 1976 ( PB 1976, L 302, blz . 1 ),
wijst
HET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste Kamer ),
samengesteld als volgt : Sir Gordon Slynn, kamerpresident, R . Joliet en G . C . Rodríguez Iglesias, rechters,
advocaat-generaal : C . O . Lenz
griffier : B . Pastor, administrateur
gelet op de opmerkingen ingediend door :
- de Belgische en de Luxemburgse regering, vertegenwoordigd door P . Legros en S . Dufrene, advocaten te Brussel,
- de Commissie van de Europese Gemeenschappen, vertegenwoordigd door P . Hetsch, lid van haar juridische dienst, als gemachtigde,
- de SA Nicolas Corman et fils, vertegenwoordigd door P . Van Ommeslaghe, advocaat bij het Belgische Hof van Cassatie, en B . van de Walle de Ghelcke, advocaat te Brussel,
gezien het rapport ter terechtzitting en ten vervolge op de mondelinge behandeling op 27 september 1989,
gehoord de conclusie van de advocaat-generaal ter terechtzitting van 9 november 1989,
het navolgende
Arrest
Overwegingen van het arrest
1 Bij interlocutoir arrest van 29 september 1988, ingekomen ten Hove op 11 oktober daaraanvolgend, heeft het Hof van Beroep te Brussel krachtens artikel 177 EEG-Verdrag vier prejudiciële vragen gesteld over de uitlegging van een aantal communautaire bepalingen betreffende de toekenning van restituties bij uitvoer en monetair compenserende bedragen .
2 Die vragen zijn gerezen in een geding tussen de SA Nicolas Corman et fils ( hierna : Corman ) en de Belgische Staat en het Groothertogdom Luxemburg betreffende het recht van Corman op restituties en monetair compenserende bedragen voor de uitvoer uit de Gemeenschap van een basisprodukt, butteroil, dat is verkregen door verwerking van een niet onder bijlage II bij het EEG-Verdrag vallend goed met de naam nutrix .
3 De nutrix, waarvan aanvankelijk werd aangenomen dat hij van Franse oorsprong was, bleek na een onderzoek door de Belgische en de Franse douane afkomstig te zijn uit Oostenrijk, vanwaar hij onder een onjuiste tariefpost in Frankrijk was ingevoerd . Dit had geleid tot het toepassen van een lagere heffing dan uit de juiste tariefindeling voortvloeide .
4 In het voor hem aanhangige geding besliste de nationale rechter, dat niet was bewezen dat de verwerking door Corman van de nutrix tot butteroil een ontduiking van de gemeenschapsbepalingen opleverde, noch dat Corman de extracommunautaire oorsprong van dat produkt kende . Hij besliste ook, dat de butteroil niet kon worden geacht van communautaire oorsprong te zijn in de zin van artikel 5 van verordening nr . 802/68 van de Raad van 27 juni 1968 betreffende de gemeenschappelijke definitie van het begrip "oorsprong van goederen" ( PB 1968, L 148, blz . 1 ). Ten slotte erkende hij, dat Corman recht had op de intracommunautaire monetair compenserende bedragen en de compenserende bedragen "toetreding", waarop zij aanspraak maakte .
5 Ten einde zich te kunnen uitspreken over Cormans recht op restituties en monetair compenserende bedragen voor de uitvoer van de butteroil uit de Gemeenschap, heeft de nationale rechter zich tot het Hof gewend met de navolgende prejudiciële vragen :
"1 ) Wanneer
i ) een goed dat niet is vermeld in de in artikel 38, lid 1, van het Verdrag bedoelde bijlage II en bestaat uit 84% botervet, 2% ontvette cacao en 12% tarwemeel, in de EEG - Lid-Staat A - werd ingevoerd onder een onjuiste tariefpost ( 19.02 B II b, terwijl de juiste tariefpost 18.06 zou zijn geweest ) en dat goed bij die invoer werd belast overeenkomstig verordening nr . 1059/69,
ii ) dat goed vervolgens onder de juiste tariefpost in een andere Lid-Staat ( Lid-Staat B ) werd ingevoerd en zonder fraude werd gekocht door een onderneming uit die Lid-Staat B als zijnde van oorsprong uit Lid-Staat A en in het vrije verkeer in de EEG,
iii ) dat goed vervolgens door die onderneming werd verwerkt en daaruit onder meer de vetstof butteroil, een in bijlage II van het Verdrag bedoeld basisprodukt, werd afgescheiden, welk produkt vervolgens voor een deel werd uitgevoerd uit de EEG,
iv ) werd geoordeeld dat die behandeling geen ingrijpende verwerking of bewerking vormde, niet leidde tot de fabricage van een nieuw produkt en geen belangrijke fabricagefase uitmaakte in de zin van artikel 5 van verordening nr . 802/68, zodat dat produkt niet als een produkt van oorsprong uit Lid-Staat B kan worden beschouwd,
verlenen deze omstandigheden dan aan het oorspronkelijk ingevoerde, niet onder bijlage II vallende goed de hoedanigheid van een basisprodukt, inzonderheid voor de latere toepassing van de regels aangaande de toekenning van uitvoerrestituties en, met name extracommunautaire, compenserende bedragen bij de uitvoer van het door verwerking uit dat goed afgescheiden basisprodukt?
2 ) Ingeval op de eerste vraag wordt geantwoord dat de betrokken goederen als niet onder bijlage II vallende goederen moeten worden beschouwd, en die goederen in de EEG in het vrije verkeer zijn gebracht en vervolgens na verwerking zijn uitgevoerd, welke regeling is dan van toepassing op het door die verwerking verkregen basisprodukt; met andere woorden, welke van de navolgende uitleggingen moet gelden voor de toepassing van verordening nr . 2682/72 van 12 december 1972 :
i ) artikel 9 van deze verordening sluit het recht op de in artikel 1, lid 1, bedoelde restitutie uit, zowel voor de goederen als voor de door voornoemde verwerking verkregen basisprodukten, dan wel
ii ) artikel 9 sluit het recht op de restitutie slechts uit voor de 'niet onder bijlage II vallende' goederen, die door een dergelijke verwerking zijn verkregen?
3 ) Ingeval op de tweede vraag wordt geantwoord dat artikel 9 van verordening nr . 2682/72 het recht op restitutie bij uitvoer niet uitsluit voor het basisprodukt, verkregen door verwerking van een tevoren ingevoerd, niet onder bijlage II vallend goed, op grond van welke beginselen of regels van gemeenschapsrecht moeten dan worden vastgesteld :
i ) de eventueel aan de exporteur van dat basisprodukt verschuldigde restituties bij uitvoer uit de Gemeenschap,
ii ) de compenserende bedragen die moeten worden betaald in geval van uitvoer van produkten naar derde landen?
4 ) Ingeval voor de compenserende bedragen of restituties die zouden verschuldigd zijn krachtens de in antwoord op de derde vraag geformuleerde regels, een beperking zou gelden, met name in de in artikel 12 van verordening nr . 1380/75 bedoelde omstandigheden, zijn dan, waar het gaat om produkten in het vrije verkeer in de Gemeenschap in de zin van artikel 10 van het Verdrag, de rechten en heffingen die in aanmerking moeten worden genomen om het bedrag van de restituties en extracommunautaire compenserende bedragen te beperken, de vaste en variabele rechten waarin verordening nr . 1059/69 voorziet, zoals deze volgens de juiste tariefpost hadden moeten zijn geheven bij de invoer in de Gemeenschap, of moet de beperking worden berekend naar maatstaf van de rechten die - zij het op een onjuiste grondslag - daadwerkelijk zijn geheven bij de invoer in de Gemeenschap?"
6 Voor een nadere uiteenzetting van het rechtskader en de feiten van het hoofdgeding, het procesverloop en de bij het Hof ingediende schriftelijke opmerkingen wordt verwezen naar het rapport ter terechtzitting . Deze elementen van het dossier worden hierna slechts weergegeven voor zover dat noodzakelijk is voor de redenering van het Hof .
De eerste vraag
7 De nationale rechter heeft terecht geconstateerd, dat nutrix, bestaande uit 84% vet, 2% ontvette cacao en 12% tarwemeel, niet voorkwam op de lijst van onder de bepalingen van de artikelen 39 tot en met 46 EEG-Verdrag vallende produkten die het onderwerp zijn van bijlage II bij het Verdrag, hetgeen wordt bevestigd door de bijlage bij verordening nr . 804/68 van de Raad van 27 juni 1968 houdende een gemeenschappelijke ordening der markten in de sector melk en zuivelprodukten ( PB 1968, L 148, blz . 13 ), die een lijst bevat van niet onder bijlage II bij het Verdrag vallende produkten, waaronder "chocolade en andere voedingsmiddelen, welke cacao bevatten ".
8 De nationale rechter heeft zich echter afgevraagd, of de nutrix onder bepaalde omstandigheden - namelijk dat hij bij de oorspronkelijke invoer in de Gemeenschap onder een onjuiste tariefpost werd ingedeeld, dat hij zonder fraude door de verwerkende onderneming werd gekocht als zijnde van communautaire oorsprong, dat door verwerking van dit goed een onder bijlage II bij het Verdrag vallend basisprodukt werd verkregen, dat dit produkt niet kan worden gelijkgesteld met een nieuw produkt of met een produkt dat een belangrijke fabricagefase in de zin van artikel 5 van voornoemde verordening nr . 802/68 uitmaakt en dus niet kan worden geacht van communautaire oorsprong te zijn - met een basisprodukt kan worden gelijkgesteld voor de latere toepassing van de regels betreffende de toekenning van uitvoerrestituties en extracommunautaire compenserende bedragen bij de uitvoer uit de Gemeenschap van de door verwerking van dat goed verkregen produkten .
9 Dienaangaande merken de Belgische en de Luxemburgse regering op, dat het oorspronkelijk in de Gemeenschap ingevoerde goed als zodanig geen waarde heeft . Zijn enige nut zou zijn, dat het basisprodukten bevat, en bijgevolg zou het met een basisprodukt moeten worden gelijkgesteld .
10 Er zij op gewezen, dat genoemde omstandigheden geen enkel gevolg hebben voor de kwalificatie van een goed met betrekking tot bijlage II bij het Verdrag . Deze kwalificatie hangt immers, ongeacht met welk doel zij geschiedt, uitsluitend af van de tariefpost waaronder het betrokken goed ressorteert volgens de IDR-Nomenclatuur, waarnaar bijlage II bij het Verdrag verwijst .
11 Mitsdien moet op de eerste vraag worden geantwoord, dat noch de onjuiste tariefindeling van een goed bij zijn invoer in de Gemeenschap, noch de vergissing door de verkrijger te goeder trouw begaan met betrekking tot de oorsprong van dat goed, noch de aard van het produkt dat er door verwerking uit is verkregen, noch ten slotte het feit dat dat produkt wegens het niet-ingrijpende karakter van de ondergane verwerking niet kan worden geacht van communautaire oorsprong te zijn, tot gevolg kan hebben, dat een niet onder bijlage II bij het Verdrag vallend goed als een in de bijlage begrepen basisprodukt wordt beschouwd voor de latere toepassing van de regels betreffende de toekenning van uitvoerrestituties en extracommunautaire compenserende bedragen bij de uitvoer uit de Gemeenschap van de door verwerking van dat goed verkregen produkten .
De tweede vraag
12 De tweede prejudiciële vraag betreft de uitlegging van artikel 9 van verordening nr . 2682/72 van de Raad van 12 december 1972 tot vaststelling van de algemene regels aangaande de toekenning van restituties bij uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het restitutiebedrag betreffende bepaalde landbouwprodukten, uitgevoerd in de vorm van goederen die niet onder bijlage II bij het Verdrag vallen ( PB 1972, L 289, blz . 13 ).
13 Volgens artikel 1, lid 1, ziet deze verordening slechts op de toekenning van restituties bij de uitvoer van de in bijlage A opgenomen basisprodukten, van de produkten verkregen door de verwerking daarvan en van produkten "waarvan de gelijkstelling met één van deze twee categorieën voortvloeit uit het bepaalde in lid 2, wanneer deze worden uitgevoerd in de vorm van goederen welke niet onder bijlage II van het Verdrag vallen ". De uitvoer van basisprodukten als zodanig valt dus niet binnen de werkingssfeer van deze verordening .
14 Luidens artikel 9 wordt "de restitutie, bedoeld in artikel 1, lid 1, ... niet verleend voor goederen die overeenkomstig artikel 10, lid 1, van het Verdrag in het vrije verkeer zijn gebracht en die daarna, hetzij in onverwerkte toestand, hetzij na verwerking worden uitgevoerd ."
15 Gezien de werkingssfeer van de verordening, dient te worden vastgesteld, dat dit artikel het recht op restitutie slechts uitsluit voor de uitvoer van niet onder bijlage II vallende goederen die eerst als zodanig uit derde landen zijn ingevoerd en in de Gemeenschap in het vrije verkeer zijn gebracht . Het vindt dus geen toepassing bij de uitvoer van een basisprodukt als butteroil, ook al is dit verkregen door verwerking van een uit een derde land ingevoerd en niet onder bijlage II vallend goed .
16 Mitsdien moet op de tweede vraag worden geantwoord, dat artikel 9 van verordening nr . 2682/72 van de Raad van 12 december 1972 aldus moet worden uitgelegd, dat het restituties bij uitvoer slechts uitsluit voor niet onder bijlage II vallende, onverwerkte of na verwerking uitgevoerde goederen die eerst als zodanig uit derde landen zijn ingevoerd en in de Gemeenschap in het vrije verkeer zijn gebracht . Het ziet daarentegen niet op de uitvoer van een basisprodukt, verkregen door verwerking van een eerder ingevoerd en niet onder bijlage II vallend goed .
De derde vraag
17 De derde vraag betreft de bepalingen van gemeenschapsrecht, op grond waarvan respectievelijk de restituties bij uitvoer uit de Gemeenschap van een basisprodukt als butteroil en de eventueel aan de exporteur verschuldigde monetair compenserende bedragen moeten worden vastgesteld .
18 Wat het eerste punt betreft, zij eraan herinnerd, dat, gelijk het Hof in zijn arrest van 1 oktober 1974 ( zaak 14/74, Norddeutsches Vieh - und Fleischkontor, Jurispr . 1974, blz . 899 ) overwoog, ter zake van uitvoerrestituties als grondbeginsel geldt, dat alleen voor produkten van oorsprong uit de Gemeenschap aanspraak op restitutie bestaat, terwijl de restitutie voor uit derde landen ingevoerde en naar derde landen wederuitgevoerde produkten slechts een "teruggave" van de geïnde heffing is .
19 Bij de ordening der landbouwmarkten zijn immers prijsmechanismen ingesteld om de landbouwproducenten bepaalde inkomstengaranties te verlenen . Daartoe is voorzien in het verlenen van restituties uit de communautaire middelen bij export naar derde landen, maar dit soort maatregelen geldt in beginsel alleen voor produkten uit de Gemeenschap .
20 In de specifieke sector van de melk en zuivelprodukten, waartoe butteroil behoort, ligt de voorwaarde van de communautaire oorsprong vervat in artikel 6, lid 1, van verordening ( EEG ) nr . 876/68 van de Raad van 28 juni 1968 tot vaststelling van de algemene voorschriften betreffende de toekenning van de restituties bij de uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het bedrag van de restitutie in de sector melk en zuivelprodukten ( PB 1968, L 155, blz . 1 ).
21 Luidens deze bepaling wordt "de restitutie ... uitbetaald wanneer het bewijs wordt geleverd dat de produkten :
- uit de Gemeenschap zijn uitgevoerd, en
- behalve in geval van toepassing van artikel 7, van oorsprong uit de Gemeenschap zijn ".
22 Daar de nationale rechter heeft vastgesteld, dat de in casu uitgevoerde butteroil niet kan worden geacht van communautaire oorsprong te zijn, zouden bij de uitvoer van dit produkt uit de Gemeenschap slechts restituties kunnen worden toegekend op grond van artikel 7 van verordening nr . 876/68, dat het recht op restitutie afhankelijk stelt van het bewijs dat het uit te voeren produkt hetzelfde is als het tevoren ingevoerde produkt en dat bij de invoer van dit produkt de heffing is toegepast .
23 Uit het antwoord op de eerste vraag vloeit voort, dat deze gelijkheidsvoorwaarde niet kan worden geacht te zijn vervuld in een situatie als de onderhavige, waarin het uitgevoerde produkt een door verwerking van een niet onder bijlage II vallend goed verkregen basisprodukt is .
24 Hierbij komt dat, anders dan Corman heeft betoogd, bij de uitvoer van een produkt van extracommunautaire oorsprong geen restituties kunnen worden toegekend door analogische toepassing van de verordeningen die voorzien in de betaling van restituties in andere gevallen . Het recht op restitutie kan immers slechts worden toegekend onder de in de gemeenschapsregeling gestelde voorwaarden . Overigens geldt, zoals hierboven is gezegd, op dit gebied als grondbeginsel, dat alleen voor produkten van oorsprong uit de Gemeenschap aanspraak op restitutie bestaat .
25 Wat het tweede punt betreft, moet de vraag van de nationale rechter worden onderzocht tegen de achtergrond van de verordening die de grondslag en het algemene kader van de monetair compenserende bedragen vormt, namelijk verordening ( EEG ) nr . 974/71 van de Raad van 12 mei 1971 betreffende bepaalde conjunctuurpolitieke maatregelen welke naar aanleiding van de tijdelijke verruiming van de fluctuatiemarges van de valuta' s van sommige Lid-Staten dienen te worden genomen in de landbouwsector ( PB 1971, L 106, blz . 1 ).
26 Ingevolge artikel 1, lid 1, van deze verordening zijn de Lid-Staten "onder de hierna volgende voorwaarden ten aanzien van de hieronder bepaalde produkten gemachtigd ... b ) compenserende bedragen toe te kennen bij de uitvoer naar Lid-Staten en derde landen ".
27 Lid 2 van dat artikel preciseert, dat deze bepaling zowel van toepassing is op "produkten waarvoor in het kader van de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten is voorzien in interventiemaatregelen" als op "produkten waarvan de prijs afhankelijk is van die van de ... bedoelde produkten en die ... onder de gemeenschappelijke ordening der markten vallen ".
28 Derhalve bevatten deze bepalingen, voor wat betreft de identificatie van de "produkten" die aan het stelsel van de monetair compenserende bedragen zijn onderworpen, een algemene verwijzing naar de regels betreffende de gemeenschappelijke ordening der landbouwmarkten ( arrest van 4 juli 1978, zaak 5/78, Milchfutter, Jurispr . 1978, blz . 1597 ). De uitvoer van een zuivelprodukt als butteroil kan dus onder de bij verordening nr . 974/71 bepaalde voorwaarden, aanleiding geven tot toekenning van monetair compenserende bedragen .
29 Met betrekking tot naar derde landen uitgevoerde produkten bepaalt artikel 6 van verordening nr . 1380/75 van de Commissie van 29 mei 1975 houdende uitvoeringsbepalingen betreffende de monetaire compenserende bedragen ( PB 1975, L 139, blz . 37 ), dat op deze laatste de bepalingen inzake het toekennen van uitvoerrestituties worden toegepast .
30 In het arrest van 4 juli 1978 ( r.o . 11 ) heeft het Hof evenwel geoordeeld, dat deze verwijzing geen andere betekenis heeft dan dat zij de betaling van de monetair compenserende bedragen koppelt aan de andere verrichtingen die in het handelsverkeer met derde landen ingevolge het douanetarief en de landbouwregelingen aan de grens plaatsvinden .
31 Deze verwijzing doelt dus op de toepassing van de bepalingen van financiële en administratieve aard die bedoelde verrichtingen beheersen, maar staat niet toe, dat de toekenning van monetair compenserende bedragen afhankelijk wordt gesteld van de materiële voorwaarden, onder meer die van de communautaire oorsprong, waarvan de betaling van restituties afhangt .
32 Anders dan de uitvoerrestituties, kunnen de compenserende bedragen dus zowel worden betaald voor produkten van communautaire oorsprong als voor produkten van extracommunautaire oorsprong die in het vrije verkeer zijn gebracht . Daar de monetair compenserende bedragen ten doel hebben monetaire handelsbelemmeringen te voorkomen, is de beslissende voorwaarde voor de toekenning ervan het bestaan van een schommeling van de wisselkoers van de munteenheid van de Lid-Staat van uitvoer die de bij de internationale regeling toegelaten fluctuatiegrens in bovenwaartse richting overschrijdt, zoals blijkt uit artikel 1, lid 1, van verordening nr . 974/71 .
33 Ten slotte zij erop gewezen, dat ingevolge artikel 12, lid 1, laatste alinea, van verordening nr . 1380/75, "wanneer een produkt dat van een Lid-Staat naar een andere Lid-Staat is uitgevoerd, nadien opnieuw wordt uitgevoerd naar een derde land of naar een andere Lid-Staat, ... het monetaire compenserende bedrag bij uitvoer uit de Lid-Staat van wederuitvoer slechts (( wordt )) toegepast indien het ook bij invoer in die Lid-Staat is toegepast of indien voor rekening van deze Lid-Staat gebruik is gemaakt van de bevoegdheid bedoeld in artikel 2 bis van verordening ... nr . 974/71 ".
34 In het onderhavige geval heeft de nationale rechter vastgesteld, dat de door Corman uit de Gemeenschap uitgevoerde butteroil afkomstig is van nutrix die eerst uit een andere Lid-Staat was ingevoerd en dat bij die invoer een monetair compenserend bedrag was toegepast . In die omstandigheden lijkt te zijn voldaan aan de in artikel 12, lid 1, laatste alinea, van verordening nr . 1380/75 gestelde voorwaarde .
35 Mitsdien moet op de derde vraag worden geantwoord, dat verordening nr . 876/68 van de Raad van 28 juni 1968 tot vaststelling van de algemene voorschriften betreffende de toekenning van de restituties bij de uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het bedrag van de restitutie in de sector melk en zuivelprodukten, het recht op restitutie uitsluit voor exporten uit de Gemeenschap van een basisprodukt dat verkregen is door verwerking van een niet onder bijlage II vallend goed en dat niet kan worden geacht van communautaire oorsprong te zijn . De uitvoer uit de Gemeenschap van dat produkt kan evenwel, onder de voorwaarden bepaald bij verordening nr . 974/71 van de Raad en artikel 12, lid 1, laatste alinea, van verordening nr . 1380/75 van de Commissie, aanleiding geven tot toekenning van monetair compenserende bedragen .
De vierde vraag
36 De vierde vraag betreft de beperkingen die van toepassing zijn op de uitvoerrestituties en op de monetair compenserende bedragen die eventueel verschuldigd zijn bij uitvoer van een basisprodukt als butteroil .
37 Gezien het antwoord op de derde vraag, is het eerste onderdeel van de vierde vraag, betreffende de uitvoerrestituties, zonder voorwerp .
38 Aangaande het tweede onderdeel, betreffende de monetair compenserende bedragen, kan worden volstaan met de vaststelling, dat de toepasselijke gemeenschapsregeling geen enkele beperking bevat als die welke bij voorbeeld voor de toekenning van uitvoerrestituties in de sector melk en zuivelprodukten is voorzien in artikel 7, lid 2, van verordening nr . 876/68, bepalende dat wanneer het uit te voeren produkt hetzelfde is als het tevoren ingevoerde produkt, de restitutie beperkt is tot het bedrag van de bij de invoer toegepaste heffing .
39 In een situatie als de onderhavige, waar een uit een Lid-Staat naar een andere Lid-Staat uitgevoerd produkt naar een derde land wordt wederuitgevoerd, beperkt artikel 12 van verordening nr . 1380/75 zich ertoe, de betaling van een compenserend bedrag afhankelijk te stellen van de voorwaarde dat een compenserend bedrag is toegepast bij de invoer in de Lid-Staat van wederuitvoer of dat voor rekening van deze staat gebruik is gemaakt van de in artikel 2 bis van verordening nr . 974/71 bedoelde mogelijkheid . Voor zover aan deze voorwaarde is voldaan, bevat voornoemde bepaling echter geen beperking wat de omvang van de monetair compenserende bedragen betreft .
40 Mitsdien moet op de vierde vraag worden geantwoord, dat de monetair compenserende bedragen die eventueel verschuldigd zijn bij uitvoer van een basisprodukt als butteroil, niet mogen worden beperkt naar maatstaf van de bij de invoer in de Gemeenschap daadwerkelijk geheven rechten noch naar maatstaf van de rechten die bij toepassing van de juiste tariefpost hadden moeten zijn geheven .
Beslissing inzake de kosten
Kosten
41 De kosten door de Commissie van de Europese Gemeenschappen wegens indiening harer opmerkingen bij het Hof gemaakt, kunnen niet voor vergoeding in aanmerking komen . Ten aanzien van de partijen in het hoofdgeding is de procedure als een aldaar gerezen incident te beschouwen, zodat de nationale rechterlijke instantie over de kosten heeft te beslissen .
Dictum
HET HOF VAN JUSTITIE ( Eerste Kamer ),
uitspraak doende op de door het Hof van Beroep te Brussel bij interlocutoir arrest van 29 september 1988 gestelde vragen,
verklaart voor recht :
1 ) Noch de onjuiste tariefindeling van een goed bij zijn invoer in de Gemeenschap, noch de vergissing door de verkrijger te goeder trouw begaan met betrekking tot de oorsprong van dat goed, noch de aard van het produkt dat er door verwerking uit is verkregen, noch ten slotte het feit dat dat produkt wegens het niet-ingrijpende karakter van de ondergane verwerking niet kan worden geacht van communautaire oorsprong te zijn, kan tot gevolg hebben, dat een niet onder bijlage II bij het Verdrag vallend goed als een in de bijlage begrepen basisprodukt wordt beschouwd voor de latere toepassing van de regels betreffende de toekenning van uitvoerrestituties en extracommunautaire compenserende bedragen bij de uitvoer uit de Gemeenschap van de door verwerking van dat goed verkregen produkten .
2 ) Artikel 9 van verordening ( EEG ) nr . 2682/72 van de Raad van 12 december 1972 moet aldus worden uitgelegd, dat het restituties bij uitvoer slechts uitsluit voor niet onder bijlage II vallende, onverwerkte of na verwerking uitgevoerde goederen die eerst als zodanig uit derde landen zijn ingevoerd en in de Gemeenschap in het vrije verkeer zijn gebracht . Het ziet daarentegen niet op de uitvoer van een basisprodukt, verkregen door verwerking van een eerder ingevoerd en niet onder bijlage II vallend goed .
3 ) Verordening ( EEG ) nr . 876/68 van de Raad van 28 juni 1968 tot vaststelling van de algemene voorschriften betreffende de toekenning van de restituties bij de uitvoer en de criteria voor de vaststelling van het bedrag van de restitutie in de sector melk en zuivelprodukten, sluit het recht op restitutie uit voor exporten uit de Gemeenschap van een basisprodukt dat verkregen is door verwerking van een niet onder bijlage II vallend goed en dat niet kan worden geacht van communautaire oorsprong te zijn . De uitvoer uit de Gemeenschap van dat produkt kan evenwel, onder de voorwaarden bepaald bij verordening ( EEG ) nr . 974/71 van de Raad en artikel 12, lid 1, laatste alinea, van verordening ( EEG ) nr . 1380/75 van de Commissie, aanleiding geven tot toekenning van monetair compenserende bedragen .
4 ) De monetair compenserende bedragen die eventueel verschuldigd zijn bij uitvoer van een basisprodukt als butteroil, mogen niet worden beperkt naar maatstaf van de bij de invoer in de Gemeenschap daadwerkelijk geheven rechten noch naar maatstaf van de rechten die bij toepassing van de juiste tariefpost hadden moeten zijn geheven .
Full & Egal Universal Law Academy